Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Memorie toelichting positionering rijksarchiefinspectie

Datum nieuwsfeit: 15-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

MvT inz wijz archiefwet mbt positionering rijksarchiefins pectie

27282 Wijziging van de Archiefwet 1995 in verband met een andere positionering van de rijksarchiefinspectie Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN
Het onderhavige voorstel van wet strekt ertoe de rijksarchiefdienst van zijn toezichtstaak te ontheffen teneinde de rijksarchiefinspectie die thans onderdeel uitmaakt van de rijksarchiefdienst, elders te kunnen onderbrengen bij het bestuursdepartement van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Wetswijziging is noodzakelijk, omdat de toezichthoudende taak van de rijksarchiefdienst wettelijk is verankerd in artikel 25, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995. Niet alleen de Archiefwet 1995, maar ook de Organisatie- en mandaatregeling OCenW van 8 juli 1997 (kenmerk: WJZ-97011056) zal in verband met het voorgaande moeten worden gewijzigd.

In 1997 werd het toezicht op het beheer van de - (nog) niet naar een rijksarchiefbewaarplaats overgebrachte - archieven van het Rijk en de Hoge Colleges van Staat in een apart organisatieonderdeel van de rijksarchiefdienst ondergebracht: de rijksarchiefinspectie. De aldus ontstane functiescheiding binnen de rijksarchiefdienst is bij nader inzien echter niet voldoende om de onafhankelijke positie van de inspectie te verzekeren. De rijksarchiefdienst onderhoudt met de zorgdragers waarop het toezicht betrekking heeft, namelijk nog vele andere relaties. Voor de zorgdrager kan het daardoor onduidelijk zijn in welke rol en met welk oogmerk deze dienst in een concrete situatie optreedt. De vorenbedoelde andere positionering van de rijksarchiefinspectie beoogt de onafhankelijkheid van dat organisatieonderdeel ten opzichte van de rijksarchiefdienst te verzekeren. In de notitie "(Toe)zicht op verbetering", die als bijlage is gevoegd bij de brief van 16 augustus 1999 aan de voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1998/99, 25 809, nr. 12) ben ik uitgebreid ingegaan op de gewenste positie en de versterking van de rijksarchiefinspectie in het algemeen. Het onderhavige wetsvoorstel vloeit rechtstreeks voort uit de maatregelen die in die brief zijn aangekondigd. In paragraaf 6.2.3 van de notitie "(Toe)zicht op verbetering" wordt aangesloten bij de opvatting van de Algemene Rekenkamer dat het in het algemeen noodzakelijk is om de toezichthoudende functie gescheiden te houden van beleid, regelgeving, uitvoering en advies en dat het toezicht als een afzonderlijke functie moet kunnen worden onderscheiden, met voldoende waarborgen voor een onafhankelijk functioneren (Kamerstukken II 1997/98, 25 956, nrs. 1-2, blz.11). In diezelfde paragraaf 6.2.3 wordt aangekondigd dat de toezichtfunctie, gezien de noodzaak om beleid, toezicht en uitvoering helder te scheiden, zal worden ontkoppeld van de rijksarchiefdienst en binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zal worden geplaatst, ambtelijk aangestuurd door de Bestuursraad van dit departement. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt te voorzien in deze constructie. Door deze organisatorische wijziging is de rijksarchiefinspectie in staat tot een zelfstandiger en meer onafhankelijke positie naar het veld waarover het toezicht zich uitstrekt. Ik ben van oordeel dat de in het wetsvoorstel neergelegde constructie ten goede komt aan de verhouding tussen de rijksarchiefinspectie en de overheidsorganen waarover de inspectie haar toezicht uitoefent.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I, onderdeel A
Artikel 25, tweede lid, onderdeel b, bepaalt dat het toezicht op de - (nog) niet naar een rijksarchiefbewaarplaats overgebrachte - archieven van de Staten-Generaal, de andere Hoge Colleges van Staat, het Kabinet van de Koningin, de departementen, de Commissarissen der Koningin en andere overheidsorganen voorzover het niet betreft de archieven van provincies, gemeenten en waterschappen, bij de rijksarchiefdienst berust. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting is aangegeven, wordt de rijksarchiefdienst van deze taak ontheven. In verband hiermee vervalt artikel 25, tweede lid, onderdeel b, en moet het huidige onderdeel c worden veranderd in onderdeel b.

Artikel I, onderdeel B
Artikel 25a, eerste lid, wordt zo gewijzigd dat de toezichthoudende taak terzake van de - (nog) niet naar een rijksarchiefbewaarplaats overgebrachte - archieven, bedoeld in de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 41, eerste lid, wordt opgedragen aan de bij besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aangewezen hoofdinspecteur en inspecteurs. De formulering hoofdinspecteur en inspecteurs sluit aan bij de bestaande praktijk. Ook thans kent de rijksarchiefinspectie een hoofdinspecteur en inspecteurs. Het hierbedoelde toezicht betreft de archiefbescheiden bij dezelfde overheidsorganen, die in het huidige artikel 25, tweede lid, onder b, worden aangeduid. Artikel I, onderdeel C
De wijzigingen in dit artikel vloeien voort uit de beoogde wijzigingen in de artikelen 25 en 25a. Het huidige tweede lid van artikel 25b kan vervallen. In dat lid wordt geregeld dat de algemene rijksarchivaris telkens indien hij daartoe aanleiding ziet de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op de hoogte stelt van de bevindingen van het toezicht. Die bepaling wordt niet langer nodig geacht. Het toezicht op de naleving van de Archiefwet 1995 wordt immers uitgeoefend ten behoeve van de voor die wet verantwoordelijke minister, in casu de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het is dan ook de taak van de toezichthouders om alle bevindingen die voor de minister van belang zijn aan hem te melden. Aan de hiërarchisch aan hem ondergeschikte (hoofd)inspecteur kan de minister ook zonder uitdrukkelijke wetsbepaling opdrachten geven over de wijze waarop en de gevallen waarin bevindingen gemeld moeten worden. In aansluiting op het vervallen van het huidige tweede lid wordt het huidige derde lid vernummerd tot tweede lid. Het nieuwe tweede lid heeft dezelfde strekking als het huidige derde lid.

De Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen,

F. van der Ploeg

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie