Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag algemeen overleg inzake arbeid en zorg

Datum nieuwsfeit: 20-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

verslag ao inzake arbeid en zorg

Gemaakt: 21-9-2000 tijd: 16:40


1


26 447 Arbeid en zorg

Nr. 36 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 20 september 2000

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid<1> heeft op 31 augustus 2000 overleg gevoerd met staatssecretaris Verstand van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:


- de evaluatie van de Wet op het ouderschapsverlof en van de Wet financiering loopbaanonderbreking (Finlo) (SoZa-00-532);


- het rapport Arbeid en zorg in CAO's 1998 (SoZa-00-496).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Örgü (VVD) constateerde dat de gegevens uit de aan de orde zijnde evaluaties en rapporten gebruikt kunnen worden bij de behandeling van het wetsvoorstel wet arbeid en zorg dat recentelijk aan de Kamer is toegezonden. Voor haar staan keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid centraal en dient te worden gestreefd naar een situatie waarin zowel mannen als vrouwen arbeid- en zorgtaken op zich nemen en de mogelijkheid hebben om zorg (bijvoorbeeld kinderopvang) uit te besteden. Zij zei tegenstander te zijn van continu nieuwe door de overheid geïnitieerde en betaalde verlofregelingen. De overheid moet werkgevers en werknemers zoveel mogelijk stimuleren om zelf verlofregelingen te treffen.

De economische zelfstandigheid van vrouwen is onlosmakelijk verbonden met de discussie over het combineren van arbeid en zorg. Op dit vlak doen zich veel veranderingen voor. De arbeidsparticipatie van vrouwen met kinderen is de laatste decennia flink toegenomen. Begin jaren tachtig bleef eenderde van de vrouwen na de geboorte van het eerste kind werken en eind jaren negentig driekwart. Mannen hebben dus meer zorgtaken op zich moeten nemen, maar de stijging van het aantal mannen met zorgtaken blijft achter bij de stijging van het aantal moeders die blijven werken. Om daarin verbetering te brengen is een verandering nodig van de mentaliteit van met name mannen, want de ervaring in Scandinavische landen heeft geleerd dat ondanks doorbetaling bij ouderschapsverlof nog geen 10% van de mannen er gebruik van maakt.

De evaluatie van de Wet op het ouderschapsverlof was bedoeld om inzicht te geven in het gebruik van ouderschapsverlof, de kenmerken van degenen die er gebruik van maken en de stimulerende en belemmerende factoren. Sinds de inwerkingtreding van de wet in 1991 heeft 20% van de rechthebbenden gebruikgemaakt van het ouderschapsverlof, wat mevrouw Örgü niet ontevreden stemde. De meeste rechthebbenden weten van het bestaan van de wet, maar ook voor vergroting van het gebruik ervan is een mentaliteitsverandering nodig die tijd kost. Bovendien moet in de "arbeid en zorgdiscussie" niet alleen worden gelet op de mate waarin ouderschapsverlof wordt opgenomen, maar ook op de mate waarin ouders kiezen voor andere varianten van de combinatie arbeid en zorg voor kinderen, zoals deeltijdwerk, het betrekken van familieleden bij de opvang van kinderen en tijdelijke terugtrekking uit het arbeidsproces. Er moet voor worden gewaakt iedereen in hetzelfde stramien te duwen.

De evaluatie leert dat naarmate het gezinsinkomen lager is, er minder gebruik wordt gemaakt van ouderschapsverlof. Gemiddeld neemt 20% van de ouders ouderschapsverlof, maar van de ouders met een gezinsinkomen van minder dan f.3500 per maand doet slechts 13% een beroep op de regeling. Kan worden onderzocht hoe die groep eruit ziet? Zou een verklaring kunnen zijn dat het daarbij met name gaat om gezinnen met een traditioneel kostwinnersmodel, zodat er fulltime iemand thuis is en er dus minder behoefte bestaat aan ouderschapsverlof?

Mevrouw Örgü betoogde dat er meer bekendheid moet worden gegeven aan de wet. Gegeven de genoemde ervaringen in Scandinavië is de VVD-fractie tegen een wettelijk recht op betaald ouderschapsverlof.

De Wet financiering loopbaanonderbreking is nog slechts een jaar in werking, zodat er moeilijk zinnige conclusies te trekken zijn over het functioneren ervan. Waar er nog slechts in 205 gevallen gebruik van is gemaakt, is het van groot belang de wet meer bekendheid te geven. De werkgevers en werknemers die er tot nu toe gebruik van hebben gemaakt, zijn overigens tevreden over de wet.

Zeker in het kader van de gedachte van "levenslang leren" is het aan te bevelen dat werknemers studieverlof nemen. De evaluatie is te vroeg uitgevoerd om belangrijke beleidsconclusies te kunnen trekken. Mevrouw Örgü zei steun te geven aan de stappen die het kabinet voornemens is te doen om de wet beter onder de aandacht van de betrokken partijen te brengen. Gegeven het geringe aantal gebruikers zag zij vooralsnog geen reden voor verhoging van de vergoeding.

Zij was blij dat het kabinet niet trapt in de valkuil van het laten vallen van de vervangingseis, omdat dan het tweede oorspronkelijke doel (het aan een baan helpen van langdurig werklozen door hun de kans te geven werkervaring op te doen) zou worden losgelaten. Bovendien zou het absurd zijn om die eis te laten vervallen, terwijl de krapte op de arbeidsmarkt enorm is. Desgevraagd merkte zij op dat er geen aanleiding is om herintreders uit te sluiten van de vervangingsmogelijkheid.

Mevrouw Örgü ging tot slot in op het rapport Arbeid en zorg in CAO's 1998 en constateerde dat er na een aanvankelijke groei in het begin van de jaren negentig, de laatste jaren sprake is van een stabilisatie van het percentage CAO's met een verlofbepaling. In 1998 kende ongeveer de helft van de CAO's verlofregelingen, niet het kraamverlof betreffende. Het aantal CAO's met afspraken over kinderopvang neemt nog steeds toe. Mevrouw Örgü ging ervan uit dat de komende wet arbeid en zorg de sociale partners ertoe zal aanzetten om meer regelingen te treffen in CAO's. Kan de staatssecretaris aangeven hoe zij de sociale partners nog meer gaat aansporen om bepalingen over de combinatie arbeid en zorg in CAO's op te nemen?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) constateerde dat er politieke meningsverschillen bestaan over de manier waarop goed kan worden geregeld dat mensen optimaal hun verantwoordelijkheid kunnen nemen inzake arbeid en zorg en dat zij daarbij zelf een keuze kunnen maken.

Al jaren wordt gesproken over de noodzaak van kinderopvang, omdat tegenwoordig veelal beide partners betaalde arbeid verrichten, ook als er kinderen zijn. Het is dan ook verbazingwekkend dat er in nog slechts 55% van de CAO's een regeling voor kinderopvang is opgenomen. De sociale partners zijn van mening dat zij zaken als zwangerschaps- en bevallingsverlof, kraamverlof, adoptieverlof, ouderschapsverlof en dergelijke wel zelf in CAO's kunnen regelen, maar erkennen nog onvoldoende dat het combineren van arbeid en zorg in deze tijd volkomen normaal zou moeten zijn en één van de topprioriteiten zou moeten vormen in de onderhandelingen over nieuwe CAO's. Bij nieuwe CAO's gaat het veelal vooral om loonstijgingen. Is de staatssecretaris bereid in het najaarsoverleg expliciet met de sociale partners te spreken over hun grote verantwoordelijkheid om tot goede regelingen te komen inzake het combineren van arbeid en zorg? Is de staatssecretaris voorts bereid de Kamer daarna een uitvoerige brief toe te zenden, toegespitst op arbeid en zorg? De uitkomsten van het najaarsoverleg zouden kunnen worden betrokken bij de behandeling van de ontwerpwet arbeid en zorg. Dan kan beter worden afgewogen wie welke verantwoordelijkheid moet nemen. Het is tenslotte tijd om knopen door te hakken, aldus mevrouw Van Gent.

Zij stelde dat het ouderschapsverlof beter moet worden geregeld en wees in dit verband op haar door de Kamer aanvaarde motie over een zogenaamde inkomenseffectrapportage inzake verlofregelingen. Haar bedoeling was en is dat wordt nagegaan hoe dergelijke regelingen uitwerken bij de verschillende inkomensgroepen. Zij verzocht de staatssecretaris dit na te gaan, omdat het voor het combineren van arbeid en zorg nodig is dat in de toekomst iedereen gebruik kan maken van de mogelijkheden daartoe. Thans maken beter gesitueerden gemakkelijker van dergelijke regelingen gebruik dan mensen met een laag inkomen of een middeninkomen. Veelal is er geen sprake van tweeverdieners, maar van anderhalfverdieners, waarbij de ene partner een fulltime baan heeft en de andere een parttimebaan. In slechts weinig CAO's wordt enige vergoeding gegeven als men ouderschapsverlof opneemt, wat uiteraard de mogelijkheden om ouderschapsverlof op te nemen beperkt. Mevrouw Van Gent wilde toe naar een situatie waarin het combineren van arbeid en zorg een normaal onderdeel is van het werknemerspakket en waarin het alle werknemers in principe mogelijk is gebruik te maken van verlofregelingen. Haars inziens moet het normaal worden dat ook in het geval van anderhalfverdieners de fulltime werkende partner zorgtaken op zich kan nemen en neemt.

Mevrouw Van Gent achtte de Wet Finlo zeer belangrijk, omdat die het ook mogelijk maakt tijd op te nemen niet alleen voor zorg, maar ook voor studie of andere zaken. Dat de wet vrij onbekend is, toont aan dat de voorlichting en communicatie goed aangepakt moeten worden. Onderschrijft de staatssecretaris de gedachte dat het aanbeveling verdient om bij de invoering van de wet arbeid en zorg een informatiepunt in te stellen waar werknemers en werkgevers informatie kunnen krijgen over de inhoud van zorgregelingen?

Mevrouw Bussemaker (PvdA) beaamde dat er in de CAO's met name ten aanzien van verlof sprake is van stabilisatie, zodat niet te verwachten is dat de sociale partners andere vormen van verlof, zoals zorgverlof, zullen stimuleren.

Werknemers hebben recht op onbetaald ouderschapsverlof. Slechts 5% van de door de arbeidsinspectie onderzochte CAO's kent betaald ouderschapsverlof. Met name laagbetaalden en mannen maken geen gebruik van ouderschapsverlof als dat niet betaald wordt. Van betaald verlof maakt 44% van de vaders gebruik en van onbetaald verlof 7%. Mevrouw Bussemaker vond het zorglijk dat veel ouders niet weten dat zij recht hebben op ouderschapsverlof en dat zij daarvoor niet de toestemming van de werkgever nodig hebben, zoals 50% denkt. Hoe denkt de regering de ouders daarop te wijzen? In het algemeen is intensivering nodig van de voorlichting over verlofregelingen, bijvoorbeeld via het al genoemde informatiepunt. Naar verluidt worden nogal eens verzoeken om ouderschapsverlof onterecht afgewezen.

De regering wil via een fiscale regeling het gebruik van ouderschapsverlof stimuleren, maar wil de primaire verantwoordelijkheid daarvoor bij de sociale partners laten. Mevrouw Bussemaker merkte op dat haar fractie voor een individueel recht op betaald ouderschapsverlof is, maar vraagtekens zet bij de voorgenomen fiscale financiering, voorzover daar iets over bekend is. Hoewel een wet arbeid en zorg in ontwerp aan de Kamer is voorgelegd, worden voor elke verlofvorm verschillende financieringsvormen voorgesteld. De ratio daarvan is niet duidelijk en het strookt niet met de gedachte van overzichtelijkheid. Hoe verhouden zich de voorgenomen voorstellen met de door het kabinet nagestreefde transparantie en kwaliteitsverbetering? Te vrezen valt dat werknemers en werkgevers in de toekomst over grote deskundigheid zullen moeten beschikken om te kunnen bepalen voor welke verlofvorm welke financiering nodig is. Het verbaasde mevrouw Bussemaker dat het kabinet zo gemakkelijk afstapt van het idee om de Wet Finlo te gebruiken ter stimulering van betaald ouderschapsverlof.

Met deze wet wordt beoogd verlof voor zorg en onderwijs te stimuleren, zonder dat er sprake is van een absoluut recht. Mede op grond van positieve ervaringen met een dergelijke regeling in België en Denemarken heeft de PvdA zich altijd sterk gemaakt voor deze wet. De restricties die de Nederlandse variant kent en die nodig waren om de wet aangenomen te krijgen, blijken evenwel te leiden tot een zeer gering gebruik van de Wet Finlo. Graag zou mevrouw Bussemaker zien dat een aantal van die hindernissen voor het gebruikmaken van de wet werd opgeheven. De evaluatie leert dat de wet slecht bekend is bij werknemers, werkgevers en UVI's en door UVI's te strikt wordt uitgelegd. Het vervangingsvereiste is een groot struikelblok. Het niet-voldoen aan dit vereiste leidde tot afwijzing van 100 van de 304 aanvragen in 1999. Bij meer dan de helft van de toegewezen aanvragen ging het om palliatief verlof waarvoor de vervangingseis niet geldt. De meeste aanvragen zijn afkomstig van werknemers in de gezondheidszorg en het onderwijs, sectoren met een zeer krappe arbeidsmarkt waardoor vervanging moeilijk is. De belangrijkste reden voor werkgevers om een verzoek om langdurig verlof in te willigen, was dat zij de relatie met het betrokken personeelslid goed wilden houden. Geen enkele werkgever verwachtte dat het personeelslid bij weigering ontslag zou nemen, terwijl 22% van de verlofgangers heeft gezegd dat zij dat dan wel zouden hebben gedaan en 10% heeft overwogen zich in dat geval ziek te melden. Verlof geven voorkomt dus extra druk op de arbeidsmarkt en ziekteverzuim.

De regering is slechts voornemens verbetering te brengen in de voorlichting en op een enkel punt de mogelijkheden voor vervanging te versoepelen, maar in de destijds aanvaarde motie van mevrouw Bussemaker en mevrouw Schimmel werd gevraagd om concrete stappen ter verbetering van de Wet Finlo. Gemakkelijk zou de eis kunnen vervallen dat het aantal vervangingsuren minimaal gelijk dient te zijn aan het aantal verlofuren. Waarom zou een vervanger niet kunnen worden aangesteld via een uitzendbureau? Waarom zou voor de vervanging niet mogen worden geput uit het algemene bestand aan werkzoekenden? Waarom zou de eis moeten worden gehandhaafd dat herintreders maar een bepaald percentage van de verlofvervangers mogen vormen? Het gaat hierbij om gemakkelijk aan te brengen wijzigingen, waarvoor ongetwijfeld voldoende steun in de Kamer bestaat, aldus mevrouw Bussemaker. Zij zou ook graag op de volgende punten wijzigingen aangebracht willen zien. De uitkering bedraagt nu maximaal f.960 bruto, maar is door de zogenaamde staffeling veelal minder. Waarom zou in het geval van ouderschapsverlof en verzorging van een zwaar ziek familielid of zwaar zieke naaste niet kunnen worden uitgegaan van 100% of 80% van het wettelijk minimumloon? Thans moet voor minimaal de helft van de werktijd verlof worden opgenomen. Mevrouw Bussemaker zou die eis willen versoepelen tot minimaal één dag per week. Zij wilde ook de vervangingseis versoepelen. Nu behoeft de verlofganger niet te worden vervangen bij palliatief verlof. Waarom zou dat niet ook kunnen gelden voor de eerste drie maanden dat verlof wordt opgenomen om voor een ernstig ziek gezins- of familielid te zorgen en voor ouderschapsverlof? In België werkt dat goed.

Mevrouw Bussemaker besefte zeer wel dat de vervangingseis een struikelblok is voor veel werkgevers, zeker op de huidige krappe arbeidsmarkt. Het leek haar het overwegen waard om een extra tegemoetkoming in te voeren voor werkgevers die dan toch tot vervanging overgaan.

Desgevraagd zei mevrouw Bussemaker dat de PvdA-fractie denkt dat de Wet Finlo na enige aanpassing een prima basis kan vormen voor een individueel recht op betaald ouderschapsverlof en voor betaald verlof voor andere doelen, zonder dat dit alleen via verlofsparen wordt geregeld.

Mevrouw Schimmel (D66) was het eens met het voornemen van het kabinet om betaald ouderschapsverlof te stimuleren, maar vond dat de rol van de sociale partners te veel wordt benadrukt, omdat slechts voor 3% van de werknemers in het bedrijfsleven sprake is van geheel of gedeeltelijk betaald ouderschapsverlof. De overheid loopt in dezen voorop met 37%. Op Prinsjesdag komt het kabinet met een fiscale stimuleringsregeling, met name gericht op de werkgever die in de CAO afspraken maakt over betaling van ouderschapsverlof. Mevrouw Schimmel zou graag zien dat er een minimumrecht op betaald ouderschapsverlof komt voor de werknemer, mogelijk vergelijkbaar met kortdurend zorgverlof. Zij zou het niet onlogisch vinden de werkgever daarbij via een fiscale regeling tegemoet te komen. Misschien zouden werknemers via de combinatiekorting, die in januari in het belastingstelsel wordt ingevoerd, kunnen worden gestimuleerd tot het gebruik van het recht op ouderschapsverlof, maar het probleem is dat die korting situatiegericht is, terwijl ouderschapsverlof kindgericht is.

Mevrouw Schimmel somde allerlei vormen van verlof en de (toekomstige) financiering daarvan op. Zij sprak de verwachting uit dat in de notitie over de verkenning inzake langdurig verlof een visie zal worden gegeven op de financiering van allerlei verlofregelingen, omdat een duidelijk beeld daarvan gewenst is.

In de wet arbeid en zorg zal het principiële recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof worden geregeld. Dit zal niet alleen moeten gelden voor werkneemsters, maar ook voor zelfstandige onderneemsters en meewerkende echtgenotes. Op dit moment wordt zwangerschaps- en bevallingsverlof voor zelfstandige onderneemsters en meewerkende echtgenotes gefinancierd via de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Het hangt dan van het winstinkomen in de voorgaande drie à vijf jaar af, of zo'n vrouw recht heeft op een uitkering. Mevrouw Schimmel vond dat vreemd en stelde dat als er een principieel recht wordt geregeld, er daarbij tevens een basisuitkering moet worden geregeld.

Het stelde haar teleur dat er zo weinig gebruik wordt gemaakt van de Wet Finlo. Vooral teleurstellend is de geringe bekendheid van de uitkeringsinstellingen met de wet. Een groot pluspunt van de wet is dat de loopbaanonderbreking voor verschillende doeleinden kan worden gebruikt, dus ook door mensen zonder kinderen.

Mevrouw Schimmel ondersteunde de suggestie van mevrouw Van Gent om een informatiepunt in te stellen.

Mevrouw Bijleveld-Schouten (CDA) concludeerde dat uit de evaluatie blijkt dat ouderschapsverlof in een belangrijke behoefte voorziet, ook al is het gebruik ervan niet overweldigend. Duidelijk is dat heel wat ouders meer tijd aan hun kinderen willen besteden, met name in het eerste levensjaar, en dat het niet waar is dat het opnemen van ouderschapsverlof door mannen niet mogelijk is, niet wordt geaccepteerd of slecht is voor de carrière. Doordat ouderschapsverlof meestal onbetaald is, maakt slechts 20% gebruik van dit wettelijk recht. Bij de wijziging van de wet heeft de CDA-fractie gepleit voor betaald ouderschapsverlof, met name om de vaders (vaak kostwinner of meestverdienende) de kans te geven er gebruik van te maken en om de herverdeling van de zorgtaken ook in gezinnen met een laag inkomen te stimuleren. Het kabinet stelt terecht dat het primaat bij de sociale partners ligt om afspraken te maken over de betaling van ouderschapsverlof, maar het heeft bij de wijziging van de wet in 1996 al aangegeven het zorgverlof in brede zin te willen stimuleren door het in het arbeidsvoorwaardenoverleg eventueel financieel te ondersteunen. Via de Wet Finlo is een eerste stap in die richting gezet, maar het is tijd voor een volgende stap. Mevrouw Bijleveld ondersteunde daarom het idee van een fiscale stimuleringsregeling als extra impuls voor nadere afspraken over ouderschapsverlof. Kan al worden aangegeven hoe die regeling eruit gaat zien? Haar fractie is, zoals bekend, voor ruimere mogelijkheden en voor uitbreiding van het ouderschapsverlof tot 4½ maand om het beide partners mogelijk te maken gedurende het eerste jaar zelf voor het kind te zorgen.

Omdat er zeer grote behoefte aan leek te bestaan, is de wet Finlo er gekomen, maar blijkbaar zijn de vervangingseisen te ingewikkeld om er, zo men al bekend is met de wet, een beroep op te doen, terwijl bovendien de UVI's de regeling verschillend uitvoeren. Een betere uitleg bij het aanvraagformulier zou kunnen helpen. Hoe denkt de staatssecretaris de bekendheid van de wet te vergroten? Ook is versoepeling nodig van de vervangingseisen. Net als nu al het geval is bij palliatief verlof, zou ook bij langdurig zorgverlof de vervangingseis kunnen vervallen. Mevrouw Bijleveld zou als volgende stap een driekwart dwingend geclausuleerd recht op langer durend zorgverlof willen opnemen in de wet arbeid en zorg. De Wet Finlo zou dan als basis kunnen dienen voor de sociale partners om aanvullende afspraken te maken. Ook al wordt er niet zoveel gebruik van de wet gemaakt, de evaluatie leert dat er ongeacht de gezinssituatie grote behoefte bestaat aan langer durend verlof. Hoe denkt de staatssecretaris daarin te voorzien? Er blijken problemen te zijn ten aanzien van de definitie van palliatief verlof. Hoe staat de staatssecretaris tegenover de suggestie van de FNV om het palliatief verlof uit te breiden tot verlof in geval van levensbedreigende ziekte? Mevrouw Bijleveld dacht dat het instrument van de Wet Finlo mede onvoldoende werkt doordat daarin teveel de nadruk is gelegd op reïntegratie.

In het rapport Arbeid en zorg in CAO's 1998 ziet de staatssecretaris een bevestiging van haar standpunt dat kortdurend zorgverlof wettelijk dient te worden geregeld, omdat dat te weinig in CAO's gebeurt. Maar is dat niet een gevolg van het feit dat het kabinet al geruime tijd geleden het voornemen heeft geuit om het wettelijk te regelen? Geven de verschillen tussen de branches en sectoren niet juist aan hoe belangrijk de rol van de sociale partners is? Immers, zij kunnen in de CAO's tot maatwerk komen. Zeker in deze tijd van schaarste hebben werkgevers belang bij betrokken werknemers die ook blijven. Zij zien ook wel dat zij mensen kunnen houden door zo nodig verlofregelingen aan te bieden. Mevrouw Bijleveld was het eens met het verzoek van mevrouw Van Gent om er in het najaarsoverleg expliciet over te spreken.

In het wetsvoorstel wet arbeid en zorg staat een adoptieverlof van drie weken, terwijl ambtenaren nu al vier weken adoptieverlof hebben. Mevrouw Bijleveld betoogde dat de wetgever een basisbescherming moet bieden aan werknemers, ook om arbeid en zorg goed te kunnen combineren. In het Burgerlijk Wetboek is al het calamiteitenverlof geregeld. Kan de staatssecretaris specifiek aangeven wat volgens haar op dit moment de specifieke tekortkomingen in de CAO's zijn? Bij de vormgeving van het kortdurend zorgverlof zal de CDA-fractie hierop terugkomen, evenals uiteraard op de financiering ervan. Zoals bekend, is de fractie geen voorstander van de overhevelingstoeslag.

Antwoord van de staatssecretaris

De staatssecretaris constateerde op basis van de evaluaties dat extra voorlichting nodig is over ouderschapsverlof en de Wet Finlo, ook al is er in 1998 een uitgebreide voorlichtingscampagne over deze wet geweest. Dit voorjaar is een publiekscampagne over arbeid en zorg gestart. Bij Postbus 51 kan ook voorlichtingsmateriaal over de Wet Finlo worden aangevraagd. Ook zullen de intermediairs moeten worden benaderd, want die moeten zeker bekend zijn met de wet. De publiekstelefoon wordt zo'n 11.000 keer per maand gebeld. De helft van die telefoontjes heeft betrekking op arbeid en zorg. De publiekstelefoon geeft concrete informatie en adressen voor het vragen van nadere informatie. Voorts wordt een digitale verlofwijzer ontwikkeld, die in het voorjaar van 2001 via het web zal kunnen worden geraadpleegd. Als bekend is hoe een en ander uitpakt, zal kunnen worden bepaald of er een andere vorm van informatievoorziening, bijvoorbeeld een informatiepunt, nodig is.

Er wordt een nota van wijziging op het wetsvoorstel wet arbeid en zorg opgesteld ter versoepeling van een aantal vervangingsvoorwaarden van de Wet Finlo, omdat de vervangingseisen een groot knelpunt vormen. Het zal bijvoorbeeld mogelijk worden dat iemand die fulltime zorgverlof opneemt, wordt vervangen door een parttimer, overigens met een minimum van achttien uur. Immers, de herintredende of werkloze vervanger moet de gelegenheid krijgen om echt werkervaring op te doen en de administratieve lasten en uitvoeringslasten moeten binnen de perken blijven. In de tweede plaats zal vervanging via uitzendkrachten mogelijk worden. In de derde plaats zal een vervangende kracht voor achtereenvolgende vervangingen ingezet kunnen worden. De nota van wijziging zal de Kamer uiterlijk tegelijk met de nota naar aanleiding van het verslag bereiken.

Misschien komt er ooit nog een meer collectieve vorm van financiering van het zorgverlof, maar op dit moment blijft het kabinet bij de tot op heden in het kader van arbeid en zorg gekozen mix van een minimumbescherming van de overheid en verantwoordelijkheid van de sociale partners en van de werknemer, ook financieel. Een voordeel daarvan is dat sociale partners zelf in het overleg kunnen besluiten geld in te zetten voor verlofregelingen of voor vormen van persoonlijke dienstverlening. In het regeerakkoord is een verkenning van langdurig betaald zorgverlof afgesproken. Het SCP is met dat onderzoek bezig en zal het eind dit jaar afronden, waarna het kabinet er een standpunt over zal bepalen. Vervolgens zal het daarover met de sociale partners moeten overleggen. De staatssecretaris ging ervan uit dat het verstandig is niet vooruit te lopen op deze verkenning, omdat het om een complexe problematiek gaat. Een van de vragen die moeten worden beantwoord, is wat de behoefte is van de zorgvrager. Voorts moet de relatie tussen professionele zorg en mantelzorg in ogenschouw genomen worden, evenals de relatie met het persoonsgebonden budget. Tevens moet de positie van de lagere inkomens en de samenhang met andere regelingen worden bekeken. De verhouding van de verantwoordelijkheid van werkgevers, werknemers en overheid op dit terrein dient ook te worden bezien. Verder moet het eventuele budgettaire beslag van zo'n regeling voor langdurig betaald zorgverlof bekend zijn. Ook moet heel goed in beeld gebracht worden het risico van selectie van met name vrouwen op de arbeidsmarkt.

Bij interruptie werd gevraagd of uitgangspunt is dat nog deze kabinetsperiode een regeling tot stand komt voor langdurig betaald zorgverlof. De staatssecretaris wees erop dat uit de evaluatie blijkt dat als er verlof wordt aangevraagd het gaat om palliatief verlof (waarvan de definitie nog eens moet worden bezien), educatief verlof en ouderschapsverlof. Met Prinsjesdag zal het kabinet het voorstel doen om de financiering van ouderschapsverlof te regelen via de wet, dus via het Belastingplan 2001. Palliatief verlof is uitdrukkelijk onderdeel van de verkenning inzake de mogelijkheid van langdurig betaald zorgverlof. Bij de afweging op basis van die verkenning zal ook het WRR-rapport worden betrokken dat in september uitkomt en waarin specifiek aandacht is besteed aan arbeidsparticipatie, zorg en mantelzorg. De staatssecretaris zei ernaar te streven de verkenningsnotitie en het kabinetsstandpunt daarover in het eerste kwartaal van 2001 aan de Kamer te doen toekomen.

Zij beaamde dat er nog niet veel zorgverlofregelingen in CAO's opgenomen zijn. Het kabinet stimuleert nadrukkelijk de kinderopvang en de Stichting van de arbeid beveelt dat ook nadrukkelijk aan. Er is dan ook sprake van groei van afspraken over volksverzekeringen en kinderopvangregelingen in CAO's, een groei die naar het zich laat aanzien zal doorzetten. Het kabinet vindt ouderschapsverlof een belangrijk thema en vindt dat de ontwikkeling op dat punt niet snel genoeg gaat. Vandaar dat het op dat terrein stimulerend optreedt en daarbij een rol heeft toebedeeld aan de sociale partners, niet alleen de werkgevers-, maar ook de werknemersorganisaties. Het heeft geen zin dit punt expliciet in het najaarsoverleg aan de orde te stellen, omdat de meeste CAO-onderhandelingen al zijn afgerond. Op de agenda van het najaarsoverleg staat wel het onderwerp arbeidsduurpatronen en arbeidsvoorwaarden, uitdrukkelijk gekoppeld aan werk en privé. Mocht uit het onderzoek naar arbeid en zorg in CAO's in 1999 blijken dat er weinig progressie is op het gebied van zorgverlofregelingen, dan zou dit onderwerp op de agenda kunnen worden gezet van het overleg met de sociale partners.

De staatssecretaris beaamde dat gezinnen met het traditionele kostwinnersmodel veelal geen beroep doen op ouderschapsverlof, omdat zij arbeid en zorg combineren doordat de ene partner werkt en de andere voor de kinderen zorgt. Beoogd wordt de arbeidsparticipatie van lager opgeleide vrouwen, die nu ongeveer 20% bedraagt, te bevorderen, mede door goede regelingen waardoor zij ook als zij kinderen hebben, kunnen blijven werken of weer snel na de geboorte van een kind kunnen gaan werken.

Er is een eerste onderzoek gedaan naar de positie van zelfstandigen in verband met zorgverlof. Onderzocht wordt ook, in een ander onderzoek, welke knelpunten er mogelijkerwijs op het terrein van zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn voor zelfstandige en meewerkende onderneemsters. De WAZ kent inderdaad het winstcriterium: wie geen premie betaalt, kan geen uitkering krijgen. Ook zou kunnen worden gerekend met de zelfstandigenaftrek in de fiscale sfeer, waarbij het urencriterium geldt. Over dat onderdeel wordt het LISV en CTSV om advies gevraagd. Als die knelpunten in beeld zijn, zal het kabinet met een nader standpunt op dit stuk komen.

In reactie op de vraag van mevrouw Van Gent over een inkomenseffectrapportage inzake verlofregelingen zei de staatssecretaris dat er primair voor moet worden gezorgd dat de doorbetaling voldoende is: 100% bij kraamverlof, bevallings- en zwangerschapsverlof en adoptieverlof. Voor tien dagen zorgverlof wordt dat 70%, met een minimum van 100% van het minimumloon. Bij alle regelingen moet uiteraard nadrukkelijk aandacht worden besteed aan de positie van de lager opgeleiden.

Tot slot zei de staatssecretaris dat haar geen signalen hebben bereikt dat er behoefte is aan uitbreiding van het ouderschapsverlof tot vierenhalve maand.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Örgü (VVD) was blij dat er iets zal worden gedaan aan de onbekendheid van de Wet Finlo. Het is goed dat er zoiets als een publiekstelefoon is. Zij kon zich vinden in de door de staatssecretaris genoemde lijst van punten die ten aanzien van de Wet Finlo nog moeten worden uitgewerkt.

Uit de evaluatie van de Wet Finlo is mevrouw Örgü niet gebleken dat het kabinet de arbeidsparticipatie probeert te bevorderen van de niet-werkende partner in het kostwinnersmodel. Haar is uit de evaluatie niet duidelijk geworden of de lagere inkomensgroepen die minder vaak gebruikmaken van ouderschapsverlof, bestaan uit gezinnen van éénverdieners of anderhalfverdieners. Om hoeveel gezinnen gaat het? Wat wordt er gedaan om de niet of niet volledig werkende partner op de arbeidsmarkt te krijgen?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) stelde dat het eigenlijk gaat om de drie i's: informatie verbeteren, inkomenseffecten nagaan en intensiveren van de regelingen. Een digitale verlofwijzer lijkt handig, maar van belang is ook te weten met welke vragen men bij de publiekstelefoon komt. Het gaat, zoals de staatssecretaris zei, bij de (financiële) regelingen inzake arbeid en zorg om een complexe materie. Degenen die er gebruik van willen maken, moeten eenvoudig specifiek op hen toegespitste informatie kunnen krijgen. Daartoe zou een tijdelijk informatiepunt misschien gewenst zijn.

Er komen wel steeds meer betaalde verlofregelingen, maar het is vaak lastig te bepalen hoe die uitwerken. Het zijn veelal de hogere inkomensgroepen die zich kunnen permitteren er gebruik van te maken. Ook bij een collectieve vorm van financiering van zorgverlof zou er sprake zijn van een mix van overheid, sociale partners en individuele verantwoordelijkheid. Alleen wordt dan, als het goed is geregeld, beter rekening gehouden met de verschillende inkomensgroepen en inkomenseffecten.

Er wordt al een jaar of vijftien gepraat over kinderopvang. Het is eigenlijk treurig dat kinderopvang in nog maar 55% van de CAO's is geregeld, aldus mevrouw Van Gent. Wat andersoortige verlofregelingen betreft, is er zelfs sprake van een daling. Zij was ervoor bij het najaarsoverleg extra aandacht hiervoor te vragen. Het zou goed zijn als de commissie over het resultaat daarvan zou worden geïnformeerd en daarover zou kunnen praten, want er bestaat onduidelijkheid over wat de sociale partners gaan regelen en wat Kamer en kabinet oppakken om er vaart achter te zetten. De sociale partners moeten zich realiseren dat er op het terrein van verlofregelingen meer nodig is dan er nu gebeurt.

Mevrouw Bussemaker (PvdA) was blij met de aankondiging dat er via de aangekondigde nota van wijziging aanpassingen in de Wet Finlo zullen worden aangebracht. Zij miste nog reacties op haar verdergaande voorstellen, zoals het voorstel om de vervangingseis verder los te laten, om de uitkering te verhogen en om werkgevers te compenseren die wel vervanging weten te regelen. In België krijgen werkgevers in dat geval gedeeltelijke vrijstelling van de werkgeversbijdrage voor de sociale zekerheid.

Mevrouw Bussemaker had behoefte aan een geïntegreerd kabinetsstandpunt over de onderlinge verhouding van alle financiële regelingen op verlofgebied. Gezien de problemen met de financiering van kortdurend zorgverlof, vermocht zij niet in te zien waarom de fiscale regelgeving ten aanzien van ouderschapsverlof de beste manier is om ouderschapsverlof te financieren.

Ook mevrouw Schimmel (D66) was verheugd over de mededeling dat de Wet Finlo op enkele punten zal worden versoepeld. Haars inziens is ook een belangrijk criterium dat duidelijk wordt waaruit langdurig zorgverlof zal worden gefinancierd. Zij sprak de verwachting uit dat in de verkenningsnotitie een stroomlijning van de financiering zal worden neergelegd, waarbij in haar ogen uitgangspunt moet zijn een wettelijk vastgelegd recht, voorzien van een basisuitkering.

Mevrouw Bijleveld-Schouten (CDA) sloot zich aan bij de opmerkingen van mevrouw Schimmel, maar herhaalde haar vraag of het niet zo is dat werkgevers en werknemers er geen belang bij hebben in CAO's iets over zorgverlof te regelen, omdat het kabinet al zo lang aankondigt dat er een wettelijke regeling voor komt.

De staatssecretaris betoogde dat omgekeerd werkgevers ook zo snel mogelijk een regeling zouden kunnen willen maken om een wettelijke regeling overbodig te maken.

De financiële toegang tot de regelingen is volgens haar voldoende gewaarborgd. Zij meende dan ook dat een grotere drempel voor de bevordering van de arbeidsparticipatie van lager opgeleiden wordt gevormd door de kwaliteit van het werk, kinderopvang, culturele barrières en dergelijke. Nagegaan moet worden hoe lager opgeleiden via begeleiding en extra scholing op de arbeidsmarkt gebracht kunnen worden.

Het informatiepunt komt in de ogen van de staatssecretaris pas aan de orde, wanneer de door haar genoemde voorlichtingsmaatregelen onvoldoende blijken te helpen.

Zij bestreed dat zij niet was ingegaan op verdergaande voorstellen van mevrouw Bussemaker. De staatssecretaris stelde nadrukkelijk een koppeling te hebben gelegd tussen die en andere voorstellen en de verkenning van langdurig betaald zorgverlof. Zij was ervan overtuigd dat nooit alle verlofregelingen zullen kunnen worden gestroomlijnd als er wordt gekozen voor fiscale stimuleringsmaatregelen. Zij wilde zich op dit moment concentreren op het tot stand brengen van regelingen, zoals het betaald ouderschapsverlof in het Belastingplan 2001, omdat het belangrijkste is dat er op dit terrein stappen worden gezet.

De staatssecretaris beaamde desgevraagd dat er in het regeerakkoord sprake is van bundeling en afstemming van verlofregelingen in een kaderwet arbeid en zorg. Dat traject is ingezet met het wetsvoorstel wet arbeid en zorg, die relaties heeft met met name het fiscale wetgevingstraject. Bij de behandeling van dit wetsvoorstel zal kunnen worden gesproken over stroomlijning, maar belangrijker is volgens haar de verkenning langdurig betaald zorgverlof. Die moet een transparant beeld geven van het geheel van kort, middellang en lang zorgverlof met alle financiële verbindingen daartussen.

De voorzitter van de commissie,

Terpstra

De griffier van de commissie,

Nava


1 Samenstelling:


Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Kalsbeek (PvdA), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF/GPV), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Harrewijn (GroenLinks), Balkenende (CDA), Van Gent (GroenLinks), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA), Wilders (VVD), Snijder-Hazelhoff (VVD)

Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Hamer (PvdA), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (RPF/GPV), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA), De Vries (VVD), Klein Molekamp (VVD)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie