Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Sociale Nota 2001: investeren in vergroting arbeidsaanbod

Datum nieuwsfeit: 19-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid Directie Voorlichting,
Bibliotheek en Documentatie

Persvoorlichting

Nr. 2000/155
15 september 2000
Embargo:
19 september 2000
tot 15.15 uur Postbus 90801
2509 LV Den Haag
Anna van Hannoverstraat 4
Telefoon 070 - 333 44 33
Telefax 070 - 333 40 30

Samenvatting Sociale Nota en begroting 2001

De werkloosheid is de laatste vijf jaar gehalveerd en daalt in 2001 tot 3 procent. Steeds meer mensen vinden een baan, ook zij die langdurig van een uitkering afhankelijk waren. Hoewel werkgevers steeds moeilijker aan personeel kunnen komen, lukt het nog veel mensen niet om aan het werk te komen dan wel te blijven. Het kabinet wil met de sociale partners werken aan een nieuwe agenda voor de toekomst. Belangrijk onderdeel daarvan is het vergroten en versterken van het arbeidsaanbod. De aandacht moet vooral uitgaan naar uitkeringsgerechtigden, arbeidsongeschikten, allochtonen, ouderen en vrouwen.

Dit schrijven minister Vermeend, staatssecretaris Verstand en staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de Sociale Nota 2001, die tegelijk met de begroting van het ministerie is verschenen.

Het kabinet wil samen met sociale partners investeren in scholing, arbeidsomstandigheden, kinderopvangvoorzieningen en verlofregelingen. Voor mensen met een uitkering wordt het financieel aantrekkelijker gemaakt te gaan werken. Om uitval uit het arbeidsproces tegen te gaan en een snelle terugkeer naar werk te bevorderen, wordt de aanpak van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid in een hogere versnelling gebracht.

Werkgelegenheid en arbeidsmarkt

De werkgelegenheid is tussen 1997 en 1999 flink gegroeid, met jaarlijks gemiddeld ruim 3 procent. Dit jaar komen er naar verwachting 165.000 banen bij en in 2001 150.000, een groei van respectievelijk 2¼ en 2 procent. De werkloosheid is sterk gedaald, van 8 procent midden jaren negentig tot 4 procent vorig jaar. Het CPB voorziet een verdere daling van de werkloze beroepsbevolking tot 3 procent (230.000 mensen) in 2001. De langdurige werkloosheid is gemiddeld sterker gedaald dan de kortdurende werkloosheid. De verhouding tussen het aantal uitkeringsgerechtigden en het aantal werkenden (de i/a-ratio) ontwikkelt zich gunstig. De i/a-ratio is gedaald van 82 in 1990 tot 67½ in 1999. Voor 2001 wordt een verdere daling verwacht tot 64¾.

De werkgelegenheidsgroei in de afgelopen jaren is mede mogelijk geweest door een beheerste loonkostenontwikkeling. Volgens de bewindspersonen moet voorkomen worden dat een te sterke stijging van de loonkosten een rem zet op deze gunstige ontwikkeling. Een beheerste loonkostenontwikkeling is verder van belang, omdat de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere eurolanden sinds enkele jaren verslechtert. Vanaf 1996 zijn de loonkosten per eenheid product in Nederland 11 procent sterker gestegen dan in Duitsland.

Doordat de werkgelegenheid al enige jaren sneller groeit dan het arbeidsaanbod, is de arbeidsmarkt krapper geworden. Een groot aantal vacatures blijft daardoor onvervuld. In 1999 stonden gemiddeld bijna 170.000 vacatures open. Zo'n 50 procent daarvan was moeilijk vervulbaar. De personeelsknelpunten doen zich met name voor in de horeca, bouw, zakelijke dienstverlening, de zorg en het onderwijs. Werkgevers hebben vooral moeite met het vervullen van vacatures voor personeel met een beroeps- dan wel hogere opleiding.

Aan de onderkant van de arbeidsmarkt doet zich een specifiek probleem voor. Er zijn meer werkloze laagopgeleiden dan vacatures voor laaggeschoolden, maar toch is ook een deel van die vacatures moeilijk vervulbaar.

Volgens de bewindspersonen biedt de groei van de werkgelegenheid juist nu kansen om meer mensen aan het werk te krijgen. Extra investeren in scholing voor werknemers en werkzoekenden biedt mogelijkheden om personeelsknelpunten op te lossen. Het kabinet werkt samen met de sociale partners aan de uitvoering van de `employability-agenda' en het actieplan `In goede banen'. Het behalen van een startkwalificatie (een opleiding die gelijk staat aan MBO-niveau-2 ofwel `aankomend vakman/vrouw') door werknemers en werkzoekenden krijgt prioriteit. Het kabinet overweegt - bij wijze van proef - werknemers zonder startkwalificatie een individuele leerrekening te geven, een spaarrekening waarmee zij scholing kunnen inkopen. Ook worden de mogelijkheden voor scholing met behoud van WW- of bijstandsuitkering verruimd.

Om scholing van laagopgeleide werknemers te stimuleren wordt de bestaande scholingsaftrek voor scholing tot het niveau van een startkwalificatie verhoogd met 20 procent.

Werklozen die er naar verwachting niet in slagen op eigen kracht een baan te vinden, krijgen binnen een jaar een aanbod voor scholing of werk. Deze zogeheten sluitende aanpak zal voor nieuwe werklozen in 2001 voor een groot deel worden gerealiseerd. In 2001 is hiervoor 308 miljoen gulden extra beschikbaar, waarmee aan ruim 40.000 extra werklozen een aanbod kan worden gedaan. Ook wordt toegewerkt naar een sluitende aanpak voor het huidige bestand werklozen.

Werkloze jongeren, mensen die langer dan een jaar werkloos zijn en mensen die zijn aangewezen op werk onder aangepaste omstandigheden kunnen in aanmerking komen voor gesubsidieerd werk. In 2001 zullen er naar verwachting 55.000 in- en doorstroombanen worden gerealiseerd, 6.500 werkervaringsplaatsen en ruim 48.000 dienstbetrekkingen op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW). Daarnaast ongeveer 2.350 banen in de schoonmaaksector (Schoonmaakregeling particulieren) en ruim 89.000 banen op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). De wachtlijst voor de WSW was eind 1999 afgenomen van 16.000 tot 9.000. In 2001 zullen 1160 extra plaatsen in de sociale werkvoorziening worden gecreëerd.

Bij gesubsidieerde arbeid wordt gewerkt aan meer doorstroming naar een niet-gesubsidieerde baan. De gemeenten mogen vanaf 2000 het niet bestede budget voor WIW-dienstbetrekkingen het jaar daarop gebruiken voor scholing en activering. Ook de aanpak van de armoedeval (zie inkomensbeleid) kan ertoe bijdragen dat meer mensen niet-gesubsidieerd werk krijgen.

De bewindspersonen streven ernaar de arbeidsdeelname van ouderen de komende decennia met ¾ procent per jaar te verhogen, zodat in 2030 de helft van het aantal mensen tussen 55 en 65 minstens 12 uur per week werkt. In 1999 had ongeveer 31 procent van de ouderen een betaalde baan van minstens 12 uur per week. Samen met de sociale partners werken de bewindspersonen aan leeftijdsbewust personeelsbeleid en verbetering van de prikkels in pensioenregelingen. Zo wordt op termijn de fiscale ondersteuning van vervroegde uittredingsregelingen afgeschaft. VUT-regelingen worden omgezet in flexibele pensioneringsregelingen, waarvoor mensen individueel betalen. Daarnaast moet het mogelijk worden een stap terug te doen in de loopbaan, zonder dat dit grote negatieve gevolgen heeft voor pensioenrechten. Om werkgevers te stimuleren ouderen in dienst te nemen wordt de regeling afdrachtvermindering langdurig werklozen per 1 januari 2001 verruimd voor ouderen. Werkgevers krijgen dan een korting op de afdracht van loonbelasting en premies als zij een werkloze in dienst nemen die 50 jaar of ouder is en niet meer verdient dan 150 procent van het minimumloon (voor mensen onder de 50 jaar is de grens 130 procent van het minimumloon). Ook geldt voor ouderen niet de huidige eis van een minimale werkloosheidsduur. Daarnaast heeft het kabinet voorgesteld werkgevers die een werknemer van 57,5 jaar of ouder ontslaan een gedeeltelijk eigen risico te laten dragen voor de WW-lasten.

De werkloosheid onder etnische minderheden moet eind 2002 tot 10 procent zijn gedaald. Om dit te bereiken is er voor de jaren 2000 tot en met 2002 in totaal 135 miljoen gulden extra beschikbaar gesteld. Dit voorjaar is met het midden- en kleinbedrijf afgesproken 20.000 etnische minderheden aan een baan te helpen. Ook zijn met 14 grote bedrijven afspraken gemaakt over banen voor etnische minderheden. In het voorjaarsoverleg is overeengekomen deze afspraken op termijn uit te breiden naar 100 grote bedrijven. Er komt een projectorganisatie om de bureaucratische drempels voor uitvoerders te slechten. De Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden wordt met twee jaar verlengd tot eind 2003. De stimuleringsprojecten voor Arubaanse, Antilliaanse, Turkse en Marokkaanse jongeren worden voortgezet. Daarnaast wordt bekeken of deze succesvolle aanpak ook gebruikt kan worden voor bijvoorbeeld Joegoslavische jongeren. Verder kunnen gemeenten zogenoemde `job-intermediairs' aanstellen om asielzoekers beter te begeleiden naar werk. In 2001 gaat het om begeleiding van ongeveer 4700 asielzoekers.

Gezien de veranderde situatie op de arbeidsmarkt, wordt het arbeidsmarktbeleid doorgelicht. Een interdepartementale werkgroep zal de doeltreffendheid en de doelmatigheid onderzoeken van alle maatregelen gericht op reïntegratie in hun onderlinge samenhang.

Arbeidsverhoudingen

Maatschappelijke en technologische veranderingen vergen voortdurende aanpassingen van het arbeidsbestel. Informatie- en communicatietechnologie (ICT), individualisering en flexibilisering leiden tot andere wensen, behoeften en gedrag van werkgevers en werknemers. Deze ontwikkelingen brengen zowel kansen als risico's voor werknemers met zich mee. Kansen waar het gaat om meer maatwerk in arbeidsvoorwaarden en -tijden en meer mogelijkheden voor persoonlijke ontplooiing en het combineren van arbeid en zorg. Risico's waar het gaat om stijgende werkdruk

Het overlegmodel blijft voor alle partijen - overheid, werkgevers en werknemers - een belangrijk middel om te werken aan een nieuwe agenda van de toekomst en daarin ook te investeren. Naast de kwaliteit van de economische structuur zal de kwaliteit van de arbeid naar het oordeel van de bewindspersonen de agenda van het overleg de komende jaren moeten domineren. Verder achten de bewindspersonen flexibilisering en meer maatwerk van arbeidsvoorwaarden van groot belang. Met meer maatwerk in arbeidspatronen, arbeidsduur en werktijden kunnen belangen van werkgevers (zoals ten aanzien van de bedrijfstijd) en van werknemers (combinatie van werk en privé) beter op elkaar worden afgestemd.

De gemiddelde contractloonstijging voor 2000 ligt met 3,4 procent hoger dan de stijging in 1999 (2,9 procent), maar blijft onder de maximale looneis van de vakbonden. De gemiddelde jaarlijkse contractloonstijging is sinds 1998 beperkt. Toch achten de bewindspersonen behoedzaamheid op zijn plaats, mede in het belang van versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland.

Flexibele beloning kan volgens de bewindspersonen bijdragen aan een verantwoorde loonkostenontwikkeling. Flexibele beloning kan op diverse niveaus worden toegekend: voor alle werknemers in een bedrijfstak (bijvoorbeeld eenmalige uitkeringen), voor de werknemers van een onderneming (winstdeling), of voor bepaalde groepen werknemers respectievelijk individuele werknemers (prestatiebeloning). Eenmalige uitkeringen voor alle werknemers in een bedrijfstak of onderneming komen geregeld voor in CAO's. Afspraken over winstdelingsregelingen en prestatiebeloning zijn nog lang geen gemeengoed. De toepassing van winstdelingsregelingen in Nederland blijft (ver) achter bij andere landen. Nagegaan zal worden op welke wijze de overheid de ontwikkeling naar meer flexibele beloningsvormen kan ondersteunen.

Om de arbeidsdeelname van vrouwen te vergroten en de deelname van mannen aan zorg te bevorderen, worden maatregelen genomen die het gemakkelijker moeten maken arbeid en zorg te combineren. Voorwaarde voor het kunnen combineren van arbeid en zorg is de beschikbaarheid van voorzieningen als deeltijdarbeid, verlofvormen en kinderopvang. Regelingen over betaling tijdens verlof komen in CAO's nog weinig voor. Zo staat in 10 procent van de CAO's een afspraak over betaald zorgverlof en in 5 procent een afspraak over betaald ouderschapsverlof.

Om betaald ouderschapsverlof te stimuleren, komt er een fiscale tegemoetkoming voor werkgevers die hun werknemers betaald ouderschapsverlof geven.

In het Wetsvoorstel arbeid en zorg (eind juni bij de Tweede Kamer ingediend) worden bestaande verlofregelingen gebundeld en op elkaar afgestemd, en nieuwe verlofvormen geïntroduceerd, zoals het recht op betaald zorgverlof voor maximaal 10 dagen per jaar waarbij het loon voor 70 procent wordt doorbetaald. Andere nieuwe verlofvormen zijn een recht op drie weken betaald adoptieverlof voor elke adoptieouder en een recht op tweedaags betaald kraamverlof. Het ouderschapsverlof wordt geflexibiliseerd.

Met de Wet aanpassing arbeidsduur, die op 1 juli 2000 in werking is getreden, hebben werknemers recht gekregen op aanpassing (zowel verkorting als verlenging) van de arbeidsduur.

Het totaal aantal kinderopvangplaatsen voor uitkeringsgerechtigden (bijstand, WW en WAO) wordt in 2001 uitgebreid naar 7.950 plaatsen, waarop zo'n 16.000 kinderen terecht kunnen.

Voor bijstandsgerechtigden is de kinderopvangregeling met ingang van 2000 uitgebreid. Ook minderjarige alleenstaande ouders en alleenstaande ouders die deelnemen aan activiteiten in het kader van sociale activering komen ervoor in aanmerking. Hiervoor is 31 miljoen gulden per jaar extra beschikbaar gesteld, waarmee 1600 extra volledige kinderopvangplaatsen kunnen worden gerealiseerd.

Voor WW-ers en WAO-ers komt er een kinderopvangregeling. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) krijgt de mogelijkheid kinderopvangplaatsen te financieren. Een wetsvoorstel hiervoor is onlangs ingediend. Jaarlijks kan het Lisv dan maximaal 3000 keer een kinderopvangplaats aan een uitkeringsgerechtigde toekennen.

In een onlangs naar de Tweede Kamer gestuurde hoofdlijnennotitie voor de Wet basisvoorziening kinderopvang (WBK) wordt een nieuw financieringsstelsel voor de kinderopvang voorgesteld, waarbij gekozen wordt voor een systeem van vraagfinanciering in plaats van aanbodfinanciering. Het huidige onderscheid tussen subsidieplaatsen, bedrijfsplaatsen en particuliere plaatsen vervalt. Ouders betalen een inkomensafhankelijke bijdrage, de overheid vult deze aan tot tweederde van de totale kosten. Sluitstuk is een vaste bijdrage van werkgevers ter hoogte van eenderde van de kosten. De WBK wordt in de loop van 2001 ingediend en treedt naar verwachting in 2003 in werking.

Problemen met het combineren van arbeid en zorg leiden tot stress en een overgereguleerd bestaan. Om de `leefdruk' van mensen te verminderen, is voor deze kabinetsperiode 60 miljoen gulden uitgetrokken voor experimenten met een andere dagindeling. In 1999 en de eerste helft van 2000 zijn 260 subsidieaanvragen ingediend. Inmiddels zijn 104 goedgekeurde experimenten van start gegaan. Verwacht wordt dat er na de vierde en laatste tranche subsidieaanvragen circa 125 experimenten operationeel zullen zijn.

Voor de aanpak van de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen wordt een toets ontwikkeld, waarmee functiewaarderingssystemen op sekseneutraliteit kunnen worden doorgelicht. Door periodiek onderzoek zullen de ontwikkelingen ten aanzien van beloningsverschillen op de voet worden gevolgd. Daarnaast wordt er een plan van aanpak opgesteld voor gelijke behandeling van allochtonen en het voorkomen van discriminatie. Het onderzoek naar beloningsverschillen tussen allochtonen en autochtonen wordt verbreed.

Het kabinet zal dit najaar een standpunt innemen over de evaluatie van de Algemene wet gelijke behandeling. Onderdeel van de evaluatie is een onderzoek naar de mogelijkheden om de regels voor gelijke behandeling te stroomlijnen en te verduidelijken. Om leeftijdsdiscriminatie bij werving en selectie bij de arbeid tegen te gaan, is een wetsvoorstel ingediend. Een wetsvoorstel voor gelijke behandeling van mensen met een handicap of chronische ziekte is in voorbereiding. Voor de bestrijding van discriminatie en ongelijkheid op de arbeidsmarkt is voor de periode tot en met 2006 door de Europese Unie 440 miljoen gulden voor Nederland beschikbaar gesteld. Nederland wil dit geld inzetten voor onder meer verbetering van de arbeidsmarktpositie van herintredende vrouwen, langdurig werklozen, arbeidsgehandicapten, etnische minderheden, zelfstandigen en voor het wegnemen van belemmeringen voor vrouwen om door te stromen naar hogere functies (het zogenoemde glazen plafond).

Arbeidsomstandigheden

Goede arbeidsomstandigheden dragen bij aan beperking van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en zijn voor bedrijven ook van belang voor het aantrekken en behouden van personeel.

Bedrijven zetten zich in toenemende mate in om de arbeidsomstandigheden op de werkvloer te verbeteren. Vooral grote bedrijven beschikken veelal over een contract met een arbodienst en een risico-inventarisatie en -evaluatie. Kleine bedrijven blijven op dit punt nog achter. Van de bedrijven met 2 tot en met 9 werknemers was 7 procent in 1999 nog niet aangesloten bij een arbodienst.

Ook de betekenis van CAO's voor arbeidsomstandigheden groeit. Van 1997 op 1998 steeg het aantal CAO's met afspraken over werkdruk van 27 naar 43, waarmee ruim 40 procent van de werknemers wordt bereikt.

Het percentage werknemers dat melding maakt van regelmatig werken onder tijdsdruk is gestegen. De afgelopen jaren nam dit percentage steeds met 1 procentpunt toe, tot 33 procent in 1998 (dit is ruim 2 miljoen werknemers). In 1999 is dit percentage gelijk gebleven. Ook bij zelfstandigen steeg de werkdruk, tot 29 procent in 1999. Bijna een kwart van de werkenden zegt als gevolg van werkdruk lichamelijke of psychische klachten te hebben gehad. Werkdruk speelt ook een rol bij het ontstaan van RSI. Ongeveer 4 procent van de instroom in de WAO werd in 1999 veroorzaakt door RSI als gevolg van werk. Van de werknemers die met psychische klachten in de WAO zijn terechtgekomen zegt 40 procent dat de uitval is veroorzaakt door het werk, door werkdruk of, vaker nog, door conflicten op het werk. Dit is ongeveer 18 procent van de totale WAO-instroom.

De Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid, onder leiding van mr. J.P.H. Donner, werkt aan afspraken tussen alle betrokken partijen over afstemming en samenwerking bij de aanpak van verzuim vanwege psychische klachten. De bedoeling is dat deze afspraken eind 2000 hun beslag krijgen. Daarna zal de Commissie toezien op de implementatie van de gemaakte afspraken.

Per 1 september waren 6 arboconvenanten afgesloten en zijn 23 intentieverklaringen ondertekend om te komen tot een arboconvenant. Circa 2,2 miljoen werknemers vallen onder het bereik van de gesloten convenanten en intentieverklaringen.

In een arboconvenant maken overheid, werkgevers en werknemers concrete, zo mogelijk kwantitatieve afspraken over het verminderen van een of meer arbeidsrisico's, zoals bijvoorbeeld werkdruk of lichamelijke belasting. Ook worden afspraken gemaakt over mogelijkheden voor een snelle terugkeer naar werk in het eerste ziektejaar. Het streven is om in deze kabinetsperiode 20 arboconvenanten te sluiten. Daarbovenop hebben 15 bedrijfstakken zich zelf aangemeld als kandidaat voor het sluiten van een arboconvenant. Gelet op de noodzakelijke aanloopperiode zijn de meeste convenanten in 2001 en 2002 te verwachten. De doelstellingen van de inmiddels gesloten convenanten lopen sterk uiteen. De convenanten in de thuiszorg en de kinderopvang bevatten tilnormen om de lichamelijke belasting te verminderen. Het convenant in de horeca heeft vermindering van de werkdruk met tien procent als doelstelling. In het onderwijs zijn twee deelconvenanten afgesloten over vroegtijdige reïntegratie.

Het beroep op de zogeheten FARBO-regeling was in 1999 twee keer zo hoog als aanvankelijk was verwacht. Met de FARBO-regeling kunnen bedrijven bepaalde arbovriendelijke bedrijfsmiddelen willekeurig fiscaal afschrijven. In totaal zijn investeringen voor een bedrag van 175 miljoen gulden toegekend. Voor organisaties in de non-profitsector zal met ingang van 1 januari 2001 een vergelijkbare tegemoetkoming gelden. De huidige Arbolijst van de FARBO-regeling zal daartoe worden uitgebreid met arbovriendelijke bedrijfsmiddelen voor de non-profitsector.

Met de inwerkingtreding van de nieuwe Arbowet op 1 november 1999 heeft de Arbeidsinspectie een nieuw instrument bij het handhaven van de wettelijke regels: de bestuurlijke boete. Uitgangspunt hierbij is de `lik-op-stuk'-benadering: bedrijven waarbij een ernstige overtreding wordt geconstateerd, kunnen direct een boete krijgen. In de eerste zes maanden na inwerkingtreding van de nieuwe wet is bij 1580 overtredingen een bestuurlijke boete opgelegd. Er zijn relatief veel bestuurlijke boeten aangezegd in de bouw. Dat hangt samen met de omvang van de bedrijfstak, de risico's en de extra inspectie-inzet in deze sector. Begin 2001 verschijnt een tussentijdse evaluatie van de bestuurlijke boete.

Het aantal arbodiensten is door fusies en overnames sinds 1995 met een kwart gedaald tot 148 eind 1998 en tot ruim 100 in 2000. Tegelijkertijd is de omzet met de helft toegenomen tot 1,4 miljard gulden in 1998. De sector maakte in 1998 voor het eerst een winst van 3 procent. De omzet van arbodiensten komt neer op circa 200 gulden per verzorgde werknemer per jaar. Kleine bedrijven melden gemiddeld 179 gulden per werknemer uit te geven, voor grote bedrijven is dit 255 gulden. De werkgeverskosten voor arbodienstenverlening zijn maar een fractie van de loonsom, en aanzienlijk minder dan de kosten voor de verzuimverzekering en loondoorbetaling bij ziekte. Het kabinet heeft de sociale partners in de Stichting van de Arbeid gevraagd die verhouding nog eens te bekijken. Mede door de stijging van de verzekeringspremies voor ziekteverzuimverzekeringen zouden werkgevers geprikkeld moeten worden meer te investeren in arbobeleid, bijvoorbeeld door meer inkoop van arbodienstverlening. In de nu beschikbare cijfers (tot en met 1998) is dat echter nog niet terug te vinden.

Arbodiensten werken in toenemende mate samen met anderen, zoals reïntegratiebedrijven, uitzend- en detacheringsbureaus, fysio- en psychotherapeuten en arbeidsbemiddelaars. Ook wordt samengewerkt met bepaalde branches en in sommige gevallen wordt een mantelcontract met een branche gesloten. Dit kan vooral voordelig zijn voor kleine bedrijven. Arbodiensten vinden het voor de kwaliteit van de dienstverlening belangrijk dat de bedrijfsarts oog heeft voor niet-medische aspecten en andere deskundigheden en, indien nodig, tijdig doorverwijst.

Diverse partijen op het gebied van arbodienstverlening werken aan verbetering van de eigen expertise en een betere samenwerking. De ministeries van SZW en VWS stimuleren dit onder meer met subsidies: beide stellen elk ruim 5 miljoen gulden per jaar beschikbaar. Er zijn bijvoorbeeld vier landelijke kenniscentra voor arbeidsrelevante aandoeningen opgericht. Verder zijn onder meer zes regionale projecten voor de samenwerking tussen huisarts en bedrijfsarts opgezet, is een kennisuitwisseling over RSI totstandgekomen en is het Programma klachten bewegingsapparaat gestart, dat werkt aan projecten gericht op preventie, begeleiding en reïntegratie.

Sociale zekerheid

De ontwikkelingen in de sociale zekerheid laten een gemengd beeld zien. Het aantal WW-ers en bijstandsgerechtigden daalt terwijl het aantal WAO-ers toeneemt. Per saldo is het beeld gunstig: de verwachting is dat er in 2002 154.000 uitkeringsgerechtigden minder zijn dan in het Regeerakkoord was geraamd.

Image1.gif (4091 bytes)

Sinds 1997 is er weer sprake van een sterke groei van het aantal arbeidsongeschikten. Verwacht wordt dat er in 2000 gemiddeld 912.000 mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering zijn. Naar verwachting zal dit aantal de komende jaren nog oplopen, tot zo'n 947.000 in 2002. In eerdere ramingen was al rekening gehouden met een toename van het aantal arbeidsongeschikten vanwege de groei van de beroepsbevolking, de vergrijzing en de toestroom van vrouwen op de arbeidsmarkt. De stijging van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid blijkt echter nog sterker dan verwacht. Het ziekteverzuim (exclusief zwangerschap) is gestegen van 4,6 procent in 1997 naar 5,4 procent in 1999. Dit hangt in sterke mate samen met de krapte op de arbeidsmarkt. Die leidt ertoe dat de werkdruk toeneemt, meer mensen met een hoger gezondheidsrisico gaan werken en werknemers vrijblijvender omgaan met ziekteverzuim. Daarnaast neemt de beroepsbevolking, dus ook het aantal verzekerden, sterker toe dan verwacht.

Het aantal aanvragen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering neemt toe. In 1998 waren er naar schatting 110.000 aanvragen. In 1999 waren dat er bijna 140.000. Voor 2000 wordt rekening gehouden met ruim 166.000 aanvragen. Het aantal aanvragen dat wordt toegekend neemt echter af. Zo blijken veel mensen al hersteld te zijn voordat de keuring plaatsvindt (in 1998 en 1999 bij 18 procent van de aanvragen). Verder worden naar verhouding meer uitkeringsaanvragen afgewezen. In 1998 werd circa 21 procent afgewezen, in 1999 23 procent en in het eerste kwartaal van 2000 bijna 25 procent. Ook wordt vaker een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend in plaats van een volledige uitkering. In 1998 en 1999 werd nog in 67 procent van de gevallen een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend; in het eerste kwartaal van 2000 was dit 62 procent. Nieuwe arbeidsongeschikten zijn steeds vaker afkomstig uit de jongere leeftijds- en lagere inkomenscategorieën. Als gevolg van een en ander daalt de prijs van een uitkeringsjaar WAO. Deze effecten zijn zo aanzienlijk dat de tegenvallende ontwikkeling van het aantal WAO-ers niet leidt tot verhoging van de uitkeringslasten ten opzichte van het regeerakkoord.

Ondanks de groei van het aantal uitkeringen blijft het aantal arbeidsongeschikten als percentage van de beroepsbevolking stabiel, rond de 12,2 procent.

De instroom in de WAO bestaat voor 56 procent uit vrouwen, waarvan een derde jonger is dan 35 jaar. Dit terwijl vrouwen nog geen 40 procent van de werkzame beroepsbevolking uitmaken. Dat vrouwen eerder dan mannen in de WAO terechtkomen doordat zij dubbel belast worden (werk en de zorg voor het gezin), kan niet worden aangetoond. Een andere verklaring is het verschil in arbeidsmarktpositie tussen mannen en vrouwen. Vrouwen werken vaak in sectoren met een hoog arbeidsongeschiktheidsrisico, zoals de zorg. Verder blijken ze gemiddeld een lagere functie te hebben, tegen een lager salaris te werken en vaker te werken op basis van een flexcontract. Er wordt nog onderzocht of vrouwen en hun omgeving, zoals werkgevers, arbodiensten en het thuisfront, anders omgaan met ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid dan mannen en hun omgeving. Ook wordt onderzocht of er verschillen bestaan in belastbaarheid van mannen en vrouwen.

Uit een brancheprestatievergelijking, die later dit jaar naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, blijkt dat 10 van de in totaal 66 sectoren verantwoordelijk zijn voor 86 procent van de groei van het aantal uitkeringen in 1999. De zorg en de uitzendsector veroorzaken de grootste WAO-toename: samen zijn zij goed voor 51 procent van de groei van het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. In de uitzendsector, waar steeds meer gebruik wordt gemaakt van langdurig werklozen, was het arbeidsongeschiktheidsrisico in 1999 1,44 keer zo groot als het gemiddelde van alle andere sectoren. De sector met het grootste WAO-risico (meer dan twee keer zoveel als gemiddeld) is de `horeca-catering', oftewel de contractcatering.

De wettelijke arbeidsongeschiktheidsregelingen worden veelal aangevuld door bovenwettelijke regelingen, zoals een aanvulling op het ziekengeld, een aanvulling op de WAO-uitkering of de verzekering van het zogeheten WAO-hiaat. In dit bovenwettelijke circuit gaat in totaal circa 8,3 miljard gulden per jaar om. Dat is 28 procent van de wettelijke WAO- en loondoorbetalingslasten. Daardoor krijgt een werknemer vaak pas na twee jaar ziekte en arbeidsongeschiktheid te maken met een inkomensachteruitgang.

De huidige arbeidsmarkt biedt mogelijkheden om arbeidsgehandicapten weer aan het werk te helpen. In de recente Voortgangsnota arbeidsongeschiktheidsregelingen staan een groot aantal maatregelen om de toename van het aantal arbeidsongeschikten een halt toe te roepen. Hoofdlijnen van het beleid zijn: eerder ingrijpen in het eerste ziektejaar, verbetering van de WAO-keuringen en meer aandacht voor preventie.

Om zo snel mogelijk in het eerste ziektejaar te kunnen ingrijpen wordt de ziekmelding aan de uitvoeringsinstelling vervroegd van 13 naar 6 weken, worden de voorlopige en definitieve reïntegratieplannen afgeschaft en vervangen door een geprotocolleerd verantwoordingsverslag van de reïntegratie-activiteiten en worden de sancties voor werkgevers én werknemers versterkt. Het kabinet trekt hiervoor jaarlijks 20 miljoen gulden uit. Verder is tot en met 2002 50 miljoen gulden per jaar extra beschikbaar gesteld om de WAO-keuringen te verbeteren en om de achterstanden in te lopen. De belangrijkste standaarden voor de keuring zijn in juli 2000 wettelijk vastgelegd. Het Lisv ontwikkelt een nieuwe systematiek voor de keuring van mensen met psychische klachten, die eind dit jaar in gebruik zal zijn. Verder wordt een systeem ontwikkeld waarbij de onderlinge resultaten van de uitvoeringsinstellingen beter met elkaar kunnen worden vergeleken en op elkaar afgestemd, zodat een meer uniforme aanpak mogelijk wordt. Daarmee wordt tevens de basis gelegd voor de wijze waarop het toekomstige Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen gestalte zal geven aan de WAO-keuringen.

Om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid zoveel mogelijk te voorkomen, worden met een groot aantal sectoren arboconvenanten afgesloten om de arbeidsomstandigheden te verbeteren. Verder wordt 120 miljoen gulden ter beschikking gesteld voor de sectoren zorg, overheid en onderwijs met als doel een intensievere aanpak van preventie, verzuimbegeleiding en vroegtijdige reïntegratie. Tenslotte zal voor de overheids- en gesubsidieerde sector vóór 2001 een analyse worden gemaakt van de beperkte werking van de financiële prikkels in deze sectoren om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid te voorkomen.

Daarnaast moet de nieuwe uitvoeringsstructuur in de sociale zekerheid gaan leiden tot een betere en snellere activering van (uitkeringsgerechtigde) werkzoekenden. Een vermindering van het aantal uitvoeringsorganen moet leiden tot een duidelijker verdeling van verantwoordelijkheden, kwalitatief betere keuringen en een grotere efficiëntie. Het (weer) aan het werk helpen van mensen wordt in de nieuwe structuur uitbesteed aan private reïntegratiebedrijven. Op grote schaal vindt nu al openbare aanbesteding plaats. Onderlinge concurrentie moet leiden tot betere resultaten. De kabinetsplannen voor de nieuwe Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (SUWI) worden momenteel uitgewerkt in concrete wetsvoorstellen.

De zorgelijke ontwikkeling van het aantal WAO-uitkeringen geldt niet voor de WW en de bijstand. Daar is juist sprake van een sterke daling van het aantal uitkeringen, ook ten opzichte van de ramingen uit het Regeerakkoord.

In 1999 waren er 489.000 bijstandsgerechtigden (inclusief IOAW en IOAZ). Voor 2000 wordt een aantal verwacht van 456.000 en voor 2001 442.000. Het doel voor de komende jaren is de uitvoering van de Bijstandswet effectiever en efficiënter te maken. De bewindspersonen willen met de Vereniging Nederlandse Gemeenten komen tot concrete, bestuurlijke afspraken over bevordering van de uitstroom, het beperken van de armoedeval en de bestrijding van fraude.

Gemeenten moeten een beter inzicht krijgen in de individuele situatie van bijstandsgerechtigden om activering op maat te kunnen bieden. Begin juli is een wetsvoorstel ingediend om bijstandsgerechtigden die deelnemen aan sociale activeringsactiviteiten tijdelijk te ontheffen van de sollicitatieplicht. Daarnaast werkt het kabinet aan maatregelen voor meer ondersteuning en activering van alleenstaande ouders.

Verder wordt de effectiviteit van de uitvoering vergroot door invoering van het Fonds Werk en Inkomen (FWI) met ingang van 2001, als de Eerste Kamer daarmee instemt. Hierdoor wordt de financiële verantwoordelijkheid van gemeenten voor de uitkeringslasten van onder andere de Bijstandswet vergroot, evenals de vrijheid bij het inzetten van het geld voor reïntegratie. De bewindspersonen hebben 7 miljoen gulden beschikbaar gesteld voor de bouw van een systeem waarmee de prestaties van gemeenten met elkaar vergeleken kunnen worden, zodat zij van elkaar kunnen leren.

Een belangrijk hulpmiddel voor gemeenten is het Inlichtingenbureau, dat gemeenten helpt bij het verzamelen en vergelijken van gegevens van bijstandsgerechtigden, zodat sneller kan worden nagegaan of er sprake is van misbruik. In 2001 zal het Inlichtingenbureau worden gerealiseerd.

Ook het aantal WW-uitkeringen is meer gedaald dan verwacht. In 1999 hadden 235.000 mensen een WW-uitkering, in 2000 wordt dat aantal geschat op 211.000 en voor 2001 wordt een verdere afname verwacht, naar 199.000. Oorzaak is de sterke groei van de werkgelegenheid. De instroom in de WW is gedaald van circa 600.000 midden jaren negentig tot 300.000 in 1999. Het aandeel van langdurig werklozen in het WW-bestand is sinds 1987 gaandeweg gestegen. Met de Wet experimenten WW is de mogelijkheid tot stand gebracht om op experimentele basis aan moeilijk plaatsbare werklozen reïntegratiemogelijken aan te bieden. Onlangs zijn twee experimenten van start gegaan: een experiment om werklozen eerst drie maanden op proef te laten werken met behoud van uitkering en een experiment waarbij werklozen die een baan accepteren met een lager loon dan hun uitkering een aanvulling krijgen op het loon. In de loop van 2001 starten nog twee experimenten die het voor WW-gerechtigden gemakkelijker moeten maken zelfstandig ondernemer te worden.

Een nieuwe maatregel zowel met betrekking tot de WW als de WAO is de vervanging van het zogeheten fictief arbeidsverleden door het feitelijk arbeidsverleden als maatstaf voor de toe te kennen uitkering. Een wetsvoorstel waarin dit wordt geregeld is in voorbereiding. De totstandkoming van een voldoende betrouwbare verzekerdenadministratie maakt het mogelijk het arbeidsverleden meer aan de hand van feitelijk gewerkte perioden vast te stellen. Tot nu toe werd dit alleen gedaan over de 5 jaar voorafgaand aan de werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Voor de jaren daarvoor werd een fictief arbeidsverleden gehanteerd omdat voldoende gegevens ontbraken. De bedoeling is om nu het arbeidsverleden vanaf 1995 feitelijk vast te stellen. Het feitelijk arbeidsverleden wordt daarmee ieder jaar met één jaar verlengd, en het fictieve arbeidsverleden wordt navenant verkort. Per saldo leidt de maatregel tot een besparing.

Inkomensbeleid

Mensen die de overstap maken van een uitkering naar een baan, gaan er doorgaans bruto in inkomen op vooruit. Als zij er netto niet of nauwelijks op vooruit gaan, doordat zij minder recht hebben op inkomensafhankelijke regelingen, is er sprake van een armoedeval. Uit een internationale vergelijking blijkt dat het probleem van de armoedeval in Nederland relatief groot is. In vrijwel geen ander land komt het voor dat iemand die er bruto in inkomen op vooruitgaat netto minder overhoudt. Dat komt doordat in Nederland de uitkeringen relatief hoog zijn, het verschil tussen uitkering en minimumloon relatief klein is en er een groot aantal inkomensafhankelijke regelingen bestaat. Vermindering van de armoedeval biedt mogelijkheden om de arbeidsdeelname van laagopgeleiden te vergroten. Het kabinet stelt een meerjarige aanpak van de armoedeval voor. De arbeidskorting (een korting op de belasting voor mensen met een baan) in het nieuwe belastingplan wordt verhoogd. Daarnaast worden de koopkrachttoeslagen in de huursubsidie afgeschaft. Verder krijgen mensen die vanuit een uitkering of een WIW-dienstbetrekking doorstromen naar een baan een belastingvrije premie. Het gaat om een eenmalige premie van in totaal 4000 gulden die wordt verstrekt in vier termijnen van 1000 gulden, respectievelijk een half jaar, een jaar, anderhalf jaar en twee jaar na aanvaarding van de baan.

Verder overleggen de bewindspersonen met de gemeenten, omdat ook zij in hun inkomensondersteunende regelingen rekening houden met het effect van de armoedeval.

Ongeveer 20 procent van de 65-plussers heeft geen aanvullend pensioen. Van de alleenstaande vrouwen heeft een kwart geen aanvullend pensioen en van de bejaarden ouder dan 76 jaar ruim de helft. Het aantal mensen met een klein aanvullend pensioen is de afgelopen jaren fors gedaald en het aantal mensen met een aanvullend pensioen van 30.000 gulden of meer is gestegen. Het gemiddeld inkomen van ouderen uit AOW en aanvullend pensioen ligt in 2000 gemiddeld 64 procent hoger dan het sociaal minimum. De stijging van het gemiddelde inkomen van ouderen wordt onder meer veroorzaakt doordat nieuwe gepensioneerden meer pensioen hebben opgebouwd dan vorige generaties en doordat de bestaande pensioenen verbeteren door aanpassing aan de loonontwikkeling. De verwachting is dat het aantal huishoudens zonder aanvullend pensioen in 2015 gedaald zal zijn tot 14 procent. Ook zal het aantal mensen met een hoog aanvullend pensioen fors toenemen. Het gemiddelde pensioen zal volgens verwachting in 2015 verder stijgen en dan 85 procent boven het sociaal minimum liggen. Ondanks de stijging van de aanvullende pensioenen blijft de AOW een belangrijk bestanddeel van het inkomen van gepensioneerden. Voor ouderen met een laag inkomen bestaat in 2015 93 procent van het inkomen uit AOW, voor ouderen met een hoog inkomen maakt de AOW 40 procent van het inkomen uit.

Steeds meer pensioenfondsen schakelen over op het middelloonstelsel, waarbij de hoogte van het pensioen wordt afgeleid van het gemiddeld verdiende loon in iemands carrière. Het aantal deelnemers aan een middelloonregeling is toegenomen van 23 procent in 1995 tot 32 procent in 1999. Naar verwachting leidt dit in de toekomst tot een lichte verhoging van het aanvullend pensioen, omdat de opbrengsten van de invoering van een dergelijk stelsel vaak worden gebruikt om het opbouwpercentage te verhogen. Verder verlaagt een toenemend aantal pensioenfondsen de franchise (het drempelbedrag in het loon waarover geen pensioen wordt opgebouwd). Vooral tweeverdieners en mensen met een laag pensioen profiteren hiervan.

De gemiddelde koopkrachtontwikkeling voor 2001 is gunstig. Een belangrijk kenmerk is dat in 2001 op individueel niveau de afwijkingen van de gemiddelde koopkrachtontwikkeling groot zijn. Dit hangt samen met het nieuwe belastingplan.

Een van de doelen van het nieuwe belastingstelsel is om werken aantrekkelijker te maken. De belastingtarieven worden verlaagd en het arbeidskostenforfait wordt omgezet in een arbeidskorting. Deze omzetting levert voor iemand die werkt tegen het minimumloon ruim 800 gulden op. Verder worden er een kinderkorting en een combinatiekorting ingevoerd. De kinderkorting bedraagt 84 gulden per jaar voor gezinnen met kinderen tot 12 jaar en een belastbaar gezinsinkomen van maximaal 120.000 gulden. Gezinnen met een inkomen van minder dan 60.000 gulden krijgen een aanvullende kinderkorting van nogmaals 84 gulden. Werkenden met kinderen onder de 12, die minstens 8700 gulden per jaar verdienen, krijgen een combinatiekorting van 229 gulden per jaar. Als beide ouders werken en ieder meer dan 8700 gulden per jaar verdient bedraagt de combinatiekorting 458 gulden.

Verder wordt in het nieuwe belastingstelsel het aantal aftrekposten verminderd. De renteaftrek voor consumptief krediet wordt afgeschaft en de lijfrenteaftrek en de werkelijke kostenaftrek worden beperkt. Deze maatregelen hebben een negatief effect op de koopkracht. Het gemiddelde inkomenseffect van deze maatregelen is meegenomen in de koopkrachtcijfers. Het werkelijke effect op het inkomen hangt echter onder meer af van de mate waarin voorheen van de aftrekmogelijkheden werd geprofiteerd. Bij de koopkrachtcijfers gaat het dan ook om een raming van het besteedbare inkomen van een groep mensen, die niet van toepassing is op individuele huishoudens. Door de invoering van het nieuwe belastingstelsel kunnen de individuele verschillen in 2001 groter zijn dan andere jaren.

De koopkrachtontwikkeling (in procenten) voor 2001 wordt als volgt geraamd:

Image2.gif (4302 bytes)

Internationale vergelijking arbeidsongeschiktheidsregelingen

Nederland heeft internationaal gezien een relatief groot aantal arbeidsongeschikten, maar als gekeken wordt naar de verhouding tussen het totaal aantal inactieven en het aantal werkenden (i/a-ratio) in verschillende landen, dan neemt Nederland een gunstige positie in. In Nederland worden sociale uitkeringen vooral uit hoofde van arbeidsongeschiktheid uitgekeerd, in België zijn het vooral werkloosheidsuitkeringen, in Groot-Brittannië en Denemarken vooral bijstandsuitkeringen en in Frankrijk pensioen- en VUT-uitkeringen. Als gekeken wordt naar de uitgaven aan sociale uitkeringen neemt Nederland een middenpositie in.

De Nederlandse arbeidsongeschiktheidsregelingen verschillen sterk van die in het buitenland. Alle andere EU-landen kennen verschillende regelingen voor beroepsrisico's (arbeidsongevallen en beroepsziekten) en sociale risico's. De uitkeringen voor beroepsrisico's liggen over het algemeen hoger dan die voor sociale risico's. Een dergelijk onderscheid kent de Nederlandse WAO niet. Een reden voor het grote aantal WAO-ers in Nederland, vergeleken met het buitenland, is dat de Nederlandse regelingen relatief laagdrempelig zijn, omdat er geen referteperiode geldt. Verder ligt de minimale mate van arbeidsongeschiktheid om voor de WAO in aanmerking te komen laag, en stromen in sommige landen arbeidsongeschikten op jongere leeftijd uit naar een pensioenregeling.

Vrouwen op de arbeidsmarkt

De deelname van vrouwen aan betaalde arbeid (ten minste 12 uur per week) is de afgelopen tien jaar gestegen van 39 procent (1990) tot 51 procent (1999). Paren met minderjarige kinderen kiezen steeds vaker voor tweeverdienerschap. Het aantal tweeverdieners neemt toe: van de 5,2 miljoen huishoudens met een kostwinner jonger dan 65 jaar waren in 1997 2,4 miljoen tweeverdieners (45 procent), dit is 18 procent meer dan in 1977. De verdeling van onbetaalde arbeid tussen vrouwen en mannen wordt geleidelijk aan minder scheef. Het aandeel van mannen in de zorg voor kinderen en andere huisgenoten is de afgelopen jaren met tien procent toegenomen tot 27,5 procent.

Toch bestaan er nog belemmeringen voor vergroting en verbetering van de arbeidsdeelname van vrouwen. Vrouwen zijn slecht vertegenwoordigd in hogere functies (op managementniveau vervullen vrouwen 17,7 procent van de functies). Een meerderheid (61 procent) van de vrouwen beschikt niet over een eigen inkomen uit arbeid dat economische zelfstandigheid biedt. Relatief weinig vrouwen met een lagere opleiding hebben een betaalde baan (nog geen 20% tegenover zo'n 74% hoogopgeleide vrouwen). De arbeidsdeelname van allochtone vrouwen blijft - met uitzondering van Surinaamse vrouwen - achter bij die van autochtone vrouwen. Zorgelijk is ook de relatief grote instroom van vrouwen in de arbeidsongeschiktheidsregelingen.

De bewindspersonen achten verdere investeringen in de verbetering van de arbeidsmarktpositie van vrouwen van groot sociaal en economisch belang. Overheid, sociale partners en individuele burgers hebben daarbij ieder een eigen verantwoordelijkheid.

Om de arbeidsdeelname en economische zelfstandigheid van vrouwen te bevorderen, ondersteunt de overheid met wetgeving en andere (waaronder fiscale) voorzieningen dat bedrijven en instellingen meer vrouwen in dienst nemen en houden.

Ook wil de overheid stimuleren dat meer vrouwen naar hogere functies doorstromen, onder andere door goede praktijkvoorbeelden, succesfactoren, voorwaarden en knelpunten op te sporen en een daarop gesneden aanpak te ontwikkelen in samenwerking met werkgevers en werknemers.
Om de arbeidsdeelname van allochtone vrouwen te vergroten, zal dit jaar een onderzoek worden gestart naar de kansen, belemmeringen en stimulansen voor allochtone vrouwen om betaald werk te verrichten. Een speciale commissie zal in kaart brengen hoe de uitvoeringspraktijk voor allochtone vrouwen uitpakt en aanbevelingen doen voor verbetering. Met de uitvoerders (gemeenten, Lisv en Arbeidsvoorziening) worden afspraken gemaakt om bij hun inspanningen mensen aan werk te helpen speciale aandacht te besteden aan allochtone vrouwen.

Cijfers

De uitgaven op de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beslaan in 2001 35,1 miljard gulden (2000 33,1 miljard gulden). Het grootste deel van de begroting betreft de sociale zekerheid en het arbeidsmarktbeleid: 34,6 miljard gulden. Daarvan is onder meer 8,2 miljard gulden bestemd voor de bijstand, 6,6 miljard gulden voor de kinderbijslag, 4,1 miljard gulden voor de sociale werkvoorziening, 3 miljard gulden voor de jonggehandicapten, 5,1 miljard gulden voor de rijksbijdrage aan het AOW-spaarfonds, 2,1 miljard gulden voor de WIW en 2,2 miljard gulden voor de in- en doorstroombanen. Verder wordt bijna 1,1 miljard gulden besteed aan de rijksbijdrage aan het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie