Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief KMAR-rapport De opsporing in de militaire politietaak

Datum nieuwsfeit: 17-08-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief Justitie kmar-rapport De opsporing in de militaire politietaak van november 1999

Gemaakt: 19-9-2000 tijd: 12:53

4

Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie

17 augustus 2000

Op 25 november 1999 heb ik u, samen met mijn ambtgenoot van Defensie, het rapport «De opsporing in de militaire politietaak « aangeboden. In de aanbiedingsbrief beloofden wij na een jaar te zullen rapporteren over de uitvoering van de aanbevelingen. Op 27 januari j.l. hebben wij Algemeen Overleg gevoerd met de vaste commissies voor Justitie en voor Defensie over dit evaluatie-onderzoek. Tijdens dit overleg heb ik toegezegd u te zullen informeren over de aanbevelingen van het rapport. Volledigheidshalve treft u de aanbevelingen zelf in numerieke volgorde in de bijlage aan.

Hierna volgt het toegezegde schriftelijke bericht, mede namens de Minister van Defensie.
Aanbevelingen 1 en 3 Deze aanbevelingen hebben betrekking op de noodzakelijke bewustwording van de rol van de Koninklijke marechaussee (Kmar) in de uitvoering van de militaire politietaak. Alle naar het buitenland uit te zenden militaire opsporingsambtenaren worden via het Opleidingscentrum van de Kmar te Apeldoorn door de officier van Justitie, belast met de behandeling van militaire zaken geïnstrueerd m.b.t. de praktische werking van het militair straf- en tuchtrecht. Het eerste werkbezoek van het Openbaar Ministerie aan een in het buitenland gestationeerde militaire eenheid heeft inmiddels plaatsgehad. Bij deze bezoeken komt het houden van functionele distantie tussen de Kmar en de militaire eenheden aan de orde. Dergelijke bezoeken zullen in de toekomst vaker plaatsvinden. Voorts zijn er aan dit onderwerp inmiddels enkele seminars gewijd. Tot slot is en wordt hier bij de verschillende werkbezoeken van de bevelhebber der Marechaussee en diens plaatsvervanger stelselmatig aandacht aan besteed.

Aanbeveling 2

In het kader van de invulling van deze aanbeveling worden verschillende activiteiten ontplooid. Zo worden, op grotere kazernecomplexen, gebiedsgebonden functionarissen van de Kmar aangesteld, die ten doel hebben de militairen beter te bedienen op het gebied van voorlichting en service-verlening. Districts- en brigadecommandanten hebben opdracht gekregen om de contacten met (onder-)commandanten te verstevigen en een betere communicatie te bevorderen.

Aanbeveling 4

Circa 7 jaar geleden zijn door het OM de eerste mogelijkheden geschapen om sneller op strafbare feiten te reageren door de introductie van het zogenaamde lik op stuk beleid. In mei 1998 is door het OM een nieuwe richtlijn uitgevaardigd, waarin de mogelijkheden en randvoorwaarden met betrekking tot het lik op stuk beleid opnieuw zijn geformuleerd. Ook bij alle uitzendingen en internationale oefeningen is het lik op stuk beleid onverkort van toepassing.

Recentelijk is genoemd beleid in alle districtelijke driehoeksoverleggen opnieuw aan de orde gesteld met het doel om te komen tot een intensivering van het afhandelen van strafzaken door middel van deze benadering.

Daarnaast participeert de Kmar ook in het zogenoemde AU-project. Hierbij wordt de - mogelijkheid geboden een verdachte direct na diens aanhouding een afdoeningsvoorstel uit te reiken. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit een transactievoorstel, in een aantal gevallen onder de voorwaarde dat het slachtoffer door de dader schadeloos wordt gesteld, of door het uitreiken van een dagvaarding.

Met ingang van 4 oktober 1999 kunnen alle brigades van de marechaussee de AU-methode hanteren voor zaken die behandeld worden door het arrondissementsparket in Arnhem. Het parket te Arnhem is geheel op deze werkwijze ingesteld. Het OM heeft als beleidsvoornemen dat 35% van de zaken dienen te worden afgedaan door middel van het lik op stuk beleid.

Per 1 januari 2000 is de Wet militair straf- en tuchtrecht gewijzigd Eén van de belangrijkste wijzigingen betreft artikel 79. De in dit artikel genoemde commune en militaire delicten kunnen, nadat de commandant hiertoe (zonder tussenkomst van de Kmar) toestemming van het openbaar

ministerie heeft gekregen, tuchtrechtelijk door de commandant van de desbetreffende militair worden afgedaan. De commandant hoeft vanaf de inwerkingtreding van deze wetswijziging derhalve geen aangifte te doen bij de Kmar, maar kan zich rechtstreeks wenden tot het openbaar ministerie. Daarnaast zijn de soorten strafbare feiten die op deze wijze tuchtrechtelijk kunnen worden afgedaan, toegenomen.

Aanbeveling 5

De stand van zaken met betrekking tot de piketdienst van het OM is als volgt.

Tijdens kantooruren is er altijd militaire deskundigheid beschikbaar.

Buiten kantooruren beschikt de piket-officier van justitie over een gedegen instructie voor de afhandeling van militaire aangelegenheden. Indien de piket-officier van justitie een spoedeisende militaire strafrechtelijke aangelegenheid niet zelf zou kunnen oplossen, is altijd speciale deskundigheid beschikbaar. Vanaf de invoering van deze noodprocedure (enige jaren geleden) tot heden hoefde daar op geen beroep te worden gedaan.

Aanbeveling 6

Het opstellen van een eenvormige procedure voor het instellen van huishoudelijke onderzoeken, die waarborgt dat een ter zake eventueel later te verrichten strafrechtelijk onderzoek niet belemmerd wordt , is ter hand genomen.

Aanbeveling 7

Conform de tekst van de aanbeveling worden opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee niet meer betrokken bij huishoudelijke onderzoeken en debriefings.

Aanbeveling 8

De aangifte-bereidheid van commandanten wordt in belangrijke mate vergroot door het onder aanbeveling 4 beschreven lik op stuk beleid. Voorts mag van uitvoering van aanbeveling 2 een verbetering in de aangifte-bereidheid worden verwacht. In gevallen waarin blijkt dat commandanten nalatig zijn om aangifte te doen worden zij hierop aangesproken.

Aanbeveling 9

Onder leiding van Justitie is een werkgroep, waarin het ministerie van Defensie en het Parket-Generaal participeren, opgestart aangaande de inventarisatie van de gewenste nadere afspraken over de melding van strafbare feiten door ambtenaren van bijzondere dienstonderdelen, zoals de MID, BBO's, de IGK en de DEFAC.

Aanbeveling 10

In het kader van het u bekende verbetertraject Beleid en Bedrijfsvoering Kmar 2000 (BBKMAR 2000) is de samenstelling van de Adviesraad Kmar herzien en neemt het OM sinds mei 2000 deel aan dit overleg.

Aanbeveling 11

Het in de aanbeveling gewenste landelijke militaire driehoeksoverleg met betrekking tot de militaire opsporingstaak is op 21 februari 2000 van start gegaan en komt 3 tot 4 maal per jaar bijeen.

Aanbevelingen 12, 13 en 17

Deze aanbevelingen hebben betrekking op de verbetering van de sturing van de Kmar, door o.a. het helder bepalen van de doelen en gewenste resultaten, door het genereren van gegevens die relevant zijn voor de totstandkoming van beleid in het landelijk driehoeksoverleg, en door aansluiting van de P&C-cyclus van de Kmar bij de P&C-cyclus van het OM.

De sturing van de Kmar door het OM geschiedt op dit moment aan de hand van door het OM gegenereerde gegevens over aantallen strafzaken, afhandelingstermijnen en afhandelingswijzen, per district en per categorie strafzaken. Deze gegevens worden periodiek in alle - regionale driehoeksoverleggen besproken.

De genoemde aanbevelingen worden uitgevoerd in het kader van het verbetertraject BBKMAR 2000. -Dit project heeft inmiddels geleid tot het formuleren van doelstellingen voor de militaire politiedienst. Deze zijn tot stand gekomen in onderlinge samenwerking tussen het OM en de Kmar en zijn opgenomen in de beleidsbrief (de zogenaamde marechausseebrief) voor de planning van 2001. De realisatie van de doelstellingen wordt periodiek (eens per vier maanden) gerapporteerd aan het OM.

Aanbeveling 14

In het regionale driehoeksoverleg worden rapportages van het OM, met betrekking tot de aanlevering van militaire strafzaken door de Kmar en de afhandeling van deze zaken door het OM besproken en aangewend om waar nodig het beleid bij te stellen.

Met uitvoering van de aanbevelingen 12 en 13 kan verder invulling worden gegeven aan het regionale/ lokale opsporings- en vervolgingsbeleid. Dit zal geschieden binnen de kaders die door het landelijk driehoeksoverleg zullen worden gesteld.

Aanbeveling 15

In het Beleidsoverleg Openbaar Ministerie - Krijgsmachtdelen ( BOK ) vindt nu reeds de beleidsafstemming plaats met betrekking tot de uitvoering van de militaire politietaak tussen het OM, de krijgsmachtdelen, waar onder de Kmar, binnen het door de landelijke driehoek vastgestelde beleid. Het BOK zal blijven bestaan en een beleidsvoorbereidende en adviserende rol spelen ten behoeve van het landelijk driehoeksoverleg.

Aanbeveling 16

Bij de opstelling van landelijke beleidsplannen die zien op de opsporing en handhaving zullen ook de civiele en militaire opsporingstaken van de Koninklijke marechaussee worden betrokken. Dit zal concreter vorm kunnen krijgen naarmate het gestelde in aanbevelingen 12, 13 en 17 wordt verwezenlijkt.

Aanbevelingen 18, 19, 20 en 22

De aanbevelingen 18 en 19 betreffen aanpassing en vervanging van bestaande instructies voor bijzondere meldingen en voor meldingen van strafbare feiten. Deze aanbevelingen worden thans uitgevoerd en zijn in bewerking. Het OM ontvangt inmiddels afschrift van schriftelijke meldingen van de Kmar over strafbare feiten. .

Het spreekt vanzelf dat aan uitgewerkte aanbevelingen zoals nieuwe voorschriften over procedures, bijzondere meldingen, aanwijzingen enzovoort op adequate wijze ruime bekendheid zal worden gegeven aan alle relevante functionarissen binnen het Ministerie van Defensie en de daaronder ressorterende Krijgsmachtdelen.

Aanbeveling 21

De circulaire van de minister van Justitie "Kennisgeving strafrechtelijke vervolging van ambtenaren" is met ingang van 1 mei 2000 vervangen door de Handleiding verstrekking van strafrechtelijke gegevens aan derden voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (Handleiding WPR, Stcrt. 3 mei 2000, nr. 86). Op grond van artikel 9 van het (gewijzigde) modelprivacyreglement COMPAS kan de officier van justitie aan de Minister van Defensie in beginsel (in alle gevallen dient een belangenafweging te worden gemaakt tussen de belangen van de verdachte en de belangen van defensie) informatie uit strafdossiers verstrekken. Die informatie kan alleen worden verstrekt ten behoeve van het treffen van rechtspositionele maatregelen tegen een ambtenaar die wordt verdacht van een misdrijf waarvan duidelijk is dat het twijfels kan doen rijzen over zijn behoorlijk beroepsmatig functioneren of voorzover een zwaarwegend openbaar belang daartoe noodzaakt en de verstrekking noodzakelijk is voor een behoorlijke taakuitvoering van de officier van justitie.

Hiermee hoop ik u, mede namens mijn ambtgenoot van Defensie, voldoende inzicht gegeven te hebben in de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de 22 aanbevelingen uit het rapport over de opsporing in de militaire politietaak van de Koninklijke marechaussee.

De Minister van Justitie,

Aanbeveling 1

Aanbevolen wordt om zowel commandanten als marechaussee(s), in het kader van de opsporingstaak, voor hun uitzending, bewust te maken van de noodzaak, dat er een functionele afstand dient te zijn tussen de militaire eenheid en het Koninklijke marechaussee_detachement en militaire conunandanten er op te wijzen die afstand te respecteren. Tijdens de uitzending kan dit noodzakelijke bewustzijn worden versterkt. Hier ligt een bijzondere rol zowel voor de contingentsconunandant en in het bijzonder voor de aan hem toegevoegde jurist (indien aanwezig) als voor de betrokken functionarissen van de Koninklijke marechaussee. De noodzakelijke functionele distantie kan worden versterkt door vanuit de leiding van de Koninklijke marechaussee en het OM aandacht te besteden aan het detachement opsporingsambtenaren. Dit kan bijvoorbeeld tot uitdrukking komen in regelmatige communicatie en in bezoeken.

Aanbeveling 2

Aanbevolen wordt om naast repressief optreden, de inzet van opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee meer dan thans te richten op preventie, voorlichting, advisering en serviceverlening. Daarmee kan worden bereikt dat de communicatie met de krijgsmachtdelen wordt versterkt.

Aanbeveling 3

Aanbevolen wordt om de transparantie te bevorderen. In de eerste plaats moet de bewustwording ten aanzien van de verschillende rollen worden versterkt bij gelegenheid van voorlichting en voorbereiding van uit te zenden commandanten. In de tweede plaats dient te worden gedacht aan het uitdragen van dit aspekt in de verschillende opleidingen (Koninklijke Militaire Academie, Koninklijk Instituut voor de Marine, overige militaire opleidingen, Opleidingscentrum Kmar, voortgezette opleidingen).

Aanbeveling 4

Aanbevolen wordt om het strafrecht effectiever toe te passen; hierbij valt met name te denken aan het versterken en toepassen van een lik-op_stuk beleid.

Aanbeveling 5

Aanbevolen wordt in de piketdienst bij het OM te voorzien in deskundigheid ten aanzien van militaire zaken, zodat 24 uur per dag, 7 dagen per week deskundigheid op dit terrein beschikbaar is.

Aanbeveling 6

Het is wenselijk dat er een eenvormige procedure wordt ontwikkeld voor het instellen van huishoudelijke onderzoeken, die waarborgt dat een (later) te verrichten strafrechtelijk onderzoek niet wordt belenunerd. Die procedure zou in elk geval de volgende elementen moeten bevatten:

I. wanneer er naar de mening van de commandant een mogelijk strafbaar feit in het geding is, dient hij daarvan aangifte te doen bij de Koninklijke marechaussee (conform artikel 78 Wetboek van Militair Tuchtrecht);

II. de commandant wacht met het instellen van een huishoudelijk onderzoek indien de Kmar zelf onderzoek wenst te verrichten;

III. een ingesteld huishoudelijk onderzoek wordt geschorst indien alsnog blijkt dat sprake is van een mogelijk strafbaar feit;

IV. indien de veiligheid of de spoedeisendheid de commandant noopt tot handelen doet hij dit niet dan na overleg en met instemming van het OM onder vermelding van de redenen waarom optreden geboden is.

Aanbeveling 7

Opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee dienen niet meer te worden betrokken bij huishoudelijk onderzoeken en bij debriefings. Tevens wordt aanbevolen ambtenaren van de Koninklijke marechaussee niet meer tewerk te stellen bij de bureaus bijzondere opdrachten.

Aanbeveling 8

Het is van groot belang dat de aangifteplicht door de commandanten wordt nageleefd. De mogelijkheden die thans bestaan om het niet voldoen aan deze aangifteplicht te sanctioneren zullen beter moeten worden benut.

Aanbeveling 9

Er dienen overeenkomstig de kaders van de nieuwe Wet op de Inlichtingen_ en Veiligheidsdiensten nadere afspraken te worden gemaakt tussen Justitie, Defensie, het openbaar ministerie over de melding van strafbare feiten door ambtenaren van de bijzondere dienstonderdelen als de MID, BBO s, de IGK en de DEFAC.

Aanbeveling 10

Het verdient aanbeveling in het licht van het bovenstaande en in het kader van het traject BBKMAR 2000 de naam, taak en samenstelling van de Adviesraad nader te bezien met name wat betreft de rol van het OM.

Aanbeveling 11

Het is wenselijk dat er een landelijk militair driehoeksoverleg wordt ingesteld voor de politiedienst voor de krijgsmacht, dat tot taak krijgt om binnen de nationale kaders het beleid te formuleren. In dit overleg dienen gezag, beheer en de Koninklijke marechaussee op een zo hoog mogelijke ambtelijk niveau te zijn vertegenwoordigd.

Aanbeveling 12

De sturing door het Openbaar Ministerie dient te geschieden door het helder bepalen van de doelen c.q. de gewenste resultaten alsmede door het opstellen van toetsingscriteria voor het meten van de opsporingsactiviteiten van de Koninklijke marechaussee.

Aanbeveling 13

In het kader van BBKMAR 2000 moet aandacht worden besteed aan het genereren van gegevens die relevant zijn voor het totstandkomen van beleid in het landelijk driehoeksoverleg. De toetsing van de behaalde resultaten kan dan plaats te vinden via periodieke rapportage.

Aanbeveling 14

Het regionale driehoeksoverleg moet, binnen de kaders van het door de landelijke driehoek vastgestelde beleid, tot taak krijgen het formuleren van het regionale opsporings_ en vervolgingsbeleid, waaronder het stellen van lokale prioriteiten. Dit draagt bij aan de versterking van de positie van de regionale driehoek.

Aanbeveling 15

Het is wenselijk dat het BOK in zijn huidige samenstelling blijft bestaan en in relatie tot het landelijk driehoeksoverleg een beleidsvoorbereidende en adviserende rol gaat vervullen.

Aanbeveling 16

Het verdient aanbeveling om bij het opstellen van landelijke beleidsplannen die zien op de opsporing en handhaving ook de opsporingstaak van de Koninklijke marechaussee te betrekken, zowel wat betreft de civiele taken als de militaire taak van de Koninklijke marechaussee genoemd in artikel 6 van de Politiewet 1993.

Aanbeveling 17

In het kader van het plan van aanpak en de tijdsfasering van het project BB Kmar 2000 bij de Koninklijke marechaussee dient ook aansluiting te worden gemaakt met de planning & control_cyclus bij het openbaar ministerie gelet op het belang van een goede aansluiting van het beheer op het geformuleerde beleid.

Aanbeveling 18

Aanbevolen wordt om de operationele instructie voor bijzondere meldingen binnen de Koninklijke marechaussee aan te passen, onder meer in die zin dat het openbaar ministerie afschrift ontvangt van iedere schriftelijke melding die betrekking heeft op (mogelijke) strafbare feiten. Daarnaast zou de instructie moeten voorzien in uitzonderingssituaties, waarbij vooraf door het openbaar ministerie wordt overlegd met de bevelhebber van de KMar over de bijzondere melding, hetgeen kan leiden tot uitstel of tot een zeer beperkte verspreiding van de desbetreffende informatie.

Aanbeveling 19

Aanbevolen wordt om de nota van de secretaris_generaal van het Ministerie van Defensie aan de bevelhebbers te doen vervangen door een nieuwe aanwijzing. Daarin zou op heldere wijze uiteen moeten worden gezet wanneer en langs welke weg informatie over strafbare feiten door onderdelen van Defensie _ met uitzondering van de Koninklijke marechaussee _ wordt bekend gesteld aan de minister van Defensie.

Aanbeveling 20

Aanbevolen wordt om de bij het ministerie van Defensie en de krijgsmachtdelen bestaande regels en procedures voor het doorgeven van informatie over bijzondere voorvallen en mogelijk strafbare feiten te herformuleren en te publiceren als een samenhangend geheel in een (interne) bundel, die kenbaar is in de gehele Defensie_organisatie.

Aanbeveling 21

Aanbevolen wordt om de circulaire van de minister van Justitie "kennisgeving strafrechtelijke vervolging van ambtenaren" te actualiseren of te vervangen. De nieuwe of vernieuwde circulaire zou moeten voorschrijven wanneer door of namens het openbaar ministerie informatie kan worden verstrekt aan de minister van Defensie: indien uit resultaten van een strafrechtelijk onderzoek blijkt dat twijfels kunnen rijzen ten aanzien van het behoorlijk functioneren van de ambtenaar (waaronder ook de militair ambtenaar) en/of van het desbetreffende ministerie, ambtelijke dienst of enig onderdeel daarvan (waaronder ook de krijgsmacht).

Aanbeveling 22

Aanbevolen wordt om binnen het ministerie van Defensie ruime bekendheid te geven aan dergelijke nieuwe voorschriften voor de informatieverstrekking door het openbaar ministerie. Deze voorschriften zouden kunnen worden gepubliceerd (bijvoorbeeld in een aanwijzing secretaris_generaal, op te nemen als MP_bundel"), waarbij tevens verband wordt aangebracht met binnen de krijgsmacht en de Koninklijke marechaussee geldende regelingen voor informatieverstrekking omtrent strafbare feiten.

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie