Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Kamervragen OvdA over rapport commissie Bakker

Datum nieuwsfeit: 18-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Vragen van de PvdA-fractie 18 september 2000 PvdA

OVER HET RAPPORT 'VERTREKPUNT DEN HAAG' VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE BESLUITVORMING UITZENDINGEN (VRAGEN AAN DE REGERING)

Woordvoerder: Bert Koenders

Deelt de regering de opvatting van voormalig minister van Defensie Voorhoeve dat geen tijdige, adequate waarschuwingen zijn ontvangen over de aanval op Srebrenica en de enclave? (blz. 182).

Heeft het Kabinet gesproken met fractiewoordvoerders m.b.t. een eventueel parlementair onderzoek c.q. enquête naar de val van Srebrenica en wat waren daarbij de exacte overwegingen? Op welke wijze is dit in de Ministerraad aan de orde geweest? (blz. 208).

Waarom is de Tweede Kamer niet ingelicht over het feit dat op 19 januari 1999 serieus is overwogen de OVKM terug te trekken? (blz. 341).

In de NAVO-raad van 3 april 1999 pleitte de PV NAVO, ambassadeur Biegman, om "all out" te gaan bij de luchtacties, verkondigde hij hiermee het standpunt van de Nederlandse regering? (blz. 363).

Waarom is tijdens het plenaire debat van 7 april 1999 en tijdens het vertrouwelijke overleg van 13 april niet gemeld dat de militaire autoriteiten van de NAVO een studie verrichtten naar mogelijke grondopties? (blz. 365).

Op welke wijze interpreteerde de Regering kritische opmerking van de

regeringsfunctie m.b.t. eventuele defensiebezuinigingen? (blz. 390).

Op welke wijze zou UNFICYP kunnen bijdragen aan de Nederlandse kandidatuur voor de Veiligheidsraad? (blz. 390).

Vond het ministerie van Buitenlandse Zaken inderdaad dat Nederland een imagoprobleem had bij de VN? (blz. 390).

Hoe beoordeelt de regering nu de motieven m.b.t. een uitzending naar UNFICYP? (blz. 390).

Op welke wijze wordt de (relatieve) bijdrage van Nederland aan Allied Force vastgesteld en uitonderhandeld met de Bondgenoten? (blz. 391).

In hoeverre speelde de geloofwaardigheid van de NAVO een rol en wat betekende dit precies in dit verband? (blz. 391).

Deelt de regering de conclusies van de TCBU dat Nederland op eigen initiatief deelname aan NKVM en de Extraction Force toezegt om een zo klein mogelijke bijdrage aan de OVSE-Verificatie missie te kunnen verantwoorden. Wat moest de regering dan verantwoorden? (blz. 392).

In hoeverre was de wens van de KL om zich nadrukkelijk te presenteren een belangrijk motief bij de invulling van de Nederlandse bijdrage aan Allied Force? (blz. 392).

Hoe beoordeelt de regering de huidige procedures m.b.t. formele en informele sonderingen van de PVVN met DPKO en welke verbeteringen acht de regering daarbij noodzakelijk?

Hoe serieus is een informeel aanbod; wat betekent het eventueel terugkomen op een informeel aanbod voor prestige? (blz. 394).

Is bij ACTREQ al op één of andere wijze sprake van het ter beschikking stellen van troepen/materieel? (blz. 395).

Welke "zorgvuldige" afweging is door de regering gemaakt t.a.v. de UNAMIC/UNTAC-uitzending? (blz. 396).

Welke conclusies trekt de regering uit het relatieve succes van UNTAES ondanks het feit dat het hier een moeilijke omgeving betrof en geen grote landen meededen? (geen blz. nr.).

Hoe beoordeelt de Commissie het omgaan van de Nederlandse regering met betrekking tot Resolutie 1199, mede in het licht van het feit dat in elk land een andere invulling aan de juridische interpretatie wordt gegeven? (blz. 399).

Hoe beoordeelt de regering achteraf het gebrek aan discussie - ook in de Ministerraad - over UNAMIC? (blz. 400).

Hoe is de besluitvorming verlopen t.a.v. het aanbod gedaan door MP Lubbers naar het aanbod van een logistieke eenheid t.b.v. safe-areas zonder nadere vermelding van het kader van een vredesregering? (blz. 400).

Waarom dacht de Ministerraad van Januari 1994 dat schriftelijke verzekeringen voor luchtsteun belangrijk waren? Hoe zijn deze zaken schriftelijk vastgelegd? (blz. 400).

Op welke wijze koppelen de Minister-president de minister van Defensie en de beide vice-premiers terug naar de Ministerraad bij discussie over de moeilijke positie van het Nederlandse bataljon in Srebrenica en de internationalisering van de VN-aanwezigheid ter plekke? (blz. 401).

Op welke wijze is het "intelligence" probleem m.b.t. de motieven van het Bosnisch-Servische leger t.a.v. Srebrenica besproken in de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Algemene Zaken gedurende Juni 1995? (blz. 401).

Wat waren de punten van discussie tussen resp. de ministers van Defensie, Buitenlandse Zaken, Algemene Zaken en Ontwikkelingssamenwerking over aanwijzingen m.b.t. massale executies en hoe zijn deze aan de orde gesteld? (blz. 401).

Waarom is het besluit om te komen tot een Nederlandse bijdrage aan het Mine Action Centre niet in de Ministerraad aan de orde gesteld? (blz. 404).

Waarom nam de Ministerraad in februari het besluit tot deelname aan UNFICYP, op basis van welke motieven, en waarom besloot zij deze niet in een brief aan de Kamer te vermelden? (blz. 405).

Waarom wordt tussen oktober 1998 en januari 1999 in de Ministerraad nauwelijks aandacht besteed aan Kosovo? (blz. 405).

Waarom neemt de Minister-president het initiatief tot formalisering van het Interdepartementale Overleg voor Kosovo en hoe evalueert het Kabinet dit mede met het oog op de toekomst? (blz. 407).

Waarom is het besluit om deel te nemen aan Allied Harbour in Albanië niet in de Ministerraad genomen? (blz. 407).

Waarom licht de minister van Defensie de Kamer in Juli 1993 niet in over het feit dat de KL geen logistieke eenheid bijeen kon brengen? Hoe beoordeelt het Kabinet deze informatie voorziening? (blz. 409).

Wat is de reden voor het niet vermelden van de taak in de safe-areas in de brief aan de Kamer van november 1993? (blz. 410).

Waarom heeft de Nederlandse regering het verzoek van de VS van december 1995 afgewezen om Lead Nation van UNTAES te worden en waarom werd dit niet aan de Tweede Kamer gemeld? (blz. 413)

Acht de regering de beantwoording van kamervragen over een mogelijke uitzending van Nederlandse militairen naar Cyprus verhullend, onvolledig of onjuist? (blz. 415).

Heeft er ooit een informele polsing plaatsgevonden voor een Nederlandse bijdrage aan een eventuele grondoptie (offensief) in het beginstadium van een discussie over een militair antwoord op de situatie in Kosovo? (blz. 417).

Waarom heeft het ministerie van Defensie bezwaren tegen het uitzenden van een brief aan de regering over de te verwachten uitvaardiging van ACTREQ? (blz. 417).

Waarom is de Kamer in het vertrouwelijke AO van april 1999 niet op de hoogte gesteld van het feit dat de doelen uit de oorspronkelijke fase 3 worden aangevallen met nationale middelen uit de VS en VK en dat NL niet weet welke doelen dit betreft? (blz. 420).

Kan de regering kort met redenen omkleden waarom aan 87 verzoeken van de VN voor deelname aan vredesoperaties geen of slechts gedeeltelijk gevolg is gegeven? (blz. 423).

Hoe beoordeelt de regering de beschrijving van het brokkelige proces van besluitvorming bij de uitzending van het LMB naar Bosnië? (blz. 427).

Hebben de ambtenaren van Buitenlandse Zaken werk gemaakt van de instructie van de minister van Buitenlandse Zaken m.b.t. de ontplooiing van SFOR (blz. 427)?

Deelt de regering dat t.a.v. UNFICYP in feite geleurd is met Nederlandse troepen? Waarom (niet)? (blz. 428).

Deelt de regering tevens de analyse dat de coördinatie tussen Buitenlandse Zaken en Defensie hier te kort is geschoten? (blz. 428).

Welke ministers zijn betrokken geweest bij het besluit van ACTREQ (blz. 429)

Welke adviezen gaf de Juridische dienst t.a.v. Resolutie 1199 en waarom is daarvan afgeweken? (blz. 429).

Wat waren de verschillen tussen de minister van Buitenlandse Zaken en de Minister- President voor de bombardementspauze? (blz. 431).

Waarom heeft Nederland niet, net als de Noordse landen, ervoor gekozen met de VN dat zij zelf bepalen waar hun eenheden worden geregeld? (blz. 438).

Welke pogingen heeft Nederland gedaan om lid te worden van de Contactgroep en hoe "hard" is dat ingezet? (blz. 438).

Welke contacten en invloedsmogelijkheden heeft de Nederlandse regering gezocht bij Generaal Smith en zijn staf toen het ging om de terugkeker van Dutchbat 3, de positie en bescherming van de vluchtelingen en de berichten over genocide? Welke ministers waren daar op welk moment bij betrokken? (blz. 438).

Wat is de reden dat de minister van Buitenlandse Zaken de veiligheid van de OVSE-verificateurs in Kosovo niet heeft besproken met zijn Amerikaanse collega, terwijl dit wel aan de Kamer was toegezegd? (blz. 441).

Met welke leden van de Contactgroep wordt op welk moment bilateraal gesproken over de politieke onderhandelingen na Racak? (blz. 441).

Vindt de regering dat bij risicovolle operaties altijd Amerikaanse participatie is gewenst? Gold dit voor UNTAES ook? (blz. 447).

Waarom is er geen evaluatie gemaakt van de Nederlandse bijdrage aan UNPROFOR? Is de Nederlandse regering bereid deze alsnog te maken? (blz. 452).

Hoe evalueert het Kabinet de nieuwe rol van de CDS als leider van alle crisisbeheersings-, vredes- en humanitaire operaties? (blz. 451).

Hoe verklaart de regering dat het Toetsingskader zo beperkt wordt gebruikt bij de ministeries en hoe denkt zij dit te verbeteren? (blz. 467).

Hoe beoordeelt het Kabinet de Analyse van de TCBU m.b.t. verschillen tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en dat van Defensie over "restrictieve interpretaties" van het toetsingskader? (blz. 468).

Wanneer is volgens de regering het toetsingskader van belang gezien de analyse van de TCBU? (blz. 475).

Deelt de regering de opvatting van de commissie dat het Toetsingskader ook had moeten worden toegepast bij de uitzending in het kader van UNTAES? (blz. 475).

Is de regering van mening dat het Toetsingskader inderdaad vooral wordt gezien als een middel om een initieel besluit over uitzending aan de Tweede Kamer te verantwoorden? (blz. 476).

Deelt de regering de visie van TCBU over het gebruik van het toetsingskader bij UNFICYP? (blz. 477).

Welke criteria worden gehanteerd bij de afweging om verschillende argumenten op basis waarvan de regering haar afweging heeft gemaakt wel of niet aan de Kamer door te geven? (blz. 483).

Wat is naar het oordeel van de regering het geëigende moment om de Tweede Kamer te informeren over (het voornemen) tot deelname aan een vredesoperatie? (blz. 484).

Heeft de Nederlandse regering in de weken na de val van Srebrenica nog significante vervolgacties ondernomen naar aanleiding van de signalen van mogelijke grootscheepse executies? (blz. 488).

Is de regering bereid de Kamer te informeren over verzoeken voor deelname aan vredesoperaties die de regering heeft afgewezen? (blz. 495).

Is de regering bereid om aan ambtenaren en militaire de ruimte te geven om gehoord te worden door de Tweede Kamer? (blz. 495).

Deelt de regering de opvatting van de commissie dat het Toetsingskader ook dient te worden toegepast op uitzending van militairen voor civiele missies en van burgerpersoneel voor internationale crisisbeheersingsoperaties? (blz. 497).

Vindt de regering dat het toetsingskader herschreven zou moeten worden volgens een nieuwe rubricering en in aanmerking genomen de "lessons-learned" tot 2000? (geen blz. nr.).

Welke analyse maakt de regering nu t.a.v. de kwaliteit t.a.v. de besluitvorming tot uitzending van een luchtmobiel bataljon naar Bosnië? Welke gebreken waren daarbij op welk moment te identificeren en met welke consequenties (geen blz. nr.).

Welke procedure dient volgens het Kabinet idealiter gevoegd te worden t.a.v. een ACTREQ inclusief informatieverstrekking aan de Kamer? (geen blz. nr.).

Welke bevindingen heeft de regering t.a.v. vredesoperaties? Acht de regering t.a.v. hiervan een evaluatie nodig? (geen blz. nr.)

Welke regels dient de regering te hanteren m.b.t. delegatie van besluitvorming aan de meest betrokken bewindslieden? Hoe evalueert de regering deze regels zoals gehanteerd bij de UNPROFOR/UNPF en de Operatie Allied Force? (geen blz. nr.).

Kan de regering per uitzending aangeven in hoeverre specifieke motieven c.q. belangen van krijgsmachtdelen een rol hebben gespeeld bij het politieke besluitvormingsproces (zoals beschreven door de TCBU in diverse gevallen)? (geen blz. nr.).

Welke maatregelen denkt de regering te nemen om het "in de etalageplaatsen" van krijgsmachtdelen te beperken? (geen blz. nr.).

Welke evaluatie maakt de regering daarbij van de rol van de CDS? (geen blz. nr.).

Kan de regering gedetailleerd en per paragraaf een oordeel geen over de Bevindingen en Aanbevelingen van de TCBU zoals integraal beschreven in Hoofdstuk 6? (geen blz. nr.).

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie