Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Samenvatting Sociale Nota en begroting 2001 deel 2

Datum nieuwsfeit: 19-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Zoek soortgelijke berichten

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

www.minszw.nl

MINSZW: Samenvatting Sociale Nota en begroting 2001 deel 2

Sociale zekerheid
De ontwikkelingen in de sociale zekerheid laten een gemengd beeld zien. Het aantal WW-ers en bijstandsgerechtigden daalt terwijl het aantal WAO-ers toeneemt. Per saldo is het beeld gunstig: de verwachting is dat er in 2002 154.000 uitkeringsgerechtigden minder zijn dan in het Regeerakkoord was geraamd.

 
1999                         2000 
RA huidig verschil RA huidig verschil WW 304 235 -69 302 211 -91

Bijstand 528 489 -39 517 456 -61 WAO 896 899 3 907 912 5

Totaal 1.728 1.623 -105 1.726 1.579 -147

2001 2002
RA huidig verschil RA huidig verschil WW 300 199 -101 298 195 -103

Bijstand 514 442 -72 514 443 -71 WAO 917 932 15 927 947 20

Totaal 1.731 1.573 -158 1.739 1.585 -154

(aantal uitkeringsgerechtigden x1000 in jaargemiddelden)

Sinds 1997 is er weer sprake van een sterke groei van het aantal arbeidsongeschikten. Verwacht wordt dat er in 2000 gemiddeld 912.000 mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering zijn. Naar verwachting zal dit aantal de komende jaren nog oplopen, tot zo'n 947.000 in 2002. In eerdere ramingen was al rekening gehouden met een toename van het aantal arbeidsongeschikten vanwege de groei van de beroepsbevolking, de vergrijzing en de toestroom van vrouwen op de arbeidsmarkt. De stijging van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid blijkt echter nog sterker dan verwacht. Het ziekteverzuim (exclusief zwangerschap) is gestegen van 4,6 procent in 1997 naar 5,4 procent in 1999. Dit hangt in sterke mate samen met de krapte op de arbeidsmarkt. Die leidt ertoe dat de werkdruk toeneemt, meer mensen met een hoger gezondheidsrisico gaan werken en werknemers vrijblijvender omgaan met ziekteverzuim. Daarnaast neemt de beroepsbevolking, dus ook het aantal verzekerden, sterker toe dan verwacht.

Het aantal aanvragen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering neemt toe. In 1998 waren er naar schatting 110.000 aanvragen. In 1999 waren dat er bijna 140.000. Voor 2000 wordt rekening gehouden met ruim 166.000 aanvragen. Het aantal aanvragen dat wordt toegekend neemt echter af. Zo blijken veel mensen al hersteld te zijn voordat de keuring plaatsvindt (in 1998 en 1999 bij 18 procent van de aanvragen). Verder worden naar verhouding meer uitkeringsaanvragen afgewezen. In 1998 werd circa 21 procent afgewezen, in 1999 23 procent en in het eerste kwartaal van 2000 bijna 25 procent. Ook wordt vaker een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend in plaats van een volledige uitkering. In 1998 en 1999 werd nog in 67 procent van de gevallen een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend; in het eerste kwartaal van 2000 was dit 62 procent. Nieuwe arbeidsongeschikten zijn steeds vaker afkomstig uit de jongere leeftijds- en lagere inkomenscategorieën. Als gevolg van een en ander daalt de prijs van een uitkeringsjaar WAO. Deze effecten zijn zo aanzienlijk dat de tegenvallende ontwikkeling van het aantal WAO-ers niet leidt tot verhoging van de uitkeringslasten ten opzichte van het regeerakkoord.
Ondanks de groei van het aantal uitkeringen blijft het aantal arbeidsongeschikten als percentage van de beroepsbevolking stabiel, rond de 12,2 procent.

De instroom in de WAO bestaat voor 56 procent uit vrouwen, waarvan een derde jonger is dan 35 jaar. Dit terwijl vrouwen nog geen 40 procent van de werkzame beroepsbevolking uitmaken. Dat vrouwen eerder dan mannen in de WAO terechtkomen doordat zij dubbel belast worden (werk en de zorg voor het gezin), kan niet worden aangetoond. Een andere verklaring is het verschil in arbeidsmarktpositie tussen mannen en vrouwen. Vrouwen werken vaak in sectoren met een hoog arbeidsongeschiktheidsrisico, zoals de zorg. Verder blijken ze gemiddeld een lagere functie te hebben, tegen een lager salaris te werken en vaker te werken op basis van een flexcontract. Er wordt nog onderzocht of vrouwen en hun omgeving, zoals werkgevers, arbodiensten en het thuisfront, anders omgaan met ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid dan mannen en hun omgeving. Ook wordt onderzocht of er
verschillen bestaan in belastbaarheid van mannen en vrouwen.

Uit een brancheprestatievergelijking, die later dit jaar naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, blijkt dat 10 van de in totaal 66 sectoren verantwoordelijk zijn voor 86 procent van de groei van het aantal uitkeringen in 1999. De zorg en de uitzendsector veroorzaken de grootste WAO-toename: samen zijn zij goed voor 51 procent van de groei van het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. In de uitzendsector, waar steeds meer gebruik wordt gemaakt van langdurig werklozen, was het arbeidsongeschiktheidsrisico in 1999 1,44 keer zo groot als het gemiddelde van alle andere sectoren. De sector met het grootste WAO-risico (meer dan twee keer zoveel als gemiddeld) is de 'horeca-catering', oftewel de contractcatering.

De wettelijke arbeidsongeschiktheidsregelingen worden veelal aangevuld door bovenwettelijke regelingen, zoals een aanvulling op het ziekengeld, een aanvulling op de WAO-uitkering of de verzekering van het zogeheten WAO-hiaat. In dit bovenwettelijke circuit gaat in totaal circa 8,3 miljard gulden per jaar om. Dat is 28 procent van de wettelijke WAO- en loondoorbetalingslasten. Daardoor krijgt een werknemer vaak pas na twee jaar ziekte en arbeidsongeschiktheid te maken met een inkomensachteruitgang.

De huidige arbeidsmarkt biedt mogelijkheden om arbeidsgehandicapten weer aan het werk te helpen. In de recente Voortgangsnota arbeidsongeschiktheidsregelingen staan een groot aantal maatregelen om de toename van het aantal arbeidsongeschikten een halt toe te roepen. Hoofdlijnen van het beleid zijn: eerder ingrijpen in het eerste ziektejaar, verbetering van de WAO-keuringen en meer aandacht voor preventie.

Om zo snel mogelijk in het eerste ziektejaar te kunnen ingrijpen wordt de ziekmelding aan de uitvoeringsinstelling vervroegd van 13 naar 6 weken, worden de voorlopige en definitieve reïntegratieplannen afgeschaft en vervangen door een geprotocolleerd verantwoordingsverslag van de reïntegratie-activiteiten en worden de sancties voor werkgevers én werknemers versterkt. Het kabinet trekt hiervoor jaarlijks 20 miljoen gulden uit. Verder is tot en met 2002 50 miljoen gulden per jaar extra beschikbaar gesteld om de WAO-keuringen te verbeteren en om de achterstanden in te lopen. De belangrijkste standaarden voor de keuring zijn in juli 2000 wettelijk vastgelegd. Het Lisv ontwikkelt een nieuwe systematiek voor de keuring van mensen met psychische klachten, die eind dit jaar in gebruik zal zijn. Verder wordt een systeem ontwikkeld waarbij de onderlinge resultaten van de uitvoeringsinstellingen beter met elkaar kunnen worden vergeleken en op elkaar afgestemd, zodat een meer uniforme aanpak mogelijk wordt. Daarmee wordt tevens de basis gelegd voor de wijze waarop het toekomstige Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen gestalte zal geven aan de WAO-keuringen.
Om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid zoveel mogelijk te voorkomen, worden met een groot aantal sectoren arboconvenanten afgesloten om de arbeidsomstandigheden te verbeteren. Verder wordt 120 miljoen gulden ter beschikking gesteld voor de sectoren zorg, overheid en onderwijs met als doel een intensievere aanpak van preventie, verzuimbegeleiding en vroegtijdige reïntegratie. Tenslotte zal voor de overheids- en gesubsidieerde sector vóór 2001 een analyse worden gemaakt van de beperkte werking van de financiële prikkels in deze sectoren om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid te voorkomen.

Daarnaast moet de nieuwe uitvoeringsstructuur in de sociale zekerheid gaan leiden tot een betere en snellere activering van (uitkeringsgerechtigde) werkzoekenden. Een vermindering van het aantal uitvoeringsorganen moet leiden tot een duidelijker verdeling van verantwoordelijkheden, kwalitatief betere keuringen en een grotere efficiëntie. Het (weer) aan het werk helpen van mensen wordt in de nieuwe structuur uitbesteed aan private reïntegratiebedrijven. Op grote schaal vindt nu al openbare aanbesteding plaats. Onderlinge concurrentie moet leiden tot betere resultaten. De kabinetsplannen voor de nieuwe Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (SUWI) worden momenteel uitgewerkt in concrete wetsvoorstellen.

De zorgelijke ontwikkeling van het aantal WAO-uitkeringen geldt niet voor de WW en de bijstand. Daar is juist sprake van een sterke daling van het aantal uitkeringen, ook ten opzichte van de ramingen uit het Regeerakkoord.
In 1999 waren er 489.000 bijstandsgerechtigden (inclusief IOAW en IOAZ). Voor 2000 wordt een aantal verwacht van 456.000 en voor 2001 442.000. Het doel voor de komende jaren is de uitvoering van de Bijstandswet effectiever en efficiënter te maken. De bewindspersonen willen met de Vereniging Nederlandse Gemeenten komen tot concrete, bestuurlijke afspraken over bevordering van de uitstroom, het beperken van de armoedeval en de bestrijding van fraude. Gemeenten moeten een beter inzicht krijgen in de individuele situatie van bijstandsgerechtigden om activering op maat te kunnen bieden. Begin juli is een wetsvoorstel ingediend om bijstandsgerechtigden die deelnemen aan sociale activeringsactiviteiten tijdelijk te ontheffen van de sollicitatieplicht. Daarnaast werkt het kabinet aan maatregelen voor meer ondersteuning en activering van
alleenstaande ouders.

Verder wordt de effectiviteit van de uitvoering vergroot door invoering van het Fonds Werk en Inkomen (FWI) met ingang van 2001, als de Eerste Kamer daarmee instemt. Hierdoor wordt de financiële verantwoordelijkheid van gemeenten voor de uitkeringslasten van onder andere de Bijstandswet vergroot, evenals de vrijheid bij het inzetten van het geld voor reïntegratie. De bewindspersonen hebben 7 miljoen gulden beschikbaar gesteld voor de bouw van een systeem waarmee de prestaties van gemeenten met elkaar vergeleken kunnen worden, zodat zij van elkaar kunnen leren.
Een belangrijk hulpmiddel voor gemeenten is het Inlichtingenbureau, dat gemeenten helpt bij het verzamelen en vergelijken van gegevens van bijstandsgerechtigden, zodat sneller kan worden nagegaan of er sprake is van misbruik. In 2001 zal het Inlichtingenbureau worden gerealiseerd.

Ook het aantal WW-uitkeringen is meer gedaald dan verwacht. In 1999 hadden 235.000 mensen een WW-uitkering, in 2000 wordt dat aantal geschat op 211.000 en voor 2001 wordt een verdere afname verwacht, naar 199.000. Oorzaak is de sterke groei van de werkgelegenheid. De instroom in de WW is gedaald van circa 600.000 midden jaren negentig tot 300.000 in 1999. Het aandeel van langdurig werklozen in het WW-bestand is sinds 1987 gaandeweg gestegen. Met de Wet experimenten WW is de mogelijkheid tot stand gebracht om op experimentele basis aan moeilijk plaatsbare werklozen reïntegratiemogelijken aan te bieden. Onlangs zijn twee experimenten van start gegaan: een experiment om werklozen eerst drie maanden op proef te laten werken met behoud van uitkering en een experiment waarbij werklozen die een baan accepteren met een lager loon dan hun uitkering een aanvulling krijgen op het loon. In de loop van 2001 starten nog twee experimenten die het voor WW-gerechtigden gemakkelijker moeten maken zelfstandig ondernemer te worden.

Een nieuwe maatregel zowel met betrekking tot de WW als de WAO is de vervanging van het zogeheten fictief arbeidsverleden door het feitelijk arbeidsverleden als maatstaf voor de toe te kennen uitkering. Een wetsvoorstel waarin dit wordt geregeld is in voorbereiding. De totstandkoming van een voldoende betrouwbare verzekerdenadministratie maakt het mogelijk het arbeidsverleden meer aan de hand van feitelijk gewerkte perioden vast te stellen. Tot nu toe werd dit alleen gedaan over de 5 jaar voorafgaand aan de werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Voor de jaren daarvoor werd een fictief arbeidsverleden gehanteerd omdat voldoende gegevens ontbraken. De bedoeling is om nu het arbeidsverleden vanaf 1995 feitelijk vast te stellen. Het feitelijk arbeidsverleden wordt daarmee ieder jaar met één jaar verlengd, en het fictieve arbeidsverleden wordt navenant verkort. Per saldo leidt de
maatregel tot een besparing.

Inkomensbeleid
Mensen die de overstap maken van een uitkering naar een baan, gaan er doorgaans bruto in inkomen op vooruit. Als zij er netto niet of nauwelijks op vooruit gaan, doordat zij minder recht hebben op inkomensafhankelijke regelingen, is er sprake van een armoedeval. Uit een internationale vergelijking blijkt dat het probleem van de armoedeval in Nederland relatief groot is. In vrijwel geen ander land komt het voor dat iemand die er bruto in inkomen op vooruitgaat netto minder overhoudt. Dat komt doordat in Nederland de uitkeringen relatief hoog zijn, het verschil tussen uitkering en minimumloon relatief klein is en er een groot aantal inkomensafhankelijke regelingen bestaat. Vermindering van de armoedeval biedt mogelijkheden om de arbeidsdeelname van laagopgeleiden te vergroten. Het kabinet stelt een meerjarige aanpak van de armoedeval voor. De arbeidskorting (een korting op de belasting voor mensen met een baan) in het nieuwe belastingplan wordt verhoogd. Daarnaast worden de koopkrachttoeslagen in de huursubsidie afgeschaft. Verder krijgen mensen die vanuit een uitkering of een WIW-dienstbetrekking doorstromen naar een baan een belastingvrije premie. Het gaat om een eenmalige premie van in totaal 4000 gulden die wordt verstrekt in vier termijnen van 1000 gulden, respectievelijk een half jaar, een jaar, anderhalf jaar en twee jaar na aanvaarding van de baan.
Verder overleggen de bewindspersonen met de gemeenten, omdat ook zij in hun inkomensondersteunende regelingen rekening houden met het effect van de armoedeval.

Ongeveer 20 procent van de 65-plussers heeft geen aanvullend pensioen. Van de alleenstaande vrouwen heeft een kwart geen aanvullend pensioen en van de bejaarden ouder dan 76 jaar ruim de helft. Het aantal mensen met een klein aanvullend pensioen is de afgelopen jaren fors gedaald en het aantal mensen met een aanvullend pensioen van 30.000 gulden of meer is gestegen. Het gemiddeld inkomen van ouderen uit AOW en aanvullend pensioen ligt in 2000 gemiddeld 64 procent hoger dan het sociaal minimum. De stijging van het gemiddelde inkomen van ouderen wordt onder meer veroorzaakt doordat nieuwe gepensioneerden meer pensioen hebben opgebouwd dan vorige generaties en doordat de bestaande pensioenen verbeteren door aanpassing aan de loonontwikkeling. De verwachting is dat het aantal huishoudens zonder aanvullend pensioen in 2015 gedaald zal zijn tot 14 procent. Ook zal het aantal mensen met een hoog aanvullend pensioen fors toenemen. Het gemiddelde pensioen zal volgens verwachting in 2015 verder stijgen en dan 85 procent boven het sociaal minimum liggen. Ondanks de stijging van de
aanvullende pensioenen blijft de AOW een belangrijk bestanddeel van het inkomen van gepensioneerden. Voor ouderen met een laag inkomen bestaat in 2015 93 procent van het inkomen uit AOW, voor ouderen met een hoog inkomen maakt de AOW 40 procent van het inkomen uit.

Steeds meer pensioenfondsen schakelen over op het middelloonstelsel, waarbij de hoogte van het pensioen wordt afgeleid van het gemiddeld verdiende loon in iemands carrière. Het aantal deelnemers aan een middelloonregeling is toegenomen van 23 procent in 1995 tot 32 procent in 1999. Naar verwachting leidt dit in de toekomst tot een lichte verhoging van het aanvullend pensioen, omdat de opbrengsten van de invoering van een dergelijk stelsel vaak worden gebruikt om het opbouwpercentage te verhogen. Verder verlaagt een toenemend aantal pensioenfondsen de franchise (het drempelbedrag in het loon waarover geen pensioen wordt opgebouwd). Vooral tweeverdieners en mensen met een laag pensioen profiteren hiervan.

De gemiddelde koopkrachtontwikkeling voor 2001 is gunstig. Een belangrijk kenmerk is dat in 2001 op individueel niveau de afwijkingen van de gemiddelde koopkrachtontwikkeling groot zijn. Dit hangt samen met het nieuwe belastingplan.

Een van de doelen van het nieuwe belastingstelsel is om werken aantrekkelijker te maken. De belastingtarieven worden verlaagd en het arbeidskostenforfait wordt omgezet in een arbeidskorting. Deze omzetting levert voor iemand die werkt tegen het minimumloon ruim 800 gulden op. Verder worden er een kinderkorting en een combinatiekorting ingevoerd. De kinderkorting bedraagt 84 gulden per jaar voor gezinnen met kinderen tot 12 jaar en een belastbaar gezinsinkomen van maximaal 120.000 gulden. Gezinnen met een inkomen van minder dan 60.000 gulden krijgen een aanvullende kinderkorting van nogmaals 84 gulden. Werkenden met kinderen onder de 12, die minstens 8700 gulden per jaar verdienen, krijgen een combinatiekorting van 229 gulden per jaar. Als beide ouders werken en ieder meer dan 8700 gulden per jaar verdient bedraagt de combinatiekorting 458 gulden.

Verder wordt in het nieuwe belastingstelsel het aantal aftrekposten verminderd. De renteaftrek voor consumptief krediet wordt afgeschaft en de lijfrenteaftrek en de werkelijke kostenaftrek worden beperkt. Deze maatregelen hebben een negatief effect op de koopkracht. Het gemiddelde inkomenseffect van deze maatregelen is meegenomen in de koopkrachtcijfers. Het werkelijke effect op het inkomen hangt echter onder meer af van de mate waarin voorheen van de aftrekmogelijkheden werd
geprofiteerd. Bij de koopkrachtcijfers gaat het dan ook om een raming van het besteedbare inkomen van een groep mensen, die niet van toepassing is op individuele huishoudens. Door de invoering van het nieuwe belastingstelsel kunnen de individuele verschillen in 2001 groter zijn dan andere jaren.

De koopkrachtontwikkeling (in procenten) voor 2001 wordt als volgt geraamd:

inactieven
sociale minima alleenstaand 3,5 sociale minima paar zonder kinderen 3,5 sociale minima paar met kinderen 3,5 AOW alleenstaand 3,75 AOW paar 3,25 AOW + 10.000 gulden paar 3

werkenden
minimumloon paar met kinderen 7,25 modaal paar met kinderen 4,25 modaal alleenstaand 4 2 maal modaal paar met kinderen 3,25 tweeverdiener (modaal/½ modaal) 3,75

Internationale vergelijking arbeidsongeschiktheidsregelingen Nederland heeft internationaal gezien een relatief groot aantal arbeidsongeschikten, maar als gekeken wordt naar de verhouding tussen het totaal aantal inactieven en het aantal werkenden (i/a-ratio) in verschillende landen, dan neemt Nederland een gunstige positie in. In Nederland worden sociale uitkeringen vooral uit hoofde van arbeidsongeschiktheid uitgekeerd, in België zijn het vooral werkloosheidsuitkeringen, in Groot-Brittannië en Denemarken vooral bijstandsuitkeringen en in Frankrijk pensioen- en VUT-uitkeringen. Als gekeken wordt naar de uitgaven aan sociale uitkeringen neemt Nederland een middenpositie in.

De Nederlandse arbeidsongeschiktheidsregelingen verschillen sterk van die in het buitenland. Alle andere EU-landen kennen verschillende regelingen voor beroepsrisico's (arbeidsongevallen en beroepsziekten) en sociale risico's. De uitkeringen voor beroepsrisico's liggen over het algemeen hoger dan die voor sociale risico's. Een dergelijk onderscheid kent de Nederlandse WAO niet. Een reden voor het grote aantal WAO-ers in Nederland, vergeleken met het buitenland, is dat de Nederlandse regelingen relatief laagdrempelig zijn, omdat er geen referteperiode geldt. Verder ligt de minimale mate van arbeidsongeschiktheid om voor de WAO in aanmerking te komen laag, en stromen in sommige landen arbeidsongeschikten op jongere leeftijd uit naar een pensioenregeling.

Vrouwen op de arbeidsmarkt
De deelname van vrouwen aan betaalde arbeid (ten minste 12 uur per week) is de afgelopen tien jaar gestegen van 39 procent (1990) tot 51 procent (1999). Paren met minderjarige kinderen kiezen steeds vaker voor tweeverdienerschap. Het aantal tweeverdieners neemt toe: van de 5,2 miljoen huishoudens met een kostwinner jonger dan 65 jaar waren in 1997 2,4 miljoen tweeverdieners (45 procent), dit is 18 procent meer dan in 1977. De verdeling van onbetaalde arbeid tussen vrouwen en mannen wordt geleidelijk aan minder scheef. Het aandeel van mannen in de zorg voor kinderen en andere huisgenoten is de afgelopen jaren met tien procent toegenomen tot 27,5 procent.

Toch bestaan er nog belemmeringen voor vergroting en verbetering van de arbeidsdeelname van vrouwen. Vrouwen zijn slecht vertegenwoordigd in hogere functies (op managementniveau vervullen vrouwen 17,7 procent van de functies). Een meerderheid (61 procent) van de vrouwen beschikt niet over een eigen inkomen uit arbeid dat economische zelfstandigheid biedt. Relatief weinig vrouwen met een lagere opleiding hebben een betaalde baan (nog geen 20% tegenover zo'n 74% hoogopgeleide vrouwen). De arbeidsdeelname van allochtone vrouwen blijft - met uitzondering van Surinaamse vrouwen - achter bij die van autochtone vrouwen. Zorgelijk is ook de relatief grote instroom van vrouwen in de arbeidsongeschiktheidsregelingen.

De bewindspersonen achten verdere investeringen in de verbetering van de arbeidsmarktpositie van vrouwen van groot sociaal en economisch belang. Overheid, sociale partners en individuele burgers hebben daarbij ieder een eigen verantwoordelijkheid.
Om de arbeidsdeelname en economische zelfstandigheid van vrouwen te bevorderen, ondersteunt de overheid met wetgeving en andere (waaronder fiscale) voorzieningen dat bedrijven en instellingen meer vrouwen in dienst nemen en houden.

Ook wil de overheid stimuleren dat meer vrouwen naar hogere functies doorstromen,
onder andere door goede praktijkvoorbeelden, succesfactoren, voorwaarden en knelpunten op te sporen en een daarop gesneden aanpak te ontwikkelen in samenwerking met werkgevers en werknemers.

Om de arbeidsdeelname van allochtone vrouwen te vergroten, zal dit jaar een onderzoek worden gestart naar de kansen, belemmeringen en stimulansen voor allochtone vrouwen om betaald werk te verrichten. Een speciale commissie zal in kaart brengen hoe de uitvoeringspraktijk voor allochtone vrouwen uitpakt en aanbevelingen doen voor verbetering. Met de uitvoerders (gemeenten, Lisv en Arbeidsvoorziening) worden afspraken gemaakt om bij hun inspanningen mensen aan werk te helpen speciale aandacht te besteden aan allochtone vrouwen.

Cijfers
De uitgaven op de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beslaan in 2001 35,1 miljard gulden (2000 33,1 miljard gulden). Het grootste deel van de begroting betreft de sociale zekerheid en het arbeidsmarktbeleid: 34,6 miljard gulden. Daarvan is onder meer 8,2 miljard gulden bestemd voor de bijstand, 6,6 miljard gulden voor de kinderbijslag, 4,1 miljard gulden voor de sociale werkvoorziening, 3 miljard gulden voor de jonggehandicapten, 5,1 miljard gulden voor de rijksbijdrage aan het AOW-spaarfonds, 2,1 miljard gulden voor de WIW en 2,2 miljard gulden voor de in- en doorstroombanen. Verder wordt bijna 1,1 miljard gulden besteed aan de rijksbijdrage aan het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening.

19 sep 00 15:46

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie