Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Vragen over de Visienota voedsel en groen

Datum nieuwsfeit: 19-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

vragen over de visienota voedsel en groen

Gemaakt: 19-9-2000 tijd: 13:40

14

27 232 Visienota Voedsel en Groen

nr.

Lijst van vragen .. ..........

vastgesteld

De vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de regering over de brief en bijlage van de minister en staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visser d.d. 10 juli 2000 (Tweede Kamer 2000-2001, 27232 nrs 1 en 2) inzake de visienota 'Voedsel en Groen'.

De regering heeft deze vragen beantwoord bij brief van .....

De vragen .. .......... zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Ter Veer

De griffier van de commissie,

Mattijssen

Hoe ziet de regering de relatie tussen de nota's `Natuur voor mensen, mensen voor natuur' en `Voedsel en Groen'?

Waarom is in de Nota de visserijsector buiten beschouwing gelaten?

In het persbericht dat bij het verschijnen van de nota «Voedsel en Groen» is uitgegeven, wordt verwezen naar de nota «Impuls voor Vernieuwing» van de Bestuursraad. Wordt deze nota ook aan de Kamer toegezonden? Wat is de status van deze nota?

De regering wil meer markt maar niet minder overheid. Hoe wordt voorkomen dat dit gepaard gaat met een te grote administratieve belasting van ondernemers?

Waarom is er in deze visienota geen aandacht voor de armoede op het platteland?

Kan de regering aangeven welke financiële middelen, welke tijdsfasering en welke prioriteiten horen bij de concrete voorstellen die de regering doet in de Nota Voedsel en Groen? (p. 2)

De nota geeft aan dat het agro-food complex moet worden beschouwd als een normale economische sector. Wat zijn de concrete bouwstenen om dit doel te bereiken. Kan de regering toelichten hoe zij deze ontwikkeling ziet? (p. 5)

Is het niet juist zo dat vanwege de bijzondere aspecten van het agro-foodcomplex er simpelweg sprake is van een bijzondere economische sector? (p. 5)

Wat is het oordeel van de regering over de sterke machtsconcentratie die de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden in de voedings- en genotmiddelenindustrie en in de detailhandel? Is het in uw ogen bijvoorbeeld nodig om de prijsvorming bij te sturen, met name waar het het geld betreft dat de boeren ontvangen voor hun producten? Deelt de regering de mening dat de primaire sector meer en meer een prijsnemer wordt? Zo ja, hoe beoordeelt de regering deze trend en wordt dit gezien als een knelpunt voor de primaire sector? (p. 6)

Hoe denkt de regering te komen tot een verdiscontering van milieu- en natuurinspanningen in de consumentenprijs? Zijn daarbij nieuwe, vergroenende systeeminnovaties, gericht op de 'value-pricing", in de keten niet noodzakelijk? Hoe denkt de regering het aangekondigde Innovatiefonds in dit kader in te zetten? (p. 6)

Kan de regering aangeven in welke mate de verwerkende sector nog afhankelijk is van de primaire sector in Nederland? Kan daarbij een uitsplitsing gemaakt worden naar afhankelijkheid van Nederlandse grondstoffen en het Nederlands aandeel (van de primaire sector) in de totale omzet (van de verwerkende sector)? (p. 6)

Kan de regering inzicht geven in de opbouw van prijzen zoals die door de consument wordt betaald? (p. 6)

Een steeds groter deel van de consumentenuitgaven voor landbouwprodukten en voedingsmiddelen komt ten goede aan andere dan de primaire producenten. Als oorzaken worden genoemd: extra diensten, veranderende consumptiegewoonten en veranderende kwaliteitseisen. Maar speelt de economische trend dat agrariërs steeds minder ontvangen voor dezelfde hoeveelheid produkt als gevolg van concurrentie, produktiviteitsstijgingen e.d. ook niet een belangrijke rol? Met andere woorden, welk deel van het teruglopend aandeel is het gevolg van verschuivingen in het aanbod, welk deel in de vraag? (p. 8)

Voor een sterkte/zwakte-analyse van de verschillende subsectoren worden de meest bepalende factoren genoemd. Hoe komt men tot juist deze opsomming? In hoeverre is de wens hier de vader van de gedachte? (p. 8)

De toegevoegde waarde per arbeidskracht is hoger dan het gemiddelde van de Europese Unie. Kan de regering aangeven hoe deze toegevoegde waarde in de agrarische sector zich verhoudt tot de toegevoegde waarde in andere sectoren van de Nederlandse economie? (p. 9)

Welke gevolgen hebben de verschillende economische perspectieven die voor de agrarische sectoren worden geschetst voor het overheidsbeleid ten aanzien van deze sectoren? (p. 10)

Op bladzijde 10 zijn de kosten en efficiëntie uiteen gezet van de diverse sectoren, hoe zijn deze berekend? Welke factoren zijn meegenomen in deze berekening? (p. 10)

Doordat het Nederlandse agro-foodcomplex zowel economische, ecologische als sociaal-culturele duurzaamheid moet nastreven, komt er ook een prijskaartje aan te hangen. Hoe ziet de regering deze ontwikkeling in het kader van het nastreven van een goede, internationale concurrentiepositie? (p.11)

De regering geeft aan dat de verantwoordelijkheid voor het investeren in de toekomst bij de sector zelf ligt. Waarom is dat niet de verantwoordelijkheid van de overheid gezien het feit dat ze wel zeer regulerend optreedt? Waarom ziet de regering hier geen grotere overheidstaak? (p. 12)

Waarop is de constatering gebaseerd dat er een hogere sturingsbehoefte van de samenleving vanuit burgers en politiek bestaat? (p. 13)

De samenleving spreekt de overheid steeds krachtiger aan op haar publieke verantwoordelijkheden. Is dit het gevolg van verhoogde aanspraken vanuit de samenleving op de overheid, of van toegenomen zorgen over de effectiviteit van het overheidsbeleid, bijvoorbeeld ten aanzien van voedselveiligheid? (p. 14)

Ziet de regering zich in de eerste en laatste plaats als behartiger van de belangen van de consument of zijn er nog meer belangen die worden behartigd, bijvoorbeeld die van de producent of de agro-sector? (p. 15)

Op welke punten wil de regering bevorderen dat het bedrijfsleven verder gaat ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen dan wettelijk is voorgeschreven? (p. 15)

Aan welk stimulerend beleid ten aanzien van het bedrijfsleven denkt de regering bij maatschappelijk verantwoord ondernemen? (p. 15)

Op welke terreinen staat de bestaande structuur van belangenbehartiging onder druk? (p.16)

Welke andere eisen stellen allochtone Nederlanders aan voedsel, anders dan dat zij een andere assortimentskeuze maken? (p. 17)

Hoe wil de regering voorkomen dat de productie van biologische producten achter blijft bij de vraag naar deze producten? Rechtvaardigt dit gegeven geen extra impuls voor de omschakeling? (p. 17)

In de nota wordt gesproken over de consument die steeds hogere eisen stelt aan productkwaliteit en productiewijze van voedsel. Wat zal de rol van de overheid hierin zijn, hoe denkt de overheid de kwaliteit en veiligheid van voedsel te kunnen garanderen c.q. sturen en wat zal de rol van het bedrijfsleven zijn in de voedselveiligheidskwestie? (p.17 en 18)

De nota spreekt over verduurzamen van de landbouw door middel van biologische landbouw. Tot op heden is biologische landbouw een «niche market» gebleken. Stimuleren van duurzame landbouw heeft ook prioriteit, omdat hier meer vraag naar zal zijn. Een goed middel hierbij is certificeren. Kan de regering aangeven wat het traject is met betrekking tot certificering? (p. 17 en 23)

Het ondernemersklimaat moet onder andere door fiscaal beleid prikkelend zijn. Kan de regering aangeven hoe dit prikkelende beleid zich gaat ontwikkelen? Thans gaan veel ondernemers binnen het agro-foodcomplex nog gebukt onder zware administratieve lastendruk (niet prikkelend), hoe denkt de regering de lastendruk te verlagen en zo een prikkelender klimaat voor de ondernemers te creëren? (p.19)

Een belangrijk sanctiemiddel bij het ketencontrolesysteem ten aanzien van voedselveiligheid is - naast garanties vooraf - het bestraffen achteraf. Welke sanctiemiddelen staan de overheid ter beschikking en werkt de hoogte van de boetes voldoende preventief? (p. 20)

Hoe wil de regering er concreet voor zorgen dat Nederland een koploper wordt bij de vroege detectie van dierziekten? Bij welke dienst of organisatie wilt u deze verantwoordelijkheid neerleggen? Maakt de regering hier ook extra budget voor vrij? Zo ja, hoeveel en waar wordt dit extra budget specifiek voor ingezet? (p. 20)

Hoe hangt het voornemen om te komen tot de vorming van één nationaal voedselcontrolebureau samen met het voornemen om te komen tot de oprichting van een Europees controlebureau (EVA)? (p. 20)

Wil de regering de ruimte voor voedingsmiddelen met een gezondheidsclaim verruimen of slechts duidelijker vastleggen wanneer een gezondheidsclaim mag worden gebruikt zonder inhoudelijk wijziging in de huidige situatie aan te brengen? (p. 21)

Wanneer staat vast dat de consument voldoende inzicht kan krijgen in de herkomst, productiewijze en andere belangrijke productinformatie? Welke informatie is hiervoor ten minste nodig en op welke wijze moet dit worden gepresenteerd? (p. 21)

De regering geeft in de nota aan dat binnen bepaalde door de overheid te stellen randvoorwaarden, de consument een zo groot mogelijke keuzevrijheid moet hebben bij het samenstellen van zijn voedingspakket. Hoe wil de regering deze keuzevrijheid waarborgen? Hoe kijkt de regering in dit verband aan tegen het garanderen van het in stand houden van gescheiden voedselketens en tegen het specifiek bestemmen van bepaalde zones in Nederland waar geen ggo's verbouwd mogen worden? (p. 21)

Aangegeven wordt dat burgers aan de ene kant hoge eisen stellen aan voedsel en aan de andere kant als consument niet bereid zijn dit in hun koopgedrag tot uitdrukking te brengen. Welke mogelijkheden ziet de regering om de keuze van de consument positief te beïnvloeden? (p. 21)

De regering stelt op pagina 21 twee dilemma's. Hoe de regering het tweede dilemma denkt op te lossen wordt echter niet vermeld. Kan nader worden toegelicht hoe consumenten wel hogere eisen stellen, maar dit niet tot uiting brengen in hun koopgedrag? (p. 21)

De regering geeft aan aansluiting te willen zoeken bij de voorhoede die de meest veeleisende marktsegmenten tracht te bedienen. Dit past ook goed bij het voornemen van de overheid om de Nederlandse agrosector vooral op kennis en innovatie gericht te laten zijn. Wat stelt de regering zich in dit verband concreet voor bij `aansluiting zoeken'? (p. 21/22)

Waarom denkt de regering pas in laatste instantie aan het verplicht stellen van weidegang? Is een juridische vastlegging niet de gemakkelijkste weg? Is de regering in het geval van marktwerking niet bang voor een wildgroei aan soorten melk, elk met een eigen prijskaartje, om een bepaalde doelstelling in de landbouw te realiseren? (p. 22)

In de nota wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar grondgebonden landbouw, maar hoe wil de regering deze voorkeur daadwerkelijk vormgeven gezien de voordelen voor de niet-grondgebonden landbouw (kostprijsontwikkelingen, grondprijzen, milieuvoorschriften en toekomstverwachtingen)? Hoe wil de regering tegenwicht geven aan de te verwachten voordelen in de toekomst voor de niet-grondgebonden landbouw? Heeft de regering bijvoorbeeld specifieke stimuleringsmaatregelen voor de grondgebonden landbouw in gedachten? (p. 22)

Kunnen criteria worden gegeven voor het bepalen van het al of niet falen van de werking van de markt ten aanzien van dierenwelzijnsverbeteringen die liggen boven het Europese niveau? Temeer daar wordt geconstateerd dat `burgers vaak hogere eisen aan de productie lijken te stellen dan dat zij bereid zijn in hun koopgedrag tot uitdrukking te brengen'. Wanneer is aanvullende regelgeving geboden? (p. 23)

Zal het "plan van aanpak biologische landbouw' voor de begrotingsbehandeling LNV aan de Kamer zijn voorgelegd? Zijn de doelstellingen van dit plan ook al doorgevoerd in de begroting LNV 2001? (p. 23)

Heeft de regering kennis genomen van het door de Stichting In Natura ontwikkelde beoordelingssysteem voor groene prestaties; het systeem van duurzame ondernemerspunten (DOP)? Hoe beoordeelt u dit initiatief? Denkt u dat dit initiatief vervlochten kan worden met de Duurzame Ondernemers Aftrek (DOA)? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet? (p. 23)

Wil de regering zich inzetten voor een koploperpositie van Nederland binnen de EU waar het gaat om maatregelen ten aanzien van dierenwelzijn, zonder dat dit "extra's" in de markt tot stand komt? Zo ja, aan wat voor maatregelen denkt u dan? (p. 23)

Nederland wil een hoog basisniveau van dierenwelzijn realiseren. De `plus' dierenwelzijnsverbeteringen boven het niveau van de Europese regels moet zoveel mogelijk via de markt tot stand komen. Hoe ziet de regering dat voor zich in een internationale (globale) markt? (p. 23)

Wat houdt het volledig rekening houden met het Verdrag van Amsterdam inzake dierenwelzijn in? (p. 24)

Wanneer kan de Kamer de notitie over dierenwelzijnsbeleid verwachten? (p. 24)

Wat wordt bedoeld met het `opstellen van een strategische agenda voor een maatschappelijk debat over ethiek binnen het agro-food-complex'. Met wie gaat dit debat gevoerd worden, wanneer en op welke wijze? Welke invloed hebben de uitkomsten van dit debat? En wat zijn op dit moment de opvattingen van de regering over de plaats van ethiek in het agro-food complex? (p. 24)

De nota spreekt uitgebreid over: «de landbouw als beheerder van landschap, ruimte en natuur», versterking van de groene kwaliteiten worden als een groot maatschappelijk belang beschouwd. Hoe wordt uitvoering aan dit streven gegeven, een duidelijk instrumentarium wordt niet weergegeven. Hoe ziet de regering haar katalysatorfunctie in dit proces? (p. 24)

Wanneer zal de regering de strategische agenda opstellen? (p. 24)

Waar de samenleving wensen heeft die verder gaan dan de goede landbouwpraktijk en er geen markt blijkt voor financiering van deze wensen, zal de overheid publieke middelen inzetten om deze doelen te bereiken. Kan dit concreet worden gemaakt? Kan de regering deze toezegging hard maken? (p. 24)

Het aanwijzen van een gebied tot cultureel waardevol gebied leidt niet direct tot functiewijziging en tot een directe ruimteclaim. Indirect kan het wel leiden tot een zwaardere claim op andere gebieden, bijvoorbeeld doordat de meer marktgeoriënteerde landbouw uit het cultureel waardevolle gebied zich wil laten uitplaatsen. Welke indirecte effecten verwacht de regering als gevolg van de ambitie om 400.000 ha op te knappen? (p. 25)

Hebben de ontwikkelingen die `het einde inluiden van de agro-sector zoals we die nu kennen, en het begin van het ontstaan van nieuwe economische clusters' ook gevolgen voor de wijze waarop de agro-sector vanuit het ministerie van LNV wordt aangestuurd? Zo ja welke? (p. 27)

Hoe schat de regering de kosten voor de consument van functionele voeding in? Acht u de vrees gegrond dat de zogeheten "personal diets" straks alleen beschikbaar zullen zijn voor rijkere mensen? (p. 28)

Spoort hetgeen op bladzijde 27 tot en met 29 staat over biotechnologie met hetgeen staat in de nog te verwachten nota biotechnologie van de regering? Wanneer kan de Tweede Kamer de Interdepartementale Beleidsnota biotechnologie verwachten? Is het geen onzorgvuldige gang van zaken dat ministeries nu apart naar buiten treden op het onderwerp biotechnologie, terwijl er nog geen coherente regeringsvisie beschikbaar is? (p. 27-29 en p. 33)

De regering gaat sterk in op de kansen die biotechnologie zou bieden, maar welke aanwijzingen zijn er dat de sector inderdaad inzet op bepaalde toepassingen? Kan de regering een overzicht geven van doorbraken in de biotechnologie die daadwerkelijk verwezenlijkt zijn en wat er met die doorbraken bereikt is? (p. 28)

Kan de regering aangeven wat in haar visie belangrijke terreinen zijn waarop biotechnologie zou moeten inzetten? Ziet de regering op deze terreinen ook andere mogelijkheden (anders dan biotechnologie) om het gewenste doel te bereiken? Zo ja, welke? (p. 28)

Hoeveel geld is er beschikbaar voor het Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agro-cluster? En hoeveel voor het Innovatiefonds? Welke bijdrage verwacht de regering vanuit het bedrijfsleven (private middelen)? (p. 30)

Waarom worden nu al verschuivingen vanuit het Stimuleringskader aangekondigd terwijl het Stimuleringskader nog niet is geëvalueerd? (p. 31)

Acht de regering onderzoek ten behoeve van biologische landbouw ook van strategisch belang voor het agro-foodcomplex, in dezelfde orde van grootte als biotechnologie en informatietechnologie? Zo nee, waarom niet? (p. 31)

Is de regering bereid om 10% van de gelden voor kennis en innovatie te reserveren voor biologische landbouw? Zo nee, waarom niet? (p. 31)

Is de regering bereid om een apart kennis- en innovatiespoor op te zetten voor de combinatie van landbouw en andere maatschappelijke functies als natuur, landschap, recreatie, water en zorg? (p. 31)

Hoe verhoudt zich het voornemen om het kennis- en innovatiespoor voor een belangrijk deel in te zetten voor biotechnologie met de ook door de regering uitgesproken wens te komen tot duurzame landbouw? Is een onderdeel van duurzame landbouw niet het terugdringen van de afhankelijkheid van bestrijdingsmiddelen? (p. 31)

Via welke sporen, anders dan het agro-innovatiefonds, zal de stimulering van maatschappelijk gewenste investeringen moeten verlopen? Denkt de regering dat het voornemen om het Stimuleringskader deels op te laten gaan in het agro-innovatiefonds en deels via andere sporen, de aanhoudende onderuitputting van het Stimuleringskader zal oplossen? Wat wil de regering met de voorgestelde herschikking bereiken? (p. 31)

In de nota wordt gesproken over een innovatiefonds dat de landbouw gaat ondersteunen. Kan de regering nader uitleggen hoe dit fonds er uit gaat zien? Waar worden de middelen voor het fonds geworven? Is het fonds wel toereikend gezien de ambities van de regering? (p. 31)

De overheid gaat investeren in `maatschappelijke appreciatie' van biotechnologie. Gaat de overheid een publiciteitsoffensief opzetten? Of probeert zij toch de voor- en nadelen evenwichtig uit te dragen naar de samenleving? (p. 31)

Wat is de visie van de regering op de toetreding van de Oost-Europese landen tot de EU en welk beleid staat u voor opdat er ook in de toetredende landen een gezonde (zowel economisch als ecologisch) landbouw kan bestaan? Bent u bereid een aparte visie omtrent dit onderwerp aan de Kamer te doen komen, opdat er een goede basis ligt voor de discussie met het parlement over de toetreding van genoemde landen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze nota tegemoet zien? Kunt u daarbij aangeven wat de door u gewenste ontwikkeling van landbouw en platteland in genoemde landen is, en daarbij rekenschap geven aan de geopolitieke overwegingen en de gevolgen voor het EU-landbouwbeleid en
-budget? (p. 35-37).

Werkt een verdere liberalisering in WTO-verband geen massale uittocht van boeren in de hand? (p. 35)

Staat liberalisering met lagere prijzen niet haaks op duurzame landbouw en een eerlijke prijs voor een eerlijk product? (p. 37)

Waaruit blijkt dat de regering het voorzorgsprincipe ernstig neemt, wanneer we zien dat Nederland bepaalde genetisch gemanipuleerde gewassen toe wil staan terwijl bijvoorbeeld uitkruising niet kan worden voorkomen? (p. 38)

Welke acties onderneemt de regering om daadwerkelijk te komen tot een eerdere aanpassing van de EU-besluitvorming van Berlijn in 1999 (agenda 2000)? (p. 39)

Hoe denkt de regering te komen tot een versnelde aanpassing van het EU-landbouwbeleid? Van welke lidstaten verwacht u steun voor uw voornemen? (p. 39)

Waarom wil de regering snellere hervorming van verschillende sectoren uit het landbouwbeleid? (p. 39)

Is de regering bereid zich in te zetten voor een duurzaam EU-visserijbeleid, waarbij er ook aandacht is voor de activiteiten van EU-vissers in Afrikaanse wateren? Vindt u het een gewenste trend dat Europese vissers in toenemende mate uitwijken naar andere wateren? Bent u bereid de EU-visserijakkoorden met landen als Senegal en Mauretanië kritisch onder de loep te nemen en u daarbij rekenschap te geven van de gevolgen voor de visstand en de lokale visserij? (p. 40)

Hoe ziet de agenda er uit voor het overleg met het bedrijfsleven over de eventuele noodzaak van vervangende inkomensmechanismen? (p. 40)

Is de regering van mening dat in bepaalde ontwikkelingslanden, waar de opbouw van nieuwe instituties achterblijft, liberalisatie en afbraak van oude instituties afgeremd moet worden? Zo ja, is de regering bereid deze "liberalisering op maat" actief te propageren in WereldBank en IMF verband? Zo nee, waarom niet? (p. 42)

Tot welke taakverdeling is besloten tussen de Europese Commissie en de lidstaten aangaande de verdieping van de beleidsdialoog met ontwikkelingslanden over landbouw en plattelandsontwikkeling? Is de regering bereid te proberen een dergelijke dialoog ook aan te gaan met landen die niet op de landenlijst voor bilaterale samenwerking met Nederland staan, of met landen die wel op die lijst staan maar andere sectoren hebben gekozen? Maar drie Afrikaanse landen hebben gekozen voor de sector landbouw of plattelandsontwikkeling, vindt u dit een gemiste kans? Denkt u dat er voor Afrika bijsturing nodig is? Zo ja, hoe wilt u dat doen? Zo nee, waarom niet? (p. 42)

Welke concrete indicaties heeft de regering dat zowel de primaire sector als de coöperaties in toenemende mate moeite hebben met het aantrekken van risicodragend eigen vermogen? (p. 43)

Is de regering van mening dat de CAO tuinbouw in verhouding te lage beloningen biedt en dat de lonen dus omhoog moeten («de beloning is niet concurrerend»)? (p.44)

De regering stelt dat er in het agro-foodcomplex een grote veelzijdigheid aan functies is, maar is er voor een werknemer ook voldoende mogelijkheid om door te groeien van de ene naar de andere functie? Hoe groot is met andere woorden de arbeidsmobiliteit binnen het agro-foodcomplex? (p. 45)

Brengt de toenemende vermindering van de landbouwgrond de Nederlandse agrosector in een oneerlijke concurrentiepositie? Leidt een te sterke vermindering tot een veel te hoge grondprijsdruk? (p. 47)

Is er sprake van een knelpunt ten aanzien van de beschikbaarheid van arbeid voor de biologische sector? Is er wellicht aanvullend beleid nodig om te voorkomen dat de groei van de biologische sector geremd wordt door een tekort aan arbeidskrachten, aangezien het hier meer arbeidsintensieve teelten betreft? (p. 48)

Welke aspecten, anders dan de verkeers- en vervoersaspecten, laat de regering meewegen bij de besluitvorming rondom vestigingslocaties voor de glastuinbouw? Hoe verhouden deze aspecten zich tot elkaar? Welke aspecten worden gezien als absolute voorwaarde en welke alleen als een pre? (p. 51)

Kan de regering een schatting maken van de extra kosten gemoeid met het opzetten van een goed monitoringsysteem voor voedselveiligheid? Wat moet een dergelijk systeem monitoren? Op welke termijn wilt u een verbeterd monitoringsysteem gerealiseerd hebben? Wordt de opzet en het onderhouden van een dergelijk systeem een overheidstaak of wordt dit overgedragen aan een andere organisatie of instantie? Zo ja welke? (p. 53)

Hoeveel geld wil de regering inruimen binnen HGIS voor de programma's ten behoeve van toetredende EU-landen? Betreft het hier een extra toevoeging aan HGIS of een verschuiving? Indien het laatste het geval is, ten koste van welke post wordt de verschuiving dan gerealiseerd? (p. 53)

Hoeveel geld wil de regering inruimen binnen HGIS voor de programma's ten behoeve van ontwikkelingslanden opdat zij beter kunnen deelnemen aan de wereldmarkt? Betreft het hier een extra toevoeging aan HGIS of een verschuiving? Indien het laatste het geval is, ten koste van welke post wordt de verschuiving dan gerealiseerd? (p. 53)

Hoe denkt de regering de boeren die een boereninkomen hebben onder de armoedegrens (40 procent volgens het LEI) toekomstperspectief te geven? (p. 56)

Waarom kiest de regering niet voor productiebeheersing en beperking in EU-verband om het boereninkomen te verbeteren? (p.56)

De regering geeft aan dat het scheiden en gescheiden houden van grondstofstromen (gmo en niet-gmo) door de hele keten heen hoog op de agenda moet blijven staan. Wat doet de regering concreet om deze scheiding van de grond tot de mond te garanderen? (p. 59)

Na toetreding van de landen uit Midden- en Oost-Europa worden afspraken over consumentenwensen moeilijker. Nederland praat dan met een groep gelijkgezinde EU-landen verder. Als dat niet lukt, kan een situatie ontstaan waarin vanuit de Nederlandse situatie extra eisen gesteld moeten worden, maar pas nadat een nationale discussie heeft plaatsgevonden. Wat wordt er verstaan onder «nationale discussie»? Moet er bijvoorbeeld overeenstemming zijn tussen Dierenbescherming en LTO? Is de Tweede Kamer hier ook bij betrokken? (p. 62)

Hoe denkt de regering de bloeiende landschappen, die in de visienota geschetst worden, tot stand te brengen?

Op welke wijze en met welk standpunt zal Nederland deelnemen aan een congres over verpaupering van het platteland dat door Frankrijk in oktober voor de bij de EU aangesloten landen wordt georganiseerd?

Is de mission statement van het ministerie van LNV nog steeds dezelfde na het verschijnen van de nota «Voedsel en Groen»? Zo nee, hoe luidt deze dan nu?

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie