Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage PvdA debat jaarverslag 1999 Nationale Ombudsman

Datum nieuwsfeit: 13-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 13 september 2000

BIJDRAGE VAN USMAN SANTI (PVDA) AAN HET PLENAIR DEBAT OVER HET JAARVERSLAG 1999 VAN DE NATIONALE OMBUDSMAN

De PvdA-fractie spreekt haar waardering uit voor het uitgebreide verslag 1999 van de Nationale Ombudsman (NO). Het jaarverslag is voor een groot gedeelte nog van de, laat ik het zo noemen: periode Oosting. De heer Fernhout is per 1 oktober 1999 drager van het ambt NO. Ik laat niet na te melden dat op 25 maart 1999 de NO in de Grondwet werd opgenomen. Voor de NO is het jaar 1999 een jaar van veranderingen geweest of, zo men wil, vernieuwing.

Bij de behandeling van het jaarverslag 1998 is aandacht besteed aan de capaciteitsproblematiek, de financiering van de NO, de gang van zaken rond de zelfstandige bestuursorganen (ZBO's) en de naam 'ombudsman'. Hierop is (vooralsnog) afdoende geantwoord door de toenmalige ministers. Ik neem aan dat de capaciteitsproblematiek en de financiering van de NO thans geen kwesties zijn. Mocht dat anders zijn, dan verneem ik dat gaarne van de minister.

Implementatie motie Scheltema-de Nie c.s.

Vorig jaar is de motie Scheltema-De Nie c.s. aangenomen. Deze motie is toen door mijn fractie breed ondersteund. De motie hield in dat iedere gemeente vóór 2002 in een met waarborgen omklede ombudsfunctie (externe klachtenvoorziening) moest voorzien. De motie vraagt de regering om dat - al dan niet met behulp van een wettelijke verplichting - te bevorderen. De toenmalige minister heeft in een brief aan de VNG en alle gemeenten erop gewezen dat alle gemeenten aan deze plicht dienen te voldoen. Daarbij heeft hij opgemerkt dat hij desnoods bereid is om de invoering anders WETTELIJK verplicht te stellen. Ik heb hierover de volgende vragen:


* wat is de stand van zaken;

* hoeveel gemeentes hebben inmiddels een externe klachtenvoorziening;
* hoeveel nog niet;

* heeft de minister inmiddels zicht op toekomst dat het ertoe kan leiden dat de genoemde 'wettelijke' verplichting in stelling moet worden gebracht;

* houdt de minister in deze context ook periodiek de vinger aan de pols en herinnert hij de achterblijvende gemeenten er regelmatig aan wat er nog van hen verwacht wordt?

Aantal klachten en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)

In 1999 kwamen ruim 7600 schriftelijke klachten binnen. Dat is 9% minder dan in 1998. De daling komt vooral voor rekening van het IND. In 1999 ontving de NO ongeveer 650 verzoekschriften minder dan het jaar daarvoor (1998: 2352). Desondanks heeft 1/5 deel van de klachten bij de NO betrekking op de IND. Zoals in de afgelopen jaren gaan deze meestal over de trage afhandeling van asielverzoeken, bezwaarschriften en machtigingen tot voorlopig verblijf.

De toestroom van klachten is zelfs zodanig dat de NO gelet op zijn capaciteit afgelopen jaar gekozen heeft om zoveel mogelijk klachten door te zenden naar de IND dan wel telefonisch klachten aan de IND voor te leggen. Met name de duur van de afhandeling is niet volgens de eisen. Tijdens een overleg tussen de NO en de hoofddirecteur IND heeft de laatste verwachting uitgesproken dat in januari 2000 het automatiseringssysteem van de IND aangepast zal zijn aan het automatisch verzenden van de afdoeningsbrief. Mag ik de minister vragen in hoeverre de inspanningen die de IND heeft verricht, vruchten heeft afgeworpen en wat de verwachtingen voor de toekomst zijn. In dit verband heb ik nog een vraag over de nieuwe vreemdelingenwetgeving. De NO heeft zich in de media niet optimistisch getoond over de gevolgen van deze wet. Dit kan betekenen dat er klachten binnen blijven komen over de lange duur van de wachttijden.

Invoering van het interne klachtenrecht

Op 1 juli 1999 is voor de meeste beleidsterreinen van de overheid hoofdstuk 9 Awb in werking getreden. In hoofdstuk 9 wordt een wettelijke regeling gegeven voor de

interne - behandeling van klachten door bestuursorganen. Uit een enquête van de NO onder de gemeenten is gebleken dat nog lang niet alle organen voldoen aan de verplichtingen welke voortvloeien uit hoofdstuk 9 Awb. Daarnaast blijkt in de zorgsector onduidelijkheid te bestaan over de vraag of en, zo ja, in hoeverre zorgkantoren als bestuursorganen moeten worden aangemerkt. Van de 50 waterschappen hebben er vier zelfs laten weten dat zij in de toekomst hun bestaande klachtenbehandeling niet aan de Awb zullen aanpassen. Ditzelfde geldt ook voor twee zorgverzekeraars. Kortom, er zijn nog teveel organen die hun procedures nog niet hebben aangepast of (dus) zelfs aangeven dat ze niet voornemens zijn om aan hun wettelijke plicht te voldoen. Daarnaast is er in sommige gevallen ook de onduidelijkheid welke organen nu wel of niet onder de reikwijdte van hoofdstuk 9 Awb vallen. Ik wil de minister vragen of hij bereid is die bestuursorganen die zonder twijfel onder hoofdstuk 9 Awb vallen te dwingen om aan hun wettelijke plicht te voldoen, en hoe hij dat wil doen. Tevens wil ik van de minister weten hoe hij van plan is om eens en voor altijd duidelijkheid te scheppen in de vraag welke organen wel en welke organen niet onder de werking van hoofdstuk 9 Awb vallen.

Verbazingwekkend in deze context is dat de regionale overheden op verschillende terreinen beter scoren dan de ministeries. Zowel bij de aanpassing van de klachtenafhandeling van hoofdstuk 9 Awb als het beschikken over een interne klachtenregeling lopen de regionale overheden voor op de ministeries. Dit is geen goede zaak. Graag wil ik van de minister weten hoe hij denkt ervoor te zorgen dat ook alle ministeries zo spoedig mogelijk aan al hun wettelijke verplichtingen ingevolge hoofdstuk 9 Awb voldoen.

De voorlichting van BZK in de richting van de betreffende overheidsorganen schijnt nog steeds op sommige plaatsen te wensen over te laten. Zo twijfelt de NO over de mate waarin bij de verschillende bestuursorganen voldoende duidelijkheid bestaat over de mogelijkheid de klachtadviesprocedure van afdeling 9.3 Awb van toepassing te verklaren. Graag commentaar van de minister.

Rechtsbijstand

Voor een goede rechtsbedeling is het van belang dat klagers zonodig een gemachtigde of een advocaat kunnen inschakelen. Dit geldt reeds voor de hoofdstuk 9 Awb-procedures. Vreemd is echter wel dat een procedure bij de NO niet direct valt binnen de regeling voor gefinancierde rechtsbijstand. Ik wil de minister verzoeken om in overleg met Justitie de regeling zo nodig te wijzigen zodat procedures bij de NO ook binnen de regeling van gefinancierde rechtsbijstand vallen.

Wettelijke plicht registratie en publicatie klachten

Zoals bij de invoering van hoofdstuk 9 Awb zijn er verschillende organen die niet aan de wettelijke plicht voldoen om klachten de registreren en te publiceren. Ook hier ben ik er verbaasd over dat er organen zijn die ronduit niet aan hun wettelijke verplichting voldoen. De openheid en transparantie van het bestuur brengen met zich mee dat klachten dienen te worden geregistreerd en gepubliceerd. Dit is een belangrijke peiler van het klachtensysteem. Het maakt de organen ook bewust van het aantal klachten en de inhoud ervan. Wanneer er bijvoorbeeld niet wordt gepubliceerd kan de situatie ontstaat dat organen hun eigen tekortkomingen niet meer zien. Ik wil er bij de minister op aan dringen dat hij in de geest van eerder uitgedane uitspraken (in het kader van de invoering van het externe klachtenrecht) andere (lagere) organen gaat verplichten om aan hun wettelijke verplichtingen te voldoen.

Voorlichtingbeleid

Voorlichting en naamsbekendheid van de NO zijn van groot belang. Als algemene vraag over dit onderwerp wil ik van de minister weten wat de financiële consequenties van het uitvoeren van het effectief uitvoeren van deze twee onderdelen.

Wanneer we over voorlichting spreken gaat het over twee aspecten. Enerzijds de moeite die overheidsorganen zich getroosten om burgers met klachten te wijzen op het bestaan van de NO en anderzijds de voorlichting die de NO zelf geeft over haar eigen werkzaamheden (werkterrein etc.)

Ten aanzien van het eerste punt hebben organen een wettelijke plicht. Op grond van hoofdstuk 9 Awb dienen overheidsinstanties die binnen de bevoegdheid van de NO vallen aan het eind van de interne klachtprocedure altijd te wijzen op een mogelijk vervolg bij de NO. Het jaarverslag noemt dit terecht een basisvoorwaarde in de publieksvoorlichting over de NO. Deze overheidstaak laat zeer te wensen over. De minister dient zich meer moeite te getroosten dat alle overheidsinstanties gewoon aan hun wettelijke plicht voldoen.

Naar aanleiding van een (op verzoek van de PvdA) in 1998 verricht onderzoek naar zijn bekendheid bij het publiek heeft de NO in het jaarverslag zijn voornemen geuit om in het voorjaar van 2000 een regionale proef te beginnen in de provincies Gelderland en Overijssel. Zo is gebleken dat intermediairs als bureaus voor rechtshulp en sociaal raadslieden nauwelijks een rol spelen in de voorlichting. De voorlichtingsproef zal neem ik aan ook gericht zijn op deze categorie. Er is gemaild naar rechtshulpverleners. Wat is de respons daarop?

Voorts wil ik de minister vragen hoe het staat met de regionale proef en of er nu al bepaalde conclusies zijn te trekken.

Ten slotte is er nog een ander punt. Dit betreft de verwachtingen die al dan niet worden gewekt door de NO. Er moet m.i. niet alleen voorlichting zijn over onderwerpen als taak en werkwijze maar ook over de exacte procedure en hoe deze plaats vindt. Zoals ik dadelijk zal bespreken, zijn er wel eens klachten over de NO die volgens mij grotendeels terug zijn te brengen tot het scheppen van bepaalde verwachtingen en een 'slordige' afhandeling achteraf.

Afhandelingstijd klachten

Omdat de NO de laatste instantie is waar een burger terecht kan met zijn klacht, is het zaak dat hij zorgvuldig en voortvarend werkt. Wanneer de NO kritiek heeft op de afhandelingstijd van dossiers bij ministeries moet hij er natuurlijk bovenal voor zorgen dat hij zich aan de (mede door hem opgelegde) regels houdt. Aan het begin van dit jaar heeft de NO in de Staatscourant ideeën naar voren gebracht om procedures te versnellen. Zo noemt Fernhout het versterken van het mondelinge aspect bij de afhandeling van de zaken door middel van een hoorzitting in plaats van schriftelijke rondes. Ik wil de minister vragen of er inderdaad sprake is van een 'trage' afhandeling van zaken en, zo ja, kan hij zeggen of de NO bezig is met het uitwerken van procedures waarbij dit euvel verholpen zou kunnen worden op een manier waarbij de zorgvuldigheid van het onderzoek daar niet onder lijdt.

Klachten gericht tegen de NO zelf

In de inleiding van deze notitie werd reeds aangehaald dat er in ieder geval bij onze fractie, maar ook bij de Kamer klachten binnenkomen (1998 en 1999 totaal 14 brieven) over het handelen van de NO zelf. In het jaarverslag van de NO wordt niet gesproken over klachten die er zijn over de NO. Er is geen duidelijkheid hoe er met deze klachten wordt omgegaan. Hoe gaat de NO met die klachten om? Hoe worden ze afgehandeld? Heeft de NO eigenlijk zelf ook een interne en vervolgens een eigen externe klachtvoorziening?

Mijn laatste punt: neemt de Kamer de NO serieus?

Tijdens het symposium ter ere van het afscheid van de vorige NO heeft alleen D66-fractieleider De Graaf het voorstel ondersteunt om een artikel in de Grondwet op te nemen waardoor de Kamer de NO formeel kan verzoeken en onderzoek in te stellen. De minister van BZK zegde toe dat hij dit punt zal voorleggen aan de onderscheidende ministeries. Wat is de stand van zaken?

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie