Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord Economische Zaken over milieutaak energiebedrijven

Datum nieuwsfeit: 29-08-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief EZ antwoorden inzake milieutaak energiebedrijve n

Gemaakt: 11-9-2000 tijd: 14:29

9

Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken

29 augustus 2000

Hierbij zend ik u de antwoorden op de door uw commissie gestelde vragen naar

aanleiding van het rapport van de Algemene Rekenkamer Milieutaak energiebedrijven: verslaglegging en toezicht, zoals ik die op 20 april jl. heb ontvangen.

(w.g.) A. Jorritsma-Lebbink

Minister van Economische Zaken

Uit het Rekenkamerrapport blijkt dat de MAP-reserve per 31-12-97 bijna fl. 300 miljoen gulden bedraagt. Kan de minister de stand per 31-12-99 weergeven? Zo neen, wanneer zijn deze cijfers wel te verwachten. (Blz. 5)

Antwoord

De gezamenlijke MAP reserves bedroegen eind 1998 f 296 mln. Volgens de laatste berekeningen van EnergieNed, die in de MAP-jaarrapportage over 1999 zullen worden vastgelegd, dalen deze gezamenlijke MAP reserves naar f 287 mln. Hiervan is f 96 mln. (1998: 41 mln.) al vastgelegd d.m.v. lange termijn contracten. Dat houdt in dat er eind 1999 f 191 mln. (1998: 255 mln.) aan vrije reserves bij de energiebedrijven waren. Het betreft hier wel een optelsom van de afzonderlijke MAP-reserves per energiebedrijf. De reserve per energiebedrijf verschilt per bedrijf en loopt van nihil tot meer dan f 10 mln. De reserves ontstaan door verschillen tussen de begrote en gerealiseerde inkomsten en uitgaven. De omvang van de MAP-inkomsten is afhankelijk van een veelvoud aan factoren (geplande projecten; geschatte bedragen aan subsidie; aanwezige reserves en de geschatte energieverkoop). Bij een hogere groei van de economie dan verwacht en door bijvoorbeeld een koude winter zal de energieafzet hoger uitvallen en daarmee de MAP-inkomsten. Aan de uitgavenkant is een complicerende factor dat niet alle beoogde MAP-projecten worden gerealiseerd. Redenen daarvoor kunnen intern organisatorisch van aard zijn, maar ook extern worden bepaald. De realisatie van projecten is immers meestal afhankelijk van de inzet van derden (subsidieaanvragers, financiers van de projecten en bijvoorbeeld vergunningsprocedures). De hiermee gemoeide bedragen worden opzij gezet, maar zijn nog niet volledig gecommitteerd.

De MAP-reserves zullen gedeeltelijk worden gebruikt om in 2000 extra duurzame energie projecten van de grond te krijgen en gedeeltelijk voor het reserveren voor lange termijn contracten, bijvoorbeeld voor het vastleggen van jaarlijkse bijdrage in de terugleververgoeding voor windenergie.

In het bestedingsplan 2000 dat door EnergieNed is ingediend voor het jaar 2000 wordt aangegeven dat de totale reserves eind 2000 ongeveer f 205 mln. zullen bedragen. De reserveringen voor lange termijn contracten vormen daar f 168 mln. van. De vrije reserves worden dus gereduceerd tot een niveau van f 37 mln. aan het eind van het jaar 2000. Dit onder voorbehoud van de uiteindelijk gerealiseerde inkomsten en uitgaven.

De energiebedrijven zullen ook deze gelden, zoals vastgelegd in de Wet energiedistributie (WED), ook na afloop van het MAP, besteden aan het doel waarvoor ze zijn opgebracht, namelijk het bevorderen van energiebesparing en toepassing van duurzame energie

Hoe ziet de minister de uitvoering - in de handen van de energiedistributiebedrijven geplaatst - van de in de Wet Energiedistributie genoemde taak om milieubewust en doelmatig gebruik te maken van energie in de geliberaliseerde markt, gelet op de frictie tussen verkopen van energie en besparing van energie? (Blz. 5)

Antwoord:

In het Energierapport is aangekondigd dat er een evaluatie zal plaatsvinden van de WED, waarin ook deze wettelijke taak en de financiering daarvan zal worden meegenomen.

De gezamenlijke energiedistributiebedrijven hebben ultimo 1997 een MAP-reserve opgebouwd van bijna f 300 miljoen gulden. Hoe komt dit? Zijn deze gelden thans besteed aan MAP projecten, zo niet wanneer en hoe zullen deze gelden worden besteed? Wat gebeurt er met de MAP-reserve van f 300 miljoen gulden als het MAP afloopt? (Blz. 5)

Antwoord:

zie antwoord op vraag 1.

De MAP-gelden zijn bedoeld voor een aantal met name genoemde milieudoelstellingen. In de praktijk zijn ze echter ook voor andere milieudoelstellingen gebruikt zoals het saneren van terreinen van voormalige gasfabrieken. Acht de minister deze besteding in overeenstemming met het MAP? Zo neen, acht zij het juist dat de distributiebedrijven deze gelden alsnog terugstorten in het MAP-fonds? (Blz. 8)

Antwoord:

Het saneren van de bodem van voormalige gasfabrieken behoort niet tot de activiteiten die vallen onder het MAP. In de aanloop naar de TK-behandeling van de WED is dit punt aan de orde geweest. De PNEM had indertijd gelden die al waren gereserveerd voor de bodemsaneringsactiviteiten toegevoegd aan de MAP-reserve. Dit wekte echter teveel verwarring. Deze reservering is dan ook destijds door de PNEM weer apart in de boeken opgenomen.

Hebben de energiedistributiebedrijven de vrije beschikking over de MAP-gelden of zijn ze gebonden aan besteding van deze gelden aan een aantal met name genoemde doeleinden? (Blz. 8)

Antwoord:

In de WED artikel 2 lid c staat dat een energiebedrijf de volgende taak op dit vlak heeft: »het bevorderen van een doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord gebruik van energie door zowel het distributiebedrijf zelf als door de verbruikers van elektriciteit, gas of warmte». Artikel 10 geeft de mogelijkheid tot maximaal 2,5% van het energietarief voor dit doel ter dekking van de kosten te gebruiken. In de set van afspraken over het MAP 2000 zijn nog nadere afspraken gemaakt over de hoogte van de totaal doelstelling. Er is indicatief aangegeven bij welke doelgroepen welk resultaat zal worden gehaald. De uitvoering van het MAP is echter geheel de verantwoordelijkheid van de afzonderlijke energiedistributiebedrijven, en is concreet uitgewerkt in hun eigen B-MAP. Ook de bevordering van duurzame energie is een van die nadere afspraken.

Betekent het besteden van gelden aan andere doeleinden dat het energiedistributiebedrijf onrechtmatig heeft gehandeld? Zo neen, hoe zou de minister het handelen dan willen omschrijven? (Blz. 8)

Antwoord:

Indien de gelden zouden zijn besteed aan andere doeleinden, dan waarvoor ze zijn opgebracht, dan zou dat het geval zijn. De in het kader van het MAP geïnde gelden zijn echter aan MAP-activiteiten besteed, dus moet het antwoord luiden: nee.

Een rechtmatigheidsonderzoek door Ernst en Young dat op verzoek van mijn ministerie door EnergieNed bij haar leden is uitgezet, geeft aan dat 1,3% van de getoetste uitgaven (ca. f 915 mln.) in de eerste en tweede MAP-periode als niet conform de administratieve regels zijn aan te merken. Het betreft hier voornamelijk te veel uitgekeerde subsidie en ten onrechte in rekening gebrachte kosten (o.a. BTW). Het genoemde percentage valt binnen de vooraf in het overleg met mijn ministerie door EnergieNed vastgestelde en ook door de Algemene Rekenkamer gehanteerde norm (accountantscontrolerisico van 5%). Zover vastgesteld, ligt het zwaartepunt van de fouten in de eerste MAP-jaren. De administratie van het MAP bij de energiebedrijven is gedurende de looptijd verbeterd.

Dient het saldo aan gereserveerde gelden niet terugbetaald te worden aan de afnemer als de wet dit jaar afloopt? (Blz. 8)

Antwoord:

Aan het einde van de looptijd van het MAP zal naar verwachting van EnergieNed de nog vrij besteedbare reserves ongeveer f 37 miljoen bedragen. De rest van de reserves zijn vastgelegd in langlopende contracten. De f 37 mln. zal door de onderscheiden energiebedrijven moeten worden uitgegeven aan de doelen waarvoor ze zijn opgebracht. Aangezien het MAP als convenant na 2000 niet meer bestaat, zullen deze fondsen aan besparingsactiviteiten moeten worden uitgegeven om aan de in de WED vastgelegde wettelijke taak te voldoen. Kortom aan activiteiten die sterk zullen lijken op MAP-activiteiten, die immers na 1997 als invulling van de WED-taak zijn gezien. Voor deze uitgaven na 2000 geldt - op basis van de WED - dat de energiebedrijven via EnergieNed een begroting met goed onderbouwde plannen zullen inleveren. EnergieNed heeft reeds aangegeven dat zij haar leden die de WED uitvoeren, zal adviseren het model van de Algemene Rekenkamer te hanteren voor rapportage over de besteding van deze resterende vrij besteedbare MAP-reserve.

Het onderzoek van de Rekenkamer strekt zich uit tot 32 van de 34 energiedistributie-bedrijven. Hoe is gegarandeerd dat de overige 2 gemeentelijke distributiebedrijven hun geld wel doelmatig en rechtmatig hebben besteed? (Blz. 8)

Antwoord:

De gemeentelijke energiedistributiebedrijven vallen onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid, daarom heeft de Rekenkamer deze niet meegenomen. In het MAP wordt dit onderscheid niet gemaakt. Deze bedrijven zijn ook gewoon meegenomen in het rechtmatigheidsonderzoek.

De opgebouwde reserve aan MAP-toeslagen bedroeg eind 1997: f 298 miljoen. Hierin is de geaccumuleerde rente niet of niet bij alle distributiebedrijven begrepen. Hoeveel bedraagt de geaccumuleerde rente per eind 1997? Waarom is rente niet of niet in alle gevallen aan de opgebouwde reserve toegevoegd? (Blz. 8)

Antwoord:

De rente over een eventuele reserve maakt, evenals de reserve zelf, onderdeel uit van de in een jaar ter beschikking staande middelen. Er is dus geen sprake van geaccumuleerde rente. Wanneer middelen niet worden besteed vormen ze aan het eind van het jaar de reserve. Het grootste gedeelte van de middelen komt verspreid over het jaar binnen. Voor energiebedrijven met een beperkte reserve zijn er door de cashflow van inkomsten en uitgaven überhaupt geen rente-inkomsten.

Als de rente over de opgebouwde reserve aan MAP-toeslagen eind 1997 niet aan de reserve is toegevoegd, waar hebben de distributiebedrijven dat op hun balans laten zien? (Blz. 11)

Antwoord:

zie antwoord 9

11. Zijn er distributiebedrijven die rente over opgebouwde reserves aan MAP-toeslagen voor andere (bedrijfs-) doeleinden hebben gebruikt dan voor MAP-projecten? (Blz. 11)

Antwoord:

Nee, zie ook antwoord 9.

Door de Rekenkamer is geconstateerd dat de publieke verslaglegging over 1997 voldoet aan de eisen van de Wet Energiedistributie. Anderzijds wordt op pagina 5 geconstateerd dat onvoldoende inzicht is in de rechtmatigheid en doelmatigheid van de ingezette middelen. Betekent dit dat in de wet de rapportageverplichting onvoldoende is geregeld? Zo neen, hoe zijn deze uitspraken dan met elkaar te combineren? (blz. 13)

Antwoord:

In de WED is een aantal eisen neergelegd waaraan de distributiebedrijven moeten voldoen. Het betreft hier het opnemen van MAP-inkomsten en uitgaven, inclusief positief of negatief saldo in de toelichting op de jaarrekening van de onderneming. Deze toelichting en jaarrekening dienen voor een ieder ter inzage te liggen. Daar voldoen alle energiebedrijven aan.
In de visie van de Algemene Rekenkamer, gebaseerd op de RWT-inzichten (zie antwoord 15) is een jaarlijkse beoordeling van recht- en doelmatigheid van de taakuitvoering noodzakelijk. In die lijn redenerend wordt in de WED te weinig geregeld over een rapportageplicht.
Het is daarmee een kwestie van interpretatie geworden. Aan de wet wordt voldaan, maar de Algemene Rekenkamer vindt dat, omdat het in haar visie publieke middelen betreft, elk jaar rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering moet worden vastgesteld. De rechtmatigheid wordt in het kader van het MAP per periode achteraf vastgesteld en de doelmatigheid van de ingezette middelen periodiek vooraf door een uitgebreide analyse van alle MAP-activiteiten op kosteneffectiviteit te rangschikken en deze als leidraad aan de energiebedrijven aan te bieden voor de komende MAP-periode (zie ook antwoord 6).

Wat is de reden dat de Energiedistributiebedrijven grotendeels niet aan het verslagleggingsmodel van EnergieNed voldeden, zoals was afgesproken? Zijn hier praktische redenen de oorzaak van of zijn de distributiebedrijven het niet eens met de afspraken die door EnergieNed hieromtrent zijn gemaakt? (Blz. 14)

Antwoord:

Praktische redenen liggen hieraan ten grondslag. De financiële systematiek van, vooral de grotere, energiebedrijven biedt niet altijd de mogelijkheid om het financiële model van EnergieNed volledig te volgen.

Hoe is te verklaren dat door veel energiebedrijven hogere personeelskosten ten laste van de MAP werden gebracht dan het model van EnergieNed rechtvaardigde? Waren die kosten reëel of trachtte men zo MAP-inkomsten over te hevelen om het bedrijfsresultaat van het energiedistributiebedrijf gunstig te beïnvloeden? (Blz. 15)

Antwoord:

In het model van EnergieNed is een gemiddeld niveau voor de personeelskosten als uitgangspunt genomen. Dit niveau is op basis van een advies van Ernst & Young overgenomen. De reële personeelskosten kunnen voor ieder energiebedrijf dus hoger of lager liggen. Zie ook antwoord 13.

Hoe kan het de energiedistributiebedrijven zijn ontgaan dat MAP-gelden publieke gelden zijn die voor een wettelijk omschreven doel is bestemd? Is bij EnergieNed te achterhalen welke gelden besteed zijn aan niet wettelijk omschreven doelen? (Blz. 15)

Antwoord:

Naar de mening van de Algemene Rekenkamer is aannemelijk te maken dat de Algemene Rekenkamer een controlerende taak heeft bij niet direct aan de overheid gerelateerde uitgaven. Deze redenering definieert de MAP-bijdrage als publieke gelden. Voor deze gelden geldt volgens de Algemene Rekenkamer niet het lichte regime, gebaseerd op een vrijwillig convenant en gericht op inzicht op hoofdlijnen, maar zwaardere eisen die meer overeenkomend met wat bij de begrotingsuitvoering gebruikelijk is. In antwoord op vragen van de commissie voor de Rijksuitgaven, mede namens de vaste commissies voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Financiën wordt aangegeven dat met de Algemene Rekenkamer van mening wordt verschild over de rubricering van energiedistributiebedrijven als rechtspersoon met wettelijke taak (RWT). Het gaat hier, volgens de Algemene Rekenkamer, immers om «privaatrechtelijke organisaties, waarvan de inning en besteding uit tarieven niet als publiek geld wordt beschouwd. De betrokkenheid van de minister bij vaststelling van de hoogte van de gehanteerde tarieven wordt in deze gevallen op zich niet voldoende geacht om daarmee verkregen middelen als publiek geld (bij of krachtens wet ingestelde heffingen) te bestempelen en de bewuste organisaties daardoor aan te merken als RWT. De Rekenkamer is zich ervan bewust dat zij in haar onderzoek aan het begrip `publiek geld' een ruimere betekenis heeft gegeven dan gebruikelijk is en dat over het algemeen tarieven niet worden beschouwd als publiek geld.»

De meeste energiebedrijven voldoen kennelijk voor het MAP-gedeelte volgens de Algemene Rekenkamer toch aan de RWT-definitie.

De MAP bijdrage is een onderdeel van de consumentenprijs voor energie en de energiebedrijven zijn van mening dat de MAP-inspanningen op vrijwillige basis worden uitgevoerd. Bij het afsluiten van de laatste fase van het MAP in 1997 waren deze inzichten van de Algemene Rekenkamer nog niet bekend. Het «Best Practice»-onderzoek van de Rekenkamer begonnen in 1996 leidde pas in 1999 tot deze aanbevelingen.

Het rechtmatigheidsonderzoek dat over de jaren 1990 t/m 1996 is uitgevoerd geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat er MAP-gelden zijn uitgegeven aan niet wettelijk omschreven doelen.

Het bedrijfsresultaat van de energiebedrijven is positief beïnvloed doordat de energiebedrijven MAP-gelden konden innen. Dit is nooit de bedoeling van de wetgever geweest. Hoe beoordeelt de minister deze handelswijze van de energiedistributiebedrijven? (Blz. 16)

Antwoord:

De MAP-bijdrage is in 1990 ingevoerd. De MAP-bijdrage vormde in die tijd ook al een onderdeel van het energietarief en bestond dus al toen de WED in 1997 de wettelijke basis werd. De wetgever heeft in die tijd een bestaande praktijk in een wettelijk kader willen plaatsen. Het bedrijfsresultaat wordt door het innen van de bijdrage hooguit kortstondig positief beïnvloed. De bereikte besparingen zullen op de langere termijn eerder een negatief effect op het bedrijfsresultaat hebben, als gevolg van de verminderde omzet.

De Rekenkamer stelt in haar rapport dat voor wat betreft de Administratieve Organisatie en Interne Controle in onvoldoende mate was voorzien in administratieve waarborgen. De Rekenkamer is voorts van oordeel dat bij een groot aantal bedrijven niet voldaan is aan minimum voorwaarden voor een betrouwbare verslaglegging. Waarom vindt EnergieNed dat aparte Administratieve Organisatie voor MAP niet nodig is en waarom vindt EnergieNed het huidig systeem voor berekening van beleidsprestaties adequaat? (Blz. 16)

Antwoord:

EnergieNed is van mening dat de administratieve controle zoals die voor alle activiteiten van een energiebedrijf geldt voldoende is en dus, ook voor de MAP-uitgaven voldoende zou moeten zijn. Het huidige systeem van het berekenen van de beleidsprestaties is gebaseerd op de afspraken die daaromtrent in het kader van het MAP zijn gemaakt. Op de MAP-wijze kan aannemelijk worden gemaakt dat het afgesproken resultaat wordt bereikt (17 mln. ton CO2-reductie in 2000 t.o.v. de situatie voorzien in 1990). Beleidsmatig is dat ook de hoofdzaak. EnergieNed heeft door CEA, de externe adviseur in deze, een rapport laten opstellen waarin de procedures rond de verantwoording worden verduidelijkt. Daaruit blijkt dat de relatie tussen uitgaven en berekende resultaten niet willekeurig zijn maar gebaseerd op gedegen marktonderzoeken. Er is dus wel degelijk een goed inzicht, passend bij het MAP-convenant, maar niet op door de Algemene Rekenkamer geëiste gewaarborgde wijze.
Doordat nu de Algemene Rekenkamer in 1999 de MAP-gelden tot publieke middelen bestempelt, (zie ook vraag 15) is volgens de Algemene Rekenkamer een ander, veel zwaarder regime van toepassing. Toen het MAP als invulling van de wettelijke taak werd aangeduid, werd verondersteld dat het MAP-rapportagesysteem voldoende zou zijn. De Algemene Rekenkamer stelt nu dat een zwaardere systeem gewenst geweest is. Gezien het feit dat het laatste jaar van het MAP is ingegaan en het onmogelijk is om over de afgelopen 9 jaar feiten te reconstrueren die niet zijn bijgehouden, is dit echter een eis die niet meer in redelijkheid aan de energiebedrijven kan worden gesteld.

Kan de minister aangeven of zij, gelet op de door de Rekenkamer aangedragen opmerkingen over uniforme en transparante consistente berichtgeving, een goed functionerende administratieve organisatie en interne controle, publieke middelen en resultaten meer betrouwbaar gecontroleerd en gerapporteerd wil zien? (Blz. 16, 17 en 19)

Antwoord:

Ja. Om dit te bereiken zijn afspraken gemaakt om de verslaglegging op een hoger peil te krijgen. Ondanks aandringen via EnergieNed gaf dit bij het MAP niet volledig het gewenste resultaat.

Daarop zijn na 1997 nieuwe, met name fiscale, instrumenten ontwikkeld waarbij de energiebedrijven landelijk geldende regelingen uitvoeren, voorzien van de nodige controle en toezichtsmaatregelen op basis van de belastingwetten (de positieve prikkels) buiten de WED om.

De Rekenkamer beveelt aan de berekening en vastlegging van financiën en beleidsprestaties alsmede de inrichting van de Administratieve Organisatie en interne controle te verbeteren.
Bij de huidige berekeningsmethode van de beleidsprestaties is geen sprake van betrouwbare en consistente berekening van verantwoordingsinformatie. Hoe betrouwbaar kan in dit verband een externe toets na afloop van de MAP zijn voor de vaststelling van de rechtmatigheid en de beleidsprestaties? (Blz. 16,17 en 18)

Antwoord:

De rechtmatigheid van uitgaven en ontvangsten in het kader van het MAP kunnen achteraf worden vastgesteld. Dat blijkt ook wel uit het feit dat een dergelijk onderzoek door Ernst & Young over de jaren 1990 tot en met 1996 is uitgevoerd.
De methode waarmee in 1990 en later in 1994 een verhoogde doelstelling inzake de CO2-reductie is vastgesteld, wordt ook gebruikt bij het vaststellen of de doelstelling in 2000 is gehaald. De methode die ter vergelijking worden gebruikt, is dus even nauwkeurig. De Algemene Rekenkamer stelt nu dat een ander systeem zou moeten zijn ingevoerd om deze berekeningen met meer waarborgen te omkleden, zoals bij begrotingsuitgaven gebruikelijk zijn. Ik ben van mening dat daar de MAP-berekeningen voldoende nauwkeurig zijn voor het doeleinden waarvoor zij bedoeld zijn.

Kan meer inzicht gegeven worden hoe groot de afwijking van de beleidsprestaties is die volgens de boeken van de energiedistributiebedrijven zijn weergegeven en de beleidsprestaties welke volgens EnergieNed is weergegeven? Welke bedrijven betrof dit? Zijn alsnog de juiste cijfers te achterhalen? (Blz. 17)

Antwoord:

De cijfers die EnergieNed jaarlijkse rapporteert, zijn gebaseerd op de meest recente cijfers van de onderscheiden energiebedrijven. Om te voorkomen dat de definitieve cijfers te lang op zich lieten wachten, is destijds gekozen voor een rapportages op basis van de beste gegevens die aan het begin van het opvolgende jaar beschikbaar zijn. Eventuele na herberekening beschikbaar komende gegevens worden dan in de volgende rapportage verdisconteerd. De weergave zijn dus geen geconsolideerde jaarstukken maar een moment opname van de dan beschikbare gegevens over de beschouwde periode.

Ware het niet beter geweest indien de voorwaarden waaraan het toezicht moet voldoen expliciet in de wet zouden zijn opgenomen? In hoeverre zijn bij andere soortgelijke constructies deze toezichtregels wel in de wet opgenomen, b.v. bij de sociale zekerheid? (Blz. 19)

Antwoord:

Indien de wetgever de bedoeling zou hebben gehad om de lijn door de Algemene Rekenkamer in 1999 geformuleerd te volgen dan zou de wetgever in de WED van 1997 wellicht andere toezicht- en controle-instrumenten hebben geformuleerd. De wetgever heeft indertijd geconcludeerd dat het MAP voldoende waarborgen omvatte voor een op dat doel toegesneden rapportage.

Is naar de mening van de minister een conclusie over de financiële gang van zaken over de MAP-gelden wel mogelijk als:
- de administratieve organisatie niet deugt;
- bedrijven niet voldoen aan de minimumvoorwaarden voor een betrouwbare verslaglegging;

- interne controle ontbrak;

- het toezicht door het ministerie van EZ onvoldoende was. (Blz. 19)
Antwoord:

Zie de antwoorden op de vragen 15, 17 en 19.

Waarom duurt het zo lang voordat het accountantsrapport over de bestedingen van de MAP-gelden in de periode 1996-1999 beschikbaar is? Wanneer is de opdracht door U verleend en wanneer door EnergieNed? (Blz. 20).

Antwoord:

Wij hebben de opdracht niet verleend. Indertijd is met EnergieNed afgesproken dat een dergelijk onderzoek door hen zou worden uitgevoerd. Dat is vervolgens door EnergieNed bij Ernst & Young in de eerste helft van 1997 in opdracht gegeven. Het onderzoek heeft een lange doorlooptijd gekend vanwege de vele fusies die bij de energiebedrijven hebben plaatsgevonden. Hierdoor hebben veel personeelswisselingen en wijzigingen in de financiële systemen plaatsgevonden.

Hoe betrouwbaar is in dit verband de reserve aan MAP-gelden per 31-12-1997 van 298 miljoen? Onder de geschetste omstandigheden zou het ook 500 miljoen kunnen zijn. (Blz. 20)

Antwoord:

De reserve maakt onderdeel uit van het financiële jaarverslag van het energiebedrijf en maakt deel uit van de stukken die de jaarlijkse accountantscontrole ondergaan. (zie ook antwoord 12).

Hoe exact is de reserve berekend? Zou een foutmarge naar boven en beneden kunnen worden aangegeven als gevolg van de hierboven genoemde gebreken? (Blz. 21)

Antwoord:

Zie hiervoor het antwoord op de vragen 12 en 24.

Betekent het ontbreken van een heldere
verantwoordelijkheidsdoelstelling dat de wet niet goed was? (Blz. 22)

Antwoord:

Bij de totstandkoming van de WED was duidelijk dat de toen al bestaande MAP-activiteiten een voldoende invulling van de wettelijke geformuleerde taak zou zijn. De wetgever heeft het om die reden niet opportuun geacht om verdergaande toezicht- en controle-instrumenten te creëren.
De Algemene Rekenkamer stelt nu in 1999 dat bij toepassing van de RWT-inzichten door deze wettelijke basis te creëren voor het MAP tegelijk ook een zwaarder toezicht- en controlesysteem zou moeten zijn geformuleerd, omdat het hier dan gaat om publieke middelen. Het is dus meer een kwestie van voortschrijdend inzicht dat bij de Algemene Rekenkamer is opgetreden.

Is met terugwerkende kracht alsnog de rechtmatigheid en doelmatigheid van de bestedingen te achterhalen? (Blz. 22)

Antwoord:

Het rechtmatigheidsonderzoek dat over de jaren 1990 t/m 1996 is uitgevoerd geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat er MAP-gelden zijn uitgegeven aan niet wettelijk omschreven doelen. Het eerste gedeelte van de vraag is dus bevestigend te beantwoorden. De doelmatigheid van de diverse MAP-activiteiten werd voor elke nieuwe MAP-periode via een uitgebreide analyse binnen de energiesector aan de orde gesteld. Hieruit resulteerde een rangorde van maatregelen naar maatschappelijke kosteneffectiviteit. Deze rangorde is aan de verschillende distributiebedrijven aangeboden als leidraad voor het uitvoeren van hun eigen bedrijven MAP. Wel is het zo dat per bedrijf/regio de toepassing van MAP-activiteiten verschilt door dat er nu eenmaal verschillen bestaan tussen de MAP-regio's. Zo kan bijvoorbeeld windenergie aan de kust kosteneffectiever worden gerealiseerd dan in het binnenland en krijgt in die gebieden dus meer aandacht.

Wat is de mening van de minister over het «verslagleggingsmodel uitvoering milieutaken» dat door de rekenkamer is ontworpen, is de minister van plan beleid te ontwikkelen gericht op de milieutaak van energiebedrijven? Is de minister van plan het verslagleggingsmodel van de Rekenkamer in de toekomst te laten toepassen? (Blz. 29 e.v.)

Antwoord:

Met de energiebedrijven ben ik van mening dat dit model heel goed kan worden gebruikt voor de verslaglegging van de wettelijke taak volgens de WED. Zoals eerder aangegeven komt het model te laat om nog in de MAP-periode (eindigt eind dit jaar) door de energiebedrijven te kunnen worden toegepast.

EnergieNed heeft toegezegd haar leden, die aan de WED gehouden zijn, aan te bevelen in ieder geval voor de jaren na 2000 de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer te volgen en zo mogelijk voor de jaren 1999 en 2000 ten aanzien van het MAP de binnen EnergieNed opgestelde «Richtlijnen voor Verslaglegging van het MAP».

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie