Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag schriftelijk overleg over kinderopvang

Datum nieuwsfeit: 11-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

nota hoofdlijnen wet basisvoorziening kinderopvang

26 587 Kinderopvang

VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 2000

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bleek er bij enkele fracties behoefte te bestaan een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over haar brieven van 16 juni 2000 inzake enerzijds de nota "Hoofdlijnen Wet basisvoorziening kinderopvang", anderzijds over kwaliteit en toezicht (26 587, nrs. 8 en 9). Deze vragen zijn, vergezeld van de door de bewindsvrouwe bij brief van ???? .........................., hieronder afgedrukt.

Vragen PvdA-fractie


1.

In de Nota wordt gesteld dat werkgevers relatief een steeds groter aandeel in de financiering van kinderopvang leveren. Hoe valt dit te rijmen met de financiële gegevens uit het SGBO-onderzoek dat het relatieve aandeel juist reeds jaren op hetzelfde niveau zit van rond de 21%, en dat het dus alleen gaat om het gegroeide absolute aandeel? (blz. 6)


2.

In hoeverre is 'gegarandeerd' dat de tripartite-verantwoordelijkheid ten aanzien van de financiering ook in de toekomst behouden blijft? Zijn hierover afspraken gemaakt? (blz. 6)


3.

Zijn er inmiddels meer recente gegevens bekend over de wachtlijsten voor de kinderopvang? Zo ja, kan hierbij een uitsplitsing worden gemaakt tussen opvang voor 0-4 jarigen en voor 4-12 jarigen? Zullen de uitkomsten van het trendonderzoek naar de kwantitatieve ontwikkeling van de vraag naar kinderopvang nog ruimschoots voor het nota-overleg over de kinderopvang beschikbaar zijn? (blz. 7/8)


4.

Kinderopvang is tot "het vaste arbeidsmarktinstrumentarium gaan behoren". Het recente onderzoek 'Arbeid en Zorg in cao's 1998' van de Arbeidsinspectie in dit kader stelt dat voor 57% van de werknemers een cao-afspraak voor kinderopvang geldt. Indien dit percentage wordt gerelateerd aan het totaal aantal werknemers (dus ook buiten cao-bereik) en in aanmerking wordt genomen dat niet alle cao's zijn onderzocht, wat kan dan worden geconcludeerd over het percentage werknemers dat onder een cao-afspraak valt? Kan een overzicht worden verstrekt over de afspraken die momenteel zijn gemaakt ten aanzien van kinderopvang per cao of bedrijfsregeling? Welk deel van de werknemers valt onder een cao-afspraak die echter gelimiteerd is qua omvang van het budget? (blz. 7/8)


5.

Is het de bedoeling dat in de nieuwe wet ook wordt vastgelegd dat in het kader van jeugdparticipatie kinderen worden betrokken en invloed wordt gegeven op de gang van zaken binnen de kinderopvang? Zo ja, welke gedachten bestaan er hieromtrent? (blz. 10)


6.

Hoe zal in de nieuwe wet de medezeggenschap en participatie van ouders worden geregeld? (blz. 10)


7.

In hoeverre zal het mogelijk zijn/worden dat ouders die zelf in georganiseerd verband de opvang van hun kinderen regelen ook kunnen rekenen op een vergoeding van de overheid? (blz. 10)


8.

Is bij benadering bekend in welke mate het gebrek aan kinderopvang bijdraagt aan het 'ziekteverzuim' van werknemers? (blz. 10)


9.

Ziet het Kabinet een moment in het verschiet liggen dat de kinderopvang als basisvoorziening ook daadwerkelijk voor iedereen die dat wenst bereikbaar zal zijn? Zo ja, welk toekomstbeeld heeft het Kabinet dienaangaande voor ogen? Impliceert dit dat de rijksoverheid, bij het achterblijven van de beoogde marktwerking, toch op de één op andere wijze zélf (weer) een eigen verantwoordelijkheid zal nemen teneinde ervoor te zorgen dat er voldoende kinderopvang aanwezig is voor ouders die arbeid en zorg willen combineren, zeker ook in het licht van de risico's die in de Nota worden geschetst die kort gezegd neerkomen op de vraag of marktwerking voldoende soelaas zal bieden? Vormen de geschetste risico's een tijdelijk karakter of is de verwachting dat deze van meer structurele aard zullen zijn? Ligt het ook op de weg van gemeenten om deze risico's te gaan tackelen? Welke bevoegdheden heeft ze eventueel hiertoe? (blz. 11/12)


10.

Vormt de nieuwe wet niet een uitgelezen kans om nu ook kwaliteitseisen op te leggen aan peuterspeelzalen aangezien het immers voorzieningen zijn die door ca 200.000 kinderen in een kwetsbare leeftijdsfase worden bezocht? (blz. 12/13)


11.

Betekent het op den duur naar elkaar toegroeien van peuterspeelzalen en kinderdagverblijven dat ook verwacht mag worden dat de financiering van beide voorzieningen grote gelijkenis zal gaan vertonen dan wel onder één noemer zullen worden gebracht? In hoeverre zijn er overigens nu ook al peuterspeelzalen die als het ware zijn omgebouwd naar een halve dagvoorziening voor kinderopvang? (blz. 12/13)


12.

Hoe zal, nu op ruime schaal het belang van voor- en vroegschoolse opvang wordt onderkend, juist kunnen worden 'afgedwongen' dat deze programma's ook binnen de kinderopvang worden geintroduceerd? Is het niet te vrijblijvend indien de inzet hiervoor louter als een gemeentelijke afweging wordt gezien? (blz. 13)


13.

Zijn er andere argumenten dan financiële te bedenken waarom de tussenschoolse opvang niet ook binnen de nieuwe wet kan worden gebracht en op dezelfde wijze als de overige kinderopvangvoorzieningen kan worden gefinancierd? Kan het onderzoek naar het budget inzake kwaliteitsverbetering en verdergaande professionalisering versneld worden uitgevoerd zodat de resultaten hiervan in een vroeg stadium kunnen worden meegenomen bij de beoordeling of het wenselijk is het overblijven wel of niet in de wet op te nemen? In welke mate kan voor professionalisering van de tus- senschoolse opvangvoorzieningen gebruik worden gemaakt van de bestaande scholings- en werkgelegenheidsfondsen? Worden gemeenten momenteel gecompenseerd voor de subsidies die zij in het kader van tussenschoolse opvang (zullen gaan) verlenen? (blz. 14)


14.

Hoe ziet het Kabinet de relatie tussen de in het BANS voorgestane sluitende aanpak voor 0-6 jarigen, waarin kinderopvang één van de kernpartners is, en de in de Hoofdlijnennota voorgestane nieuwe, onafhankelijke relatie tussen gemeenten en instellingen voor kinderopvang? (blz. 15)


15.

Welke 'andere instrumenten' zijn denkbaar teneinde het bereiken van samenwerking en afstemming tussen voorzieningen voor kinderopvang en andere voorzieningen te bewerkstelligen? (blz. 15)


16.

Zijn er ook nieuwe beleidsvoornemens te verwachten ten aanzien van de gastouderopvang? (blz. 17)


17.

Wat is de inzet van het Kabinet om te zorgen dat het 'oriëntatiepunt van 90%' wordt gehaald? Wat wordt bedoeld met de termijn waarover in dit kader wordt gesproken? (blz. 19)


18.

Kan aan de hand van concrete voorbeelden worden geschetst welke inkomensgevolgen de voorgestelde financiering zal hebben ten opzichte van de huidige regeling? Kan daarbij een uitsplitsing worden gemaakt ten aanzien van: · het inkomen van ouders (b.v. laag, modaal, 2x modaal) · het al dan niet hebben van een cao-afspraak · het feit of het een eerste dan wel tweede of derde kind betreft · het al dan niet voorhanden zijn van een kostendeling? (blz. 20)


19.

Wat zal de nieuwe financieringsstructuur voor (financiële) gevolgen hebben voor ouders waarvan één of beiden scholing volgen of studeren, vrijwilligerswerk of mantelzorg verrichten, of vanwege een fysieke of psychische handicap niet kunnen werken, en wel van kinderopvang gebruik willen maken? (blz. 21)


20.

Kan inzichtelijk worden gemaakt wat de voorstellen bij de overgang van een aanbod naar een vraagfinanciering financieel zullen gaan betekenen voor gemeenten? Zal e.e.a. ook consequenties hebben voor het gemeentefonds per 2003? (blz. 22)


21.

Welk budget heeft het kabinet voor ogen dat gemoeid zal zijn met het vervullen van de gemeentelijke taken rond het scheppen van randvoorwaarden, het locatiebeleid, regie en afstemming? (blz. 22)


22.

Kan worden aangegeven welke mogelijke belemmeringen er zijn om de teruggaveregeling eventueel via een heffingskorting te realiseren? (blz. 23)


23.

Wat is het oordeel van het Kabinet over een door de PvdA-fractie in "Kracht en Kwaliteit" voorgesteld "Egalisatiefonds Kinderopvang", waarbij werkgevers een korting kunnen ontvangen op hun premie-afdracht aan het AWf? (blz. 23)


24.

Zouden de voor- en nadelen van enerzijds het z.g. fiscale model C en anderzijds het (centrale) subsidiemodel nog eens helder tegenover elkaar kunnen worden geplaatst teneinde een goede vergelijking te kunnen maken tussen beide modellen? (blz. 23)


25.

Wordt/is in kaart gebracht wat het voorgestelde financieringsmodel voor bijvoorbeeld organisatorische en financiële gevolgen heeft voor de organisaties in de kinderopvang? (blz. 23)


26.

Met welke aantallen (ouders) wordt in eerste instantie (vanaf 2003) rekening gehouden aan wie, bij het ontbreken van een werkgeversbijdrage, een gedeeltelijke inkomensafhankelijke subsidie zal worden verstrekt? Welke waarborgen zijn er dat deze ouders er ten opzichte van de huidige regeling niet op achteruit zullen gaan, ook niet wanneer er sprake is van meerdere kinderen in de kinderopvang? (blz. 24)


27.

Biedt het voorgestelde subsidiemodel ook een afdoende antwoord op díe situaties waarbij (één van de) ouders gedurende het jaar gaat werken, ophoudt met werken dan wel van arbeidsduur wisselt? (blz. 24)


28.

Bij een kostendeling tussen werkgevers van beide ouders zal het werkgeversaandeel 17,5% bedragen. Wie draagt echter het 'ontbrekende' werkgeversdeel indien er sprake is van een alleenstaande ouder? Zal het zo zijn dat voor de alleenstaande ouders een volledige compensatie zal komen voor het ontbrekende werkgeversdeel? (blz. 24)


29.

Bestaat er inzicht in de effecten van een systeem van vraagfinanciering voor de organisaties in de kinderopvang? Welk percentage van de organisaties is voor meer dan de helft afhankelijk van gemeentelijke subsidiegelden (exploitatie- of budgetsubsidies)? (blz. 25)


30.

Welke mogelijkheid krijgen gemeenten om in voorkomende gevallen een stimuleringsbeleid in te zetten, en hoe en in welke mate zal dit gefinancierd worden? (blz. 25)


31.

Zal een eventuele aanscherping van kwaliteitsnormen ten aanzien van alle genoemde indicatoren van kwaliteit gaan gelden? Zal hierbij ook extra rekening worden gehouden met kinderen in een achterstandssituatie? Kan worden aangegeven of en zo ja welke gevolgen deze aanscherping zal (kunnen) hebben voor de kostprijs van een kindplaats? (blz. 27)


32.

Bij welke klachten krijgt de toezichthouder mogelijk een rol? Wordt hier op klachten gedoeld met betrekking tot inspectie en toezicht? (blz. 27/28)

Vragen VVD-fractie


33.

Heeft de staatssecretaris overleg gehad met het ministerie van Financiën over de uitvoerbaarheid van het centraal regelen van de vraagfinanciering? Kan hierover informatie worden verstrekt vanwege de ingewikkeldheid (bijvoorbeeld door veel mutaties) van de materie en de daarmee samenhangende uitvoerbaarheid?


34.

Kan de staatssecretaris aangeven wat de efficiencyoverwegingen zijn van de door de belastingdienst uit te voeren regeling voor inkomensafhankelijke compensatie? Kan de staatssecretaris aangeven voor welke groep werkende ouders dit zal gaan gelden?


35.

M.b.t. de bijdrage van de ouders wordt vermeld dat Research voor Beleid een onderzoek doet naar de ouderbijdragen. Blijkens de brief van 22 november 1999 inzake de fiscale impuls kinderopvang, is het nettovoordeel vanaf een gezamenlijk onzuiver inkomen van fl. 108.800,- gereduceerd tot 0%. Wanneer beide partners een modaal inkomen hebben vervalt dus de aftrekmogelijkheid, en daarmee een belangrijke stimulans tot een gelijke verdeling van arbeid over beide partners. Zal het genoemde onderzoek ook op dit aspect ingaan ? (blz. 19)


36.

Gerelateerd aan de huidige bijdrage gaan veel van de werkgevers die in het huidige stelsel meebetalen aan kinderopvang voor hun werknemers uiteindelijk in het nieuwe stelsel minder bijdragen (blz. 3, 7, 19). Daarentegen zullen andere bedrijven (meer) aan kinderopvang moeten gaan betalen. Kan de regering in een kwantitatief overzicht aangeven welke lastenverlichtingen en verzwaringen dit voor de werkgevers in de onderscheiden sectoren met zich mee brengt? Kan de regering daarbij aangeven over welke kenmerken de onderscheiden sectoren beschikken, onder meer als het gaat om de verhouding man/vrouw en de hoogte van het gemiddelde loon? M.a.w. bestaat er een relatie tussen kinderopvangvoorzieningen in CAO's en het feit dat in betreffende sector relatief veel vrouwen werken en/of een relatie tussen de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden?


37.

Als knelpunt in de huidige situatie wordt aangemerkt dat door het advieskarakter van de huidige ouderbijdragetabel, ouders met hetzelfde inkomen in praktijk verschillende bedragen betalen. Is de conclusie gerechtvaardigd dat die situatie blijft voor zover kinderopvanginstellingen andere prijzen hanteren? Zo ja, is het dan niet beter te spreken over harmonisatie van subsidie ten behoeve van de kinderopvangplaatsen?


38.

Welke systemen van (gedeeltelijk inkomensafhankelijke) compensatie heeft de regering overwogen? Zijn eenvoudiger systemen de revue gepasseerd? (blz. 19) Heeft de regering daarbij overwogen over te gaan tot een kind-gebonden-budget, een kind-volgend-budget eventueel met gebruikmaking van vouchers? Zo ja, kan de staatssecretaris uiteenzetten wat haar overwegingen zijn geweest om te kiezen voor een tripartiete financiering?


39.

Kan de staatssecretaris nadere gegevens verstrekken over de vorderingen van de onderbouwing van de tripartiete financiering?


40.

De regering gaat uit van een tripartiete financiering van kinderopvang door ouders, werkgevers en overheid. In verband met de budgettaire beheersbaarheid acht de regering het van belang dat de financiële tegemoetkoming van de overheid per kindplaats gebonden is aan een maximum. Acht de regering het denkbaar dat de evenredige tripartiete financiering wordt losgelaten in geval het aantal plaatsen meer toeneemt dan waar rekening mee is gehouden dan wel de kostprijs hoger is dan waarvan thans wordt uitgegaan. Wie vormt het sluitstuk van de financiering? M.a.w. wie gaat de hogere kosten dan betalen? Kan de regering in diverse scenario's (waarbij risico's al dan niet cumuleren) aangeven welke budgettaire risico's de overheid in uiterste consequentie loopt?


41.

Het Kabinet gaat ook in het nieuwe systeem uit van een werkgeversbijdrage, ouderbijdrage en overheidsbijdrage. In de nota wordt genoemd dat het Kabinet landelijk streeft naar een verdeling van 1/3, 1/3 en 1/3. Ook in bestuurlijke overleggen heeft de staatssecretaris dit bevestigd. Nu blijkt uit de bijlagen bij de nota dat het macro 1/3 deel van de ouders pas wordt bereikt als op meer dan 80% van de kindplaatsen een werkgeversbijdrage plaatsvindt. Uit nadere bestudering van de huidige inkomensverdeling van ouders blijkt dat het 1/3 macrodeel van ouders nooit wordt bereikt binnen de huidige voorstellen, het zal waarschijnlijk veel hoger liggen, zoals ook nu het geval is. Is het Kabinet nog steeds van mening dat de tripartiete financiering over de drie partijen gelijkelijk verdeeld moet worden? Hoe denkt het Kabinet hieraan tegemoet te komen?


42.

Welke inkomensgroepen profiteren het meest van de voorstellen? Kan dat in een tabel worden weergegeven?


43.

Kunnen de inkomensconsequenties voor ouders verhelderd worden aan de hand van een aantal typologieën voor wat betreft a. inkomenscategorieën (laag, modaal, 2 x modaal, hoger), b. het al dan niet hebben van een CAO-afspraak, c. waarbij al dan niet sprake is van een kostendeling (blz. 31)


44.

Kan de staatssecretaris een toelichting geven op twee fiscale punten: op het stellen van drempels ( in het kader van het bevorderen van arbeidsparticipatie van vrouwen) in de fiscale aftrek en op het probleem dat over subsidies aan particuliere instellingen soms vennootschapsbelasting wordt geheven? Is het niet logischer om die fiscale drempels niet aan uren per dag, maart aan uren per week te koppelen, omdat daarmee de arbeidsparticipatie van vrouwen meer wordt bevorderd?


45.

Indien de financiële middelen voor kinderopvang in handen worden gesteld van de ouders, is er dan een risico voor misbruik of oneigenlijk gebruik van deze middelen? Kan de staatssecretaris haar visie hieropgeven?


46.

Kan in kaart worden gebracht of zich verschuivingen gaan voordoen ten aanzien van de bedrijfsplaatsen, nu de vermindering afdracht loonbelasting (WVA) verdwijnt?


47.

Hoe gaat de werkgevers- en overheidsbijdrage er uit zien voor plaatsen voor werknemers die onregelmatig werken? In Nederland is er voornamelijk sprake van anderhalf verdieners. Stel nu dat de ene ouder fulltime werkt, en de andere ouder werkt 50%, de ene week twee dagen en de andere week drie dagen. Omdat over het algemeen een vast aantal dagen per week moet worden afgenomen zullen deze ouders gedwongen zijn drie dagen per week kinderopvang te betalen. Moet de werkgever van de ouder die vijf dagen per twee weken werkt nu zes dagen kinderopvang mede betalen, of vijf dagen, en wie betaalt in het laatste geval de zesde dag? Deze situatie doet zich ook voor bij beroepsgroepen met onregelmatige werktijden.


48.

Is het waar dat in het model van een oudersubsidie uitgevoerd door de Belastingdienst, er sprake is van een tevoren geraamd en bepaald budget dat hiervoor ter beschikking komt? Indien dit het geval is, wat kan dit dan voor gevolgen hebben voor de toegankelijkheid en betaalbaarheid van kinderopvang , indien dit budget voortijdig is benut? (blz. 30)


49.

Is er reeds enig inzicht in de diverse modaliteiten voor wat betreft de feitelijke uitvoering en het feitelijke verloop van financieringsstromen? Is het juist dat vraagfinanciering en het rechtstreeks in handen geven van een budget aan ouders voor de kinderopvangorganisaties kan leiden tot het opmaken van meerdere nota's? Verwacht de regering administratieve problemen bij kinderopvangorganisaties bij overschakeling op vraagfinanciering. Zo ja, wat kan hier aan gedaan worden? (blz. 34)


50.

Gesteld wordt dat veel werkgevers die in het huidige stelsel meebetalen aan kinderopvang voor hun werknemers uiteindelijk in het nieuwe stelsel minder bijdragen. Om hoeveel werkgevers gaat het hier, en op welke termijn voorziet de staatssecretaris een vermindering van de bijdrage voor kinderopvang?


51.

Heeft het Kabinet andere methoden van kostprijsbewaking overwogen zoals bijvoorbeeld een Opta voor de kinderopvang? Zo ja, wat zijn hiervan de uitkomsten voor de kinderopvang? Zo nee, is het Kabinet dat bereid alsnog te doen?


52.

Wie financiert het ontbrekende deel (17,5% van de andere werkgever) wanneer een alleenstaande ouder gebruik wenst te maken van kinderopvang?


53.

Kan de staatssecretaris de voor- en nadelen van de modellen voor vraagfinanciering (het fiscale model en het model voor inkomensafhankelijke kinderopvangsubsidie met centrale uitvoering, blz. 38) zeer uitvoerig (meer dan nu in de nota is gedaan) op een rij zetten? De VVD-fractie mist de nadelen in het door het kabinet geprefereerde model voor inkomensafhankelijke kinderopvangsubsidie met centrale uitvoering. Deelt de staatssecretaris de mening dat bij een subsidieregeling het niet-gebruik altijd groter is dan bij een fiscale regeling, en dat een fiscale regeling gebruikersvriendelijker is?


54.

Kan de staatssecretaris ingaan op financiering van kinderopvang voor het tweede en derde kind? Is het daadwerkelijk zo dat kortingen voor kinderopvang voor het tweede en derde kind worden afgeschaft?


55.

In de Wet Inkomstenbelasting 2001 is nog het oude plafond (fl. 11.054,-) opgenomen, terwijl het plafond nu juist in het Belastingplan 2000 was opgetrokken tot fl. 19.050,-. Zal dit in de Wet Inkomstenbelasting 2001 gerepareerd worden, en zo ja op welke termijn?


56.

Kan de staatssecretaris een uitvoerige opsomming geven wie in aanmerking komen gebruik te maken van de door de staatssecretaris voorgestelde Wet basisvoorziening kinderopvang?


57.

Door de aanpassing van de drempelbedragen in de buitengewone lastenaftrek voor 2000 kunnen veel meer lagere en middeninkomens profiteren van de aftrek kinderopvang. Ook de mogelijkheid om via een voorlopige teruggave loonbelasting maandelijks de aftrek vooruitbetaald te krijgen is nauwelijks bekend. Hoe denkt de staatssecretaris meer bekendheid te geven aan deze vorm van buitengewone lastenaftrek?


58.

Is de staatssecretaris bereid om, vergelijkbaar aan koopkrachtplaatjes, in kaart te brengen wat de gevolgen zijn voor het invoeren van het nieuwe financieringssysteem voor de ouders? Kunt u ook aangeven wat de verschillen zijn met de huidige situatie?


59.

Op grond waarvan verwacht de regering dat op termijn 90% van de CAO's en bedrijfsregelingen concrete afspraken over kinderopvang hebben? M.a.w. welke aanwijzingen heeft de regering dat sectoren die thans niets bijdragen aan de kosten van de kinderopvang, dat straks wel zullen doen?


60.

Wat gaat de staatssecretaris doen indien dit percentage niet wordt gehaald?


61.

Welke stimulansen is het Kabinet voornemens in te zetten voor werkgevers en werknemers om het aantal afspraken over kinderopvang substantieel uit te breiden zodat een optimale situatie (90% CAO-afspraken over kinderopvang, en verdeling van kosten over beide werkgevers) per 2003 kan ontstaan?


62.

Op dit moment is in ongeveer 55% van de CAO's afspraken gemaakt over kinderopvang. In hoeveel individuele bedrijfsregelingen is dit thans het geval? Hoeveel werknemers kennen in het geheel geen CAO of bedrijfsregeling en welk percentage maken zij uit van het totaal?


63.

Kan de staatssecretaris aangeven of er wachtlijsten zijn op fondsen voor bedrijfskinderopvang in sectoren? Heeft de staatssecretaris nadere gegevens over de kinderopvangregelingen voor werknemers die buiten een CAO vallen?


64.

Hoe ziet de staatssecretaris de relatie tussen peuterspeelzalen, kinderopvangvoorzieningen en onderwijsinstellingen?


65.

Klopt het dat kinderen van etnische minderheidsgroepen thans relatief minder gebruik maken van kinderopvangvoorzieningen; peuterspeelzaalwerk en/of de eerste groep in het basisonderwijs? Op welke wijze worden ouders van etnische minderheidsgroepen gestimuleerd om van de kinderopvangvoorziening gebruik te maken? Kan de regering in een kwantitatief overzicht aangeven welke stijging van het gebruik van kinderopvang door deze groepen te verwachten is? (blz. 4)


66.

Hoeveel subsidieplaatsen worden bezet door werknemers? Betreft dit ook werknemers die aanspraak zouden kunnen maken op een bedrijfsgefinancierde plaats? Zo ja, hoe groot is deze groep? (blz. 25)


67.

Welke brede visie heeft het Kabinet op de opvang van kinderen buiten de thuissituatie in verband met de combinatie arbeid (studie) en zorg?


68.

Meer dan in voorgaande beleidsnota's kinderopvang wordt er aandacht besteed aan samenhang met jeugdbeleid en onderwijsbeleid, bijvoorbeeld waar het gaat om de brede school in relatie tot de buitenschoolse opvang of de rol van (specifieke) voorschoolse opvang voor kinderen uit etnische minderheden. Hoe ziet de staatssecretaris de rol van onderwijsinstellingen?


69.

Het Kabinet denkt eraan enerzijds de ouderbijdrage te relateren aan het inkomen en de kostprijs, en anderzijds wordt de rijkssubsidie vanuit de beheersbaarheid van het rijksbudget per kindplaats gemaximeerd op basis van de basiskwaliteitseisen. Daarnaast zijn er andere factoren die per plaats prijsverschillen kunnen verklaren (grondprijs, nieuwbouw, arbeidsmarktsituatie van leidsters). Is het Kabinet van mening dat de marktsituatie in de kinderopvang per 2003 zo zal zijn dat ouders optimale keuzevrijheid hebben in kostprijs en kwaliteit?


70.

Wat is de mening van het Kabinet om een systeem van monitoring op kostprijsontwikkeling en overheidsbijdrage (net als feitelijk bij de werkgeversbijdrage) in te voeren?


71.

Uit bestudering van de bijlagen en de gegevens van de inkomensverdeling van ouders in de kinderopvang, kan worden afgeleid dat de kosten voor kinderopvang na 2003 al gauw hoger uit kunnen komen dan het laagste salaris van beide partners. Wanneer dit het geval is, is het aannemelijk dat een van beide partners geneigd zal zijn de baan op te zeggen en geen gebruik te maken van (formele) kinderopvang. De hoge kosten beperken dan de keuzevrijheid van werkende ouders en vooral moeders. Heeft de staatssecretaris hierover nadere gegevens?


72.

De overheid blijft mede verantwoordelijk voor het tot stand komen van voldoende aanbod. Mocht de beoogde marktwerking in de kinderopvang onvoldoende of te duur aanbod genereren, wat denkt de staatssecretaris dan te doen?


73.

Te gemakkelijk wordt in de hoofdlijnennota ook geschreven over prikkeling van de consument tot relatief goedkope kinderopvang e.d. Zolang de schaarste aan kinderopvang nog zo groot is en de vervangingsvraag uit gastouder- en informele kinderopvang eveneens zo groot is zal gewone marktwerking nimmer tot stand komen. Is de staatssecretaris het hiermee eens en wat denkt de staatssecretaris te doen om de marktwerking binnen de kinderopvang te vergroten?


74.

Op welke termijn denkt de staatssecretaris de keuzevrijheid voor ouders volledig bereikt te hebben?


75.

Hoe denkt de staatssecretaris meer samenhang en coördinatie tussen de betrokken ministeries te bewerkstelligen?


76.

Heeft de staatssecretaris al informatie voorhanden hoe samengewerkt gaat worden op gemeentelijk niveau tussen de diverse betrokken gemeentelijke afdelingen?


77.

Wat zijn de gevolgen van het nieuwe systeem voor de verschillende soorten van organisaties van kinderopvang? Het invoeren van nieuwe systemen moet immers niet de noodzakelijke groei laten stagneren. Het systeem zou bijvoorbeeld wel eens heel anders kunnen uitwerken voor een kleine organisatie in het oosten van het land met veel subsidieplaatsen, dan voor een grote, landelijk werkende organisatie met overwegend bedrijfs- en particuliere plaatsen. Kan de staatssecretaris hier een reactie op geven?


78.

Is er inzicht in de gevolgen van de invoering van een vraaggefinancierd stelsel in de kinderopvang voor de onderscheiden organisaties? Welke gevolgen zal de invoering van een nieuw stelsel hebben voor organisaties die nog voor het grootste deel van hun exploitatie afhankelijk zijn van een gemeentelijke (exploitatie)subsidierelatie? (blz. 33)


79.

Er worden in de nota verschillende modellen van vraagfinanciering gepresenteerd. Hoe deze moeten worden uitgevoerd en wat de gevolgen zijn voor de organisaties in de kinderopvang is nog geheel onhelder. Kan de staatssecretaris hier meer helderheid geven?


80.
Wat wordt van de gemeente na 2002 verwacht met betrekking tot kinderopvang en welk budget zal hiervoor gereserveerd worden?


81.

De notitie stelt dat gemeenten de vergunningprocedure zo moeten inrichten dat ondernemers ook daadwerkelijk aan de slag kunnen. In de praktijk is dit juist een enorm knelpunt. Welke nieuwe mogelijkheden ziet de Regering om de moeizame procedures m.b.t. vergunningen en met name bestemmingsplannen te versnellen ? (blz. 29) De beantwoording van deze vraag is ook nu al actueel, om de belemmeringen weg te nemen om de 71.000 kindplaatsen te verwezenlijken. Op welke termijn kunnen voorstellen van de staatssecretaris worden verwacht?


82.

Hoe verhoudt zich de opmerking "gemeenten kunnen hiertoe kinderopvangplaatsen inkopen" (blz. 11) tot het uitgangspunt van vraagsturing en keuzevrijheid van de ouders?


83.

Hoe denkt de staatssecretaris de belangenverstrengeling op te lossen tussen de gemeente en de lokale stichting voor kinderopvang met wie ze al jaren samenwerken? Met andere woorden, wat denkt de staatssecretaris te kunnen doen om commerciële aanbieders op de markt te laten komen? Denkt de staatssecretaris ook aan sancties voor de gemeente wanneer die onvoldoende ruimte biedt aan nieuwe toetreders?


84.

Wat is de omvang van de genoemde doelgroepen waar de gemeenten voor verantwoordelijk zijn? Is het juist dat in een vraaggefinancierd stelsel de gemeenten slechts nog het "werkgeversdeel" van deze plaatsen hoeven te betalen, zodat het bedrag dat gemeenten nodig hebben per ouder uit de doelgroepen minder is dan de huidige gemeentelijke bijdrage per ouder ? Welk budget zou in de huidige situatie vereist zijn om in kinderopvang voor de doelgroepen te voorzien? Is het bedrag dat in 1996 in het gemeentefonds is gestort , en oorspronkelijk was geoormerkt voor kinderopvang, toereikend voor de kinderopvang voor doelgroepen? (blz. 29)


85.

Aan het Gemeentefonds is in 1996 fl. 192 miljoen toegevoegd om de gemeenten in staat te stellen het aanbod in stand te houden en te subsidiëren Het Kabinet kiest nu voor vraagfinanciering via de ouders. In principe moet het na 2002 niet meer mogelijk zijn om aanbod te subsidiëren. Welke consequenties heeft dit voor de bestaande gesubsidieerde instellingen? Welke consequenties heeft dit voor de bijdrage die in 1996 voor kinderopvang in het Gemeentefonds is gestopt?


86.

Gemeenten krijgen na afloop van de uitbreidingsmaatregel fl. 250 miljoen in het Gemeentefonds gestort, aldus de bijlage van de nota. Wat zijn precies de taken voor gemeenten die bekostigd moeten worden uit deze fl. 250 miljoen? Hoe verhoudt zich dit tot deze fl. 250 miljoen en de fl. 192 miljoen die gemeenten reeds ontvingen in 1996 voor kinderopvang?


87.

Op welke wijze denkt de regering het tekort aan voorzieningen van gebouwen te kunnen opheffen en de planologische procedures te bekorten?


88.

Biedt artikel 19, derde lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dat Burgemeester en Wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan om kinderopvangvoorzieningen te toe te staan? Kan dit artikel gebruikt worden om op vrij eenvoudige wijze leegstaande schoollokalen en/of -gebouwen te herbestemmen tot kinderopvang, zonder onderscheid te maken naar commerciële en niet-commerciële kinderopvanginstellingen?


89.

Op welke manier stimuleert de regering dat in nieuwbouwwijken en stadsvernieuwingsgebieden planologische mogelijkheden voor kinderopvangvoorzieningen worden meegenomen?


90.

Welke sancties zullen worden ingebouwd wanneer gemeenten onvoldoende zorgen dat nieuwe (ook commerciële) aanbieders onder gelijke voorwaarden kunnen toetreden en dat er voldoende vestigingslocaties beschikbaar zijn?


91.

Een ander knelpunt uit genoemd onderzoek betreft het tekort aan nieuwbouwlocaties en/of bestaande accommodaties die kunnen worden ingezet voor de capaciteitsuitbreiding. Hoe denkt de staatssecretaris, met het oog op een dekkend aanbod, deze problemen op te lossen?


92.

Wat zijn de beleidsvoornemens, de vraagfinanciering en kwaliteit met betrekking tot de gastouderopvang?


93.

Deelt de staatssecretaris de opvatting dat de gastouderopvang onder druk komt te staan door de veranderingen in de fiscale wetgeving?


94.

In het belang van de professionalisering van de peuterspeelzalen is het van belang dat de peuterspeelzalen of in de wet worden opgenomen of dat een eigen traject wordt vormgegeven via bijvoorbeeld een stimuleringsregeling. Is de staatssecretaris het ermee eens dat in elk geval moet worden begonnen met het opnemen van (aangepaste) kwaliteitseisen in de wet voor peuterspeelzalen? Kan de staatssecretaris hier nader op ingaan?


95.

Op welke termijn kan de staatssecretaris het hernieuwde stelsel voor kwaliteitsbewaking van kinderopvang en het toezicht op de uitvoering van kwaliteitsbewaking in werking treden?


96.

Bij welke klachten krijgt de toezichthouder mogelijk een rol? Wat is de relatie met de Wet Klachtrecht? (blz. 37)


97.

In de nota blijft het toezicht op de wettelijke kwaliteitseisen bij de lokale en regionale GGD-en. Kan het toezicht op de wettelijke kwaliteitseisen ook worden uitgevoerd door private instellingen?


98.

Van kinderopvangcentra wordt een bijdrage verwacht voor wat betreft de pedagogische en educatieve dimensie in het kader van achterstandsbestrijding. Wat betekent dit voor het beschikbare budget voor de kinderopvang, alsmede voor de veronderstelde kostprijs van een kindplaats? (blz. 22)


99.

In de notitie wordt gesteld dat noch de rijksoverheid noch de lokale overheid verantwoordelijk is voor het aanbod van kinderopvang. Wie is volgens de staatssecretaris dan wel verantwoordelijk voor het aanbod van kinderopvang?


100.

De VVD-fractie heeft berekend dat opvang per kindplaats ongeveer fl. 3,05 per uur per deelnemer (tripartiete verdeling tussen overheid, ouders en werkgever) bij een kostprijs van fl. 19.000,- per kindplaats (uitgaande van 40 uur in de week) zou moeten kosten. Uitgaande van de kostprijs van een kostprijs van een kindplaats van fl. 24.000,-. op jaarbasis zou dit uitkomen op ongeveer fl. 3,85 per uur per (voltijdse) 40-urige week is dat per deelnemer (overheid, ouders en werkgever): fl. 122,- bij 19.000,- en fl. 154,- (naar boven afgerond) bij 24.000,-. Kan de staatssecretaris aangeven of deze berekening klopt? Zo nee, kan de staatssecretaris aangeven wat de berekening dan wel zou zijn? Kan de staatssecretaris ook aangeven wat de berekening van de kosten van BSO zou zijn?


101.

Welke gevolgen heeft tripartiete financiering voor de administratieve lastendruk van grote bedrijven en bedrijven in het midden -en kleinbedrijf?


102.

Kinderopvang voor 0 tot 4 jarigen en BSO is het grote knelpunt voor zelfstandigen en MKB'ers met een eigen bedrijf. De kosten van kinderopvang worden zeer hoog ervaren en ook het vinden van een opvangplaats voor kinderen van zelfstandigen is een groot probleem. Zij kunnen de kosten van kinderopvang alleen fiscaal aftrekken en kinderopvang wordt dan een te grote kostenpost voor het bedrijf. Hoe denkt de staatssecretaris tegemoet te komen om opvang voor zelfstandigen en MKB'ers toegankelijk te maken?

Vragen CDA-fractie


103.

Op welke wijze valt het bedrag van de fl. 8,25 miljoen uiteen over de genoemde beleidselementen, en waaraan wordt het daarbinnen besteed?


104.

Uit het gebruik van kinderopvang blijkt dat arbeidsdeelname of het volgen van scholing de belangrijkste reden is voor ouders/verzorgers om hun kinderen naar de kinderopvang te brengen. Ook de hele hoofdlijnennotitie is gebaseerd op dit gegeven. Niettemin wordt gesteld dat kinderopvang ook een pedagogisch doel dient. Is het niet juister om te stellen dat kinderopvang tot doel heeft om arbeid en zorg te kunnen combineren en dat het een (belangrijke) voorwaarde is dat de geboden kinderopvang pedagogisch verantwoord is? (blz. 6)


105.

Wat is het feitelijke bereik van de CAO-afspraken op dit moment? (blz. 7)


106.

Kan bij benadering (zo mogelijk in procenten) worden aangegeven in hoeveel bedrijfsregelingen afspraken zijn gemaakt over kinderopvang? (blz. 8)


107.

Waarom wordt de beschikbaarheid van voldoende (gekwalificeerd) personeel niet als een knelpunt genoemd? (blz. 9)


108.

Kan worden ingegaan op de tieneropvang, de doelstelling, de randvoorwaarden en het belang van deze voorziening voor het kunnen combineren van arbeid en zorg? (blz. 14)


109.

Waarom wordt de behoefte aan kinderopvang onder etnische minderheidsgroepen als een aanvullende voorziening gezien in plaats van een basisvoorziening? Op grond waarvan wordt voor deze groep een specifieke rol en taak voor de gemeente weggelegd? Waarom zou de beoogde vraagfinanciering en -sturing in de nieuwe wet op dit punt niet voldoen? (blz. 16)


110.

Op grond van welke overwegingen wordt de tieneropvang (voorlopig) niet in de nieuwe wet ondergebracht? Kan daarbij ook nader worden ingegaan op de overwegingen om de grens in de nieuwe wet bij 12 jaar te leggen? Wanneer wordt definitief beslist over de wettelijke verankering van de tieneropvang? (blz. 16)


111.

Waarom blijft de (informele) kinderopvang aan huis buiten de werking van de nieuwe wet? Kan daarbij ook worden ingegaan op de consequenties hiervan in het kader van de experimenten dagindeling, zoals de verzorging van een ziek kind aan huis door een erkende kinderopvanginstelling, en in relatie tot de ook door het Kabinet beoogde verruiming van de keuzevrijheid van ouders? (blz. 16)


112.

Waarom wordt in tegenstelling tot de overweging op blz. 13 in de beleidsbrief voor- en vroegschoolse educatie van 9 juni 2000 in de onderhavige hoofdlijnen van 16 juni 2000 niet langer gedacht aan het onderbrengen van de financiering van het peuterwerk in de nieuwe wet? (blz. 16)


113.

Welke bestuurlijke consequenties zouden een belemmering kunnen zijn voor het opnemen van de tussenschoolse opvang in de nieuwe wet? Is budgettaire neutraliteit bij de integratie van tussenschoolse opvang in de nieuwe wet het uitgangspunt? (blz. 16)


114.

Hoe wordt het uitgangspunt dat ouders niet meer gebruik maken van kinderopvang dan nodig is, nader ingevuld? Op grond van welke criteria wordt bepaald wat ouders "nodig" hebben? (blz. 17)


115.
Welke termijn staat het Kabinet voor ogen voor het bereiken van concrete afspraken in 90% van CAO's en bedrijfsregelingen over kinderopvang? (blz. 19)


116.

Ziet het Kabinet nog ruimte en noodzaak voor prikkels richting werkgevers om voor zover nog geen afspraken zijn gemaakt over kinderopvang deze zo snel mogelijk te maken danwel de afspraken meer in lijn te brengen met het voorgestane model dat is gebaseerd op een vaste werkgeversbijdrage van 35%? (blz. 19)


117.

In welke situaties waarin werkgevers onvoldoende of niet bijdragen aan de kosten voor kinderopvang vindt er geen volledige compensatie door de overheid plaats? Waarom is daarvoor gekozen? (blz. 20)


118.

Wat is het percentage ouders dat naar verwachting in aanmerking zal komen voor de gedeeltelijke, inkomensafhankelijke compensatie? (blz. 20)


119.

Een persoongebonden budget is een goed instrument om meer vraagsturing te realiseren. Kan nader worden ingegaan op de (principiële praktische en financiële) overwegingen om niet te kiezen voor een persoonsgebonden budget in de kinderopvang? (blz. 20)


120.

Het hanteren van een maximum of normkostprijs bij de vaststelling van de (inkomensafhankelijke) overheidsbijdrage wordt beoogd vanuit budgettaire overwegingen. Onder 5.2 wordt gesteld dat de ouders prijsbewust gemaakt kunnen worden door de ouderbijdrage te baseren op een percentage van de (werkelijke) kostprijs. Kan in enkele rekenvoorbeelden (micro) zichtbaar worden gemaakt wat de consequentie is van de combinatie van een overheidsbijdrage op basis van de normkostprijs en een ouderbijdrage die gebaseerd is op de werkelijke kostprijs? (blz. 21)


121.

Op welke wijze wordt de financieringsstroom voor het ontbrekende "werkgeversaandeel" voor specifieke doelgroepen geregeld? (blz. 21)


122.

Op welk (soort) aanbod wordt gedoeld als wordt gesproken over een onderzoek naar de ontwikkeling van het aanbod in 2002? (blz. 21)


123.

Wordt bij het verlagen van de ondergrens voor de ouderbijdrage van 130% van het minimumloon naar 100% ook aan compensatiemaatregelen gedacht en zo ja, hoe ziet die er dan uit? (blz. 21)


124.

Wat zijn de praktische bezwaren om via de AKW een inkomensafhankelijke kinderopvangsubsidie te verstrekken aan de ouders? (blz. 23)


125.

Wat zijn de consequenties voor de ouders in de situatie waarin één ouder zelfstandige is en de andere ouder meewerkende partner en in de situatie van een alleenstaande ouder die zelfstandige is? (blz. 24)


126.

Hoe kan de voorziene tijdelijke stijging van de vraagprijs in de kinderopvang als gevolg van de toenemende vraag en een achterblijvend aanbod worden voorkomen, teneinde te voorkomen dat kinderopvang voor minder draagkrachtige ouders ondanks de subsidie (die is gebaseerd op een standaard kostprijs) onbereikbaar wordt? (blz. 25)


127.

Is in de onderzochte consequenties voor organisaties voor kinderopvang ook onderscheidt gemaakt naar de grootte van die organisaties, en zo ja welke verschillen in consequenties zijn er? (blz. 25)


128.

Is er sprake van voldoende scheiding van verantwoordelijkheden (dubbele petten problematiek) wanneer gemeenten zowel actief sturen bij de bemiddeling van kinderopvang voor specifieke doelgroepen, als de regels stellen voor de vestiging en de vergunningen (gewenste geografische spreiding over de stad, bestemmingsplannen) en daarnaast ook nog eindverantwoordelijk zijn voor het toezicht? (blz. 26)


129.

Op welke wijze kunnen gemeenten een stimuleringsbeleid voeren en eventueel de exploitatie voor een bepaalde (aanloop)tijd garanderen zonder dat dit strijdig is met het mededingingsbeleid? (blz. 27)


130.

Op welke wijze en met welke middelen zal de pedagogische kwaliteit verder gestimuleerd worden en zal een landelijke bundeling van expertise worden nagestreefd? (blz. 28)


131.

Welke gevolgen heeft het aanscherpen van kwaliteitseisen voor de kostprijs? (blz. 28)


132.

Is het de bedoeling om het landelijk "toezicht op het toezicht" eventueel gecombineerd met een onafhankelijk klachtenorgaan onder te brengen bij een bestaande instantie of wordt er gedacht aan een geheel nieuwe organisatie? (blz. 29)

Vragen GroenLinksfractie


133.

De keuze voor een CAO-fonds voor kinderopvang neemt toe. Welke voor- en nadelen ziet het Kabinet in deze ontwikkeling? (blz. 7)


134.

Wanneer zijn de resultaten van het onderzoek naar de kwantitatieve ontwikkeling van de vraag naar kinderopvang te verwachten? (blz. 8)


135.

Op welke wijze zal jeugdparticipatie en ouderparticipatie in de wet worden uitgewerkt? (blz. 10)


136.

Hoe is het uitgangspunt van kinderopvang als een voor iedereen toegankelijke basisvoorziening te rijmen met:
- het principe van marktwerking, waarbij het bij voorbaat niet is gegarandeerd dat de markt op alle vraag een aanbod kan en/of wil genereren
- het streven om op termijn in 90% (dus niet in 100%) van de CAO's concrete afspraken over kinderopvang te hebben? (blz. 12)

137.

Wordt de Wet Basisvoorziening Kinderopvang ook het wettelijk kader voor de gastouderopvang? Wordt er apart beleid voor de gastouderopvang ontwikkeld? (blz. 13)


138.

Wanneer komen de resultaten van het onderzoek naar het budget, de kwaliteitsverbetering en verdergaande professionalisering van de tussenschoolse opvang naar de Kamer? En wanneer mogen wij het definitieve standpunt over de financieringswijze van de tussenschoolse opvang tegemoet zien? Hoe beoordeelt u het standpunt van de FNV, dat de tussenschoolse opvang op een zelfde wijze gefinancierd dient te worden als de rest van de kinderopvang, namelijk met werkgeversbijdrage, inkomensafhankelijke ouderbijdrage en overheidsbijdrage? (blz. 14).


139.

Deelt het Kabinet de mening dat de peuterspeelzalen op termijn geheel moeten integreren in de kinderopvang? Zo ja waarom, en hoe zal dit gestimuleerd worden? Zo nee, waarom niet? Hoe zal een antwoord worden gegeven op de grote kwalitatieve verschillen tussen kinderopvang en peuterspeelzalen, bijvoorbeeld het ontbreken van een CAO, het grote gebruik van vrijwilligers, de slechte huisvesting? (blz. 14)


140.

Hoe ziet het Kabinet de ideale samenwerking tussen kinderopvang en brede school voor zich? Op welke wijze zal dit worden gestimuleerd? Op welke wijze vindt hierover coördinatie en afstemming plaats tussen de verantwoordelijke ministeries en op gemeentelijk niveau? (blz. 15)


141.

Hoe kan het Kabinet spreken over een evenwichtige verdeling van de financiële lasten over overheid, ouders en werkgevers als ook in het nieuwe systeem de zwaarste lasten nog steeds bij ouders en overheid liggen (resp. 44% en 35%)? (blz. 17)


142.

Bij de uitwerking van de tripartiete financieringswijze lijkt het kabinet uit te gaan van de situatie dat er sprake is van kinderopvang voor één kind. Hoe beoordeelt u de suggestie van de FNV om een hogere overheidsbijdrage te realiseren voor het tweede en volgende kind? Indien positief, op welke manieren zou aan deze suggestie tegemoet gekomen kunnen worden? Kunt u een aantal modellen geven?(blz. 17 e.v.)


143.

De wet gaat uit van een inkomensafhankelijke bijdrage van ouders. Zal de huidige adviestabel als uitgangspunt dienen voor de bijdrage? Zo niet, hoe zal dan de bijdrage tot stand komen? Hoe wordt voorkomen dat mensen met een laag inkomen een relatief groot bedrag kwijt zijn aan kinderopvang? Wordt er gedacht aan een hogere inkomensgrens dan de huidige van plusminus fl. 2145,- netto huishoudeninkomen? (blz. 17)


144.

Volgens de FNV heeft een inkomensafhankelijke subsidieregeling allerlei nadelen zoals; het rondpompen van geld met extra kosten van dien, een balansverlenging en groot niet-gebruik. Hoe beoordeelt de staatssecretaris deze nadelen en waarom worden in bijlage 2 geen nadelen genoemd? (blz. 17/34)


145.

Betekent de vaste bijdrage van werkgevers voor elke werkgever een zelfde bedrag? Hoe staat het Kabinet tegenover een bedrag dat gerelateerd wordt aan de grootte van het bedrijf/organisatie waardoor de lasten evenrediger worden verdeeld over de werkgevers? Waarom is niet gekozen voor een verplichte werkgeversbijdrage zodat de lasten evenredig verdeeld worden over alle werkgevers? (blz. 18)


146.

Op welke termijn wil het Kabinet dat er in 90% van de CAO's een bepaling over kinderopvang is opgenomen? Op welke wijze zal het Kabinet stimuleren dat het genoemde percentage gehaald wordt? Waarom is niet gekozen voor een percentage van 100%? (blz. 19)


147.

In welke gevallen zal de werkgeversbijdrage nog ontoereikend zijn als in het nieuwe stelsel de werkgevers een vaste bijdrage gaan betalen? (blz. 20)


148.

Op welke manier kan het "lage inkomen" van zelfstandigen worden gedefinieerd? (blz. 21)


149.

Waarom is bij de specifieke doelgroepen geen aandacht besteed aan mantelzorgers, mensen die vrijwilligerswerk doen, nieuwkomers die een inburgeringtraject volgen, studenten en tienermoeders? Komen zij in het nieuwe stelsel niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten? (blz. 21)


150.

Op welke wijze zal de gemeente kinderopvang voor specifieke doelgroepen regelen? Koopt de gemeente plaatsen in bij instellingen of gaan zij eigen instellingen beheren? (blz. 21)


151.

Vindt het Kabinet spreiding van verschillende groepen (kinderen van specifieke doelgroepen, van werknemers en van zelfstandigen) van belang in de kinderopvang? Op welke wijze zal dit worden gegarandeerd? (blz. 21)


152.

Op welke wijze zal worden gegarandeerd dat de instellingen niet in liquiditeitsproblemen komen als gevolg van het overhevelen van de middelen naar ouders? (blz. 23)


153.

Een alleenstaande ouder wordt geacht de hele werkgeversbijdrage van 35% te verhalen bij de werkgever terwijl een echtpaar ieder voor slechts de helft (17,5% ) een beroep hoeft te doen op zijn/haar werkgever. Wat zijn de verwachte gevolgen van dit voorstel voor de arbeidsmarktpositie van alleenstaande ouders in vergelijking tot een ouder die de werkgeversbijdrage gesplitst kan verhalen? Als de werkgever minder betaalt dan 35% compenseert de overheid op inkomensafhankelijke wijze en wordt de alleenstaande daarmee dus slechts gedeeltelijk gecompenseerd. Klopt deze redenering? Waarom vindt er geen volledige compensatie plaats, aangezien er immers geen tweede werkgever is? Hoe beoordeelt het Kabinet de suggestie dat er voor alleenstaande ouders afzonderlijke tabellen gemaakt moeten worden? (blz. 24)


154.

Op welke wijze zal de overheid reageren op de stijging van de prijs als gevolg van de versterking van de vraag? Welk effect op de wachtlijsten en daarmee op de toegankelijkheid van kinderopvang is als gevolg hiervan te verwachten en hoe kijkt het Kabinet hiertegen aan? Hoe wordt voorkomen dat mensen met een goed inkomen eerder toegang krijgen tot kinderopvang? (blz. 25)


155.

Hoe wordt gegarandeerd dat er kinderopvang komt in gebieden die de markt niet interessant vindt: dunner bevolkte gebieden met een verspreide vraag, achterstandsgebieden in grote steden? (blz. 26)


156.

Is marktwerking wel mogelijk zolang als de schaarste aan kinderopvang zo groot is evenals de vervangingsvraag uit de gastouder- en informele kinderopvang?


157.

De Branchevereniging van ondernemers in de kinderopvang vraagt zich in haar reactie af of eventuele maximeringen in de tegemoetkoming van het Rijk aan de ouders, samen met de exclusieve rol van de ouders als enige factuurklant neerkomt op prijsregulering? Hoe beoordeelt u de stellingname dat dit adequate marktwerking uitsluit en de mogelijkheden voor ondernemers om de huidige kwaliteit te handhaven, te verbeteren of te differentiëren beperkt?


158.

De verantwoordelijkheid voor accommodaties wordt geheel bij de gemeenten gelegd. Is landelijk ruimtelijk ordeningbeleid niet ook van invloed op de beschikbaarheid van locaties, bijvoorbeeld door er bij de planning van nieuwbouwwijken rekening mee te houden? Hoe wordt dit bevorderd? Op welke wijze vindt hierover afstemming plaats met het ministerie van Vrom? (blz. 27)


159.

De Branchevereniging voor ondernemers in de kinderopvang pleit voor de instelling van een landelijke inspectie kinderopvang omdat zij verwachten dat de decentrale uitwerking met gemeentelijke verantwoordelijkheid de gewenste eenheid in controles in gevaar brengt. Op welke wijze kan de eenheid in controles, ondanks decentrale uitwerking worden gewaarborgd? (blz. 27-28)


160.

Volgens de SUK betalen ouders thans 50% van de kosten, bedrijven 35% en de overheid 15%, maar deze percentages komen niet overeen met de genoemde percentages in de nota, namelijk 46% ouders, 21% werkgevers en 35% overheid. Hoe verhouden deze percentages zich tot elkaar? Hoe moeten de percentages ( 44% ouder, 21% werkgever en 35% overheid) voor het nieuwe stelsel, in het licht van het voorgaande, worden geïnterpreteerd? (blz. 34)


161.

Zullen de kwaliteitseisen ook rekening houden met kinderen in achterstandssituatie, en zo ja op welke wijze?


162.

Op welke wijze kan en wil het Kabinet invloed uitoefenen op de lange duur van het wijzigen van gemeentelijke bestemmingsplannen t.b.v. kinderopvanglocaties? Op welke wijze vindt hierover afstemming plaats met het ministerie van Vrom?


163.

Welk effect verwacht het Kabinet van de nieuwe wet op de lange wachtlijsten in de kinderopvang?


164.

Welk effect verwacht het Kabinet van de nieuwe wet op het tekort aan personeel in de kinderopvang? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de CAO-kinderopvang?


165.

Kan het Kabinet de effecten op de koopkracht van voorgestelde gekozen financieringsstructuur aangeven voor de verschillende inkomensgroepen?


166.

Welke invloed hebben de maatregelen zoals voorgesteld door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen om scholen de mogelijkheid te geven om een halve dag extra vrij te geven, op deze plannen? Hoeveel extra kinderopvangplaatsen zijn hiervoor naar schatting noodzakelijk?


167.

Hoe vaak worden op dit moment niet-conventionele gebouwen, zoals bijvoorbeeld boerderijen, aangewend om de tekorten aan kinderopvanglocaties te verkleinen?

Vragen SP-fractie


168.

Volgens de SUK betalen ouders thans 50% van de kosten, bedrijven 35% en de overheid 15% zegt de branchevereniging ondernemers in de kinderopvang in haar brief. Hoe vallen deze percentages te rijmen met de in de kabinetsbrief genoemde getallen? (blz. 6)


169.

Wat zijn de salarissen voor werkers in de kinderopvang zoals ze in de laatste CAO zijn afgesproken? Is er nog steeds sprake van een bij de markt achterblijvend loonniveau en is het daardoor niet moeilijk voldoende goed personeel aan te trekken? Staat de uitbreiding van de kinderopvang al niet onder druk door het ontbreken van voldoende accommodatie en personeel? (blz. 8)


170.

Hoeveel gemeenten zijn er waar veel hogere eigen bijdragen worden gehanteerd dan de adviestabel? Wat kan het Kabinet hieraan doen? (blz. 9)


171.

Hoe vallen wachtlijsten te rijmen met een voorziening die voor iedereen toegankelijk moet zijn? Zijn er verschillen in wachttijden voor bedrijfsplaatsen en voor gesubsidieerde plaatsen en zo ja, welke? (blz. 10)


172.

Bij een systeem van vraagfinanciering volgen de beschikbare middelen de groeiende vraag? Betekent dit dat dat uitgangspunt van de financiering de werkelijke zorgvraag is en er geen plafond aan de groei zit? (blz. 10)


173.

Wat zijn de risico's van marktgericht werken bijvoorbeeld op het gebied van toegankelijkheid voor achterstandsgroepen en arbeidsvoorwaarden? (blz. 10)


174.

Wat zijn de beleidsvoornemens met betrekking tot gastouderopvang? De belastingherziening gaat gepaard met de afschaffing van een aantal faciliteiten waarvan de gevolgen voor personen met kleine banen zoals gastouders financieel ongunstig zijn. Wat is de reactie op het verzoek van de VOG afgezien van de noodzaak een structurele oplossing te vinden voor adequate beloning van gastouders om financiële compensatie voor het wegvallen van de invorderingsvrijstelling en de basisaftrek toe te kennen? Wat is de reactie op de voorstellen van het gastouderbureau GOB, zoals deze gedaan heeft in haar brief van 28 juli aan het ministerie van financiën? (blz. 13)


175.

Wanneer zullen de onderzoeken over de tussenschoolse opvang afgerond zijn en kunnen acties worden verwacht? Is het Kabinet van mening dat de tussenschoolse opvang sowieso geprofessionaliseerd dient te worden en opgenomen in de WBK, onafhankelijk van welk budget hiermee gemoeid is? (blz. 14)


176.

Hoe liggen verhoudingen tussen laag tot hoog inkomen nu onder de gebruikers van de kinderopvang? (blz. 17)


177.

Ouders zouden belang moeten hebben bij de feitelijke kosten van de opvang van hun keuze, bijvoorbeeld door de ouderbijdrage te baseren op een percentage van de kostprijs. Hoe groot is dan het risico dat er een tweedeling ontstaat tussen rijke en arme kindercentra? (blz. 18)


178.

Is het de bedoeling een nominale of een procentuele 'vaste' werkgeversbijdrage de stellen? Circa 55% van alle CAO's bevat concrete afspraken over kinderopvang. Hoe zit dit in de verschillende zorg-CAO's en welke afspraken zijn hier gemaakt? (blz. 18)


179.

Het Kabinet streeft ernaar om op termijn in 90% van de CAO's en bedrijfsregelingen concrete afspraken over kinderopvang te hebben. Waarom niet in 100% en hoeveel jaar is precies op termijn? Indien deze termijn is verstreken komt er dan een wettelijke regeling voor de werkgeversbijdrage? (blz. 19)


180.

Wordt de financiële tegemoetkoming van de overheid per plaats gebonden aan een maximum louter in verband met budgettaire beheersbaarheid, of zijn hier ook inhoudelijk argumenten voor? (blz. 20)


181.

Onder het nieuwe stelsel is de financiering niet sluitend. Is dat omdat de financiële tegemoetkoming aan een maximum is gebonden? Wat zijn de gevolgen van het nieuwe financieringsstelsel voor de verschillende groepen ouders? (blz. 25)


182.

Kan de staatssecretaris aangeven wat de voorstellen financieel zullen gaan betekenen voor gemeenten? Wat zullen de financiële consequenties zijn voor de gemeenten bij de overgang van aanbod- naar vraagfinanciering? Wat betekent dit voor de mogelijke onttrekkingen aan het gemeentefonds? Indien dit nog niet bekend is wanneer zal dit dan duidelijk zijn? Op welke manier kunnen de gemeenten spreiding en deelname aan samenwerking en afstemming regelen? (blz. 25)


183.

Het Kabinet noemt een aantal risico's bij de overgang naar vraaggerichte financiering. Deelt het Kabinet de mening dat deze risico's tijdelijk of structureel (bijvoorbeeld voor de komende tien jaar) van aard zijn? Op welke wijze zullen deze risico's worden aangepakt en welke rol speelt het Kabinet hierbij? (blz. 26)


184.

Het verschil tussen gesubsidieerd, bedrijfsplaats en particuliere plaatsen verdwijnt door de vraagfinanciering. Kan dit worden toegelicht? (blz. 26)


185.

Welke normen zijn er voor de grootte van de groepen, de verhouding van het aantal leidsters tot het aantal kinderen, de opleiding van de leidsters en voldoende speelruimte en wanneer is het onderzoek naar te krappe uitwerking in de praktijk afgerond? Zijn dit voldoende basiseisen om een goede kwaliteit te kunnen garanderen, hoort hier ook niet wat meer toezicht op de pedagogische kwaliteit bij bijvoorbeeld door middel van een pedagogisch beleidsplan? Zullen de kwaliteitsnormen die worden vastgelegd ook rekening houden met kinderen in de achterstandssituatie? Waarom wordt geen landelijke inspectie voor het toezicht op kwaliteit ingesteld? (blz. 28)

De voorzitter van de commissie,
Essers

De griffier van de commissie,
Teunissen

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie