Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Speech de Grave bij opening academisch jaar KMA, KIM en IDL

Datum nieuwsfeit: 04-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Defensie



Toespraken


Inleiding van de minister van Defensie, mr. F.H.G. de Grave, tijdens de gezamenlijke opening van het academisch jaar van KMA, KIM en IDL.

Breda, 4 september 2000

Inleiding
Het is mij een genoegen het woord tot u te richten ter gelegenheid van de eerste gemeenschappelijke opening van het Academisch jaar van de hogere defensie opleidingsinstituten. Het is een gedenkwaardige gelegenheid. Zoals in de Defensienota werd aangekondigd, worden de drie opleidingsinstituten samengebracht in één nieuwe bestuursvorm, waardoor een aanzienlijk nauwere samenwerking ontstaat. De directeuren van de instellingen zullen samen het College van Bestuur gaan vormen en er komt één curatorium.
Dat Breda, Den Helder en Rijswijk dichter bij elkaar komen te liggen blijkt ook uit de oprichting van een gezamenlijke Faculteit Militaire Wetenschappen die de inhoudelijke afstemming van het onderwijs en het onderzoek aan de KMA, het KIM en het IDL moet gaan waarborgen.

Ik wil benadrukken dat we bij de invoering van een nieuwe bestuursvorm voor de officiersopleidingen niet over één nacht ijs gaan. Deze gemeenschappelijke opening van het Academische jaar is het symbolische begin. De directeuren van de instituten hebben mij, samen met de bevelhebbers en de Chef defensiestaf, een voorstel voorgelegd voor een nieuwe opzet. Ik heb hun gevraagd in de komende maanden de bestuurlijke, financiële, juridische en onderwijskundige aspecten van de herstructurering verder uit te werken. Daarna worden eind dit jaar definitieve stappen gezet. Ik wil dat we even de tijd nemen; de nauwe samenwerking tussen de instituten moet worden begrepen en gedragen door de meest betrokkenen. De koers is echter helder: We werken toe naar een gezamenlijke, 'joint' officiersopleiding, waar jonge officieren doelmatiger en doeltreffender, kortom beter, worden voorbereid op een carrière bij één van de onderdelen van de defensieorganisatie.

Vorig jaar, bij de opening van het academisch jaar bij het IDL in Rijswijk, heb ik gesproken over het thema 'samenhang en verscheidenheid'. Ik heb toen onder meer betoogd dat de politiek en de maatschappij de defensieorganisatie als één entiteit beschouwen. Militair personeel moet zich dan ook niet uitsluitend als lid van een eenheid of een krijgsmachtdeel beschouwen, maar als lid van de defensieorganisatie als geheel. Dat weerspiegelt de operationele werkelijkheid van de toekomst; die wordt gekenmerkt door gemeenschappelijkheid. Ik wil dat vandaag nogmaals onderstrepen: U behoort tot de vaandeldragers van een esprit de corps 'nieuwe stijl', waarin de binding met de eigen eenheid als vanzelfsprekend samen gaat met een open houding ten opzichte van de omgeving. Kritisch, communicatief en betrokken, dat zijn belangrijke eigenschappen die de militaire leiders van de toekomst moéten hebben. De bestuurlijke en inhoudelijke integratie van de drie instituten moet ertoe bijdragen dat onze jonge officieren daar van meet af aan mee vertrouwd raken. Het moet ze met de paplepel worden ingegoten.

Dat gezegd hebbend, wil ik niet verhullen dat ik mij niet verzet zou hebben tegen een iets radicalere koers richting integratie, maar ik voel er niets voor de zaak te forceren. Het is immers cruciaal dat de herinrichting van de officiersopleidingen met overtuiging wordt gedragen door de meest betrokkenen. Ik kan het echter niet laten u te wijzen op het voorbeeld van Bols, het oer-Nederlandse bedrijf uit 1634 dat 366 jaar later besloot tot vérgaande internationale samenwerking. Als Bols zich had vastgeklampt aan zijn rijke, met jenever doortrokken historie, was het al geruime tijd geleden ter ziele gegaan. Hetzelfde lot zou de Gele Rijders beschoren zijn geweest als aspirant-officieren nog steeds hun eigen paard met verzorger zouden moeten meebrengen. Ik hoop dat de KMA en het KIM hun rijke historie nog lang zullen koesteren, maar dat ruimte wordt geboden voor maatregelen die het bestaansrecht van de officiersopleiding in de toekomst veilig stellen. De kwaliteit van onze professionele officieren is cruciaal voor de uitvoering van de toekomstige taken van de krijgsmacht. Die zijn veeleisend en moeten worden verricht in een onvoorspelbare internationale veiligheidssituatie.

De internationale veiligheidssituatie
Ik neem de gelegenheid te baat om kort stil te staan bij de veiligheidssituatie in de wereld. In de NRC sprak H.J.A. Hofland een dag of tien geleden van 'enorme ruïnes die de Koude Oorlog heeft achtergelaten waarmee Europa zich tot op de dag van vandaag geen raad weet'. Hij wees in dit verband op de deplorabele toestand van de Russische kerncentrales, de ecologische wantoestanden in de olie-industrie en het verval van de Russische volksgezondheid.

Een andere ruïne die Hofland noemt, ons zeer vertrouwd, is het voormalig Joegoslavië, waar Milosevic zich elf jaar na de val de Muur nog steeds weet te handhaven. Het bizarre toneelstuk dat hij opvoert ten koste van vier van onze landgenoten is even onaanvaardbaar als onheilspellend, omdat het doet denken aan de tactiek die zijn vazallen eerder in Bosnië hebben beproefd.

Aan de waakzaamheid en het slagvaardige beleid dat deze ruïnes van de Koude Oorlog van het democratische Westen vergen, ontbreekt het volgens Hofland. Hij veronderstelt dat democratieën pas laat wakker worden omdat ze de redelijkheid waardoor ze zelf bestaan, ook aan hun vijanden toeschrijven en omdat ze pas op het laatste moment bereid zijn hun comfort op te offeren. Het Westen ontwikkelt zich volgens hem van een politieke tot een economische beschaving die zijn politieke instinct en voorstellingsvermogen kwijt raakt. Soms wordt het verrast als een van de ruïnes van de Koude Oorlog ineens begint te bewegen. Ik bewonder Hofland om zijn gave een analyse zo beeldend te verwoorden dat je de ruïnes als het ware voor je ziet, met daarbij een paar grote, dolende dinosauriërs. Een gevoel van moedeloosheid bevangt je. Moedeloosheid kan snel verkeren in berusting en passiviteit, een toestand waarin niets doen de meest voor de hand liggende optie wordt. Voor Defensie - u, ik, wij allemaal - is niets doen echter géén optie. De missie van Defensie strookt niet met afzijdigheid en passiviteit, maar veronderstelt betrokkenheid, verantwoordelijkheid en initiatief. Defensie wil bijdragen aan de oplossing van problemen elders in de wereld, omdat de veiligheid van anderen ook onszelf ten goede komt. Een sprekend voorbeeld hiervan is Rusland.

Rusland
Jonathan Eyal, de 'outspoken' directeur van wat ik maar even het Britse defensie-instituut noem, concludeerde dat de ramp onlangs met onderzeeër de Koersk de wezenlijke tragedie illustreert van een land dat, ook nu het communisme verdwenen is, de waarheid nog altijd niet onder ogen kan zien. De Koersk, aldus Eyal, is symptomatisch voor een dieper woekerende Russische kwaal: die van de vermeende hervorming van de strijdkrachten. Die hervormingen zijn volgens hem een fiasco, met onder meer een reusachtige, extreem dure nucleaire vloot zonder logistieke ondersteuning, duizenden wapenfabrieken die niets produceren, tienduizenden tanks die de Tjetsjeense rebellen niet aankunnen, en miljoenen soldaten die onvoldoende te eten krijgen. Het beste waartoe de gruwelijke tragedie van de Koersk volgens hem kan leiden, is een serieus debat in Moskou over hoeveel strijdkrachten Rusland werkelijk nodig heeft.

Een Amerikaanse waarnemer schreef ooit dat de relatie tussen de Verenigde Staten en Rusland in essentie neerkomt op 'the management of decay', het zo goed mogelijk begeleiden van het verval. Inderdaad is het beheer van de nucleaire en ook de chemische erfenis van de Sovjet-Unie voor Rusland een loden last. Alexander Pikajev van het Moskouse Carnegiefonds-centrum en onze eigen Generaal-majoor der Mariniers b.d. Homan, voormalig directeur van het IDL, hebben in recente publicaties gepleit voor hulp aan Rusland, vooral om zijn nucleaire erfenis veilig op te ruimen. Ik hoop dat hun oproep niet aan dovemansoren gericht is geweest, met name in de Europese landen die tot dusver nog geen steun verlenen. De Nederlandse regering overlegt sinds vorig jaar met Rusland over een bijdrage aan een project om plutonium uit kernkoppen veilig op te slaan. Vier jaar geleden alweer hebben Buitenlandse zaken en Defensie maximaal 25 miljoen gulden beschikbaar gesteld voor de opruiming van chemische wapens. Hoe bescheiden de omvang van de hulp tot dusver ook is, Nederland brengt hiermee zijn betrokkenheid bij de veiligheid van Rusland tot uitdrukking. Het alternatief, niets doen, is geen optie.

De VN
Afzijdigheid of betrokken zijn is ook de keuze waarvoor we staan als het om vredesoperaties gaat. Niet alleen in ons land wordt nagedacht over manieren om vredesoperaties effectiever te maken. Onder het motto 'dure vredestaken zijn goedkoper dan oorlog' heeft een commissie van deskundigen op 23 augustus een rapport aan SGVN Kofi Annan gepresenteerd met een breed pakket aan maatregelen om debacles als in Bosnië en Rwanda in de toekomst te voorkomen. De commissie bepleit, onder meer, efficiëntere strategieën voor conflictpreventie en het opbouwen van vrede ("peace building"), robuuste geweldsinstructies voor VN-soldaten als strijdende partijen vredesakkoorden ondermijnen, grotere en beter bewapende troepenmachten, duidelijke, geloofwaardige en haalbare mandaten van de VN-Veiligheidsraad en organisatorische verbeteringen.

Het rapport is een voortreffelijk staaltje van kritisch zelfonderzoek door de VN. Een aantal lessen komt ons zeer bekend voor: 'Geen enkele fout heeft meer schade berokkend aan de reputatie en de geloofwaardigheid van VN-vredeshandhaving in de jaren negentig dan haar weigering om slachtoffer van agressor te onderscheiden', aldus de commissie. Wat haar betreft, blijven instemming van de lokale parijen, onpartijdigheid en het gebruik van geweld als zelfverdediging de basisprincipes van vredeshandhaving door de VN. Maar als een van de partijen een vredesakkoord schendt, kunnen de VN niet langer alle partijen als gelijken behandelen en lijdzaam getuige zijn van geweld tegen burgers, want dat kan, aldus de commissie, 'in het ergste geval leiden tot medeplichtigheid aan het kwade'.

Kofi Annan heeft direct de aanbevelingen van de commissie overgenomen en de lidstaten opgeroepen meer geld vrij te maken voor vredesoperaties en hun besluitvorming te verbeteren. Hij heeft daarin gelijk, want wat kunnen de VN méér dan de lidstaten bereid zijn te doen? De keuze is aan de lidstaten: afzijdig blijven of betrokken zijn. Met dit rapport heeft de SGVN een aanzet gegeven tot een fundamenteel debat over de rol van de VN in de toekomst. Als de aanbevelingen van de commissie leiden tot concrete maatregelen, zal in ieder geval de kans dat Nederland op basis van het eigen toetsingskader positief kan reageren op verzoeken van de VN toenemen.

Vandaag publiceert de commissie-Bakker haar rapport inzake de besluitvorming over vredesoperaties in de afgelopen tien jaar. Tien jaar, van Cambodja tot Kosovo, waarin Nederland betrokken is geweest bij uiteenlopende operaties die tot doel hadden de vrede en de veiligheid in verschillende delen van de wereld te bevorderen. Tien jaar ook, waarin ons land op hardhandige wijze is geconfronteerd met de grenzen van dergelijke operaties. U begrijpt dat ik het TCBU-rapport grondig ga bestuderen. Ik hoop dat de commissie-Bakker niet heeft volstaan met het registreren van de wijze waarop de besluitvorming tot stand is gekomen, maar het oog ook op de toekomst heeft gericht. Een goede samenwerking tussen parlement en regering als het op de deelneming aan militaire operaties aankomt, is immers onmisbaar voor een breed maatschappelijk draagvlak. Ik was dan ook erg blij toen onlangs uit onderzoek bleek dat 67 procent van de bevolking veel waardering heeft voor de inzet van Nederlandse militairen in voormalig Joegoslavië. De mannen en vrouwen die zich daar hebben ingezet, hebben het dubbel en dwars verdiend.

Europa en Defensie
Uit wat ik tot dusver heb gezegd moge één ding duidelijk zijn: een wezenskenmerk van het defensiebeleid in de nieuwe tijd is de internationale inbedding ervan. Met name in Europees verband is daar nog veel werk aan de winkel. Aan de defensie-inspanningen van de Europese landen kan nog veel verbeteren. Stilaan dringt het besef door dat de economische grootmacht ook in politiek en militair opzicht een rol te vervullen heeft. In het kader van de uitwerking van de Europese militaire "Headline Goal" dient Nederland de komende maanden te besluiten welke eenheden zullen worden aangeboden aan de EU, op de zogenoemde "Capabilities Commitment Conference" van 20 november a.s.

De nationale bijdragen vallen in twee delen uiteen. Het eerste gedeelte betreft de initiële bijdragen die de EU-lidstaten medio september informeel dienen aan te leveren bij het interim Militaire Comité. Vervolgens worden deze bijdragen vergeleken met de behoeften die zijn uitgewerkt op basis van drie scenario´s, de "illustrative profiles". Aan de hand van de gesignaleerde verschillen kunnen de Europese tekortkomingen worden vastgesteld, alsmede de additionele bijdragen om deze tekortkomingen zoveel mogelijk ongedaan te maken.

De Nederlandse bijdrage aan de'Headline Goal' berust op een aantal duidelijke uitgangspunten:

- Het eerste uitgangspunt is dat de Nederlandse bijdragen aan de Headline Goal zijn gekoppeld aan het nationale defensiebeleid en de nationale defensieplannen. Voor het initiële aanbod zijn de plannen van de Defensienota het uitgangspunt. Wat betreft crisisbeheersing (niet-artikel 5-operaties) wordt geen onderscheid gemaakt tussen de EU en de Navo: Nederland biedt beide organisaties zijn "gereedschapskist" aan;

- Ten tweede dient Nederland een actieve bijdrage te leveren aan het wegwerken van geconstateerde Europese tekortkomingen. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het Defense Capabilities Initiative, dat wil zeggen: de door de Navo geconstateerde "gaten". We moeten naar mijn overtuiging bereid zijn daarvoor zonodig een extra inspanning te leveren. Berichten in de media dat Defensie hiervoor geld krijgt uit de financiële meevallers van het Rijk, kan ik bevestigen noch ontkennen. Ik ben echter hoopvol gestemd;
- Het derde uitgangspunt, ten slotte, is dat Nederland in aanvulling op bestaande samenwerkingsverbanden aansluiting zoekt bij andere landen, in het bijzonder de "grote" drie: Berlijn, Londen en Parijs. Dat bevordert de doelmatigheid en de effectiviteit, nationaal en op Europees niveau. Ik kan U zeggen dat wij op dit gebied tal van initiatieven hebben genomen.

Slotopmerkingen
Bijdragen aan de internationale vrede en veiligheid kan veel voldoening geven, zowel politiek als persoonlijk. Het werken als militair bij Defensie veronderstelt een bepaalde motivatie. Defensie zélf zal er echter ook alles aan moeten doen om haar mensen te blijven motiveren. Defensie moet een goed werkgever zijn. Dit besef is zonder meer aanwezig bij de ambtelijke en politieke leiding van de organisatie. Het is niet voor niets dat in de Defensienota een ambitieus personeelsbeleid is uitgestippeld, dat zowel de organisatie als de individuele werknemer ten goede moet komen. Daarvoor zijn ook forse financiële middelen uitgetrokken. De lat ligt hoog de komende jaren, en we zullen alle zeilen moeten bijzetten om onze doelen te realiseren. Ondanks enige conjuncturele tegenwind op de arbeidsmarkt ben ik er van overtuigd dat Defensie een bloeiperiode tegemoet gaat, die mensen voortreffelijke mogelijkheden biedt zich persoonlijk en professioneel te ontwikkelen. Met de Defensienota is het solide fundament gelegd waarop we de komende jaren kunnen voortbouwen.

Ik haal tot slot graag Luitenant-generaal b.d. Folmer aan, lid van de Commissie Vrede en Veiligheid van de Adviesraad Internationale Vraagstukken. Hij sprak tijdens het recente symposium 'Kennis, Kracht, Krijgsmacht' in Delft. Net als Hofland in de NRC stelde de heer Folmer vast dat ten gevolge van de uitputting van de Sovjet-Unie het westen in een hele nieuwe situatie is beland, waarin sprake is van een door sommigen als definitief beschouwde voorsprong op welke militaire concurrent dan ook. Ook hij wees er op dat zo'n voorsprong gebruikelijk leidt tot zelfgenoegzaamheid en verwaarlozing van het apparaat dat aan de basis van dit succes stond. Anders dan Hofland stopte de generaal niet na deze waarnemingen. Ik citeer: 'Gelukkig zijn er de nieuwe taken voor de krijgsmacht, die in de Defensienota worden omschreven als het leveren van een bijdrage aan de internationale rechtsorde'. Daar wordt wel eens cynisch over gedaan. Ten onrechte, zegt Folmer: 'Want ik ben er diep van overtuigd dat de bescherming van andermans integriteit en existentie er niet in geringe mate toe kan bijdragen dat het gevaar voor aantasting van de eigen existentie blijvend kan worden afgewend. En als er dus in deze taken een element van welbegrepen eigenbelang schuilt, is dat niet iets om je voor te schamen'.

Ik wens alle aankomende cadetten en adelborsten, en hun ouderejaars toe dat zij in hun actieve carrière ook de persoonlijke motivatie weten te vinden die generaal Folmer zo treffend onder woorden bracht. Ik kan u de overeenkomstige rang niet toezeggen, maar wens u wel een leerzaam en succesvol academisch jaar toe.

Dank u.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie