Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief OCW over voortgang moties Lambrechts en Ross-Van Dorp

Datum nieuwsfeit: 07-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief OCW inzake voortgang moties lambrechts en ross-van d orp

Gemaakt: 11-9-2000 tijd: 14:2

3

26800 VIII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII) voor het jaar 2000

Nr. 121 Brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 september 2000

Op 23 november 1999 werden drie moties ingediend door de leden Ross-Van Dorp c.s. (26 800 VIII, nr. 51) en Lambrechts c.s. (26 800 VIII, nrs. 53 en 54)

Met het oog op het naderende Algemeen Overleg van 14 september aanstaande, waarin onder andere veiligheid op school aan de orde zal zijn, informeer ik u over de stand van zaken in deze.

Motie Ross-Van Dorp (26 800 VIII, nr. 51)

In deze motie wordt verzocht het Rotterdamse project `Op onze school zijn alle wapens verboden' te evalueren, en indien wenselijk, landelijke uitvoering te bevorderen.

Het project `Op onze school zijn alle wapens verboden' werd op 19 november 1998 door wethouder Kuijper gestart. De campagne is erop gericht dat scholen voor voortgezet onderwijs het bezit van wapens expliciet verbieden en hun schoolreglement en/of leerlingstatuut hierop aanpassen. De gemeente heeft voorlichtingsmateriaal ter beschikking gesteld om duidelijke voorlichting aan de leerlingen te geven. In maart 1999 is de scholen nogmaals een brief gestuurd om de campagne onder de aandacht te brengen.

Momenteel wordt de campagne `Op onze school zijn alle wapens verboden' geëvalueerd. De resultaten worden in november 2000 verwacht.

De gemeente Rotterdam benadrukt dat het bevorderen van veiligheid op een structurele wijze moet worden benaderd. Zo zijn er ook convenanten afgesloten tussen (deel)gemeenten, scholen en justitie/politie/HALT. Schoolveiligheidsplannen dienen daarbij goede aansluiting te vinden bij wijkveiligheidsplannen. Deze werkwijze sluit aan bij mijn brief van 5 november 1999 (VO/TAB/1999/43846) waarin onder meer werd betoogd dat veiligheidsbeleid een kenmerk van het kwaliteitsbeleid moet worden en dat lokaal integraal veiligheidsbeleid moet worden gestimuleerd. De genoemde campagne kan alleen een tijdelijk effect bewerkstelligen.

Uw Kamer zal worden geïnformeerd over de evaluatie van het Rotterdamse project en eventueel nader te ondernemen activiteiten.

Motie Lambrechts c.s. (26 800 VIII, nr. 53)

Mevrouw Lambrechts c.s., diende een motie in die de regering verzoekt in beeld te brengen welke belemmeringen in wet- en regelgeving een integraal veiligheidsbeleid in en om de school in de weg staan.

Met integraal veiligheidsbeleid wordt bedoeld dat scholen samenwerken met andere organisaties en instellingen op lokaal niveau (justitie, politie, gemeente, jeugdhulpverlening) om veiligheid te bevorderen. Daartoe maken deze actoren afspraken om te komen tot een goed functionerend lokaal integraal veiligheidsbeleid.

Vooralsnog kennen wij geen belemmeringen in wet- en regelgeving die deze samenwerking in de weg staan. Tegelijkertijd kan worden bemerkt dat de bestaande wet- en regelgeving geen dwingend karakter heeft om lokaal integraal veiligheidsbeleid tot stand te doen komen. Alleen in het verband van de afspraken die zijn gemaakt in het kader van het Grote stedenbeleid, zijn inspanningsverplichtingen met de 25 grote steden overeengekomen, waarbij samenwerking tussen lokale partners (`integratie') als voorwaardelijk zou kunnen worden beschouwd. Binnen het kader van het Grote stedenbeleid zal voor de G25 de uitwerking van het onderdeel Jeugd en Veiligheid, (de aanbevelingen van de commissie Van Monfrans (1994)) worden gevolgd. Dit leidde in 1998 reeds tot het rapport Vier jaar Van Montfrans (ministeries van Justitie, Binnenlandse Zaken, OCenW, SZW en VWS), dat is aangeboden aan uw Kamer.

Relevant voor deze thematiek is dat binnen het kader van de totstandkoming van een lokaal integraal veiligheidsbeleid momenteel uitwerking wordt gegeven aan de moties van de leden De Cloe en Van Heemst.

In de moties Van Heemst (30 juni 1999, TK 21 062, nr 78) en De Cloe (14 oktober 1999, TK 26 800 VII, nr. 7) werd verzocht om steden in bepaalde wijken meer ruimte te geven een jeugdbeleid te voeren. Ook werd gevraagd een apart wettelijk kader te ontwerpen voor de probleemwijken. In een brief van de minister van Grote steden en Integratie beleid aan de Tweede Kamer (8 februari 2000, TK 26 800 VII, nr. 34) is aangegeven dat beide moties in relatie tot elkaar zullen worden bezien en dat het kabinet ervoor heeft gekozen eerst een onderzoek te laten verrichten naar de knelpunten in de grote steden (G25). Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) is gevraagd een onderzoek te verrichten naar de bestuurlijke aspecten van het jeugdbeleid in de grote stad. Eén van de onderwerpen van onderzoek is jeugd en veiligheid.

Het SCP bekijkt de meerjarige ontwikkelingsprogramma's (MOPs) en voert gesprekken met gemeenten. De uitkomsten van het SCP-onderzoek zullen tevens betrokken worden bij de kabinetsreactie op de motie De Boer (Tweede Kamer 1999-2000, 21 062 nr. 95) waarin het kabinet verzocht wordt om met drie gemeenten na te gaan hoe de realisatie van lokale leefbaarheidsdoelen vereenvoudigd en verstevigd kan worden.

Het definitieve onderzoek zal voor het eind van dit jaar worden afgerond. De aspecten van de motie Lambrechts zullen in de uitwerking van het SCP-onderzoek worden betrokken. De Kamer zal op de hoogte wordt gesteld van de uitkomsten van de inventarisatie en de aanbevelingen die naar aanleiding van het onderzoek worden gedaan.

Motie Lambrechts c.s. (26 800 VIII, nr. 54)

Mevrouw Lambrechts c.s. diende tevens een motie in waarin wordt verzocht na te gaan in welke regio's er witte vlekken zijn als het gaat om bovenschoolse opvangvoorzieningen waar de leerlingen terecht kunnen die niet meer op school terecht kunnen, en voorts in overleg met gemeenten er zorg voor te dragen dat er in alle regio's tenminste één opvangvoorziening is waar deze leerlingen in het uiterste geval terecht kunnen.

Het ministerie van OCenW heeft voor het achterhalen van de juiste informatie een beroep gedaan op de expertise die er is in het veld. De heer M. Franken die reeds in het kader van de implementatie van het VMBO werkzaamheden verricht, heeft daartoe i.o.m. het departement twee enquêtes uitgezet. De eerste is uitgezet onder coördinatoren van de voormalige projecten Ongediplomeerde schoolverlaters (POS) en Spijbel opvangprojecten (POS). Deze projecten bestaan in feite niet meer, omdat deze na 1994 gefaseerd zijn opgenomen in het Onderwijsvoorrangsbeleid. Dit beleid is vervolgens ingekaderd in het Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid. De deskundigheid die in de projecten is opgebouwd is blijven bestaan.

Daarnaast is een enquête uitgezet onder samenwerkingsverbanden VO-SVO, die een landelijk dekkend netwerk vormen.

De bevindingen uit de rapportages over het VMBO-implementatietraject en de resultaten van de enquêtes zijn weergegeven in het bijgevoegde verslag `Resultaten van het onderzoek naar bovenschoolse opvangvoorzieningen' (M. Franken, Technopark Educatie, augustus 2000)1).
Bevindingen De belangrijkste bevinding is dat in bijna 2/3 van de samenwerkingsverbanden die met de problematiek is geconfronteerd, een voorziening zoals bedoeld in de motie Lambrechts, aanwezig blijkt te zijn. Dit zou betekenen dat 1/3 van de samenwerkingsverbanden een dergelijke voorziening ontbeert. Hierbij moeten echter belangrijke kanttekeningen worden geplaatst. In veel gevallen wordt op een andere wijze een oplossing gezocht en gevonden voor de leerling. Een voorziening kan bovendien een aanzuigende werking hebben en de diversiteit van behandel- en oplossingsstrategieën doen verschralen. Preventieve benaderingen hebben de voorkeur bij de behandeling van leerlingen. Het bijgevoegde onderzoek naar bovenschoolse opvangvoorzieningen zou beschouwd kunnen worden als een steekproef en geeft geen sluitend beeld van een landelijk dekkend zorg- en opvangsysteem. Voor een volledig beeld van een landelijk dekkend systeem is een meer uitgebreid onderzoek nodig. Dit onderzoek zal in het komende jaar worden uitgevoerd. Voor de uitwerking van het onderzoek zal ook gebruik worden gemaakt van de bevindingen die worden opgedaan bij de ontwikkeling van een protocol voor scholen dat de (regionale) hulp- en verwijzingsstematiek duidelijk in kaart zal brengen, dat ontwikkeld zal worden in overleg met de Vereniging voor het Management in het Voortgezet onderwijs (VVO). Voorts wil ik de aanbeveling om de communicatie tussen scholen te bevorderen, door middel van het (laten) organiseren van regio-bijeenkomsten ten behoeve van de zorg en opvang van leerlingen graag ondersteunen. De uitwerking hiervan zal een plaats krijgen binnen het implementatietraject van het VVO-protocol en het onderzoek. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, K.Y.I.J. Adelmund 1) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie