Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief BZK inzake voortgangsbericht afwikkeling vuurwerkramp

Datum nieuwsfeit: 11-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief BZK inzake voortgangsbericht afwikkeling vuurwerkramp
Gemaakt: 20-9-2000 tijd: 18:2

17

27157 Vuurwerkramp Enschede

Nr. 9 Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 september 2000

In vervolg op mijn eerdere brieven (kamerstukken II 1999/2000, 27 157, nrs. 1 tot en met 3, 5 en 6 en de brief van 14 juli jl.) doe ik u hierbij als coördinerend minister een voortgangsbericht toekomen over de afwikkeling van de vuurwerkramp te Enschede. In de navolgende paragrafen wordt de stand van zaken weergegeven van de volgende onderwerpen:

Nazorg

Financiën

Wederopbouw

Onderzoek

Evaluatie staand beleid

Juridische zaken


1. Nazorg


1.1 Eerste rapportage gezondheidsonderzoek Enschede.

In vervolg op de brief van 26 juni 2000, bericht ik u over de voortgang van onderstaande onderwerpen:

Het informatie- en adviescentrum (IAC);

de gezondheidsmonitoring, die is onder te verdelen in:

Het gezondheidsonderzoek en daarmee samenhangende onderzoeken;

de gezondheidsmonitoring door huisartsen;

de gezondheidsmonitoring door bedrijfsartsen;

de gezondheidsmonitoring door jeugdartsen van GGD en CB;

de gezondheidsmonitoring door apothekers;

de gezondheidsmonitoring door Mediant, Medisch Spectrum Twente en Maatschappelijk Werk.

de gemeentelijke projectorganisatie psychosociale nazorg;

de ontwikkeling van kenniscentra.

1.1.1 Informatie- en adviescentrum (IAC)

Het Informatie- en adviescentrum (IAC) is voor de bevolking van Enschede het aanspreekpunt voor vragen in relatie tot de Vuurwerkramp. Geconstateerd wordt dat het bezoek aan het IAC is gedaald. Vooral de getroffenen van Turkse afkomst bezoeken het IAC minder frequent. Dit houdt waarschijnlijk verband met de vakantieperiode. De vragen van de bevolking zijn met name gericht op praktische zaken als huisvesting en financiële hulp. Vragen gericht op gezondheidszorg gerelateerde (na)zorg worden naar verhouding minder gesteld. Op basis van gegevens van vergelijkbare rampen zullen dit soort vragen naar verwachting de komende maanden toenemen.

Het Plan van Aanpak Tweede Fase IAC is inmiddels goedgekeurd door het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad. Naar verwachting zal in de loop van september de laatste functionaris worden aangesteld. De gemeentelijke gezondheidsdienst stelt bovendien twee medewerkers van de Gezondheidsvoorlichting en Opvoeding beschikbaar voor het IAC. Het IAC heeft tot doel het verwerkingsproces bij de getroffenen te bevorderen en de gezondheidsschade te beperken. Uitgangspunt daarbij is de realisatie van een geïntegreerd informatie- en ondersteuningsaanbod op materieel en immaterieel gebied, uitgaande van de één loketgedachte en een persoonsgerichte aanpak. In toenemende mate zal het IAC zich richten op een proactieve benadering van de getroffen burgers en hulpverleners. Het IAC zal getroffenen telefonisch benaderen. Deze methode zal bij de getroffen allochtonen zonodig door een bezoek worden vervangen. Een klantvolgsysteem is in ontwikkeling. Het communicatieplan voorziet in een actieve benadering van de media zowel op lokaal als op landelijk en zelfs op internationaal (Duitsland) niveau. Wekelijks verschijnt een nieuwsbrief waarin o.a. op actuele vragen wordt ingegaan. Voorlichtingsmateriaal wordt ontwikkeld en er wordt bijgedragen aan het documenteren van materiaal (foto's, artikelen, video-materiaal) dat bij het verwerken van het leed een rol kan spelen. Tevens verzorgt het IAC praatgroepen of andere bijeenkomsten en neemt het contact op met instanties die ook dergelijke initiatieven ontplooien. De integratie van het Call-Center in het IAC wordt voorbereid. Voor de medewerkers binnen het IAC, de telefonistes en de medewerkers van het Call-Center, wordt een specifieke scholing opgezet door het Instituut voor Psychotrauma.

1.1.2 Gezondheidsmonitoring

a) Gezondheidsonderzoek en daarmee samenhangende onderzoeken

Op 20 juli 2000 is de eerste rapportage in de vorm van een publiekssamenvatting aan de getroffenen aangeboden. Deze publiekssamenvatting is gebaseerd op twee wetenschappelijke rapportages van respectievelijk het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Instituut voor Psychotrauma (IVP). U heeft deze rapportages en de publiekssamenvatting reeds ontvangen. Zij zijn op het Internet geplaatst en tevens via de gemeentelijke gezondheidsdienst Twente te verkrijgen. De publiekssamenvatting is verkrijgbaar in het Nederlands, Duits, Engels, Arabisch en Turks bij de balie in het IAC. Voorafgaande aan de presentatie van de eerste rapportage heeft op 19 juli jl. een uitgebreide voorlichting plaatsgevonden aan de huisartsen door de coördinator nazorg en haar drie adviseurs, de directeur en de epidemioloog van de GGD en de onderzoekers van het IVP. Op 20 juli jl. zijn de medewerkers van het IAC en het Call-Center voorgelicht. In het stadhuis heeft de burgemeester van Enschede een persconferentie gegeven. Ook hebben diezelfde dag presentaties voor respectievelijk hulpverleners en bewoners plaatsgevonden. Vele media, inclusief de wereldomroep, toonden belangstelling voor het onderzoek. Tijdens de presentaties en de persconferentie is van de gelegenheid gebruik gemaakt om bekendheid te geven aan de rol van het IAC bij vragen rond het onderzoek.

In het kader van het onderzoek naar schadelijke stoffen zijn bij een steekproef onder ruim 900 personen tien stoffen nader geanalyseerd in bloed en/of urine. Het betreft de stoffen barium, cadmium, koper, chroom, lood, nikkel, antimoon, strontium, titanium en zink. De keuze van deze stoffen hangt samen met het luchtmetingsonderzoek van RIVM/TNO, het analyse-onderzoek naar de bedrijven die zich in het gebied bevonden en is tevens gemaakt op grond van literatuuronderzoek met betrekking tot stoffen die bij vuurwerkontploffingen vrijkomen. De gemeten niveaus in bloed en urine zijn vergeleken met referentiewaarden, dat zijn de niveaus die onder normale omstandigheden in het bloed en de urine van de bevolking kunnen voorkomen, zoals deze zijn gepubliceerd in de internationale wetenschappelijke literatuur. Ook is mogelijke samenhang onderzocht tussen stofniveaus in bloed en urine en een score voor de potentiële blootstelling van bewoners en hulpverleners op basis van gegevens die door middel van vragenlijsten zijn verzameld. Na analyse van bloed- en urinemonsters is gebleken dat bij geen van de deelnemers verhoogde hoeveelheden van voornoemde stoffen in bloed en urine zijn gevonden die in verband kunnen worden gebracht met de vuurwerkramp. De huisartsen van deze deelnemers zijn in kennis gesteld van de bevindingen. Zoals eerder naar aanleiding van vragen van de Tweede Kamer terzake is aangegeven, is het niet mogelijk om de aanwezigheid van asbest te meten in bloed en urine. Voor informatie hieromtrent moet worden afgegaan op de in een eerder stadium uitgevoerde kwaliteitsmetingen van TNO/RIVM. Uit die informatie blijkt dat er wel asbest is vrijgekomen, maar niet in hoeveelheden die zorgen dienen te baren.

De rapportage van het IVP is gebaseerd op de analyse van 1400 vragenlijsten betreffende de emotionele ervaringen. De vragenlijsten die hiertoe zijn verwerkt, waren gericht op de ervaringen die men gezien en gevoeld heeft, zoals de schokverwerkingslijst, de mate van ontregeling door de impact van de gebeurtenissen en psychische verschijnselen als angst en depressie. Uit dit onderzoek blijkt dat de bewoners en hulpverleners zeer ingrijpende ervaringen hebben opgedaan. Ongeveer de helft van de bewoners heeft twee tot drie weken na de ramp te maken gehad met angsten, voelt zich vaker depressief of heeft andere gezondheidsklachten. In het bijzonder geldt dat voor de mensen die veel hebben meegemaakt, bijvoorbeeld waarvan het huis is verwoest dan wel zo beschadigd dat deze niet meer betreden of bewoond kan worden, of mensen die een dierbare hebben verloren dan wel zelf ernstig lichamelijk letsel hebben opgelopen. Deze mensen zijn als het ware dubbel getroffen. Ze hebben explosies meegemaakt en zijn hun vertrouwde omgeving kwijt geraakt of/en hebben lichamelijk letsel opgelopen. Schrik, vrees, verdriet en andere klachten komen bij deze getroffenen dan ook meer voor dan bij anderen. De klachten die de mensen hebben, zijn een normale reactie op een abnormale situatie. Van een dergelijke reactie kan men veel last hebben. De hulpverleners hebben over het algemeen minder last van emotionele problemen. Alleen zij die tevens de explosie hebben meegemaakt of direct na de ramp zijn ingezet of andere vreselijke dingen hebben meegemaakt, kampen met vergelijkbare problemen.

In het stadium waarin bewoners en hulpverleners zich nu bevinden, is uitleg geven over de normale reacties na zo'n ramp het meest aangewezen. In een later stadium kan bekeken worden of behandeling voor psychosociale klachten aangewezen is.

Met de deskundige behandelaars in de regio (huisartsen, Mediant, Maatschappelijk Werk en het Medisch Spectrum Twente) zal gekeken worden of de gemaakte keuzes met betrekking tot de aanpak, zoals het opzetten van het IAC en de voorgestelde integrale psychosociale nazorg, voldoen of dat de bevindingen tot een andere aanpak zal moeten leiden.

In de komende maanden worden de vragenlijsten van de overige deelnemers aan het gezondheidsonderzoek nader uitgewerkt en worden tevens de resterende bloed- en urinemonsters onderzocht. Voorstellen voor specifieke vervolgonderzoeken zijn in voorbereiding. Ten behoeve van de deelnemers zal de laatste open vraag «Wat heeft bij u de meeste indruk gemaakt gedurende de eerste uren na de explosie» nader worden uitgewerkt. Het resultaat daarvan zal in boekvorm, geïllustreerd met kindertekeningen, worden uitgebracht. Aan de deelnemers van het gezondheidsonderzoek zal deze uitgave ter beschikking worden gesteld omdat verwacht mag worden dat ook hiermee een bijdrage aan het verwerkingsproces wordt geleverd.

Onderzocht zal worden waarom een groot aantal getroffenen niet heeft deelgenomen aan het geneeskundig controle onderzoek.

Ter ondersteuning van het Gezondheidsonderzoek en de overige monitoring-onderzoeken worden een stuurgroep en een begeleidings- en wetenschappelijke commissie ingesteld. Een publicatieplan zal worden opgezet.

b. Gezondheidsmonitoring door huisartsen

Het voorstel van de huisartsen om een klachtregistratiemonitoring op te zetten en uit te voeren, begint vorm te krijgen. Het Nederlands Instituut voor de Eerstelijnszorg (NIVEL) is aangezocht om het monitoringonderzoek uit te voeren. Een haalbaarheidsonderzoek gericht op dossiervorming heeft plaatsgevonden. Het Nijmeegs Huisartseninstituut is bereid gevonden een bijdrage aan het onderzoek te leveren.

c. Gezondheidsmonitoring door bedrijfsartsen

Evenals de huisartsen hebben ook de bedrijfsartsen positief gereageerd op de opzet van de monitoring. Vooralsnog meent men deze monitoring te moeten richten op het ziekteverzuim na de vuurwerkramp ten opzichte van het verzuim voor de vuurwerkramp. De Arbo-diensten hopen - mede gezien de door de minister van SZW voorgestane samenwerking tussen huisartsen en bedrijfsartsen - deze monitoring ook te kunnen laten begeleiden door het NIVEL.

Er zijn 119 hulpverleningsdiensten uit het hele land bij de vuurwerkramp betrokken geweest. Het opzetten van een monitoring onderzoek is daardoor mogelijk moeilijker dan voor de huisartsen.

d. Gezondheidsmonitoring door jeugdartsen van gemeentelijke gezondheidsdiensten en consultatiebureaus

De gemeentelijke gezondheidsdienst start binnenkort met een nieuw registratiesysteem waarbij ook aan de gevolgen van de vuurwerkramp aandacht zal worden geschonken. Bezien wordt of een en ander ook door de Consultatiebureaus voor zuigelingen en kleuters een bruikbare methode zal zijn, of dat anderszins moet worden voorzien in een monitoring. Dat kan bijvoorbeeld via gerichte vragenlijsten die door ouders, medewerkers van de peuteropvang en scholen worden ingevuld. Zoals ook voor veel andere onderzoeken die in het kader van de vuurwerkramp gerealiseerd worden, bestaat hiervoor geen draaiboek.

e. Gezondheidsmonitoring door apothekers

Aan de apothekers is verzocht te bezien of ook zij bij de monitoring betrokken kunnen worden. Hun bijdrage zou kunnen bestaan uit het registreren van het verbruik van psychofarmaca na de ramp in relatie tot het gebruik hiervan voor de ramp.

f. Gezondheidsmonitoring door Mediant, Medisch Spectrum Twente en Maatschappelijk Werk

De eerste verkennende besprekingen betreffende een op uniforme leest geschoeide monitoring zijn gevoerd.

De gezondheidsmonitoring door verschillende beroepsgroepen/instanties zal met elkaar in samenhang moeten zijn. Mede hierom heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een coördinator nazorg aangesteld.

1.1.3 Gemeentelijke projectorganisatie psychosociale nazorg

Eind juni hebben de bij de psychosociale nazorg betrokken instanties als: huisartsen, Maatschappelijk Werk, Mediant, GGD en Bureau Slachtofferhulp plannen ingediend voorzien van een integrale covernotitie die uiteindelijk op 15 september moeten resulteren in een integraal Plan van Aanpak waarmee aan de stroom van hulpvragers passende hulp kan worden geboden. In het plan van aanpak wordt expliciet aandacht besteed aan allochtone groepen.

Het Medisch Spectrum Twente heeft inmiddels de wens te kennen gegeven deel uit te maken van de instanties die aan het Plan van Aanpak vorm en uitvoering moeten geven. Ten behoeve van het ontwikkelen van een dergelijk Integraal Plan en ter bevordering van de implementatie is een interim-manager aangesteld door het cluster Zorg waarin de betrokken instanties zijn verenigd.

1.1.4 Ontwikkelen van kenniscentra

Eén van de kenniscentra binnen het IAC ontwikkelt zich tot een centrum dat een breder kader bestrijkt dan de psychosociale nazorg. Een ruimere groep dan de getroffen bewoners van Enschede of de hulpverleners die bij de vuurwerkramp zijn ingezet, zullen van dit kenniscentrum kunnen profiteren. Het is de bedoeling de ervaringen hiermee breder te verspreiden. Mediant heeft al in een vroeg stadium, enkele uren na de vuurwerkramp, als kenniscentrum gefungeerd ten behoeve van de huisartsen, Maatschappelijk Werk en de gemeentelijke gezondheidsdienst en zal deze rol ook de komende jaren blijven vervullen. Ook in de bij- en nascholing ten behoeve van genoemde instanties speelt Mediant een rol. Daarnaast is onlangs een landelijke commissie ingesteld die tot taak heeft om versneld uitvoering te geven aan de opzet van een landelijk kenniscentrum dat zich richt op psychosociale nazorg. Aansluiting zal daarbij plaatsvinden naar andere op rampgerichte of rampgerelateerde centra als bijvoorbeeld het Nederlands Instituut voor Urgentiegeneeskunde en het binnen het RIVM te ontwikkelen epidemiologisch centrum. Een aantal leden van de commissie is vanuit Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ook betrokken bij de bundeling van expertise in psychosociale nazorg op Europees niveau.

1.1.5 Tussenevaluatie nazorg

In mijn brief van 26 juni jl. deelde ik u mede dat de gemeente Enschede, de provincie Overijssel en de betrokken departementen zouden worden verzocht te inventariseren welke nazorgactiviteiten in het kader van de vuurwerkramp reeds waren opgestart of nog opgestart zouden worden. Inmiddels hebben alle betrokkenen gereageerd, waarbij zij de ontplooide activiteiten hebben getoetst aan de bestaande Handleiding Rampenbestrijding en aan het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming.

Uit de inventarisatie kan worden afgeleid dat naast de in de genoemde handleiding en het handboek beschreven rampbestrijdingsprocessen nog vele andere activiteiten op het terrein van nazorg zijn ontplooid. Op basis van de inventarisatie en de voorlopige uitkomsten van de onderzoeken van respectievelijk de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp en van de rijksinspecties zullen de Handleiding Rampenbestrijding en het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming worden geactualiseerd.


2. Financiën

2.1 Commissie financiële afwikkeling vuurwerkramp

De op 26 juni jongstleden ingestelde Commissie financiële afwikkeling vuurwerkramp adviseert het college van burgemeester en wethouders van Enschede hoe voorzien zou moeten worden in eventuele tegemoetkomingen in de onder- of niet-verzekerde materiële schade. Ik berichtte u hierover eerder in mijn voortgangsberichten van 26 juni en van 14 juli 2000 (kamerstukken II 1999/2000, 27 157, nrs. 5 en 6).

Het college van burgemeester en wethouders van Enschede heeft de commissie tevens verzocht te adviseren over vragen van niet-verzekerden die net buiten het rampgebied wonen en die ten gevolge van de vuurwerkramp materiële schade hebben geleden. Hiermee verkrijgt het college qua aard en omvang een goed beeld van deze problematiek.

De commissie heeft bekend gemaakt dat haar advies aan het college van burgemeester en wethouders voorstellen (van regelingen) zal betreffen voor particuliere gedupeerden die onder- of niet verzekerde schade hebben geleden aan opstal, inboedel, casco van auto's en motoren en die kosten hebben gemaakt voor opruiming. Daarnaast zal het advies voorstellen betreffen (van regelingen) met betrekking tot onder- of niet verzekerde materiële schade van bedrijven en overige instellingen. Het streven is er nog steeds op gericht dat de commissie haar adviezen op of omstreeks 1 oktober aanstaande zal uitbrengen.

2.2 Inventarisatie totale schadebeeld

Om een volledig beeld te krijgen van de totale schade-omvang wordt deze thans in kaart gebracht aan de hand van onderstaande indeling:

De soorten schaden en kosten, onderverdeeld in verzekerde, onderverzekerde en onverzekerde schade;

de financieringsbronnen, waarin onderscheiden kunnen worden de financiering door verzekeringsmaatschappijen, door het Nationaal Rampen Fonds of door derden;

de regelingen op grond waarvan de tegemoetkomingen worden verstrekt;

de doelgroepen (particulieren, bedrijven en overige rechtspersonen).

Naar verwachting zal deze inventarisatie, uitgevoerd door de Commissie financiële afwikkeling vuurwerkramp, onderdeel uitmaken van haar eindrapportage.

2.3 Kosten als gevolg van de ramp

Zowel de gemeente Enschede als diverse departementen maken kosten met betrekking tot de bestrijding van de ramp en de gevolgen ervan. Het kabinet heeft de gemeente Enschede een voorschot verstrekt ter grootte van f 23,3 mln. ter dekking van de additionele kosten als direct gevolg van de ramp. Deze middelen worden aangewend voor de kosten van personeel, materieel, humanitaire hulp, externe advisering, maatregelen terzake van onderwijs, de stille tocht, herdenkingsbijeenkomst en een post overige waarin onder meer begrepen de rampenzender RTV Oost. Daarnaast zijn middelen aan de begrotingen van diverse departementen toegevoegd, namelijk:

VWS (o.a. psychosociale nazorg, IAC en gezondheidsonderzoek);

VROM (o.a. metingen RIVM, huursubsidieverschil, schade rijksgebouwen);

BZK (o.a. Commissie onderzoek vuurwerkramp, bijstand politie en brandweer);

Defensie (militaire bijstand);

Justitie (o.a. rechtsbijstandsvoorzieningen, strafrechtelijk onderzoek OM, explosievenonderzoek);

OC&W (schade collectie Rijksmuseum).

Het kabinet heeft besloten voor de additionele kosten als direct gevolg van de vuurwerkramp in Enschede en de wederopbouw van de getroffen wijk Roombeek de volgende bedragen ter beschikking te stellen:

Kosten als direct gevolg van de vuurwerkramp:

2000

2001

2002

2003

2004

Enschede (via BZK)

23,3

VWS

17,4

22,0


1,0

VROM

4,3

4,8


2,8

1,8

0,7

BZK

9,7

Defensie (bijstand)


1,1

Justitie


2,1
0,8

OC&W

0,3

Rijksbijdrage wederopbouw wijk Roombeek:

(zie volgende paragraaf)

werkkapitaal wederopbouw (via BZK)

270,0

Totale rijksbijdrage kosten vuurwerkramp

328,2

27,6


3,8

1,8

0,7

3. Wederopbouw

3.1 Proces van overleg en de voortgang inzake het af te sluiten convenant tussen het Rijk, de gemeente Enschede en de provincie Overijssel inzake Wederopbouw van Enschede Noord

Aansluitend op de brief aan de Tweede Kamer van 25 augustus jl. van de minister van Grote Steden- en Integratiebeleid inzake de wederopbouw, bevat deze paragraaf een uitgebreidere rapportage over de voortgang van een wederopbouwconvenant.

De gemeente Enschede heeft op 10 augustus jl. een procesplan bij het Rijk ingediend. Enschede heeft daarbij nadrukkelijk aangegeven dat zij de globale programma's, zoals verwoord in het procesplan, verder wil uitwerken met alle betrokken partijen, hetgeen kan leiden tot wijzigingen.

Het door Enschede opgestelde procesplan, als startpunt van de wederopbouw in Enschede noord, is de afgelopen weken ambtelijk besproken met de betrokken ministeries, de provincie Overijssel en de gemeente Enschede.

Bij de besprekingen is de expertise benut van het ministerie van VROM teneinde te kunnen beoordelen of de in het procesplan verwerkte kosten en baten van de voorgestelde wederopbouw voldoen aan de daaraan, gelet op de specifieke omstandigheden, in redelijkheid te stellen eisen. Uitgangspunt daarbij was dat Enschede krijgt hetgeen nodig is voor de wederopbouw van de wijk.

3.2 Procesplan van Enschede inzake de wederopbouw van Enschede Noord

De diverse vakministeries hebben een oordeel gegeven over de redelijkheid en plausibiliteit van de aan de claim ten grondslag liggende programmalijnen zoals aangegeven door Enschede.

Op grond van het oordeel van de departementen resteert een tekort van circa

270 mln.. Op basis hiervan is besloten een rijksbijdrage van 270 mln. vast te stellen.

In het af te sluiten wederopbouwconvenant zal worden geformuleerd waarvoor de rijksbijdrage is bestemd en onder welke condities de middelen worden verstrekt. Concreet betekent dit, dat activiteiten zoals sloop en ruiming van het gebied, de verwerving en sanering van de grond, onder eigen regie van de gemeente Enschede kunnen worden uitgevoerd, alsmede specifieke activiteiten voor sociaal en economisch flankerend beleid.

3.3 Verwerking van het door Enschede ingediende procesplan in een af te sluiten convenant

a. GSB-systematiek van monitoren en verantwoording van de rijksbijdrage in het af te sluiten convenant

Een belangrijk uitgangspunt voor de ontwikkeling van het wederopbouwconvenant is dat dit convenant past in de reguliere GSB-systematiek en in de uitgangspunten van de ISV-wet en dat gebruik wordt gemaakt van de afgesproken GSB/ISV-procedures. Het af te sluiten wederopbouwconvenant zal, als overeenkomst op programmaniveau, zoveel mogelijk gebruik maken van de afgesproken verantwoordings- en monitorprocedures. De inbreng van woningcorporaties, marktpartijen, andere overheden en verzekeringsgelden dienen hierbij betrokken te worden.

b. Rijksbijdrage als werkkapitaal in 2000 te verstrekken als financiële basis voor het convenant

Besloten is de gemeente Enschede in 2000 een rijksbijdrage van 270 mln. te verstrekken in de vorm van een bedrag ineens, als werkkapitaal ten behoeve van de wederopbouw.

Dit heeft als voordeel dat de gemeente niet beperkt wordt in de mogelijkheden om in voorkomende gevallen noodzakelijke verschuivingen in de uitvoering te kunnen realiseren.

Dit geeft Enschede de nodige flexibiliteit; het maakt het voor Enschede mogelijk om gedurende de looptijd van het convenant de financieringsbehoeften in overeensteming te brengen met het begrotingsritme, waarmee liquiditeitsproblemen worden voorkomen en waarmee tegemoet kan worden gekomen aan de wens van Enschede om een werkkapitaal voor de (voorbereiding van de) wederopbouw te kunnen gebruiken.

In het convenant dienen inzake het te verstrekken werkkapitaal afspraken te worden gemaakt over te leveren prestaties, evaluatie en verantwoording.

In overleg met de provincie en de gemeente Enschede wordt thans onderzocht, gelet op de recente uitspraken van de Raad van State, of inzake verplaatsing van het in de wijk gehuisveste bedrijf Grolsch alsnog tot voor partijen werkbare oplossingen kan worden gekomen. De verplaatsing van Grolsch zou overigens ook positieve gevolgen hebben voor de sociale en economische positie van Twente en Enschede in het bijzonder.

In het convenant dienen tevens nadere afspraken te worden gemaakt over de eventuele inzet van EU-middelen ten behoeve van Enschede. Hieromtrent vindt nog overleg plaats met zowel de collega's van EZ en LNV, als met de Europese Commissie.

Met de provincie kunnen in het convenant afspraken worden gemaakt over o.a. de verkorting van procedures voor beslissingen in de sfeer van de ruimtelijke ordening en milieuaspecten, en over een mogelijke financiële bijdrage aan de wederopbouw.

Ook zal, naarmate het plan concreter wordt en de lokale besluitvorming is afgerond, het Kabinet zich ten volle verantwoordelijk blijven voelen voor nader overleg over het door Enschede te ontwikkelen plan voor wederopbouw (ondermeer de kwaliteitsimpuls), hetgeen tot bijstelling van de bijdragen van het Rijk kan leiden.

c. Looptijd van het wederopbouwconvenant

Met de gemeente Enschede wordt een wederopbouwconvenant afgesloten, met daarin opgenomen afspraken over de periode van 2000-2003/4. Hiermee wordt de looptijd van het wederopbouwconvenant gelijk gehouden met het reeds afgesloten GSB/ISV convenant.

Doorlopende zaken uit de wederopbouw kunnen bij de opvolger van het GSB/ISV convenant worden betrokken.

d. Verantwoordelijkheidsverdeling in het convenant

Tijdens de ambtelijke en bestuurlijke besprekingen is stilgestaan bij de noodzaak tot een duidelijke verantwoordelijkhedenverdeling. Enschede is primair bestuurlijk verantwoordelijk voor de wederopbouw van het rampgebied.

De rijks- en provinciale verantwoordelijkheden beperken zich tot het faciliteren van het proces van de wederopbouw in Enschede. Het zwaartepunt van de verantwoordelijkheid van het Rijk is er voor zorg te dragen dat Enschede voldoende mogelijkheden heeft om de wederopbouw tot een goed einde te brengen. Daartoe wordt gebruik gemaakt van de GSB-systematiek van convenantontwikkeling en financiering.

e. Stappen voor het wederopbouwconvenant

De opstelling van het wederopbouwconvenant is gebaseerd op het door Enschede aangegeven procesplan en de departementale oordelen over de door Enschede voorgestelde maatregelen.

Een tweede fase zal het daadwerkelijk opstellen van het wederopbouwconvenant zijn en de ondertekening daarvan die dit najaar is voorzien. Daarin zal tevens worden aangegeven welke relaties er zijn met het bestaande GSB-convenant en of en in hoeverre het bestaande convenant aangepast moet worden.

Op basis van dit convenant neemt Enschede het werk ten behoeve van de wederopbouw ter hand.

De uitvoering van dat convenant en de daadwerkelijke afronding van het gehele wederopbouwproces, ingekaderd in het geïntegreerde Grote Stedenbeleid van Enschede is de daarop volgende fase.

De laatste fase is de programmering van de afronding van de wederopbouw van de wijk in het in 2003/4 op te stellen convenant voor de volgende periode.

3.4 Voorstel tot instelling van de Commissie Wederopbouw Enschede Noord

De gemeente Enschede heeft aangekondigd na overleg met Rijk en provincie een Commissie Wederopbouw Enschede Noord te willen instellen.

Deze Commissie zal zich bezig houden met de advisering aan het gemeentebestuur over de aanpak en uitvoering van het wederopbouwproces en de besteding van door de gemeente Enschede, de provincie, het Rijk en EU ingezette middelen.

De Gemeente heeft gevraagd om een betrokkenheid van Rijk en provincie. Deze betrokkenheid lijkt het best te kunnen worden gewaarborgd via een waarnemerschap door het Rijk en provincie in de in te stellen Commissie.

De gemeente heeft een kleine, onafhankelijke Commissie voor ogen met externe deskundigen die niet rechtstreeks gebonden zijn aan Rijk, provincie of gemeente.

De concept taakopdracht heeft betrekking op het adviseren en begeleiden van de gemeente Enschede bij het opstellen van het daadwerkelijke plan van aanpak voor wederopbouw en de uitvoering terzake.

Als voorzitter van de nog door Enschede in te stellen Commissie is de heer Wim Meijer door de Gemeente Enschede aangezocht. De heer Meijer is thans de Voorzitter van de Raad van Beheer van de Rabobank Nederland. Voorheen was hij Commissaris der Koningin in de provincie Drenthe en tevens oud Kamer lid alsmede Staatssecretaris van CRM.

4. Onderzoek

4.1 Stand van zaken inspectieonderzoeken

Bij brief van 9 juni jl. (kamerstukken II 1999-2000, 27 157, nr. 3) heb ik het plan van aanpak voor de afstemming van de rijksinspectie-onderzoeken naar de vuurwerkramp in Enschede aan u gezonden.

In dit plan van aanpak is aangegeven dat de onderzoekswerkzaamheden beginnen met het maken van een gemeenschappelijke reconstructie van de relevante activiteiten en gebeurtenissen. De hoofdinspecteur Brandweerzorg en Rampenbestrijding coördineert de totstandkoming van deze reconstructie. Op grond van deze reconstructie zal vervolgens elke inspectie in het licht van haar specifieke verantwoordelijkheid en deskundigheid een analyse van de activiteiten en gebeurtenissen maken en op basis daarvan aanbevelingen doen.

In bijlage 1 van het plan van aanpak werd een overzicht gegeven van de onderzoeksvelden van de betrokken inspecties. In dit overzicht zijn de verschillende fasen binnen de veiligheidsketen weergegeven met daarin de voor de rampenbestrijding acht relevante processen. Dit overzicht is inmiddels nader uitgewerkt. De processen zijn in vijftien clusters vergedeeld. Een overzicht van deze clusterindeling, en de bijbehorende deelprocessen, treft u aan in de bijlagen 1 en 2 bij deze brief.

In bijlage 2 is aangegeven welke deelprocessen niet of later bij de inspectieonderzoeken worden betrokken. Zo is het bijvoorbeeld nog te vroeg om de schaderegistratie en -afhandeling en de financiële ondersteuning van getroffenen (beide cluster 15 `Schadebehandeling') te onderzoeken, aangezien dit proces nog niet is afgerond.

a. Gemeenschappelijke reconstructie

De gemeenschappelijke reconstructie zal geen analyses of conclusies bevatten.

De reconstructie zal zich beperken tot de hoofdzaken. Meer gedetailleerde informatie zal in de afzonderlijke rapportages van de diverse inspecties worden opgenomen.

Uitgangspunt bij het opstellen van de reconstructie is dat, met het oog op de zorgvuldigheid, gebruik wordt gemaakt van feiten die bij alle betrokken organisaties en personen zijn geverifieerd. In de praktijk wil dat zeggen dat informatie afkomstig uit documenten of geluidsbanden van meldkamers wordt geverifieerd onder meer door middel van interviews met betrokkenen.

De inspecties worden bij het maken van de reconstructie methodologisch ondersteund door de TU Delft.

De onderzoeken van de verschillende inspecties hebben inmiddels een grote hoeveelheid informatie opgeleverd. Om tot een samenvattend en allesomvattend overzicht van de relevante activiteiten en gebeurtenissen te kunnen komen, is voor de volgende werkwijze gekozen.

Per cluster worden alle relevante activiteiten en gebeurtenissen die voor dat specifieke cluster van belang zijn in chronologische volgorde opgesomd. Dit levert vijftien `deelreconstructies' op, die de bouwstenen vormen voor de totale gemeenschappelijke reconstructie. Deze deelreconstructies worden modules genoemd.

Het vaststellen van een module is in vijf stappen te onderscheiden.

Voor de verwerking van het basismateriaal is een standaard format ontwikkeld, dat het opsporen van onderlinge tegenstrijdigheden vergemakkelijkt. De eerste stap is dat de inspecties de informatie uit de onderzoeken in dit format aanleveren.

Als tweede stap worden aan de hand van een aantal criteria de hoofdzaken onderscheiden van de bijzaken en wordt bepaald welke details in de afzonderlijke rapporten van de onderscheiden inspecties worden opgenomen. Onderstaande criteria zijn in samenwerking met de Technische Universiteit in Delft ontwikkeld. In de reconstructie zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan de interne en externe communicatie van de verschillende bij de bestrijding van de ramp betrokken organisaties, de besluitvorming met betrekking tot de informatievoorziening, de inzet van middelen en het in werking stellen van (rampen)plannen en procedures. Tevens zullen in ieder geval gegevens die informatie verschaffen over de uitvoering van deze besluiten in de reconstructie worden opgenomen.

Als derde stap worden de resultaten aan alle betrokken inspecties voorgelegd om deze te kunnen vergelijken met hun eigen bevindingen.

De conceptmodule wordt vervolgens aan het Openbaar Ministerie en de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp ter beschikking gesteld. Dit is de vierde stap. De conceptmodule wordt tenslotte aan de betrokken organisaties ter finale verificatie voorgelegd. Na deze vijfde stap, de laatste verificatieslag, worden de modules samengevoegd tot een gemeenschappelijke reconstructie, die aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.

Slechts indien een enkele module zodanig vertraagd is dat het niet wenselijk is op deze uitkomsten te wachten, zal deze later worden toegevoegd. Voor zover naar het oordeel van de betreffende bewindspersonen sprake is van een onevenredig nadeel voor een of meerdere betrokkenen, zal vertrouwelijke toezending van deze passages aan de Tweede Kamer plaatsvinden.

Openbaarmaking is bovendien niet mogelijk indien het opsporings- of vervolgingsbelang hieraan in de weg staat.

b. Afzonderlijke rapportages van de inspecties

In het eerder genoemde plan van aanpak is geschetst dat op basis van de gemeenschappelijke reconstructie elke inspectie afzonderlijk, onder verantwoordelijkheid van de desbetreffende bewindspersoon, een analyse van de gebeurtenissen en activiteiten zal maken en op basis daarvan aanbevelingen zal doen voor de toekomst.

Besloten is om de inspecties ook gedurende de analysefase kennis te kunnen laten nemen van elkaars bevindingen. Hiertoe zal een gelijke coördinatiestructuur worden aangehouden als bij het opstellen van de gemeenschappelijke reconstructie.

c. Planning

Nader inzicht in de onderzoeksmaterie en de problemen die daarbij spelen, heeft geleid tot een aangepaste planning. Deze planning is afgestemd met de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp. In mijn brief van 14 juli jl. aan uw Commissie heb ik aangegeven dat de gemeenschappelijke reconstructie niet voor eind augustus gereed zou zijn. Naar de huidige inzichten is de planning als volgt.

De conceptmodules zullen vanaf begin september tot het einde van deze maand aan de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp en het Openbaar Ministerie ter beschikking worden gesteld.

De inspecties zijn voor de verificatie afhankelijk van de betrokken personen en instanties. Hen zal verzocht worden zo snel mogelijk te reageren op de voorgelegde conceptmodules.

Overigens geldt voor alle modulaire onderdelen van de reconstructies dat zij tot aan de definitieve rapportage met nieuwe informatie kunnen worden aangevuld.

De afzonderlijke rapportages zullen naar verwachting uiterlijk eind oktober 2000 in conceptvorm aan de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp beschikbaar worden gesteld. Ook deze planning is afgestemd met de Commissie. Deze concepten zullen ook aan betrokkenen worden voorgelegd teneinde na te gaan of er nog feiten en omstandigheden bestaan die de conclusies uit het concept kunnen beïnvloeden.

De Tweede Kamer zal spoedig daarna over de definitieve gemeenschappelijke reconstructie en de afzonderlijke rapportages kunnen beschikken. Gestreefd wordt om de rapportages van de acht betrokken inspecties zoveel mogelijk gelijktijdig aan de Tweede Kamer aan te bieden.

Het zij nogmaals benadrukt dat het hier slechts om een zo realistisch mogelijke inschatting gaat. Het is inherent aan onderzoek dat er nieuwe feiten of gebeurtenissen naar boven kunnen komen, die bijvoorbeeld nader onderzoek vergen.

d. Commissie Onderzoek Vuurwerkramp

De Commissie Onderzoek Vuurwerkramp is voor haar onderzoek deels afhankelijk van de informatie van de inspecties en is dus gebaat bij het zo spoedig mogelijk beschikbaar komen van de (voorlopige) resultaten van de inspectieonderzoeken. In regelmatige contacten tussen onderzoekers van de inspecties en de Commissie wordt, daar waar mogelijk, steeds aan de informatiebehoefte van de Commissie tegemoet gekomen. De modules en de afzonderlijke rapportages zullen daarom in een zo vroeg mogelijk stadium reeds in conceptvorm aan de Commissie ter beschikking worden gesteld. Dat kan inhouden dat enkele conceptmodules of rapportages nog een onvolledig feitenrelaas bevatten. In de conceptmodules die aan de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp beschikbaar worden gesteld, zal door de betreffende inspectie worden aangegeven welke informatie (nog) ontbreekt of nog moet worden geverifieerd.

4.2 Inventarisatie vuurwerkbedrijven

Door de Inspectie Milieuhygiëne is in samenwerking met andere overheden een inventarisatie uitgevoerd naar de in Nederland aanwezige vuurwerkbedrijven. De inventarisatie resulteerde in een lijst van 271 bedrijven. Bij 51 geselecteerde vuurwerkbedrijven werden controles uitgevoerd. De betreffende gemeenten zijn van de controleresultaten op de hoogte gesteld en verzocht in voorkomende gevallen maatregelen te treffen tegen ongewenste zaken. Het rapport is bij brief van 27 juli jl. door de minister van VROM aan de Tweede Kamer aangeboden.

4.3 Stand van zaken strafrechtelijk onderzoek

Zoals in de eerdere voortgangsberichten is aangegeven, is onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie te Almelo een strafrechtelijk onderzoek gestart naar mogelijke strafbare feiten die verband houden met de vuurwerkramp. Binnen de grenzen van het belang van de opsporing, zal hieronder een overzicht worden gegeven van de stand van zaken in dit onderzoek.

Het onderzoek is in volle gang. Het onderzoeksteam bestond de afgelopen periode uit 87 personen. Aan het team wordt, naast regiopolitie Twente, deelgenomen door medewerkers van diverse omliggende korpsen, IRT-NON en LRT. Verder is alle relevante expertise vertegenwoordigd, bijvoorbeeld in de vorm van het MIOT, het bureau financiële recherche, FIOD en belastingdienst. Er is een open en constructieve medewerking over en weer tussen het Openbaar Ministerie, de onderzoekende Inspecties en de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp.

De algemene doelstelling van het onderzoek is het achterhalen van de oorzaak van de ramp. Daartoe zijn deelvragen geformuleerd, die steeds vanuit het strafrechtelijk perspectief worden onderzocht:

Hoe is de brand ontstaan;

hoe heeft de brand zich kunnen uitbreiden en uiteindelijk al het opgeslagen vuurwerk tot ontploffing kunnen brengen;

hoe heeft de brand tot een explosie van dergelijke omvang kunnen leiden.

Het onderzoek richt zich op het vinden van de oorzaken van de drie vermelde gebeurtenissen alsmede op het mogelijke onderlinge verband. Tevens komt in dit kader de vraag aan de orde of het handelen of nalaten van enige overheidsdienst heeft bijgedragen tot het ontstaan van de ramp.

Er zijn, zoals in de brief van 29 mei (kamerstukken 1999/2000, 27157, nr. 5) aangegeven, vier gerechtelijke vooronderzoeken geopend. Deze zijn gericht op de mogelijke overtreding door SE Fireworks van de voorschriften bij de milieuvergunning, strafwaardige betrokkenheid van één of meer onbekende personen bij het ontstaan van de brand en/of de explosie en het feitelijk leidinggeven door de beide directeuren aan de eventuele verboden gedragingen in het bedrijf.

Het onderzoek is in vier aandachtsgebieden verdeeld.

Het technisch onderzoek richt zich op het reconstrueren van de gebeurtenissen op het bedrijfsterrein en de naaste omgeving. Hierbij wordt gebruik gemaakt van externe deskundigen (NFI, TNO, SFOB, CRI, het Forensic Explosives Laboratory van DERA in Engeland en het Bundes Kriminalamt). De definitieve onderzoeksresultaten worden in oktober a.s. verwacht.

In de tweede plaats is er het tactisch onderzoek, gericht op de directe oorzaak van de ramp. In dit kader worden hulpverleners, getuigen en verdachten gehoord en worden strafvorderlijke middelen ingezet. In het kader van het buurtonderzoek naar de gebeurtenissen op en rond het terrein kort voor het uitbreken van de eerste brand zijn inmiddels ruim 1800 personen gehoord. Er moeten nog ongeveer 200 personen worden gehoord.

In de derde plaats het bestuurlijk/milieu onderzoek, dat zich richt op de milieuvergunning van het bedrijf: de verlening en het toezicht op de naleving van de vergunningsvoorwaarden en het adviestraject. In dit kader is één medewerker van de gemeente Enschede als verdachte verhoord. Meerdere medewerkers en bestuurlijk verantwoordelijken zullen nog worden gehoord.

Tenslotte is er het financieel-economisch onderzoek, gericht op het reconstrueren van de goederenstroom binnen SE Fireworks vanaf 1 januari 1998, uitmondend in een berekening van de op 13 mei aanwezige voorraad. Hiertoe is het noodzakelijk de leveranciers en afnemers van SE Fireworks in binnen- en buitenland te benaderen. Voor wat het buitenland betreft, gaat het om rechtshulpverzoeken ten aanzien van totaal 145 bedrijven in 18 landen. Op dit moment zijn ongeveer 20 bedrijven bezocht. Met name de rechtshulpverzoeken naar Duitsland, België en China zijn van belang. In deze drie landen moeten nog zo'n 60 bedrijven bezocht worden. De snelheid waarmee dit kan plaatsvinden is afhankelijk van de medewerking van de respectievelijke landen. In Nederland zijn bijna 1000 bevelen tot uitlevering van gegevens gedaan, waarvan er ruim 500 zijn afgerond.

Op 8 augustus heeft de meervoudige economische strafkamer van de rechtbank Almelo onder zeer stringente voorwaarden de voorlopige hechtenis van beide directeuren van SE Fireworks geschorst. Alle werknemers van SE Fireworks, die op enig moment in het onderzoek zijn aangehouden, zijn inmiddels weer in vrijheid gesteld.

5. Evaluatie bestaand beleid

5.1 Toekomstig vuurwerkbeleid

Op 30 juni jl. heeft het Kabinet beraadslaagd over het huidige en toekomstige beleid ten aanzien van vuurwerk op basis van een hoofdlijnennotitie van de minister van VROM. In die notitie is een evaluatie van bestaand beleid opgenomen en is een voorstel voor hoofdlijnen van toekomstige regelgeving beschreven.

Het kabinet heeft ingestemd met deze hoofdlijnennotitie en besloten de minister van VROM als eerstverantwoordelijke bewindspersoon te belasten met de ontwikkeling van nieuwe integrale vuurwerkregelgeving. De nieuwe regelgeving zal op de inhoud van genoemde hoofdlijnennotitie gebaseerd worden, daarbij uiteraard rekening houdend met de uitkomsten en aanbevelingen van de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp.

Inmiddels is de voorbereiding van toekomstige regelgeving in gang gezet. Over de voortgang van deze beleidsontwikkeling zal de Tweede Kamer, zodra meer concrete informatie beschikbaar is, worden geïnformeerd.

5.2 Onderzoek Bureau Adviseur Milieuvergunningen

In afwachting van de adviezen van de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp heeft de minister van Defensie, naar aanleiding van door hem opgedragen onderzoek, inmiddels een aantal maatregelen genomen. Het gaat hierbij om het op sterkte brengen van het Bureau Adviseur Milieuvergunningen en het doorvoeren van functiescheiding bij het uitvoeren van de verschillende civiele taken. Bij de uitvoering van de taken van het bureau ten aanzien van militaire inrichtingen wordt tevens functiescheiding doorgevoerd.

De toekomstige uitvoering en onderbrenging van de taken van het bureau ten aanzien van vergunningen voor civiele inrichtingen moeten passen binnen de door de minister van VROM aangekondigde nieuwe geïntegreerde regelgeving ten aanzien van vuurwerk. In het licht daarvan zullen Defensie en VROM op korte termijn overleg voeren over de mogelijkheden van de toekomstige onderbrenging van de taken van het bureau.

Definitieve maatregelen zullen mede worden gebaseerd op basis van de adviezen van de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp.

5.3 Onderzoek Munitie-opslag

Tussen de ministeries van VROM en Defensie zijn afspraken gemaakt over een gezamenlijk te houden onderzoek naar de veiligheid van munitie-opslag. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek, dat thans plaatsvindt, zal worden bezien of er aanleiding is tot aanpassing van het beleid rondom munitie-opslag.

5.4 Labelling vuurwerk

Bij zijn onderzoeken naar de vuurwerkramp in Enschede heeft het Openbaar Ministerie geconstateerd dat er sprake is van verkeerd labelen van verpakkingen van vuurwerk. Op pakken van bijvoorbeeld categorie 1.3 of zwaarder wordt een label van een lichtere categorie 1.4 aangebracht. De controle op de naleving van de voorschriften verbonden aan de vergunning wordt daardoor ernstig belemmerd en de kans dat de ontduiking van de voorschriften niet wordt ontdekt, is daardoor groter. Indien in een inrichting vuurwerk van een zwaardere categorie aanwezig is dan uit de vergunning valt af te leiden, levert de inrichting bij brand een groter risico dan de bij de rampenbestrijding betrokken autoriteiten en organisaties mochten verwachten.

Ik heb bij brief van 16 augustus 2000 alle gemeenten, provincies en hulpverleningsorganisaties op gemeentelijk en regionaal niveau, die in hun gebied vuurwerkopslagplaatsen hebben waarin meer dan 60 ton vuurwerk ligt opgeslagen en/of die op een afstand kleiner dan 100 meter tot woonbebouwing zijn gelegen, geïnformeerd over deze situatie. De hulpverleningsdiensten worden daarin geadviseerd om vooralsnog bij rampscenario's en plannen rekening te houden met de mogelijkheid van grotere risico's van deze opslagplaatsen dan de vergunningsvoorschriften doen vermoeden.

De Inspectie Milieuhygiëne zal, vanwege de recent gesignaleerde mogelijkheid van onjuiste classificatie en labelling tijdens de opslag van vuurwerk, alsmede verkeerde etikettering, in overleg en samen met de betrokken gemeenten, gericht monsters nemen bij de 46 belangrijkste vuurwerkbedrijven. Deze monsters zullen vervolgens worden onderzocht op de juistheid van de labels. Bij dit onderzoek zal ook de Rijksverkeersinspectie worden betrokken met betrekking tot de verwantheid met de vervoersregelgeving en haar expertise ter zake.

De indeling van vuurwerk naar gevaarzettend karakter vindt ten behoeve van vervoershandelingen plaats op basis van de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen die in internationaal verband tot stand is gebracht.

In vergunningen op grond van de Wet milieubeheer voor de opslag van vuurwerk wordt veelal verwezen naar de voor vervoershandelingen gehanteerde gevaarsindelingen. Een onjuiste vervoersetikettering kan derhalve doorwerken in de veiligheid van vuurwerkinrichtingen waarvoor in de vergunning van dezelfde etikettering wordt uitgegaan.

Daarbij zij opgemerkt dat de gevaarsindeling van vuurwerk in voorkomende gevallen tijdens opslag kan afwijken van die tijdens vervoer hetgeen onder meer bepaald wordt door de vraag of het vuurwerk al dan niet in de vervoersverpakking wordt opgeslagen, om- of uitgepakt, alsmede door de aanwezige hoeveelheid vuurwerk.

6. Juridische zaken

6.1 Voorlopig getuigenverhoor

Op 28 juni 2000 heeft de arrondissementsrechtbank in Den Haag de gemeente Enschede, de provincie Overijssel en de staat der Nederlanden in kennis gesteld van een verzoek van een drietal slachtoffers van de vuurwerkramp tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor. Dit verzoek is ingediend ter voorbereiding op een mogelijke schadevergoedingsvordering tegen de overheid op grond van het leerstuk onrechtmatige daad.

Bij monde van de landsadvocaat hebben de betrokken overheden (gemeente Enschede, provincie Overijssel en het Rijk) verklaard zich te zullen refereren aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het al dan niet toestaan van het getuigenverhoor en zich bereid verklaard af te zien van een mondelinge behandeling. Wel is de rechtbank in het kader van de doelmatigheid in overweging gegeven een eventueel voorlopig getuigenverhoor te houden nadat de rapporten van de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp, van de inspecties en zo mogelijk van het Openbaar Ministerie gereed zijn.

Inmiddels heeft de rechtbank besloten gerequestreerden op te roepen. Vooralsnog lijkt de mondelinge behandeling van het voorlopig getuigenverhoor plaats te vinden op 27 september a.s..

6.2 WOB verzoeken

Tot nu toe hebben de betrokken overheden enkele tientallen verzoeken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur ontvangen en behandeld. Het uitgangspunt is en blijft maximale openbaarheid. Om een zo uniform mogelijke afhandeling van de WOB verzoeken te waarborgen, vindt zoveel mogelijk afstemming plaats tussen de betrokken departementen en de bestuurslagen over de behandeling daarvan.

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

K.G. de Vries

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie