Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief BUZA inzake nieuwe commissievoorstellen BNC

Datum nieuwsfeit: 18-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief BUZA inzake nieuwe commissievoorstellen
Gemaakt: 20-9-2000 tijd: 17:17

Kenmerk DIE-534/00

Blad 9/1

22112 Ontwerpbesluiten Europese Commissie

Nr. 166 Brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 september 2000

Overeenkomstig de bestaande afspraken heb ik de eer u hierbij vijf fiches aan te bieden die werden opgesteld door de Werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC):

Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bepalingen op het gebied van de zomertijd.

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad `Op weg naar veiliger, concurrerender, hoogwaardiger wegvervoer in de Gemeenschap'

Mededeling van de Commissie e-Learning - Het onderwijs van morgen uitdenken

Voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart gesloten door de Association of European Airlines (AEA), de European Transport Workers' Association (ETF), de European Cockpit Association (ECA), de European Regions Airline Association (ERA) en de International Air Carrier Association (IACA)

Verordening m.b.t. modaliteiten van toepassing op bepaalde importen afkomstig uit Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Federale Republiek Joegoslavië (Montenegro en Kosovo).

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

D.A. Benschop3
Fiche 1: Zomertijd Titel:
Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bepalingen op het gebied van de zomertijd. Datum Commissievoorstel: 20 juni 2000 nr. Raadsdocument: n.v.t. nr. Commissiedocument: COM(2000)302 def Eerstverantwoordelijke ministerie: V&W i.o.m. BZK Behandelingstraject in Brussel: Het voorstel is op 6 juli 2000 in de Raadswerkgroep Vervoer besproken en zal in oktober 2000 voor eerste lezing in de Raad voorliggen. Met de behandeling van het voorstel dient enige spoed te worden betracht aangezien in de achtste Richtlijn Zomertijd 97/44/EG is bepaald dat het Europees Parlement en de Raad vóór 1 januari 2001 de regeling vaststellen die met ingang van 2002 van toepassing is. Consequenties voor EG-begroting in EURO (per jaar): Geen Korte inhoud en doelstelling van het voorstel:
Het voorstel continueert de zevende en achtste Richtlijn Zomertijd waarin de geharmoniseerde begin- en einddata van de zomertijd voor telkens vier jaar werden vastgesteld.
De belangrijkste wijziging t.o.v. de vorige richtlijnen is dat de geharmoniseerde begin- en einddata van de zomertijd voor onbeperkte tijd worden ingevoerd. Vanaf 2002 zal de zomertijd voortaan om 1 uur `s morgens Greenwich-tijd op de laatste zondag van maart ingaan en om
1 uur `s morgens Greenwich-tijd op de laatste zondag van oktober eindigen. Voor de helderheid zal de Commissie - voor het eerst bij de bekendmaking van de onderhavige richtlijn en vervolgens om de vijf jaar - het tijdschema met de data en de uren waarop de klok wordt verzet bekendmaken in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Voorts zal de Commissie iedere vijf jaar een
evaluatie/monitoringsrapport opstellen op basis van door de lidstaten geleverde gegevens over de sectoren die met de zomertijd te maken hebben. Rechtsbasis van het voorstel: Art. 95 EG Verdrag Subsidiariteit, proportionaliteit, deregulering: Subsidiariteit positief. Harmonisatie van de begin- en einddata van de zomertijd is nodig om de goede werking van de interne markt te verbeteren en daarmee een communautaire bevoegdheid. Nederlandse belangen:
Met name voor de vervoers- en communicatiesectoren is harmonisatie van de begin- en einddata van de zomertijd van belang. Het voor onbepaalde tijd vaststellen van deze data zorgt voor een stabiele programmering op de lange termijn (o.a. van belang voor het vaststellen van dienstregelingen) en vermijdt een omslachtige wetgevingsprocedure iedere vier jaar. Consequenties voor nationale regelgeving/beleid c.q. decentrale overheden (betrokkenheid IPO/VNG) Geen Rol EP in de besluitvormingsprocedure: Codecisie Fiche 2: Sociaal pakket wegvervoer Titel:
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad `Op weg naar veiliger, concurrerender, hoogwaardiger wegvervoer in de Gemeenschap' Datum Commissievoorstel: 21 juni 2000 nr. Raadsdocument: 9828/00 Trans 101 Soc 236 nr. Commissiedocument: COM (2000) 364 Eerstverantwoordelijke ministerie: V&W i.o.m. SZW Behandelingstraject in Brussel:
Een eerste bespreking heeft in de raadswerkgroep Vervoersvraagstukken op 12 en 20 juli 2000 plaatsgevonden. De volgende bespreking vindt plaats op 7 september 2000. Consequenties voor EG-begroting in EURO (per jaar): geen Korte inhoud en doelstelling van het voorstel: De mededeling bevat aandachtspunten voor het verbeteren van de regelgeving inzake de organisatie van de arbeidstijd van het rijdend personeel in het wegvervoer, de inzet van chauffeurs onder `onregelmatige arbeidsvoorwaarden', de handhaving en sanctionering van overtredingen in het vervoer over de weg van goederen en personen, alsmede de beroepsopleiding van chauffeurs. De mededeling bevat geen concrete voorstellen. Deze zullen in de loop van dit en volgend jaar volgen. Rechtsbasis van het voorstel: n.v.t, het betreft een mededeling. Subsidiariteit, proportionaliteit, deregulering: Positief, de aangekondigde maatregelen passen binnen een communautaire benadering. Nederlandse belangen:
De aangekondigde maatregelen zijn van belang voor de concurrentiepositie van het Nederlandse wegvervoer en dragen bij aan een betere bescherming van de gezondheid en veiligheid van het rijdend personeel in het wegvervoer en het verbeteren van de verkeersveiligheid. Consequenties voor nationale regelgeving/beleid c.q. decentrale overheden (betrokkenheid IPO/VNG) In dit stadium geen directe betrokkenheid decentrale overheden. Consequenties voor de regelgeving zullen nader moeten worden bezien op basis van concrete voorstellen van de Commissie. Rol EP in de besluitvormingsprocedure: In dit stadium nog niet van toepassing. Fiche 3: E learning Titel:
Mededeling van de Commissie e-Learning - Het onderwijs van morgen uitdenken Datum Raadsdoc: 25 mei 2000 nr. Raadsdocument: 9022/00 nr. Commissiedocument: COM (2000) 318 definitief Eerstverantwoordelijke ministerie: OCenW i.o.m. EZ , BZ, V&W Behandelingstraject in Brussel: Behandeling zal plaatsvinden in de Onderwijsraad. Consequenties voor EG-begroting in EURO (per jaar): Geen. Korte inhoud en doelstelling van het voorstel: Het onderhavige document verwijst expliciet naar de al eerder door de de Commissie uitgebrachte Mededeling e-Europe - Een informatiemaatschappij voor iedereen' (doc. COM(99) 689 def. d.d. 8 december 1999) waarin wordt gewezen op het belang van de nieuwe informatietechnologieën (ICT) voor het onderwijs. Daarnaast refereert de Mededeling `e-Learning' aan de conclusies van de Europese Raad van Lissabon van 23/24 maart j.l. waarin met nadruk is gewezen op de rol die onderwijs speelt in de kenniseconomie. De mededeling groepeert alle resultaten, afspraken neergelegd in diverse documenten en die betrekking hebben op ICT in het onderwijs in één enkel document. Als zodanig worden er in het document e-Learning geen nieuwe voorstellen gedaan of nieuwe initiatieven op het terrein van ICT ontplooid. In de woorden van de Commissie heeft het document tot doel om te zorgen «voor een coherent geheel en een efficiënte communicatie met de onderwijssector" en "vormt e-Learning een belangrijk onderdeel van de algemene bezinning op de geslaagd integratie van de nieuwe informatietechnologieën in het onderwijs en de opleiding waartoe de Raad heeft aangezet". Het doel van het document is - door samenhang in alle acties te brengen - synergie te bewerkstellingen en de acties voortvloeiende uit e-Europe en de top van Lissabon concrete gestalte te geven op het terrein van onderwijs en opleiding. In het document wordt aangegeven waarom Europa tot actie op ICT-terrein in het onderwijsdomein moet overgaan. Geconstateerd wordt dat Europa met name t.o.v. de VS zwakheden vertoont en een achterstand heeft, zoals een gebrek aan gekwalificeerde leraren, een tekort aan materiaal (zowel hard- als software). Als doelstellingen worden (onder meer) aangemerkt: Terrein van infrastructuur (zoals: internet aansluiting op alle scholen eind 2001) Verhoging kennisniveau van de bevolking (zoals: bevolking toegang bieden tot de digitale cultuur) Aanpassing onderwijs/opleidingssysteemen aan de kennismaatschappij (zoals: wegwerking hinderpalen mobiliteit, scholing leraren gebruik internet) Het initiatief e-Learning stelt om uitvoering aan `Lissabon' te geven vier krachtlijnen voor: betere uitrusting in de onderwijsinstellingen (zoals multimediacomputers) betere scholing op alle niveau's (aanleren nieuwe vaardigheden) ontwikkeling van multimediadiensten/inhoud van hoge kwaliteit ontwikkeling van een netwerk van kenniscentra (koppeling virtuele ruimten en campussen en netwerkverbindingen tussen onderwijsinstellingen). Implementatie zal plaatsvinden via de door de Raad van Lissabon aanbevolen methode van een open coördinatiemethode. Subsidiariteittoets, proportionaliteit, deregulering:
Subsidiariteit: positief (in principe n.v.t., aangezien het een Mededeling betreft). Onderwijs en beroepsopleiding worden geregeld in de artikelen 149 en 150 EG-verdrag. De verantwoordelijkheid voor onderwijs en beroepsopleiding berust primair bij de lidstaten. Het zwaartepunt van de implementatie van de in de Mededeling neergelegde doelstelling op het terrein van ICT ligt bij de lidstaten. De Mededeling bevat geen wetgevende bepalingen welke verplichtingen aan de lidstaten opleggen. De Commissie heeft wel een taak in het bevorderen van samenwerking tussen de lidstaten op het terrein van onderwijs met het oog op het versterken van de kwaliteit van het onderwijs. Voorts kunnen activiteiten (zoals bijv. stimuleringsprogramma's, structuurfondsen,
werkgelegenheidsrichtsnoeren, ook een bijdrage ter versterking van de kwaliteit leveren. Tenslotte wordt in de preambule van het EG-verdrag expliciet aangegeven dat een zo hoog mogelijk kennisniveau dient te worden nagestreefd en om dat te realiseren een voortdurende vernieuwing van het onderwijs noodzakelijk is.
Proportionaliteit/deregulering: positief. Het betreft een mix van activiteiten op nationaal en communautair niveau (coördinatie, goede praktijken e.d.). De lidstaten zelf hebben alle ruimte om invulling aan de afspraken en voornemens te geven. Nederlandse belangen: Invoering van ICT binnen het onderwijs is van groot belang voor de versterking van de kwaliteit van het onderwijs. Dit levert een bijdrage aan de versterking van de Nederlands/Europese economie. Daarnaast heeft het een sociaal/maatschappelijk belang. Eerste beoordeling voorstel/wijze optreden in Brussel: Nederland heeft belang bij invoering van ICT in het (beroeps)onderwijs en staat derhalve positief tegenover voorstellen en initiatieven welke dit proces versterken. Het is een Nederlands belang (maatschappelijk/economisch) dat Nederland beschikt over onderwijs van een kwalitief hoog niveau; ICT levert daaraan een belangrijke bijdrage. Consequenties voor nationale regelgeving/beleid c.q. decentrale overheden (betrokkenheid IPO/VNG): n.v.t. Rol EP in de besluitvormingsprocedure: Nog niet aan de orde, het betreft een Mededeling. Fiche 4: Arbeidstijd mobiel personeel burgerluchtvaart Titel: Voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart gesloten door de Association of European Airlines (AEA), de European Transport Workers' Association (ETF), de European Cockpit Association (ECA), de European Regions Airline Association (ERA) en de International Air Carrier Association (IACA) Datum Raadsdocument: 8 juni 2000 nr. Raadsdocument: 844/00 SOC 238 AVIATION 30 nr. Commissiedocument: COM(2000) 382 def Eerst verantwoordelijke ministerie: SZW i.o.m. V&W Behandelingstraject in Brussel:
Eerste behandeling in Raadswerkgroep Sociale Vraagstukken heeft plaatsgevonden op 4 juli 2000. Afronding van de behandeling in de Raadswerkgroep is voorzien in het najaar. Aangezien het een akkoord van sociale partners betreft is formele consultatie van het EP niet noodzakelijk. De Commissie raadpleegt echter wel het EP, evenals het Economisch en Sociaal Comité en het Comité voor de Regio's. Consequenties voor EG-begroting in ECU (per jaar): geen Korte inhoud en doelstelling van het voorstel:
Het richtlijnvoorstel strekt er toe om rechtsgevolg te geven aan de overeenkomst tussen de Europese werkgevers- en werknemersorganisaties (zie de titel van het voorstel), betreffende de organisatie van arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart. Hieronder wordt verstaan bemanningsleden aan boord van een burgerluchtvaartuig, in dienst van een onderneming gevestigd in een lidstaat (clausule 2,
2e lid overeenkomst).
De richtlijn en de overeenkomst zijn `meer specifieke communautaire bepalingen' in de zin van art. 14 van de arbeidstijdenrichtlijn ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemer (richtlijn 93/104/EG, gewijzigd bij richtlijn 2000/34/EG). Op grond van art. 14 zullen de bepalingen van de arbeidstijdenrichtlijn bij inwerkingtreden van het onderhavige richtlijnvoorstel niet van toepassing zijn op mobiel personeel in de burgerluchtvaart. De partijen bij de overeenkomst zijn van mening dat de overeenkomst een beschermingsniveau biedt dat minstens gelijkwaardig is aan dat van de arbeidstijdenrichtlijn. De overeenkomst voorziet o.a. in een maximale arbeidstijd en bloktijd per jaar, het minimum aantal rustdagen, het recht op betaald verlof per jaar en het recht op gratis medische keuring. Deze richtlijn belet niet de totstandkoming van een Europese regeling voor vlieg- en diensttijden en vereisten inzake de rusttijd voor mobiel personeel in de luchtvaart met als doelstelling de veiligheid van de vluchtuitvoering te garanderen. Rechtsbasis van het voorstel: Artikel 139, lid 2 van het Verdrag Subsidiariteitstoets, proportionaliteit, deregulering:
Positief. De richtlijn en de overeenkomst dienen ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemer. Mobiele werknemers in de burgerluchtvaart waren tot aan de wijziging van de arbeidstijdenrichtlijn (2000/34/EG) van deze richtlijn uitgesloten. De huidige richtlijn en overeenkomst is een specifieke overeenkomst in aanvulling en ter vervanging van de algemene arbeidstijdenrichtlijn voor het mobiele personeel in de burgerluchtvaart, welke rekening houdt met de bijzondere omstandigheden in deze sector. De bepalingen die nu voorliggen gaan niet verder dan welke in de algemene richtlijn zijn opgenomen behalve daar waar dat in verband met bijzondere aard van de arbeid in deze sector noodzakelijk is. Nederlandse belangen: Nederland heeft belang bij een uniforme regeling op Europees niveau in verband met de veiligheid van werknemers en derden en het verkrijgen van eerlijke concurrentievoorwaarden op de interne markt. Consequenties voor nationale regelgeving/beleid c.q. lagere overheden (betrokkenheid IPO/VNG):
De richtlijn zal tot gevolg hebben dat het arbeidstijdenbesluit vervoer op enkele punten gewijzigd zal moeten worden. Rol EP in de besluitvormingsprocedure:Geen specifieke rol EP, zie ook punt 4. Fiche 5: Asymmetrische handel Titel:
Verordening m.b.t. modaliteiten van toepassing op bepaalde importen afkomstig uit Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Federale Republiek Joegoslavië (Montenegro en Kosovo). Datum Raadsdocument : 18 juli 2000 nr. Raadsdocument: 10515/00 nr. Commissiedocument: COM(2000)351 def 2000/0144 (ACC) Eerstverantwoordelijke ministerie: BZ i.o.m. EZ, LNV Behandelingstraject in Brussel: Raadswerkgroep Westelijke Balkan, Algemene Raad. Parallelle behandeling in C-133 Consequenties voor EG-begroting in EURO (per jaar): N.v.t. Korte inhoud en doelstelling van het voorstel alsmede eerste beoordeling:
De Commissie heeft in opdracht van de ER van Lissabon op 7 juni jl. een voorstel goedgekeurd om asymmetrische handelspreferenties toe te kennen aan de landen in de Westelijke Balkan.
De verordening heeft betrekking op Albanië, Bosnië, Kroatië en Kosovo en neemt een voorschot op de handelsparagrafen uit Stabilisatie en Associatieovereenkomsten. Tarieven en quota voor industriële producten (onder meer staal en textiel) zullen worden afgeschaft en de EU zal verbeterde markttoegang bieden voor landbouw- en visproducten. Er zullen nog slechts restricties gelden voor vis, wijn, vis in blik, kalfsvlees en kalveren. Het voorgestelde regiem voor de landen in de Balkan is zelfs voordeliger dan hetgeen de EU toekent aan de kandidaat-lidstaten. De EU moet nog wel een waiver krijgen van de WTO om deze uitzonderlijke preferenties te kunnen doorvoeren. Voorts zal de EU quota instellen voor aluminium uit Montenegro. Daarmee wordt concrete steun geven aan de belangrijkste exportsector van deze deelrepubliek van de FRJ. Servië zal niet profiteren van de nieuwe regeling.
De verordening zal voorlopig voor twee jaar gelden. Verlenging ervan zal afhankelijk zijn van de mate waarin de landen in de regio effectieve macro-economische hervormingen doorvoeren en onderling samenwerken. Thans komt reeds ca. 80% van de producten uit de Balkan (m.u.v. de FRJ) rechtenvrij de EU binnen. Door de hierboven genoemde aanpassingen zal dit percentage stijgen naar 95%. De EU zal weinig nadeel ondervinden van de aangekondigde eenzijdige liberalisering. Slechts 0,6 % van de totale EU-importen komen uit de regio. De voordelen voor de landen in de regio zijn evident: de liberalisering heeft namelijk vooral betrekking op sectoren waarin zij een comparatief voordeel hebben. Doelstelling van de verordening is ook om de preferenties die de EU toekent aan de regio transparanter te maken. Met de verordening wordt het handelsbeleid van de EU t.a.v. de landen in de regio gestandaardiseerd Rechtsbasis van het voorstel: Art. 133 EG
Subsidiariteit, proportionaliteit, deregulering: Positief. De exclusieve bevoegdheid voor handelspolitieke maatregelen als de onderhavige berust bij de EG. Bedoelde handelspreferenties kunnen alleen in comunautair kader worden verleend. Nederlandse belangen:
Reconstructie en stabilisatie in de Balkan is een der topprioriteiten in het Nederlandse Buitenlandse Beleid. Door de EU markt maximaal te openen voor producten uit de regio wordt economische ontwikkeling gestimuleerd. Europa voor de Balkan open ligt. Aid en Trade horen hand in hand te gaan.
Nederland pleit voor een snelle aanname van deze Verordening, mede ook in het licht van rapporten Patten/Solan (reeds door twee Europese Raden omarmd) dat EU-beleid in de Balkan daadkrachtiger en met meer `dash' dient te worden gevoerd. Nog voor de Balkan-top in Kroatië moet de Verordening zijn afgerond. Dan heeft de EU een concreet politiek gebaar.
Het is nu geen zaak voor lidstaten om op de bres te gaan staan voor allerlei commerciële deelbelangen (met name in de landbouwsector). De politieke opdracht van de ER van Lissabon, daarna bekrachtigd door de ER van Feira, is daarvoor te luid en duidelijk. Bovendien: van de totale EU-importen van landbouwproducten komt nog geen 0,2 procent uit de Balkan. Consequenties voor nationale regelgeving/beleid cq decentrale overheden (betrokkenheid IPO/VNG): N.v.t. Rol EP in de besluitvormingsprocedure: raadplegingsprocedure

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie