Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Van Boxtel op Congres nationale identiteit

Datum nieuwsfeit: 14-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Toespraak Minister Van Boxtel tijdens Congres over nationale identiteit (Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling), Den Haag Een toespraak bij het onderwerp Integratie
14 september 2000

Dames en heren,
In de NRC van 4 september nam Anil Ramdas - de bij intellectuelen bekendste allochtoon - afscheid vanwege zijn vertrek als correspondent naar India en hij beklaagde zich in dat stuk erover dat iedereen het zo leuk vindt dat hij weg gaat. "Naar India" zeggen zijn vrienden, "daar liggen toch je wortels". "Nee" zegt hij tegen zijn vrienden, zijn wortels liggen niet in Suriname of India, "mijn wortels liggen hier in Nederland" en hij wil eigenlijk liever in het kleine dorp bij Amsterdam blijven dat hij als thuis beschouwt.
Waar kom je vandaan en waar ga je naar toe?
Dat lijken de vragen te zijn die een belangrijke rol spelen in het spreken over identiteit. Maar mijn vriend Professor Van Dantzig, met wie ik sprak over de uitnodiging om hier te spreken, wees mij op het begrip "thuis". Thuis zijn, zei hij, is een van de grootste waarden in het leven. Het impliceert veiligheid, aanvaarding, begrip en je verbonden voelen. We zijn Europeanen, we zijn wereldburgers, in verschillende relaties zijn we van alles, maar hier zijn we thuis; dat is onze identiteit.
Waarom is het spreken over identiteit van belang? Waarom houdt het ook mij als politicus bezig? Het belang ligt niet in mijn of uw prettige gevoel; in hoeverre ik behagen schep in mijn cultuur. Het onderwerp is van belang op het moment dat we de anderen in onze omgeving beoordelen en bejegenen. Zijn ze deel van onze gemeenschap of staan ze erbuiten?
Heel pregnant kwam dat in een niet eens zo ver verleden naar voren toen het een levensbelang was of men sprak van Joodse Nederlanders of Nederlandse joden.
Een Nederlandse jood was - voor de anderen - in de eerste plaats een jood, en kon bijgevolg buitengesloten worden. Een joodse Nederlander was in de eerste plaats een Nederlander. Hij had - zoals wij allen die deel uitmaken van onze samenleving - recht op de bescherming die onze maatschappij behoort te geven. Wat hen werd aangedaan werd dus ons aangedaan.
Ik hoef het voorbeeld niet verder uit te werken. Met dit voorbeeld is het belang aangegeven van de vraag met wie - niet: met wat, maar met wie - we ons identificeren.
Het gaat om: wie zijn wij, versus wie zijn zij?
Het debat over de nationale identiteit is opgelaaid nadat sommigen zich zorgen zeiden te maken over het voortbestaan daarvan, bedreigd als zij zich voelden door het verschijnen en groeien van verschillende culturen binnen onze eigen wereld. Op de vraag of die zorg terecht is zal ik nu niet ingaan. We spreken hier over nationale identiteit, en dat is een belangwekkend en intrigerend onderwerp. Ik reken mijzelf niet tot de cultuurrelativisten die met een gemakzuchtige zwaai alles op dat gebied als irrelevant of voorbijgaand beschouwen. Maar evenmin ervaar ik kramp wanneer ik geconfronteerd wordt met cultuuruitingen die niet in de uitgeslepen sporen passen.
Maar wat is onze nationale identiteit?
Er is vandaag al veel over deze vraag gesproken: de geschreven en ongeschreven regels, de gematigdheid van ons nationalisme, de merkwaardige situatie dat we onze identiteit vaak beschrijven in termen van de afwezigheid van extremen, de dominee/koopman moraal, tolerantie , de strijd tegen het water, poldermodel, gedoogbeleid, voetbaloranje, koffierituelen, de Tweede Wereldoorlog en onze taal.
Het zijn allemaal aspecten van onze identiteit, maar: het is diffuus en voor buitenstaanders moeilijk samen te vatten. Het is bovendien verre van statisch. Nog geen vijftig jaar geleden zullen Nederlanders zich een heel andere eigenheid hebben toegeschreven dan we nu doen.
En daarmee komen we aan het punt dat - wanneer identiteit al omschreven kán worden - zij ook nog onderhevig is aan de toenemende culturele diversiteit, die weer wordt versterkt door de mogelijkheden van de recente ICT-ontwikkelingen, én door de Europese en zelfs mondiale integratie.
Door de toenemende beschikbaarheid , als gevolg van ICT ontwikkelingen, van uiteenlopende identificatiebronnen is de nationale identiteit als het ware aan erosie onderhevig. Men is niet meer uitsluitend op de directe omgeving aangewezen voor een referentiekader; culturele diversiteit kan zich via de elektronische navelstreng met het land van herkomst versterken waardoor transnationale identiteiten of meervoudige identiteiten ontstaan. Denk aan de Molukse Nederlanders die via het internet intensief betrokken zijn met wat er op de Molukken gebeurt. Daar staat tegenover -bijna alles wat met dit onderwerp te maken heeft steeds een tegenhanger - dat zelfs in Nederland de regio een steeds grotere rol speelt. Ik wijs op de vroeger onvoorstelbare populariteit van regionale popmuziek. Echte Nederpop, maar door het gebezigde accent voor velen vrijwel onverstaanbaar. Of die onverstaanbaarheid steeds te betreuren valt, laat ik nu maar even in het midden.
En dan is er nog de Europese integratie die ook aan onze specifieke identiteit knabbelt. We willen ons verbinden, we leveren zelfs onze Gulden in voor de Euro, én we willen tevens onszelf blijven.
Maar iedere verbintenis, van huwelijk tot internationaal verdrag, eist aanpassing en inleveren. De nationalist zal water moeten doen in de wijn waarmee hij een dronk uitbrengt op het vaderland. Die op zich zelf fascinerende en zelfs paradoxale ontwikkelingen roepen een tegenreactie op: de behoefte aan een articulatie van de nationale identiteit en het zoeken naar bindende elementen. Identiteit wordt mede bepaald door een gemeenschappelijke taal en een gemeenschappelijk verleden. In mijn tekst staat een streep onder taal, want u weet hoe belangrijk ik dat vind, maar misschien moet ik toch ook een paar woorden wijden aan het gemeenschappelijk verleden.
Veel immigranten zullen zich geen deel voelen van een continuïteit die bijvoorbeeld van de Gouden Eeuw naar nu zou lopen. Het overdragen daarvan zal dus maar gedeeltelijk lukken, maar wellicht is het voorbeeld van het Slavernijmonument hier verhelderend. Slavernij is een voorbeeld van een gemeenschappelijke historische ervaring die evenwel een heel andere interpretatie krijgt door een ander perspectief. Was je voorouder een matroos bij de West Indische Compagnie of een slaaf uit west Afrika? Het slavernijmonument moet er niet komen om de verschillen te bevestigen, maar om ook de schaduwzijde van onze geschiedenis toe te laten tot het gedéeld nationaal geheugen.
Zon andere blik op de geschiedenis is niet makkelijk. Het is niet voor niets dat in Orwells Brave New World een groot aantal mensen zijn brood verdient met het voortdurend herschrijven van de geschiedenis. We kiezen graag de geschiedenis die ons het beste uitkomt.
Ik kom terug op een vraag die ik aan het begin van mijn betoog stelde. Waarom sta ik hier als politicus, als minister, als vertegenwoordiger van de overheid?
Het voor de hand liggende antwoord is dat ik minister van integratiebeleid ben en dat nationale identiteit daarbij een rol speelt. Maar er is een meer omvattend antwoord.
De basis voor de gemeenschappelijkheid in onze maatschappij zijn de universele en fundamentele waarden en normen die zijn vastgelegd in de Grondwet. De Grondwet is niet - gegrift op stenen tafels - toevallig door iemand gevonden op de top van de Vaalserberg.
Het is de - niet statische - uitdrukking van de politieke wil basiswaarden en normen vast te leggen in een wet. Met andere woorden: een belangrijk deel van onze identiteit is niet iets dat spontaan ontstaat -zoals de min of meer Nederlandstalige tophit - of gewoon ís - zoals de Elfstedentocht. Onze identiteit is in tegendeel mede object van besluitvorming. En juist op de momenten waarin beweging gaande is, waarin turbulentie bestaat, waar de angstigen zich afvragen wie wij zijn - terwijl ze bedoelen wie ben ik - bestaat de kans onze gemeenschappelijke identiteit vorm te geven. Dat gebeurde in de Gouden Eeuw toen Amsterdam in ongeveer vijftig jaar in omvang verviervoudigde door de instroom van buitenlanders. Toen ontstond een nieuwe cultuur en nu gebeurt dat ook opnieuw in ons zeer dynamische heden.
Juist die dynamiek verplicht ons normen vast te leggen: individuele vrijheidsrechten, gelijkwaardigheid van vrouw en man, de integriteit van het eigen lichaam; ik noem er een paar. Dat we die rechten ononderhandelbaar noemen betekent niet dat ze nooit kunnen veranderen. Ook de grondrechten hebben door de tijden een andere interpretatie gekregen. Ononderhandelbaar betekent dat we ze ook overeind houden wanneer ze conflicteren; dat we ze niet tegen elkaar inruilen als het ons of anderen beter uitkomt. Zo heeft godsdienstvrijheid en het recht zelf binnen het gezin autonoom regels te stellen een grens.
Wij accepteren bijvoorbeeld geen eerwraak, polygamie en vrouwenbesnijdenis; we erkennen het recht op geloofsafval en we accepteren geen discriminatie.
Niemand kan tot een overtuiging gedwongen worden maar we eisen respect voor de vrijheid en integriteit van anderen. Fundamentalisten - en dan denken we meteen aan moslims maar er zijn ook christenen die er wat van kunnen - mogen in eigen kring opvattingen over de ondergeschiktheid van de vrouw verkondigen, maar op bijvoorbeeld de werkvloer willen we dat men zich conformeert aan de normen en omgangsvormen. De overheid heeft daarin een rol te spelen. Enerzijds in de bescherming van de individuele rechten, maar ook door flexibiliteit en aanpassing te stimuleren. Bijvoorbeeld door de moderne instituties en verbanden toegankelijk te maken voor minderheden.
De overheid heeft vooral een rol - als we het hebben over identiteit - bij het stimuleren van het burgerschap. Alle inwoners van ons land kunnen in het private en tot op zekere hoogte in het publieke domein vanuit hun eigen achtergrond vorm geven aan hun bestaan. Maar als burger maken ze deel uit van een gemeenschap, bepalen daarvan mede de vorm en dragen er ook de verantwoordelijkheid voor.
De Amerikaanse ambassadeur Cynthia Schneider zei, in haar 5 mei lezing dit jaar, dat het haar was opgevallen dat de Nederlandse waarden vooral impliciet zijn; niet worden geexpliciteerd wanneer we ze aan jongeren overdragen. Ik zeg daarbij: niet alleen aan jongeren maar ook aan nieuwkomers.
Burgerschap veronderstelt een aanpassing aan de nationale publieke cultuur. Maar dan moet die cultuur wel de mogelijkheden voor identificatie bieden. Dat vereist dat we bijvoorbeeld ook nadenken over de inrichting, vormgeving en toegankelijkheid van ons onderwijs- media- en kunstenbeleid.
Geschiedenisonderwijs moet niet alleen vanuit een nationalistische optiek worden gegeven. Er moet ook aandacht gegeven worden aan de historische relaties tussen Nederland en andere delen van de wereld. Het koloniale verleden, de slavernij en de gevolgen van de westerse economie voor de derde wereld moeten ook vanuit een ander oogpunt worden beschouwd.
Ik ben geen historicus dus ik weet niet welke invloed de kruistochten hebben gehad op ons zelfbeeld, maar ik kan me wel herinneren dat de geschiedenis lessen daarover niet overliepen van begrip voor de positie van de Saracenen.
De vanzelfsprekendheden en vooroordelen in ons onderwijs en onze cultuurpolitiek zullen we tegen het licht moeten houden en wat impliciet is, expliciet maken. Niet vanuit modieuze politieke correctheid, niet uit neerbuigende vriendelijkheid en zeker niet omdat we angstige watjes zouden zijn. We moeten dat doen om de bevoordeling van sommigen boven anderen op te heffen. En waar overheidsgeld wordt besteed mag de overheid eisen dat dit geld ten principale aan alle burgers ten goede komt. Ook gerichte geldstromen hebben niet als doel anderen uit te sluiten maar de betroffen groep binnen te brengen.
Wie binnen de poorten van de stad woont moet een poorter kunnen zijn. Het burgerschap voor hen die daar vroeger van uitgesloten waren, heeft tot doel hen te integreren in de politieke gemeenschap, hen deelgenoot te maken van en invloed uit te laten oefenen op algemene normen en waarden, hen de kans te geven door hun gemeenschapszin medeverantwoordelijkheid te laten dragen voor onze gemeenschap, die alleen daardoor ónze gezamenlijke gemeenschap wordt.
Dat wil overigens niet zeggen dat ik geloof dat alle maatschappelijke tegenstellingen vanzelf verdampen als iedereen dezelfde waarden en normen deelt. Integendeel, ik geloof dat het expliciteren van maatschappelijke tegenstellingen, van de belangenverschillen en de machtsposities die daarbij spelen soms tot heilzame duidelijkheid leidt. De mist die vaak over ons polderlandschap hangt, belemmert bij tijden een keuze tussen de verschillende wegen die derwaarts gaan; verhindert soms zelfs de deelname aan het politiek verkeer.
Maar terug naar de identiteit:
aan het begin haalde ik Van Dantzig aan die mij het begrip "thuis" aanreikte. In hoeverre kan Nederland thuis zijn voor vreemdelingen? De woede van Ramdas bewijst dat het mogelijk of - in zijn geval - vanzelfsprekend is.
In Christelijke kring wordt soms gezegd: het huis van de Heer heeft vele kamers. Daarmee wordt aangegeven dat het bindende de verschillen overstijgt. Dat is een waar woord; haast letterlijk. Als ik de kamers van de kinderen van de familie Van Boxtel soms zie kan ik me daar nauwelijks mee identificeren, toch wonen we allemaal in één huis en het is zonder twijfel ons huis, de plek waar wij ons thuis voelen, de plek die onze identiteit draagt. Het samenleven van verschillende mensen met verschillende achtergronden en opvattingen levert fricties op maar het beroep van de geïrriteerde vader, op hoe het vroeger altijd is gegaan, is daarvoor geen oplossing.
Dames en heren, we leven in een wereldwijde omgeving. We moeten onze wereld, ook ons kleine deel daarvan, delen met anderen. Dat is geen keuze, dat is een gegeven. Dat vraagt voortdurend om aanpassing: there is no free lunch. Maar het is uiteindelijk de moeite waard. Waarom?
Omdat de nationale identiteit geen waarde op zich is, iets dat om zichzelf moet worden gekoesterd en moet worden behouden zoals het is. Het is - vanuit het samenkomen van onze verschillende geschiedenissen - de beschrijving van wat ons bindt, van hoe we met elkaar omgaan; de manier waarop we menselijk lijden voorkomen, menselijke waardigheid bevorderen; het kader waarbinnen we ieder ons geluk mogen nastreven.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie