Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Financien Interdepartementale Beleidsonderzoeken 2000

Datum nieuwsfeit: 21-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Financiën
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financiën

Titel: Interdepartementale Beleidsonderzoeken 2000



Inspectie der Rijksfinanciën

de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

IRF 2000-00588 M

Onderwerp

Interdepartementale Beleidsonderzoeken 2000

Het kabinet heeft onlangs besloten tot een nieuwe ronde van Interdepartementale Beleidsonderzoeken (IBOs). In deze brief informeer ik u over deze onderzoeken. Achtereenvolgens ga ik in op de themas van deze ronde, de onderwerpselectie en de verdere procedure.

Themas

Ook in de komende ronde van interdepartementale beleidsonderzoeken is financiële vernieuwing een centraal thema. Het gaat daarbij om duurzame doelmatigheidsverbeteringen, te bereiken door hervorming van instituties en de gedragsprikkels die daarin besloten liggen. Centrale elementen zijn onder andere een meer prestatiegerichte financieringsgrondslag, budgettering op basis van robuuste (niet manipuleerbare) maatstaven, decentralisatie van beleid en middelen naar lagere overheden, afstoting en uitbesteding van taken naar de marktsector en een betrouwbare informatievoorziening over prestaties en kosten. Eén van de geselecteerde onderzoeken betreft de Toekomst van het arbeidsmarktbeleid (zie hierna paragraaf onderwerpselectie). Met dit IBO komt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tegemoet aan de toezegging aan de Vaste Kamercommissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gemaakt tijdens het algemeen overleg over de financiële verantwoording 1999 (dd 31 mei 2000).

Inmiddels heeft een dertigtal onderzoeken in het kader van het financiële vernieuwingsthema plaatsgevonden. Op dit moment wordt, mede naar aanleiding van het verzoek van de Commissie voor de Rijksuitgaven van 30 mei jl., een evaluatie van al deze onderzoeken afgerond. Daarbij wordt tevens bezien in hoeverre de voorgestelde beleidsinitiatieven zijn overgenomen in het regeringsstandpunt en vervolgens zijn uitgevoerd. Ik zal een verslag van deze evaluatie in het najaar aan de Kamer toezenden.

In de laatste twee IBO-rondes is het concept Competitieve Dienstverlening (CDV) verder ontwikkeld. CDV is een instrument waarmee interne dienstverlening wordt vergeleken met potentiële externe dienstverlening op basis van meetbare en objectiveerbare gegevens. Op basis van dit concept moet uiteindelijk worden gekomen tot de volgende keuze: blijft de dienst door onderdelen van de rijksoverheid geleverd worden of wordt de dienstverlening uitbesteed? In het achterliggende jaar is in het kader van het IBO Ontwikkeling van het instrumentarium CDV een concept-handboek opgesteld voor rijksbrede toepassing van het CDV-concept. Voor het komende jaar zijn drie onderdelen van interne overheidsdienstverlening geselecteerd, waarmee verdere ervaring met CDV zal worden opgedaan. Na afloop van de onderzoeken zal worden besloten over de voortzetting van het CDV-traject. Daarnaast zullen de opgedane ervaringen met de toepassing van dit concept-handboek aanleiding kunnen zijn voor aanpassingen van de CDV-procedure.

Tenslotte is ook het thema bedrijfsvoering van uitvoerende diensten aan de orde. In de afgelopen drie jaar zijn er vijftien IBO bedrijfsvoeringsonderzoeken uitgevoerd, waarbij voorstellen zijn ontwikkeld voor een meer resultaatgerichte bedrijfsvoering. Voor de komende ronde staat een bedrijfsvoeringsonderzoek bij de Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) op het programma. Dit IBO is in de kern gericht op het vaststellen van de voorwaarden waaronder een kosten-baten stelsel bij het COA kan worden ingevoerd.

Onderwerpselectie

In de komende ronde zullen Interdepartementale Beleidsonderzoeken (2000) worden uitgevoerd naar de volgende onderwerpen :

Departement

Onderwerp

Centraal thema


1


BZK

Effectiviteit en doelmatigheid van het personeelsmanagement

Financiële Vernieuwing


2

BuZa en EZ

Tweeluik Financiering EU.

Deel I: Structuurbeleid in het perspectief van de uitbreiding van de EU

Financiële Vernieuwing


3

Defensie

Verwerving van defensiematerieel voor de Nederlandse krijgsmacht

Financiële Vernieuwing


4

VROM

Vouchers in de woon- en woonzorgsector

Financiële Vernieuwing


5

Justitie

Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers

Bedrijfsvoering


6

LNV

Tweeluik Financiering EU.

Deel II: Financiering gemeenschappelijk landbouwbeleid na uitbreiding EU

Financiële Vernieuwing


7

OCW

Balansverkorting van de onderwijsbijdragen

Financiële Vernieuwing


8

SZW

Toekomst van het arbeidsmarktbeleid

Financiële Vernieuwing


9

Financiën

CDV Accountancy

CompetitieveDienstverlening


10

VWS

Toegang tot zorg en indicatiestelling AWBZ

Financiële Vernieuwing


11

VenW

Decentralisatie Openbaar Vervoer

Financiële Vernieuwing


12

horizontaal

CDV Postverwerking rijksoverheid

Competitieve Dienstverlening


13

horizontaal

CDV Facilitaire Salarisbureaus

Competitieve Dienstverlening

De taakopdrachten zijn opgenomen in de bijlage bij deze brief.

Procedure en tijdschema

De onderzoeken worden uitgevoerd volgens de standaardprocedure voor de IBOs als beschreven in de Procedurele richtlijnen voor de Interdepartementale Beleidsonderzoeken en dienen uiterlijk op 1 juni 2001 te worden voltooid. Naar verwachting zullen de onderzoeksrapporten tezamen met kabinetsstandpunt in het najaar van 2001 worden aangeboden aan de Staten-Generaal.

DE MINISTER VAN FINANCIËN,

TAAKOPDRACHTEN 2000 008/A

Departement


1


BZK

Effectiviteit en doelmatigheid van het personeelsmanagement


2

BuZa en EZ

Tweeluik Financiering EU.

Deel I: Structuurbeleid in het perspectief van de uitbreiding van de EU


3

Defensie

Verwerving van defensiematerieel voor de Nederlandse krijgsmacht


4

VROM

Vouchers in de woon- en woonzorgsector


5

Justitie

Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers


6

LNV

Tweeluik Financiering EU.

Deel II: Financiering gemeenschappelijk landbouwbeleid na uitbreiding EU


7

OCW

Balansverkorting van de onderwijsbijdragen


8

SZW

Toekomst van het arbeidsmarktbeleid


9

Financiën

CDV Accountancy


10

VWS

Toegang tot zorg en indicatiestelling in de AWBZ


11

VenW

Benuttingsmaatregelen spoor


12

horizontaal

CDV Postverwerking rijksoverheid


13

horizontaal

CDV Facilitaire Salarisbureaus


1. IBO Effectiviteit en doelmatigheid van het personeelsmanagement

Aanleiding

De kwaliteit van het ambtelijk apparaat is een belangrijke voorwaarde om verantwoord in te kunnen blijven spelen op de nieuwe vraagstukken van het openbaar bestuur; daarbij is zowel de kwaliteit van het zittende personeel als de aantrekkingskracht op nieuw personeel van belang. Gelet op de algemene arbeidsmarktkrapte zal de druk op de kwaliteit van de rijksdienst alleen maar toenemen.

Om aan deze toenemende druk het hoofd te kunnen bieden zijn in de nota Management - en Personeelsontwikkeling Rijksdienst (september 1999, behorend bij de nota Vertrouwen in verantwoordelijkheid ) een aantal beleidsambities geformuleerd voor de rijksdienst in het algemeen en het topmanagement in het bijzonder.

Een IBO onderzoek moet inzicht geven in de effectiviteit van het huidige instrumentarium en aanbevelingen opleveren hoe de beleidsambities geoptimaliseerd kunnen worden.

Probleemstelling

Een goed functionerende P en O functie moet de voorwaarden scheppen om de benodigde kwaliteit van de mensen te kunnen waarborgen en voldoende kwalitatief personeel aan te kunnen trekken. De P en O functie wordt vervuld door het integrale management, daarbij ondersteund door de staven op het terrein van personeel en organisatie. Aan deze functie worden nieuwe en steeds zwaardere eisen gesteld: de concurrentie op de arbeidsmarkt neemt toe; aan het functioneren van de overheid en daarmee aan de ambtelijke professie worden nieuwe eisen gesteld; dit stelt nieuwe eisen aan de P en O functie onder meer op het terrein van opleiding en ontwikkeling van personeel.

Het zal noodzakelijk zijn om op korte termijn een aantal basics voor de personele functie af te spreken, die wat hun werking betreft vergeleken kunnen worden met de normen die voor de financiële functie zijn ontwikkeld in het kader van de operatie comptabel bestel. Deze kunnen worden ontwikkeld door een aantal sprekende voorbeelden ter hand te nemen en op basis daarvan afspraken te maken.

Dit onderzoek kan in dat kader tevens een functie vervullen en moet een betrouwbaar beeld opleveren van de huidige stand van zaken zodat het kan dienen als een vertrekpunt (nul -meting) van waaruit gemeenschappelijke ambities en kwaliteitsverbeteringen kunnen worden ingezet.
Doel van het onderzoek is om na te gaan:

* hoe het beschikbare instrumentarium wordt gebruikt
* wat de effectiviteit en doelmatigheid van tot nu toe genomen maatregelen zijn

* welk instrumentarium benodigd is om - op centraal niveau (rijksdienst) en op decentraal niveau (departementaal) - tot meetbare prestaties te komen.

Onderzoeksvragen

Rijksdienst als concern.

Steeds meer terreinen van P en O beleid vragen niet alleen om departementaal beleid maar ook om een gemeenschappelijke aanpak voor de rijksdienst als concern. In het bijzonder de toenemende concurrentie die de rijksdienst ondervindt op de arbeidsmarkt vraagt om zon aanpak.

Uit onderzoek blijkt dat het aanbod van schoolverlaters in de voor de rijksdienst relevante opleidingsrichtingen en opleidingsniveaus niet voldoende zal zijn om alleen al in de vervangingsvraag te voorzien. De economische groei in combinatie met de effecten van ontgroening en vergrijzing - die zich bij de rijksdienst in sterke mate voordoen - leiden tot een krappe arbeidsmarkt. Dat vraagt om een gemeenschappelijke inzet op het terrein van de
arbeidsmarktcommunicatie en om gemeenschappelijke wervingsacties. Maar ook de ontwikkeling van loopbanen en het bevorderen van mobiliteit, kan niet meer zonder gemeenschappelijke oriëntaties en afspraken.

In dat verband zijn de volgende vragen van belang: welke concernbrede doelstellingen zijn geformuleerd; welke controlmechanismen worden ingezet om de voortgang te volgen; welk (aanvullend) instrumentarium is hiervoor nodig;

Ontwikkeling personeel

Het ontwikkelen van personeel kan worden gezien als de spil van het moderne personeelsmanagement. De inzet op dat terrein is mede bepalend voor de mate waarin het personeel kan meegroeien in nieuwe eisen die aan de ambtelijke professie gesteld worden, het krijgt vorm in scholings - en leertrajecten, en het zal uiteindelijk effect hebben op de wervingspositie en op instroom, doorstroom en uitstroom van personeel.

In het bijzonder zijn de volgende vragen van belang:
* wat zijn de hoofdlijnen van het (departementale) beleid gericht op de ontwikkeling van personeel;

* welke instrumenten worden daarbij ingezet (denk o.a. loopbaanpaden; scholing - en leertrajecten, competentiemanagement, (variabele) beloning, management development);
* wat is kenmerkend voor de effectiviteit en het succes van instrumenten in het bijzonder van de instrumenten die betrekking hebben op instroom, doorstroom en uitstroom van personeel;
* in hoeverre zijn de prestaties op deze terreinen meetbaar en onderling vergelijkbaar en wat is nodig om de meetbaarheid en de vergelijkbaarheid te vergroten;

* welk (aanvullend) instrumentarium is nodig.
Flexibilisering van organisaties/ formaties

Steeds sterker doet zich de noodzaak gevoelen om de flexibiliteit van organisaties en formaties te vergroten. De vraag doet zich voor wat de mogelijkheden en belemmeringen zijn om dat te bereiken. Sinds de invoering van het geïntegreerde apparaatskostenbudget (1994) is het toegestaan te schuiven binnen de diverse artikelonderdelen binnen het Pen M artikel. Het gaat daarbij om de onderdelen ambtelijk personeel, overige personele uitgaven, materieel, post - actief personeel.

Met deze mogelijkheden zou het integraal management flexibeler kunnen inspelen op (tijdelijke) nieuwe taken of op piekbelastingen, en zou meer van de mogelijkheden van (tijdelijke) uitruil van personeel gebruik kunnen worden gemaakt (bijvoorbeeld als alternatief voor de inhuur van extern personeel).

De volgende vragen zijn van belang:

* hoe wordt op de ministeries omgegaan met de mogelijkheid om te schuiven tussen Pen M;

* in hoeverre draagt dit bij tot het flexibeler omgaan met formaties en organisaties;

* in hoeverre draagt dit bij tot een meer bedrijfsmatige afweging bij de inhuur van extern personeel;

* hoe is daarbij de taakverdeling en samenwerking tussen lijnmanagement - FEZ en P en O directies ingericht;
* in hoeverre zijn effecten waarneembaar in termen van efficiency en/of kwaliteit van het functioneren van organisaties;
* welke andere mogelijkheden tot flexibilisering van organisaties worden aangewend.

Onderzoeksaanpak

Ten behoeve van het onderzoek zal desk research moeten plaatsvinden en moeten gesprekken met departementale deskundigen gevoerd moeten worden.

Deelnemende departementen

AZ, BZK, Financiën, LNV, EZ, Justitie; nader te bepalen in overleg met de ICPR en het SG beraad.


2. IBO Tweeluik Financiering EU

Deel I: Structuurbeleid in het perspectief van uitbreiding EU

Aanleiding

Uitbreiding van de EU zal gevolgen hebben voor het structuurbeleid. Het structuurbeleid, met als instrumenten de structuur- en cohesiefondsen en het preaccessie-instrument ISPA, is erop gericht om de reële convergentie van de kandidaat-lidstaten en daarmee hun integratie te ondersteunen en blijft in stand ook na de overname van het (kern)acquis. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat deze instrumenten financieel beheersbaar moeten blijven. Een doordenking van dit beleid gericht op realisering van de toetreding is dan ook van belang.

Probleemstelling

Inzicht verwerven in de kosten van ongewijzigde voortzetting van het structuurbeleid, wat betreft doelstellingen en instrumenten, voor de EU en voor Nederland op korte en lange termijn en het ontwerpen van opties voor dat beleid die voldoen aan financiële randvoorwaarden.

Onderzoeksvragen

Het onderzoek moet onder meer antwoord geven op de volgende vragen:
* Wat zijn de kosten van ongewijzigd structuurbeleid, wat betreft doelstellingen en instrumenten, voor de EU op korte en lange termijn? Hierbij moet worden uitgegaan van realistische tijdpaden voor de toetreding van groepen van landen. De kosten moeten worden uitgesplitst naar afzonderlijk land.

* Wat zijn de gevolgen voor de afdrachten en inkomsten van Nederland van ongewijzigd beleid?

* Wat zijn realistische opties voor financiële randvoorwaarden voor de Nederlandse netto-bijdrage aan het structuurbeleid? Welke opties vloeien daaruit voort voor de financiële randvoorwaarden voor het structuurbeleid op het niveau van de EU?
* Welke opties bestaan er voor hervorming van het structuurbeleid. Daarbij dient afzonderlijk aandacht te worden besteed aan opties die erop gericht zijn om afdrachten en inkomsten van de landen die netto bijdragen aan het structuurbeleid te salderen (ter vermijding van rondpompen van financiële middelen) en aan opties die erop gericht zijn om daarnaast te voldoen aan financiële randvoorwaarden voor het structuurbeleid op het niveau van de EU als hiervoor bedoeld.

* Wat zijn de gevolgen van hervormingsopties voor de afdrachten en inkomsten van Nederland, de andere lidstaten en de kandidaat-lidstaten.

Onderzoeksaanpak

Aan het CPB zal worden verzocht om, mede met behulp van gegevens van het NEI, de kostenscenarios voor ongewijzigd beleid op te stellen. De wergroep zal de opties voor randvoorwaarden en beleidshervormingen opstellen. Ten behoeve van afstemming tussen dit IBO (Deel 1 van het Tweeluik Financiering EU) en het IBO Deel 2 van het Tweeluik Financiering EU (Financiering gemeenschappelijk landbouwbeleid na uitbreiding EU), zullen afspraken worden gemaakt over tussentijdse voortgangsrapportages.

Deelnemende departementen

EZ, Financiën, Buza, LNV, BZK, SZW. Aan het CPB en het NEI, en zo nodig ook andere onderzoekinstellingen, zal worden verzocht om medewerking te verlenen.


3. IBO Verwerving van defensiematerieel voor de Nederlandse krijgsmacht

Aanleiding

Defensie is een departement, waar per jaar miljarden worden besteed aan de aanschaf van nieuw materieel (2000: 2,35 miljard).

Bij grote projecten - voertuigen voor de landmacht, tanks, vliegtuigen, helikopters, vaartuigen - is de procedure als volgt. Eerst wordt de behoefte vastgesteld; wat hebben we nodig en aan welke eisen moet dat voldoen? Vervolgens wordt de markt verkend; alternatieven worden in kaart gebracht (prijs, kwaliteit, is reeds ontwikkeld/moet nog ontwikkeld worden etc.). De uiteindelijke keuze voor een bepaalde aanschaf is de afrondende fase. Daarna volgt nog een evaluatiefase waarin de gang van zaken in de voorgaande fasen kritisch worden bezien en op basis waarvan herhaling van fouten voorkomen kan worden.

De vraag die in dit onderzoeksvoorstel centraal staat is: hoe komt Defensie op de meest optimale wijze aan materieel? Daarbij doet zich in voorkomende gevallen de vraag voor of Nederland wil participeren in de ontwikkeling van een bepaald project. Voorbeelden hiervan zijn de marinehelikopter NH-90 en het medium range anti-tank wapen van de landmacht. De Nederlandse overheid betaalt in deze gevallen (voor een nader te bepalen deel) mee aan de ontwikkelingskosten van het product. In ruil daarvoor wordt zeggenschap verkregen over de eisen waaraan het product moet voldoen, krijgt de vaderlandse industrie (doorgaans) een aandeel in de productie en is soms sprake van baten doordat bepaalde kosten (royalties, Foreign Military Sales-toeslag voor Amerikaanse producten) niet meer behoeven te worden betaald.

Tegenover het participeren in een project staat het van de plank kopen van materieel. Hierbij wordt, zoals de naam al doet vermoeden, een reeds bestaand product besteld. Specifiek voor de defensie-industrie is dat daarbij doorgaans sprake is van compensatie-orders. Dit komt kortgezegd op het volgende neer: indien Nederland voor een bepaald bedrag een militaire order plaatst in het buitenland, dan verplicht het betreffende buitenlandse bedrijf zich tot het plaatsen van tegenorders voor minimaal een zelfde bedrag bij het Nederlandse bedrijfsleven. Achtergrond van het compensatiebeleid is de imperfectie van de defensiemarkt; Nederland snijdt zich vooral industrieel in de vingers indien dit beleid niet wordt gevolgd.

Probleemstelling

Centraal thema is, zoals aangegeven, de vraag hoe Defensie op de meest optimale wijze aan zijn materieel komt. Een van de vragen daarbij is onder welke voorwaarden het voor Nederland opportuun is deel te nemen aan de ontwikkeling van defensie-materieel en wie dat betaalt. Gepoogd wordt terzake een algemene beleidslijn te ontwikkelen. Voor situaties waarin van de plank kopen gunstiger lijkt, wordt de verwervingsstrategie in kaart gebracht en geëvalueerd (wie beslist bij welke projecten over de verwerving en op grond van welke criteria wordt een shortlist van mogelijke aanbieders vastgesteld?) en wordt het effect van het compensatiebeleid in kaart gebracht. Daarbij wordt nagegaan of de doelstellingen van het compensatiebeleid worden bereikt, wie de kosten van compensatie draagt en waar de baten neerslaan. Deze antwoorden worden bezien in het licht van het centrale thema van het onderzoek.

Onderzoeksvragen

Vragen die met betrekking tot de deelname aan ontwikkeling van Defensie-materieel aan de orde kunnen komen zijn:
* Welke motieven hebben in het verleden een rol gespeeld in de beslissing tot deelname aan de ontwikkeling van grote materieelprojecten (werkgelegenheid, omzet, technologische spin-off, BTW-plicht)?

* Wat zijn de resultaten en ervaringen geweest van deze ontwikkelingsprojecten (kwalitatieve en kwantitatieve risicos)?
* Welke huidige en toekomstige omgevingsontwikkelingen zijn relevant voor de weging van deze motieven bij toekomstige beslissingen over al dan niet deelnemen in de ontwikkeling van grote materieelprojecten?

* Wat zijn de kosten en baten van deelname aan ontwikkelingen en voor wiens rekening komen deze?

* Welke actoren zijn betrokken bij de beslissing tot deelname aan ontwikkeling en wat zijn hun belangen?

* Op welke wijze kan inschakeling van onafhankelijke deskundigen bijdragen aan een objectieve afweging?

* Is er een algemene beleidslijn te ontwikkelen aan de hand waarvan beslissingen kunnen worden genomen, zo ja, welke en zo nee, waarom niet?

Vragen met betrekking tot het van de plank kopen zijn onder meer:
* Hoe is het verwervingstraject van Defensie vormgegeven? Wie neemt op welk moment welke beslissingen en welke criteria gelden daarbij?

* Is er reden voor een heroriëntatie van het bestaande besluitvormingstraject en zo ja, van welke aard zou deze zijn?
* Wat zijn de doelstellingen van compensatiebeleid?
* Wie beslist over toepassing van het compensatiebeleid, wat zijn de voor- en nadelen van dit beleid, wat zijn de kosten daarvan en wie betaalt deze?

* Worden de doelstellingen in de praktijk gerealiseerd en hoe wordt dit vastgesteld?

* In welke landen wordt compensatiebeleid, net als in Nederland, toegepast?

* Is er reden voor een heroriëntatie van het bestaande beleid en zo ja, van welke aard zou deze zijn?

Onderzoeksaanpak

Bij dit onderzoek zal gebruik worden gemaakt van literatuurstudie en interviews.

Aanvang onderzoek

Momenteel wordt bij Defensie het Defensie Materieel Proces (DMP) geëvalueerd. Om de aankoop van materieel in goede banen te leiden wordt het zogeheten DMP gevolgd. Het DMP bestaat uit vijf fasen (behoeftestelling, voorstudie,studie, verwervingsvoorbereiding en evaluatie, zie ook onder aanleiding) die elk worden afgesloten met een rapport. Daarin staat de informatie die nodig is om te beslissen hoe het aanschaffingsproces moet worden voortgezet.

Deze evaluatie ligt in het verlengde van de hierboven geformuleerde taakopdracht en kan wellicht een nuttige bijdrage leveren aan het onderzoek. Dit, in combinatie met de personele capaciteit die voor beide trajecten noodzakelijk is, leidt tot het voorstel met de IBO-werkgroep eerst een aanvang te maken, als de DMP-evaluatie (goeddeels) is afgerond, doch uiterlijk op 1 december van dit jaar. Voordien kunnen secretaris(sen) en voorzitter wel reeds het nodige voorwerk verrichten, zodat het IBO vanaf 1 december een vliegende start kan maken.

Ook de kosten en baten van compensatiebeleid vormen reeds onderwerp van onderzoek, waarvan de resultaten uitstekend van pas kunnen komen bij onderhavig IBO. Van de zijde van het ministerie van EZ zal worden bevorderd dat de resultaten van genoemd onderzoek zo spoedig mogelijk beschikbaar komen voor de werkgroep. De datum voor de eindrapportage van dit IBO hangt hier vermoedelijk mee samen.

Deelnemende departementen

Def, EZ, AZ, Financiën.

4. IBO Vouchers in de woon- en woonzorgsector
Aanleiding

In de (ontwerp) Nota Wonen is voorgesteld om door middel van een aantal experimenten te bezien of het mogelijk is op termijn de huidige huursubsidie te moderniseren via woon- en woonzorgvouchers. Studie naar dit onderwerp is van belang. De huursubsidie is kerninstrument van het woonbeleid waarvan meer dan een miljoen mensen gebruik maken. Wijzigingen van dit instrument dienen goed beredeneerd te zijn waarbij overigens rekening zal worden gehouden met het kabinetsstandpunt n.a.v. het IBO-WVG.

Probleemstelling

Wat zijn de voor- en nadelen van het invoeren van vouchers in de woon- en woonzorgsector?

Onderzoeksvragen

* Welke mogelijkheden zijn er om een woonvoucher in de huurwoningmarkt in te voeren, eventueel gekoppeld aan andere regelingen zoals het persoonsgebonden budget (AWBZ) en de koopsubsidie voor lagere inkomens?

* Kan een voucher bijdragen aan het reduceren van de armoedeval?
* Hoe kan een voucher in de praktijk worden gebracht?
* Welke criteria moeten gelden om in aanmerking te komen voor de voucher en wie voert de indicatiestelling uit?
* Wat zijn de voor- en nadelen van de diverse varianten en in het bijzonder: wat zijn de gevolgen van de verschillende varianten op de Rijksuitgaven?

Onderzoeksaanpak

Er is nog nauwelijks onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van woonvouchers. Alhoewel onderzoek momenteel wordt opgestart, kan er dus slechts in geringe mate worden geput uit eerder onderzoek. Naar personeelsgebonden budgetten zijn in het kader van de WVG en de AWBZ wel onderzoeken verricht. Recent is een IBO naar de WVG afgerond. Het kabinetsstandpunt n.a.v. dit IBO zal betrokken worden bij het IBO vouchers. Naast kwantitatieve analyses (onder meer op basis van het WBO 98) zullen ook gesprekken met experts en betrokkenen kunnen dienen om de voor- en nadelen van vouchers in de woon- en woonzorgsector in kaart te brengen. Als randvoorwaarde bij de ontwikkeling van beleidsvarianten geldt (in beginsel) budgettaire neutraliteit.

De IBO-werkgroep kan beginnen met het opstellen van varianten van vouchers waar in de experimenten, zoals die in de Nota Wonen zijn aangekondigd, aandacht aan kan worden besteed. De IBO-werkgroep zal zijn onderzoek moeten afronden voordat de experimenten van start gaan. De IBO-werkgroep dient daarbij volgtijdelijk te zijn aan het algemene toetsingskader voor vouchers dat in het kader van de nieuwe MDW-ronde zal worden ontwikkeld. Dat toetsingskader is voorzien in begin 2001. Verkenning van de mogelijkheden tot feitelijke toepassing van vouchers en persoonsgebonden budgetten is voorzien in april/mei 2001.

Deelnemende departementen

AZ, VROM, SZW, VWS, EZ, Financiën; en verder het CPB.


5. IBO Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA)
Aanleiding

Het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers is een zelfstandig bestuursorgaan, dat valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie. Het COA verzorgt op basis van de Wet COA de opvang van asielzoekers in centrale en gemeentelijke opvangplaatsen vanaf het moment van binnenkomst in Nederland tot de definitieve beslissing op de asielaanvraag.

De bekostigingswijze van het COA is thans gebaseerd op een jaarlijks exploitatiebudget voor de out of pocket-kosten, aangevuld met de benodigde middelen voor de aanschaf van de materiële vaste activa (financiering à fonds perdu). Het Kabinet heeft besloten deze bekostigingswijze op basis van de input om te zetten in een bekostigingswijze die is gebaseerd op de door het COA te leveren output (opvangmodaliteiten). Hiervoor is een volwaardig resultaatgericht besturingsmodel met een baten/lastenstelsel vereist, waaronder het vaststellen van de kostprijzen van de diverse opvangmodaliteiten COA. Tevens heeft het Kabinet besloten dat het COA, vooruitlopend op de formalisering van de beleidslijn bankieren in de schatkist, voor de financiering van investeringen zal lenen bij de Rijksoverheid. Tot slot heeft het Kabinet in de Notitie Opvangmodaliteiten richtinggevende uitspraken gedaan over de diverse opvangmodaliteiten, zoals: het realiseren van meer permanente centrale opvangplaatsen en het zorgdragen voor aanvullende opvangvormen die als buffer fungeren op momenten dat onverwacht extra capaciteit benodigd is.

Probleemstelling

Het onderzoek heeft tot doel voorstellen te doen voor een volwaardig resultaatgericht besturingsmodel (bekostiging op basis van output) met een baten-lastenstelsel bij het COA. Daarbij worden expliciet betrokken de gevolgen van een verschuiving in het huidige totaalpakket van producten/diensten van het COA (de Notitie Opvangmodaliteiten) en de gewijzigde financiering van investeringen door het COA (de nieuwe leenfaciliteit voor het COA bij de Rijksoverheid).

Onderzoeksvragen

Het onderzoek moet onder meer antwoord geven op de volgende vragen:
* Hoe ziet de aansturings- en toezichtsrelatie er thans uit (omgevingsanalyse)?

* Welke producten/diensten (opvangmodaliteiten) biedt het COA thans aan? Welke rekenprijzen worden daarvoor in de huidige situatie gehanteerd?

* Hoe ziet uitgaande van de huidige situatie de opbouw van de integrale kostprijs per product op basis van een baten/lastenstelsel eruit, dat wil zeggen een volledige doorberekening van alle kosten aan de verschillende producten?
* Wat is het effect van het realiseren van meer permanente opvang op de kostprijzen voor centrale opvang?

* Wat zijn de budgettaire consequenties van:
32. de introductie van de leenfaciliteit (van financiering à fonds perdu naar leningen met rente en afschrijvingscomponent), inclusief de gevolgen hiervan voor de huidige vermogenspositie van het COA (risicobeleid).
32. de vast te stellen integrale kostprijzen per product van het COA 32. de uitwerking van de notitie opvangmodaliteiten, waaronder het realiseren van meer permanente i.p.v tijdelijke opvangplaatsen (langere levensduur van de vaste activa).

Tijdpad

Nadat de taakopdracht door de MR is vastgesteld, zal gestart worden met dit onderzoek. In verband met de budgettaire consequenties moet het IBO COA immers vóór Kaderbriefbesluitvorming 2002 (uiterlijk eind januari 2001) zijn afgerond.

Deelnemende departementen

Justitie (incl. COA), Financiën, BZK/GSI, AZ, VROM/RGD; een verder een kenner van gemeenteproblematiek


6. IBO Tweeluik Financiering EU

Deel 2: Financiering gemeenschappelijk landbouwbeleid na uitbreiding EU

Aanleiding

In het Interinstitutioneel Akkoord op basis van de afspraken in Berlijn in 1999 hebben de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie de middelen voor de uitbreiding van de Europese Unie (EU) tot en met 2006 vastgelegd. Voor de landbouwuitgaven die samenhangen met de uitbreiding is 520 mln euro in 2000, oplopend tot ca. 3,9 miljard euro in 2006 uitgetrokken. Daarbij werd aangenomen dat in het jaar 2002 zes nieuwe lidstaten zullen toetreden tot de EU en dat deze kandidaat-lidstaten niet in aanmerking komen voor directe inkomenssteun aan boeren uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Dit omdat zij, in tegenstelling tot de boeren in de huidige lidstaten, niet te maken zouden hebben met prijsdalingen.

Inmiddels heeft de Europese Raad in december 1999 echter besloten het aantal kandidaat-lidstaten uit te breiden tot 13 landen, waardoor het mogelijk is dat tot 2007 meer landen toetreden dan geraamd in het financiële kader. Tevens hebben de kandidaat-lidstaten sindsdien te kennen gegeven dat zij na toetreding wel degelijk in aanmerking menen te komen voor directe inkomenssteun. Formeel is de Europese Commissie nog steeds van mening dat de toetredende landen geen inkomenssteun gegeven hoeft te worden. Maar onlangs hebben ook commissaris Fischler (landbouw) en Verheugen (uitbreiding) aangegeven rekening te houden met het feit dat dit standpunt in de onderhandelingen over de toetreding niet geheel te handhaven is. In dat geval zullen de kosten van het GLB aanmerkelijk stijgen. Doel van dit IBO is om inzicht te krijgen in die eventuele extra kosten, de effecten ervan voor Nederland en mogelijkheden om de extra lasten voor de EU en Nederland te beperken teneinde het overeengekomen uitgavenniveau van de Europese landbouwuitgaven te handhaven.
Probleemstelling
De probleemstelling valt uiteen in vier delen:


* inzicht verwerven in de kosten van volledige integratie (inclusief inkomenssteun) van de kandidaat-lidstaten in het huidige GLB op de korte en lange termijn en de gevolgen voor de afdrachten aan de EU van Nederland en andere lidstaten,

* mede op basis daarvan opties voor verdere hervorming van het GLB uitwerken, gericht op het realiseren van besparingen binnen het Europese landbouwbudget,

* de gevolgen van deze opties in kaart brengen voor de afdrachten aan, en ontvangsten van de EU van NL en de andere lidstaten, alsmede voor de betrokken Nederlandse landbouwsectoren,
* aanbevelingen formuleren voor de Nederlandse opstelling in de EU-besluitvorming over de uitbreiding van de EU.

Onderzoeksvragen

Het onderzoek moet onder meer antwoord geven op de volgende vragen:
* Wat zijn de kosten voor de EU van volledige integratie binnen het GLB per individuele kandidaat-lidstaat?

* Wat zijn de gevolgen van volledige integratie binnen de EU voor de EU-afdrachten van Nederland en andere lidstaten?
* Welke besparingsopties voor hervorming van het GLB zijn denkbaar? Opties die in ieder geval onderzocht worden betreffen de introductie van nationale cofinanciering en degressiviteit van de inkomenssteun (zo nodig in combinatie met een additionele verlaging van de inkomenssteun). Voor zover als mogelijk en relevant, worden ook de introductie van alternatieve instrumenten zoals een verzekeringsstelsel als optie onderzocht.
* Wat zijn de besparingen op de Europese landbouwbegroting van de bovengenoemde opties? En wat zijn de gevolgen van de opties voor de Nederlandse afdrachten aan en ontvangsten van de EU? En wat zijn de gevolgen van de opties voor de betrokken Nederlandse landbouwsectoren?

* Wat is de inschatting van het draagvlak van deze opties binnen de EU?

Onderzoeksaanpak

Aan de hand van gegevens van het LEI en het CPB zullen kostenscenarios over de uitbreiding van de Europese Unie worden opgesteld. Vervolgens zal het IBO zich hoofdzakelijk richten op de (interdepartementale) beleidsmatige analyse, met name waar het de uitwerking, weging en voorkeuren voor hervormingsvarianten van het GLB betreft. Deelnemende departementen

LNV, BuZa, EZ, Financiën, AZ. Verder zullen het LEI en het CPB - en zo nodig andere onderzoeksinstellingen - worden gevraagd aan het IBO ter ondersteuning deel te nemen van de uitwerking van scenarios.


7. IBO Balansverkorting van de onderwijsbijdragen
Aanleiding

In een aantal onderwijssectoren vraagt de overheid de deelnemers (of hun ouders) een bijdrage in de kosten, terwijl anderzijds de overheid de deelnemers/ouders een tegemoetkoming in de kosten geeft. Het is nuttig te kijken of dit rondpompen van middelen kan worden teruggedrongen; een balansverkorting als het ware. Daarbij kan eveneens de mogelijkheid bijdragen te fiscaliseren worden betrokken. Balansverkorting c.q. fiscalisering hebben voor de onderwijs-deelnemers en hun ouders als voordeel dat ze met eenvoudiger regels en minder administratie te maken krijgen. Het scheelt de collectieve sector uitvoeringslasten.

Ten eerste wordt gedacht aan het lesgeld dat voor leerlingen vanaf 16 jaar in het voortgezet onderwijs en secundair beroepsonderwijs wordt geheven (ruim f 1800,- per schooljaar). Voor de lagere inkomens wordt vervolgens compensatie verleend via de WTS en WSF. Lesgeld wordt betaald voor 450.000 leerlingen. Lesgeld is daarmee een specifieke heffingsregeling die zeer brede groepen treft en die -met name voor de midden-inkomens die geen beroep op de WTS kunnen doen- een stevig beslag op het huishoudinkomen legt en wellicht invloed heeft op de onderwijsdeelname.

Verder gaat het om het cursus- en collegegeld dat studenten in BVE, HBO en WO moeten betalen. Tegenover het collegegeld staan tegemoetkomingen aan studenten in verband met studiekosten of kosten van levensonderhoud. Deze tegemoetkomingen gelden ten dele voor alle studenten -namelijk de basisbeurs en de studieleningen op basis van de WSF- en zijn ten dele specifiek gericht op lagere inkomensgroepen, namelijk de aanvullende beurs op basis van de WSF.

De IB-Groep is belast met het uitvoeren van zowel de inning van lesgelden als het verstrekken van de basis- en aanvullende beurs en studieleningen. De IB-Groep is een complexe organisatie met de nodige uitvoeringsproblemen en budgettaire knelpunten, zoals de tegenvallers ontstaan bij het zogenaamde herontwerpproject. Een balansverkorting zou het werk van de IB-Groep kunnen beperken en vereenvoudigen en daarmee een oplossing voor deze problemen bieden.

Probleemstelling

Het onderzoek heeft tot doel om na te gaan wat de mogelijkheden en de voor- en nadelen zijn van saldering van de les- en collegegelden met de voor lagere inkomensgroepen of voor alle ouders of studenten beschikbare tegemoetkomingen in de studiekosten of de kosten van levensonderhoud via het fiscaal stelsel. Daarbij moet tevens worden bezien hoe een dergelijke ingreep zich verhoudt tot het profijtbeginsel en de vrijheid van instellingen om eigen bijdragen te vragen en zelf de hoogte daarvan te bepalen.

Onderzoekvragen

* Beschrijf de voor- en nadelen van saldering van de lesgelden met de WTS en/of het fiscaal stelsel en/of de kinderbijslag. Besteed onder meer aandacht aan: de studiekosten en effecten op de onderwijsdeelname voor de verschillende inkomensgroepen, de effecten op de armoedeval, en de uitvoeringslasten van de betrokken regelingen.

* Beschrijf de voor- en nadelen van de saldering van collegegelden met de basisbeurs en/of het fiscaal stelsel. Besteed onder meer aandacht aan: de kosten van uit- en thuiswonenden, de effecten op de armoedeval en de uitvoeringslasten van de betrokken regelingen.
* Beschrijf de opties voor de taakuitoefening van de IB-Groep die uit het voorgaande voortvloeien. Besteed daarbij ook aandacht aan de mogelijkheid om de aanvullende beurs te fiscaliseren.

Deelnemende departementen

OCW, SZW, Finananciën, AZ, EZ.


8. IBO Toekomst van het arbeidsmarktbeleid

Aanleiding

De huidige arbeidsmarkt vertoont een dubbel gezicht: enerzijds is sprake van veel vacatures (200.000 op dit moment), anderzijds zijn er nog steeds veel mensen die vanwege werkloosheid een beroep doen op uitkeringen (waarvan ongeveer 600.000 in Abw en WW). Dit dubbele gezicht is gedeeltelijk te verklaren uit een mismatch van vraag en aanbod (bijvoorbeeld naar opleidingsrichting en regio). De vraag is echter ook in hoeverre mensen (financieel of anderszins) gestimuleerd worden werk te aanvaarden, resp. hoe de (financiële) prikkels bij de uitvoeringsorganisaties liggen om mensen feitelijk uit te laten stromen naar reguliere arbeid. Het arbeidsmarktbeleid is momenteel vrij nadrukkelijk georiënteerd op het stimuleren en creëren van arbeidsvraag (gesubsidieerde arbeid, arbeidskortingen). Het is de vraag of het huidige arbeidsmarktbeleid daarmee wel voldoende aansluit op de situatie op de arbeidsmarkt die sterk gewijzigd is ten opzichte van enkele jaren geleden toen het specifiek arbeidsinstrumentarium werd vormgegeven.

Probleemstelling

Centrale probleemstelling is de vraag of het
arbeidsmarktinstrumentarium in het licht van de huidige en te verwachten omstandigheden op de arbeidsmarkt doelmatig en doeltreffend is ingericht.

In de beoordeling daarvan worden betrokken: regelgeving, toepassing, bereik, complexiteit van de uitvoering, incentive-structuur (t.a.v. doelgroepen en uitvoerende instellingen), evenwicht tussen rechten en plichten, alsmede complementariteit en overlap in het beleid als geheel.

Criteria

Ter beoordeling van doelmatigheid en effectiviteit zijn de volgende criteria van belang:

* bereik in relatie tot doelstelling en doelgroep
* bereik in relatie tot kosten

* effectiviteit in termen van duurzaamheid: duurzame participatie (w.o. doorstroom in relatie tot uitval), bereiken van startkwalificaties, structurele vermindering uitkerings-afhankelijkheid en perspectiefvolle sociale activering

Onderzoeksaanpak

De onderzoeksaanpak zou kunnen bestaan uit de volgende onderdelen:
1. Literatuurstudie; wetenschappelijke publicaties, evaluatiestudies, beleidsnotas, overige publicaties.

2. Expertmeetings met relevante actoren en organisaties, zoals wetenschappers, gemeenten, sociale diensten, arbeidsbureaus, private intermediairs etc.

Deelnemende departementen: De betrokken departementen ( en andere organisaties) zijn: FIN, SZW, AZ, EZ, BZK, VWS, OC&W, CPB, SCP en externe deskundigen.

9. IBO CDV Accountancy

Aanleiding

In de tweede helft van de jaren 1980 is onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden om accountants-werkzaamheden bij het Rijk te privatiseren en de doelmatigheid te verbeteren. De resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in de rapportage van de interdepartementale werkgroep privatiserings-onderzoek accountantscontrole1. Een belangrijke constatering was dat de accountantscontrole bij de Rijksoverheid met ernstige problemen kampte, mede vanwege achterstanden in de kwantiteit en kwaliteit van de personele bezetting. In de advisering is ruime aandacht gegeven aan het wegwerken van deze achterstanden. Ten aanzien van uitbesteding is aanbevolen alleen over te gaan tot uitbesteding voor werkzaamheden met een meer incidenteel en aanvullende karakter. Dit zou volgens de werkgroep kunnen leiden tot een uitbestedingsniveau van circa 30% van de bestaande capaciteit. Ten aanzien van doelmatigheid zijn in de advisering twee opties naast elkaar gezet, waarbij in het ene geval de nadruk ligt op de versterking van de bestaande organisaties en uniformering en het tweede geval op samenvoeging van bestaande organisaties. Naar aanleiding van de rapportage van de werkgroep Peschar heeft het kabinet besloten dat de departementale accountantscontrole een essentiële interne functie binnen de ministeries is. Deze functie en de taken van de departementale accountantsdiensten zijn wettelijk vastgelegd. Voorts is besloten over te gaan tot uitbesteding van 30% van de bestaande personele capaciteit2. Ten aanzien van de doelmatigheid heeft de ministerraad besloten voor handhaving van de bestaande departementale accountantscontrole en een nadruk op uniformering en schaalvergroting.

De door de werkgroep Peschar gesignaleerde knelpunten ten aanzien van de accountantscontrole bij de Rijksoverheid zijn inmiddels goeddeels opgelost. Daarnaast hebben zich grote veranderingen voorgedaan in de kwaliteit van het financiële beheer bij de Rijksoverheid waardoor de controle efficienter kan plaatsvinden. Ook is sprake van veranderingen in de uitvoering van de controletaak: de rechtmatigheids-toetsing is van karakter veranderd door de automatisering en het belang van de doelmatigheidstoetsing is sterk toegenomen. Beide ontwikkelingen maken het zinvol om opnieuw naar de omvang van de uitbesteding te kijken. Bij de rechtmatigheidstoetsing gaat het daarbij om de vraag of het zinvol is de benodigde expertise binnen de overheid te ontwikkelen en/of in stand te houden. Bij de doelmatigheids-toetsing gaat het om de vraag in hoeverre kwaliteits- en kosten-voordelen te behalen zijn, mede in het licht van de fluctuerende werklast. De CDV-procedure, zoals beschreven in het handboek CDV, maakt het mogelijk om eventuele kwaliteits- en kostenverschillen op objectieve wijze in beeld te brengen.

Ten aanzien van de financiële omvang en de personeelssterkte geldt dat er momenteel ruim 800 werkzame personen zijn bij de departementale accountantsdiensten (inclusief de Interne Accountants-dienst Belastingen) en de Directie Accountancy Rijksoverheid, waarmee in totaal een bedrag is gemoeid van ruim ¦ 80 miljoen.

Probleemstelling

De centrale vraag die in het onderzoek moet worden beantwoord is in hoeverre door het concreet toepassen van het Handboek Competitieve Dienstverlening op de accountantscontrole bij het Rijk de volgende doelstellingen kunnen worden gerealiseerd: het behalen van budgettaire voordelen, het verbeteren van het functioneren van de dienstverlening, het stimuleren van competitief werken en denken, en het stimuleren van outputgericht werken en denken. Het onderzoek heeft als scope het totaal van de werkzaamheden van de accountantsdiensten binnen de Rijksoverheid. Echter bij het beantwoorden van de centrale vraag zal primair worden ingegaan op die werkzaamheden die de zogenaamde jaarrekeningcontrole betreffen.

Onderzoeksvragen


1. Wat is de reikwijdte van de CDV-procedure toegepast op de accountantscontrole bij het Rijk? Het gaat hierbij om het uitvoeren van de in het handboek uitgewerkte fase van reikwijdtebepaling, waarna besloten moet worden of de betrokken organisaties het CDV-traject in kunnen gaan en concrete en meetbare met de procedure te behalen doelstellingen moeten worden geformuleerd.


2. Wat zijn de verschillende mogelijke resultaten van de CDV-procedure (waaronder in ieder geval inbesteding op basis van de Meest Efficiënte Organisatie, uitbesteding en privatisering van de accountantscontrole)? Het gaat hierbij om het uitvoeren van de in het handboek uitgewerkte analysefase, waarbij gekomen moet worden tot een interne analyse, het opstellen van een voorlopig programma van eisen, het ontwikkelen van een globale Meest Efficiënte Organisatie, een marktverkenning en een financiële analyse.


3. Wat zijn, gegeven de onder (2) in kaart gebrachte mogelijke resultaten, de voor- en nadelen van het voortzetten van de CDV-procedure? Uitkomst hiervan is een analyserapport waarin een advies wordt geformuleerd over het al dan niet doorgaan met de CDV-procedure, en eventuele te zetten vervolgstappen (zoals het offertes vragen van interne en externe partijen (het definitief inzetten van het CDV-traject), privatisering, of het omvormen van de huidige organisatie tot MEO).


4. Welke aanpassingen dienen op basis van de ervaringen met het beantwoorden van bovenstaande vragen in het Handboek CDV te worden aangebracht?

Onderzoeksaanpak

Het onderzoek wordt aangepakt volgens de in het generieke Handboek Competitieve Dienstverlening (ontwikkeld in het IBO Ontwikkeling Instrumentarium Competitieve Dienstverlening) genoemde te hanteren procedures, methoden en technieken in de reikwijdtefase en de analysefase. Uitkomst is een analyserapport waarin een advies wordt geformuleerd over het al dan niet definitief inzetten van het CDV-traject. Bij het opstellen van dit analyserapport zal gebruik gemaakt worden van externe deskundigen met kennis van overheid en accountancy ten behoeve van de marktverkenning en de opstelling van de globale MEO. Daarnaast zal ook verslag moeten worden uitgebracht van de met het Handboek opgedane ervaringen, en mogelijke aanpassingen moeten worden geformuleerd.

Deelnemende departementen

Financiën, AZ, EZ, OCW, Verkeer en Waterstaat, BZK en drie externen.

10. Toegang tot zorg en indicatiestelling in de AWBZ

Aanleiding

Voor mensen die vanwege ouderdom of handicap beperkingen ervaren in het dagelijkse leven, bestaan in Nederland meerdere collectieve voorzieningen. Te denken valt aan de AWBZ, WVG en Welzijnswet voorzieningen.

De AWBZ bevat aanspraken op ouderenzorg (verpleeghuizen, verzorgingshuizen en thuiszorg), gehandicaptenzorg en geestelijke gezondheidszorg. In 2000 zijn de AWBZ uitgaven ca. 32 mld.

Met de WVG voorzieningen is ca. 1,6 mrd gemoeid, met de Welzijnswetvoorzieningen is ca. 1 mrd gemoeid.

Deze voorzieningen zijn ieder op een eigen leest geschoeid. Een doelmatige ondersteuning van deze mensen vergt een goede onderlinge afstemming van deze voorzieningen. Ook voor de cliënt is het van belang dat hij/zij bij één loket terecht kan met zijn behoefte. Om dit te bereiken is de onafhankelijke objectieve integrale indicatiestelling in het leven geroepen.

Uitgaande van een bepaalde zorgbehoefte is een doelmatige uitvoering en afstemming van alle collectieve voorzieningen de beste weg om te komen tot kostenbeheersing. Een integrale indicatiestelling draagt hieraan bij.

Door middel van indicatiestelling wordt getoetst of een cliënt met een zorgvraag een beroep kan doen op voorzieningen uit hoofde van de AWBZ, Welzijnswet of WVG. De indicatiestelling is dus bepalend voor de toegang tot de bestaande voorzieningen. Voor het grootste deel van de AWBZ voorzieningen geldt bovendien dat er sprake is van verzekeringsaanspraken. Recente jurisprudentie wijst uit dat deze aanspraken in beginsel juridische afdwingbaar zijn.

Deze indicatiestelling voor de AWBZ wordt voor het grootste deel worden uitgevoerd door Regionale Indicatie Organen (RIOs), die onder de verantwoordelijkheid van gemeenten vallen.

Gemeenten hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de indicering van gemeentelijke voorzieningen in het kader van de WVG en Welzijnswet (alleen de indicering voor woningaanpassingen boven de 45.000,- zijn verplicht ondergebracht bij het RIO). In verband met de gewenste integraliteit van de indicatiestelling worden gemeenten gestimuleerd om de indicatiestelling onder te brengen bij de RIOs. Gemeenten doen dit ook in toenemende mate.

De RIOs zijn in 1997 opgericht en bevinden zich in een ontwikkelingsfase. De indicatiestelling moet volgens het huidige beleid aan drie eisen voldoen; onafhankelijkheid, objectiviteit en integraliteit.

De indicatiestelling wordt steeds belangrijker:
* Het indicatie advies bepaalt wat de zorgbehoefte is binnen het kader van de verschillende voorzieningen. Indicatiestelling in combinatie met de AWBZ aanspraken zijn bepalende factoren geworden voor de toegang tot AWBZ-zorg.

* Door het gemeentelijk beleid komt de indicering voor gemeentelijke voorzieningen in toenemende mate bij het RIO te liggen.
* De rechterlijke uitspraken over wachtlijsten thuiszorg en gehandicaptenzorg waarin gesteld wordt dat iemand met een indicatie voor zorg gerelateerd aan een AWBZ aanspraak een recht op zorg heeft binnen een redelijke termijn.
* De in het kader van de modernisering AWBZ door het kabinet nagestreefde vraagsturing in de AWBZ (en andere voorzieningen). De indicatiestelling valideert de vraag naar voorzieningen.
* De zorgkantoren moeten aan de zorgvraag in hun regio voldoen. De vastgestelde zorgbehoefte komt tot uitdrukking in de indicaties. De indicatie bepaalt de zorg waar men aanspraak op kan maken. De indicatiestelling is dus een belangrijke factor om tot een goede verdeling van de middelen te komen.

* De indicatiestelling op zichzelf is geen instrument om de macro-uitgaven voor de verschillende voorzieningen te beheersen (de indicatiestelling beoogt iedereen die zorg te geven, waar hij conform de aanspraken recht op heeft). In een vraaggestuurd stelsel worden de uitgaven beheerst door de toegang te reguleren. Hierbij valt te denken aan de omvang van het pakket, de normering van de wachttijden, hanteren omslagpunten bij aanspraken etc.
* Een goed functionerende indicatiestelling is echter wel onmisbaar om in een vraaggestuurd stelsel de macro-uitgaven te beheersen. Belangrijkste aandachtspunt hier is het voorkomen van een indicering door het indicatieorgaan die verder gaat dan de protocollen aangeven. De indicatiestelling dient zo te worden ingebed dat dit goed functioneren is gewaarborgd.

Probleemstelling

1. Hoe kan een goed functionerende, onafhankelijke, objectieve en integrale indicatiestelling worden gewaarborgd voor het geheel van collectieve voorzieningen in het kader van de ouderenzorg en de gehandicaptenzorg?

2. Welke instrumenten (toezicht, benchmarking, verantwoording etc.) zijn nodig om de doelmatigheid en objectiviteit van de indicatiestelling te waarborgen zonder de onafhankelijkheid ter discussie te stellen?

3. Hoe kan de indicatiestelling bijdragen aan een goede afstemming tussen de verschillende vormen van voorzieningen en een doelmatige voorzieningenverlening?

4. Hoe kan worden voorkomen dat de indicatiestelling leidt tot een onbeheersbaar stelsel van collectieve voorzieningen en welke vormen van toegangsregulering zijn in een vraaggestuurd stelsel geschikt om te komen tot beheersing van de macro-uitgaven?

Ad 1: Onder een goed functionerende (doelmatige) indicatiestelling wordt verstaan dat iedereen die op basis van objectieve criteria behoefte heeft aan AWBZ-zorg ook een bijpassende indicatie krijgt. Dit betekent dat er niet meer en niet minder wordt geïndiceerd dan de objectieve zorgbehoefte. Deze vraag heeft dus geen betrekking op de problemen die optreden wanneer een goed functionerende indicatiestelling resulteert in aanmerkelijk grotere toe te wijzen zorgvraag dan aanvankelijk geraamd.

Gegeven de pilot-status van de indicatiestelling in de GGZ wordt het onderzoek beperkt tot de ouderenzorg en de gehandicaptenzorg.

Onderzoeksvragen

1. In hoeverre wordt in de huidige organisatie van de indicatiestelling (inclusief de nog op korte termijn door te voeren kwaliteitsslagen) gewaarborgd dat iedereen, die een objectief vaststelbare behoefte heeft aan collectief gefinancierde voorzieningen, ook een bijpassende indicatie krijgt?
2. In hoeverre worden de overige doelen (doelmatige indicering, afstemming van voorzieningen, doelmatige
voorzieningenverstrekking) van de indicatiestelling gerealiseerd?
3. Wat is hierbij een goede verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk, gemeenten en zorgkantoren?

4. Welke instrumenten (toezicht, benchmarking, verantwoording etc.) zijn nodig om de doelmatigheid en objectiviteit van de indicatiestelling te waarborgen zonder de onafhankelijkheid ter discussie te stellen?

5. Welke andere organisatievormen zijn mogelijk om dit beter te waarborgen en in welke mate voldoen de verschillende varianten en de bestaande organisatie van de indicatiestelling door de RIOs aan de criteria objectiviteit, onafhankelijkheid, integraliteit en doelmatigheid?

6. Hoe integraal moet de indicatiestelling zijn? In hoeverre leidt een meer integrale indicatiestelling tot een grotere doelmatigheid? Daarbij kan gekeken worden naar WVG, Wet REA, hulpmiddelen, WSW, maatschappelijke opvang, maatschappelijk werk en sociale activering.

7. Is de huidige rol van de gemeenten geschikt om de doelen van de indicatiestelling te realiseren?

8. Welke vormen van toegangsregulering zijn in een vraaggestuurd stelsel geschikt om te komen tot beheersing van de macro-uitgaven? Biedt de bestaande inbedding van het indicatie-orgaan voldoende waarborgen om de onbeheersbaarheid van de collectieve voorzieningen te voorkomen?

9. Welke rol kunnen protocollen, omvang van het pakket, de normering van de wachttijden en het hanteren van omslagpunten bij aanspraken spelen bij de toegangsregulering.

Onderzoeksaanpak

In het onderzoek zullen interviews met deskundigen in en buiten de AWBZ worden afgelegd. Daarnaast wordt literatuuronderzoek verricht.

Ervaringen met de indicatiestelling voor met AWBZ vergelijkbare zorg in andere landen en ervaringen met de beoordeling van verzekerde feiten in andere sectoren (inclusief particuliere verzekeringsmarkt) worden eveneens bij het onderzoek betrokken.

Deelnemers

VWS, FIN, SZW, BZK, EZ, AZ en VNG.

11. Onderzoeksvoorstel IBO Decentralisatie Exploitatie OV

Aanleiding

Per 1 januari 1998 is een nieuwe financieringssystematiek voor de exploitatie van het stads- en streekvervoer ingevoerd met meer prikkels gericht op een verbetering van de prestatie van het OV. Deze financieringssystematiek is mede ingegeven vanuit de dubbeldoelstelling van het kabinet voor het OV: vervoersgroei in combinatie met een hogere kostendekkingsgraad (dat is: een evenwichtiger verhouding tussen reizigersopbrengsten en de rijksbijdrage). Hierbij hebben 35 decentrale OV-autoriteiten de verantwoordelijkheid van opdrachtgever en subsidiegever gekregen. Aan deze systematiek lag het IBO-onderzoek bekostiging stads- en streekvervoer (december 1997) ten grondslag. De nieuwe systematiek is vastgelegd in de Regeling rijksbijdrage Openbaar Vervoer. Het is een specifieke uitkering die vooral is gestoeld op de genoemde dubbeldoelstelling van het kabinet.

In het huidige concept van het nationale verkeers- en vervoersplan (NVVP) wordt naast de prestatie, vooral gericht op verbetering van de bereikbaarheid en vitaliteit van stedelijke gebieden, als ambitie ook de sociale functie van het OV van belang geacht. Verder wordt in het NVVP ook nadrukkelijk ingezet op verdergaande vormen van decentralisatie (Bestuur op Maat).

De eerste indruk is dat de nieuwe financieringssystematiek heeft bijgedragen aan een fundamentele omslag in het denken en doen ten aanzien van het Openbaar Vervoer. Niet langer stonden de kosten centraal maar is er veel meer oog gekomen voor de opbrengsten. Er zijn echter ook keerzijden. Er lijkt een verschuiving in de verdeling van de rijksbijdrage tussen de sterk verstedelijkte gebieden en de landelijke gebieden te ontstaan. Dit vloeit voort uit de veel hardere groei van de vervoersprestatie in de stedelijke gebieden dan die in de landelijke gebieden waarbij de bijdrage voor beiden uit hetzelfde gelimiteerde budget komt (van in totaal ca. 2,2 miljard met een jaarlijkse groei van 2%). De vraag is of daarmee het voorzieningenniveau in de landelijke gebieden zodanig kan worden vormgegeven dat mede in relatie met de grotendeels gedecentraliseerde budgetten van doelgroepenvervoer (leerlingen, gehandicapten) aan de sociale functie recht kan worden gedaan. De impuls voor OV-projecten die voortvloeit uit het Bereikbaarheidsoffensief Randstad en die naar verwachting zal leiden tot een groei van het OV in de Randstad zal dit effect nog eens kunnen versterken.

Verder speelt het feit dat de huidige systematiek onvoldoende aansluit bij de behoeften van de andere overheden. Dit komt enerzijds door de complexiteit van de systematiek en anderzijds door de behoefte om, als gevolg van de concessiesystematiek, voor langere termijn afspraken te maken met vervoerbedrijven. De systematiek zou hier meer zekerheid voor moeten bieden. Het is de vraag of het instrument van de Meerjarenafspraken dat op dit moment, in de vorm van pilots voor een beperkt aantal gebieden, nader wordt uitgewerkt hiervoor wel de meest geëigende oplossing vormt.

Tot slot wordt door het IBO verbetering afwegingsmechanisme infrastructuur gesteld dat, gelet op de effectiviteit en efficiency, nader gekeken dient te worden naar de relatie tussen investeringen in infrastructuur en de exploitatiegelden gericht op de mogelijkheden voor verdere ontschotting. De gedachte hierbij is dat de verdelingssystematiek van de exploitatiegelden beter zou moeten aansluiten op de in 2003 te decentraliseren budgetten voor lokale en regionale infrastructuurinvesteringen. Hierbij speelt de vraag of het, gelet op de ambities, gewenst is de beslissingen over investeringen en exploitatie zoveel mogelijk in één - decentrale - hand te leggen

Vraagstelling

Welke financieringssystematiek sluit gelet op de meerjarig beschikbare middelen en vanuit de gedachte van decentralisatie het beste aan op een effectieve en efficiënte realisatie van de OV-doelen voor het stad- en streekvervoer waarbij rekening gehouden wordt met:
1. De meerjarige (max. 6 jaar) aanbestedingen door de decentrale overheden zoals die binnen de wet Personenvervoer tot stand zullen komen en:

2. De investeringen voor infrastructuur.

Bij het uitwerken van de mogelijke opties voor de financieringssystematiek wordt het al dan niet integreren van het exploitatiebudget OV met de beschikbare middelen voor de contractsector als optie meegenomen.

Onderzoeksvragen

1. Welke mogelijke opties voor de financieringssystematiek zijn er denkbaar?

2. Geef de voor en nadelen van deze opties in hun effect naar de realisatie van de OV-ambities en de in de vraagstelling genoemde criteria (de bijdrage aan een adequate aanpak van de aanbesteding en de afstemming met de te decentraliseren investeringen in infrastructuur)

3. Geef aan welke optie op basis van punt 2 kan worden aanbevolen
4. Geef een uitwerking van (de hoofdlijnen van) de nieuwe verdelingsmethodiek

Onderzoeksaanpak

Het IBO zal moeten bestaan uit deskstudie, evaluatie door betrokkenen van de huidige systematiek, een aantal workshops met deskundigen en belanghebbenden over de nieuwe systematiek en een uitwerking op hoofdlijnen van de nieuwe systematiek zo nodig met hulp van een extern bureau.

Deelnemende departementen

Financiën, BZK, V&W, VROM, EZ, AZ, de decentrale overheden of hun koepelorganisaties.

12. IBO CDV Postverwerking rijksoverheid

Aanleiding

De organisatie van de postverwerking verschilt aanzienlijk binnen de Rijksoverheid. In sommige gevallen is sprake van aparte postkamers waar de postontvangst, distributie, en verzending wordt geregeld; op andere departementen is de organisatie van de postverwerking aan andere diensten gekoppeld en bijvoorbeeld gecombineerd met de repro, het magazijn of de archivering. Daarnaast is er in het ene geval sprake van samenwerkingsverbanden tussen de verschillende departementen (bijvoorbeeld waar het gaat om de postverzending tussen een aantal ministeries onderling, in de vorm van de IPKD, de Interdepartementale Post- en Koeriersdienst), terwijl andere de postverwerking zelfstandig organiseren.Tot slot hebben sommige departementen (grote delen van) de postverwerking - al dan niet gekoppeld aan andere diensten - uitbesteed, terwijl anderen het merendeel zelf verzorgen.

Bij al deze verscheidenheid ontbreekt inzicht in de doelmatigheid en de bedrijfsvoering van de postverwerking. Hoewel er in de afgelopen jaren wel initiatieven zijn genomen ter verbetering van de bedrijfsvoering van (onderdelen van) de postverwerking en met het oog op doelmatigheidsverbeteringen een begin is gemaakt met samenwerking tussen verschillende departementen, is tot nog toe echter niet duidelijk of alle mogelijkheden tot kwaliteitsverhoging en kostenbesparing zijn benut, en of met het oog op nieuwe ontwikkelingen, zoals de trend richting digitalisering van de postverwerking, de huidige organisatievormen voldoende flexibel zijn om hierop in te spelen. Departementen evalueren voor zover bekend wel zelf regelmatig de mogelijkheden tot verbetering, maar op rijksniveau is er geen sprake van een breder overzicht en inzicht. Doel van dit interdepartementale beleidsonderzoek CDV Postverwerking is het benodigde inzicht te vergroten door toepassing van het instrumentarium van Competitieve Dienstverlening, overeenkomstig de procedure zoals beschreven in het Rijksbreed Handboek CDV.

De personeelsomvang betrokken bij de postverwerking is moeilijk vast te stellen, deels vanwege de grote verscheidenheid aan organisatievormen. De schattingen die voorhanden zijn wijzen op een omvang van 10 á 15 ftes werkzaam ten behoeve van de postverwerking in enge zin per kerndepartement, in totaal dus zon 130 tot 195 ftes, oftewel een relatieve omvang van rond de 1 procent van de ftes. Bij de gehele Rijksoverheid zijn naar schatting ca 1000 ftes werkzaam ten behoeve van de postverwerking in enge zin. Dit onderzoek kan echter ook betrekking hebben op andere activiteiten (zoals repro, archivering) voorzover deze verbonden zijn of verbonden zouden kunnen worden met de postverwerking.

Probleemstelling

De centrale vraag die in het onderzoek moet worden beantwoord is in hoeverre door het concreet toepassen van het Rijksbreed Handboek Competitieve Dienstverlening bij de organisatie van de postverwerking binnen de rijksoverheid - in ieder geval departementen inclusief uitvoerende diensten waaronder agentschappen - de volgende doelstellingen kunnen worden gerealiseerd: het verbeteren van het functioneren van de postverwerking, het behalen van budgettaire voordelen, het stimuleren van competitief werken en denken, en het stimuleren van outputgericht werken en denken.

Onderzoeksvragen


1. Wat is de reikwijdte van de CDV-procedure toegepast op de postverwerking? Het gaat hierbij om het uitvoeren van de in het handboek uitgewerkte fase van reikwijdtebepaling, waarna besloten moet worden of de postverwerkingsactiviteiten het CDV-traject in kunnen gaan en concrete en meetbare met de procedure te behalen doelstellingen moeten worden geformuleerd. Specifiek aandacht vraagt de begrenzing van de te onderzoeken dienstverlening, waarbij het gaat om vragen als waaruit bestaat het proces van postverwerking (denk aan functies als ontvangst, registratie, distributie, archivering, verzending, bezorging, et cetera); welke organisatie-onderdelen zijn bij het proces betrokken?; in hoeverre is het proces van postverwerking gekoppeld aan andere functies?


2. Wat zijn de verschillende mogelijke resultaten van de CDV-procedure (waaronder in ieder geval inbesteding op basis van de Meest Efficiënte Organisatie, uitbesteding en privatisering van de postverwerking)? Het gaat hierbij om het uitvoeren van de in het handboek uitgewerkte analysefase, waarbij gekomen moet worden tot een interne analyse, het opstellen van een voorlopig programma van eisen, het ontwikkelen van een globale Meest Efficiënte Organisatie, een marktverkenning en een financiële analyse.


3. Wat zijn, gegeven de onder (2) in kaart gebrachte mogelijke resultaten, de voor- en nadelen van het voortzetten van de CDV-procedure? Uitkomst hiervan is een analyserapport waarin een advies wordt geformuleerd over het al dan niet doorgaan met de CDV-procedure, en eventuele te zetten vervolgstappen (zoals het offertes vragen van interne en externe partijen (het definitief inzetten van het CDV-traject), privatisering of het omvormen van de huidige organisatie tot MEO).


4. Welke aanpassingen dienen op basis van de ervaringen met het beantwoorden van bovenstaande vragen in het Handboek CDV te worden aangebracht?

Onderzoeksaanpak

Het onderzoek wordt aangepakt volgens de in het generieke Handboek Competitieve Dienstverlening (ontwikkeld in het IBO Ontwikkeling Instrumentarium Competitieve Dienstverlening) genoemde procedures, methoden en technieken in de reikwijdtefase en de analysefase. Daarbij ligt het voor de hand om in eerste instantie een brede blik te hanteren en informatie op het rijksbrede niveau in te winnen, en vervolgens op basis van de rijksbrede inventarisatie tot een toespitsing te komen en een selectie van organisaties nader te bestuderen. Uitkomst is een analyserapport waarin een advies wordt geformuleerd over het al dan niet definitief inzetten van het CDV-traject, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek per organisatie afzonderlijk, of in een breder verband. Bij het opstellen van dit analyserapport zal gebruik gemaakt worden van extern advies, o.a. ten behoeve van de marktverkenning en de opstelling van de globale MEO. Daarnaast zal ook verslag moeten worden uitgebracht van de met het Handboek opgedane ervaringen, en mogelijke aanpassingen moeten worden geformuleerd.

Deelnemende departementen

Alle departementen.

13. IBO CDV Facilitaire Salarisbureau's

Aanleiding

De bedrijfsvoering en de doelmatigheid van de verschillende Facilitaire Salarisbureau's (FSB's) vormen reeds enige jaren punt van aandacht. Zo zijn er enkele jaren geleden gesprekken gevoerd over de verbetering van de bedrijfsvoering van de verschillende FSB's en is met het oog op doelmatigheidsverbeteringen nagedacht over mogelijke samenwerking met andere departementen. Tot nog toe is echter nog niet duidelijk op welke wijze de dienstverlening van de FSB's optimaal kan worden georganiseerd en de doelmatigheid kan worden vergroot. Doel van dit interdepartementale beleidsonderzoek CDV FSB's is het benodigde inzicht te vergroten door toepassing van het instrumentarium van Competitieve Dienstverlening. Dit instrumentarium van Competitieve Dienstverlening - waarbij ondersteunende diensten in competitief verband worden vergelijken met private aanbieders - is recent ontwikkeld in het IBO Ontwikkeling Instrumentarium Competitieve Dienstverlening (CDV). Concreet resultaat van dit IBO was onder andere een Rijksbreed Handboek CDV, waarin een stappenplan wordt beschreven waarmee interne dienstverlening in competitief verband kan worden vergeleken met potentiële externe dienstverlening op basis van objectiveerbare en meetbare gegevens. Nevendoelstelling van het IBO CDV FSB's is om met door de concrete toepassing op het terrein van de Facilitaire Salarisbureau's met dit Handboek ervaring op te doen. (PM Budgettair belang en personeelsomvang).

Probleemstelling

De centrale vraag die in het onderzoek moet worden beantwoord is in hoeverre door het concreet toepassen van het Handboek Competitieve Dienstverlening bij de Facilitaire Salarisbureau's de volgende doelstellingen kunnen worden gerealiseerd: het verbeteren van het functioneren van de dienstverlening van de FSB's, het behalen van budgettaire voordelen, het stimuleren van competitief werken en denken, en het stimuleren van outputgericht werken en denken.

Onderzoeksvragen


1. Wat is de reikwijdte van de CDV-procedure toegepast op de Facilitaire Salarisbureau's? Het gaat hierbij om het uitvoeren van de in het handboek uitgewerkte fase van reikwijdtebepaling, waarna besloten moet worden of de FSB's het CDV-traject in kunnen gaan en concrete en meetbare met de procedure te behalen doelstellingen moeten worden geformuleerd.


2. Wat zijn de verschillende mogelijke resultaten van de CDV-procedure (waaronder in ieder geval inbesteding op basis van de Meest Efficiënte Organisatie, uitbesteding en privatisering van de interne FSB's)? Het gaat hierbij om het uitvoeren van de in het handboek uitgewerkte analysefase, waarbij gekomen moet worden tot een interne analyse, het opstellen van een voorlopig programma van eisen, het ontwikkelen van een globale Meest Efficiënte Organisatie, een marktverkenning en een financiële analyse.


3. Wat zijn, gegeven de onder (2) in kaart gebrachte mogelijke resultaten, de voor- en nadelen van het voortzetten van de CDV-procedure? Uitkomst hiervan is een analyserapport waarin een advies wordt geformuleerd over het al dan niet doorgaan met de CDV-procedure, en eventuele te zetten vervolgstappen (zoals het offertes vragen van interne en externe partijen (het definitief inzetten van het CDV-traject), privatisering of het omvormen van de huidige organisatie tot MEO).


4. Welke aanpassingen dienen op basis van de ervaringen met het beantwoorden van bovenstaande vragen in het Handboek CDV te worden aangebracht?

Onderzoeksaanpak

Het onderzoek wordt aangepakt volgens de in het generieke Handboek Competitieve Dienstverlening (ontwikkeld in het IBO Ontwikkeling Instrumentarium Competitieve Dienstverlening) genoemde te hanteren procedures, methoden en technieken in de reikwijdtefase en de analysefase. Uitkomst is een analyserapport waarin een advies wordt geformuleerd over het al dan niet definitief inzetten van het CDV-traject. Bij het opstellen van dit analyserapport zal gebruik gemaakt worden van extern advies ten behoeve van o.a. marktverkenning en de opstelling van de globale MEO. Daarnaast zal ook verslag moeten worden uitgebracht van de met het Handboek opgedane ervaringen, en mogelijke aanpassingen moeten worden geformuleerd.

Deelnemende departementen

Alle departementen.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie