Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Voorhangbrieven stichtingen tegoeden Tweede Wereldoorlog

Datum nieuwsfeit: 21-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Financiën
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financiën

Titel: Voorhangbrieven stichtingen



Tegoeden Tweede Wereldoorlog

Aan:

De Voorzitters van de Eerste en van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal

Uw brief van/kenmerk Ons kenmerk Den Haag PTG 00/ 736 M 21 september 2000

Onderwerp

Voorhangbrieven stichtingen


1. Inleiding


Het kabinet heeft bij brief van 21 maart 2000 (Kamerstukken II, 1999/2000, 25 839, nr. 13) aangegeven dat de verdeling van de gelden die beschikbaar zijn gesteld aan de joodse gemeenschap, en de Sinti en Roma plaats dient te vinden in een publiekrechtelijk kader. Over de concrete invulling van dat kader alsmede over de uitkeringsreglementen is de afgelopen weken met vertegenwoordigers van de verschillende gemeenschappen veelvuldig en constructief overleg gepleegd. De uitkomsten van dat overleg hebben hun weerslag gevonden in deze brief die moet leiden tot de oprichting van drie stichtingen. In afwijking van de oprichting bij wet, beoogt het kabinet met deze brief op grond van artikel 29 van de Comptabiliteitswet, een zogenaamde voorhangprocedure te starten. Voor deze procedure is gekozen gelet op de wenselijkheid om zo snel mogelijk over te kunnen gaan tot daadwerkelijke uitkering van de gelden.

Over het voornemen tot het oprichten van deze stichtingen is overleg gevoerd met de Algemene Rekenkamer in het kader van artikel 63 van de Comptabiliteitswet. De Algemene Rekenkamer heeft als enige opmerking dat in lijn met de andere statuten van de joodse stichtingen opname van een evaluatiebepaling in de statuten van de stichting Rechtsherstel Sinti en Roma wenselijk is. Aan deze wens is door het kabinet gehoor gegeven. De reactie van de Algemene Rekenkamer is als bijlage bijgevoegd.

Het kabinet heeft met het starten van deze voorhangprocedure willen wachten tot de rechterlijke uitspraak in het kort geding tegen de Staat waarvan melding werd gemaakt in de brief aan Uw Kamer van 28 augustus jl. De rechter heeft op 20 september jl. uitspraak gedaan in het kort geding en de vordering van de eisers afgewezen.

Na afronding van de voorhangprocedure zullen de stichtingen de nog noodzakelijke voorbereidingen treffen om tot verstrekking van individuele uitkeringen over te kunnen gaan. De planning voorziet dat de eerste betalingen in 2000 worden gedaan.

De volgende stukken zijn als bijlagen bij deze brief gevoegd:


* De concept-statuten van de Stichting Maror-gelden Overheid; Stichting Joods Humanitair Fonds en de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma.
* De concept-uitkeringsreglementen van de Stichting Maror-gelden Overheid en de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma. Het overleg over het uitkeringsreglement voor de Stichting Joods Humanitair Fonds is nog niet afgerond omdat de inrichting van de Stichting Maror-gelden Overheid de prioriteit heeft gekregen in verband met de noodzakelijke voortvarendheid bij het verstrekken van de individuele uitkeringen. Om diezelfde redenen ontbreekt nog het uitkeringsreglement voor de projectuitkeringen ten behoeve van de Roma en Sinti. Nadat het overleg over deze reglementen is afgerond, zullen deze aan Uw Kamer worden voorgelegd.

In de zogenaamde financiële brieven van de minister aan de stichtingen staan afspraken ten behoeve van een rechtmatige en doelmatige besteding van de gelden. Zo zijn onder meer afspraken opgenomen over de wijze waarop de gelden worden overgemaakt, de wijze waarop over de gelden verantwoording moet worden afgelegd, en welke informatie het jaarverslag in ieder geval dient te bevatten (aantal aanvragen, uitkeringen, afwijzingen, bezwaarschriften etc.) Ook is opgenomen dat de Algemene Rekenkamer controlebevoegdheden heeft bij de stichtingen. Over de concepten is overleg gevoerd met de Algemene Rekenkamer.

Voor alle stichtingen geldt dat de gelden tegen rente op een rekening-courant bij de Staat zullen worden aangehouden, het zogenaamde schatkistbankieren. Zoals Uw Kamer reeds is gemeld, wordt vanaf 21 maart 2000 over het bedrag rente vergoed volgens een vaste systematiek. De rente valt toe aan het vermogen van de stichting. Over de rentetarieven zal het stichtingsbestuur een zogenaamd rentearrangement afsluiten met de Staat.

Over de statuten, uitkeringsreglementen en financiële brieven bestaat overeenstemming tussen de betrokken partijen. Per stichting worden hierna achtereenvolgens de hoofdpunten toegelicht.


2. Stichting Maror-gelden Overheid

Over de statuten van de Stichting Maror-gelden Overheid en het uitkeringsreglement is overleg gevoerd met het Centraal Joods Overleg, het Platform Israël, en het Adviescollege Restitutie en Verdeling.

De Stichting Maror-gelden Overheid zal voor f 350 miljoen aan individuele uitkeringen en projectuitkeringen verstrekken. Hiertoe kent de Stichting drie Kamers. Kamer I zal besluiten over de individuele uitkeringen, Kamer II over de uitkeringen ten behoeve van collectieve joodse doelen in Nederland en Kamer III over de uitkeringen ten behoeve van collectieve joodse doelen in Israël. Elke Kamer zal van het stichtingsbestuur een mandaat krijgen om uitkeringsaanvragen in behandeling te nemen en af te doen. De Kamers worden ondersteund door een uitvoeringsorganisatie die is geselecteerd door de betrokken joodse organisaties.

Het stichtingsbestuur zal bestaan uit ten minste drie personen die worden voorgedragen door het Centraal Joods Overleg (CJO) en het Platform Israël. De benoeming van de bestuursleden en hun plaatsvervangers behoeft goedkeuring van de Minister van Financiën.

De stichting zal ook een Raad van Advies en een College van deskundigen instellen die kunnen adviseren over collectieve doelen die in de Kamers II en III aan de orde komen. De leden worden benoemd door het bestuur. Ook zal de stichting een bezwarencommissie instellen, bestaande uit door het bestuur te benoemen onafhankelijke deskundigen. Bezwaar en beroep tegen genomen besluiten kan worden ingesteld op basis van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij de toezichtsstructuur heeft het kabinet getracht een juist evenwicht te vinden tussen voldoende betrokkenheid enerzijds, en gepaste afstand anderzijds. Om de ministeriële verantwoordelijkheid inhoud te kunnen geven, heeft de Minister van Financiën een aantal sturings- en controle-instrumenten zoals goedkeuringsrecht ten aanzien van (wijzigingen van) de statuten en het uitkeringsreglement alsmede ten aanzien van de benoeming van de bestuursleden en hun plaatsvervangers.

Het bestuur van de stichting zal periodiek verantwoording afleggen aan de Minister over de uitvoering van zijn financiële en bestuurlijke taken.Tevens zal het bestuur haar werkzaamheden periodiek evalueren. Ook is geregeld dat de Minister van Financiën een algemene aanwijzingsbevoegdheid heeft.


3. De Stichting Joods Humanitair Fonds

De Stichting Joods Humanitair Fonds heeft ten doel het beheren en (doen) verdelen van f 50 miljoen, ten behoeve van humanitaire projecten in het buitenland. De projectenuitkeringen worden verstrekt op basis van een uitkeringsreglement dat door het bestuur wordt vastgesteld na goedkeuring van de Minister van Financiën.

Op deze stichting zijn vrijwel dezelfde statutaire bepalingen van toepassing als op de Stichting Maror-gelden Overheid.


4. De Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma

Over de statuten van de stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en het uitkeringsreglement voor de individuele uitkeringen is overleg gevoerd met vertegenwoordigers van de Sinti en Roma.

De stichting zal voor f 30 miljoen aan individuele uitkeringen en projectuitkeringen verstrekken. Dit zal geschieden op basis van de door het bestuur vast te stellen uitkeringsreglement dat moet worden goedgekeurd door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Het bestuur van de stichting zal bestaan uit ten minste vijf personen. De benoeming van de bestuursleden behoeft goedkeuring van de minister van VWS.

Het bestuur van de stichting beslist over de uitkeringen op advies van twee Raadkamers, één voor de individuele uitkeringen, en één voor de projectuitkeringen.

De Kamers worden ondersteund door een uitvoeringsorganisatie die is geselecteerd door vertegenwoordigers van Sinti en Roma.

De stichting zal een bezwarencommissie instellen, bestaande uit door het bestuur te benoemen onafhankelijke deskundigen. Bezwaar en beroep kan worden ingesteld op basis van de Algemene wet bestuursrecht.

De toezichtsstructuur komt in grote lijnen overeen met die van de twee hiervoor genoemde stichtingen.

De Minister van Financiën

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

OPRICHTING

van de stichting:

STICHTING MAROR-GELDEN OVERHEID,

gevestigd te Amsterdam

Heden, ** tweeduizend, is voor mij, mr. Frank Jan Oranje, notaris met plaats van vestiging 's-Gravenhage, verschenen:


**, te dezen handelend als schriftelijk gevolmachtigde van:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid: Centraal Joods Overleg Externe Belangen, statutair gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te (1081 BT) Amsterdam, Van der Boechorststraat 26, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam onder nummer 33306792;


2. de naar het recht van Israël opgerichte rechtspersoon: Platform Israël (A.R.), gevestigd te Ramat Gan (Israël), voorlopig kantoorhoudende te Ramat Gan (Israël), per adres Jeelim Street 7, Ramat Gan 52596, ingeschreven in het "Registrar of Amutot" te Jeruzalem onder nummer 58-035-457-9.

Volmachten.

Van de volmachten aan de comparant blijkt uit twee onderhandse akten van volmacht, welke aan deze akte worden gehecht.

De comparant, handelend als gemeld, heeft verklaard,

in aanmerking nemende,


- dat de Nederlandse regering bij brief van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van eenentwintig maart tweeduizend (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 25 839, nummer 13), als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen in het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog en in het overheidshandelen ter zake, onder meer heeft toegezegd gelden ter beschikking te stellen teneinde finaal recht te doen aan de kritiek op de bejegening van de betrokken vervolgingsslachtoffers in het rechtsherstel en de gevolgen die dat heeft gehad voor hun verdere bestaan;


- dat het beheer en het (doen) verdelen van de door de regering aan de Joodse vervolgingsslachtoffers ter beschikking te stellen gelden zal geschieden door na te noemen stichting;


- dat de uitvoering hiervan zal plaatsvinden binnen een publiekrechtelijk kader;


- dat de stichting door haar taak de gelden te (doen) verdelen wordt geacht met openbaar gezag te zijn bekleed en dientengevolge vanaf het moment waarop deze taak wordt uitgevoerd, is aan te merken als een zelfstandig bestuursorgaan;


- dat de formele oprichtingshandeling niet door de Staat der Nederlanden zal worden verricht;


- dat de oprichting van de stichting in termen van artikel 29, eerste lid, van de Comptabiliteitswet, hierna aan te duiden als: "de Wet", niettemin is te karakteriseren als het doen oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon door de Staat der Nederlanden;


- dat dit doen oprichten van de stichting dientengevolge niet eerder zal plaatsvinden dan dertig dagen nadat van het voornemen daartoe door de betrokken ministers, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, schriftelijk mededeling is gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal;


- dat deze schriftelijke mededeling heeft plaatsgevonden, waarvan blijkt uit twee brieven van de Minister van Financiën, gericht aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal onderscheidenlijk aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, beide daterend van ** tweeduizend, welke brieven in kopie aan deze akte

./. worden gehecht;


- **,

ter uitvoering van de hiervoor vermelde overwegingen bij dezen op te richten een stichting en voor deze stichting vast te stellen de navolgende statuten:

Naam en zetel.

Artikel 1.


1. De stichting draagt de naam: Stichting Maror-gelden Overheid.


2. Zij heeft haar zetel in de gemeente Amsterdam.
Doel en middelen.

Artikel 2.


1. De stichting heeft ten doel het beheren en (doen) verdelen van de gelden, welke door de rijksoverheid eenmalig ter beschikking zijn gesteld aan de Nederlands-Joodse gemeenschap als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen in het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog en in het overheidshandelen ter zake, zoals bedoeld in de brief van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van eenentwintig maart tweeduizend (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 25 839, nummer 13), een en ander overeenkomstig de door het bestuur vast te stellen en door de Minister van Financiën goed te keuren uitkeringsreglementen, hierna te noemen: "de Uitkeringsreglementen", die de instemming behoeven:


a. voorzover het uitkeringen betreft aan natuurlijke personen: van de te Amsterdam gevestigde vereniging met volledige rechtsbevoegdheid: Centraal Joods Overleg Externe Belangen, hierna te noemen: "het CJO", in overleg met zijn Adviescollege Restitutie en Verdeling, alsmede van de te Ramat Gan (Israël) gevestigde rechtspersoon: Platform Israël (A.R.), hierna te noemen: "het Platform Isral";


b. voorzover het uitkeringen betreft aan rechtspersonen, gevestigd elders dan in Israël: van het CJO, in overleg met zijn Adviescollege Restitutie en Verdeling;


c. voorzover het uitkeringen betreft aan rechtspersonen, gevestigd in Israël: van het Platform Israël,

alles in de ruimste zin van het woord.


2. Zij tracht dit doel te bereiken door onder meer:

a. het overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid vaststellen van de vervolgens door de Minister van Financiën goed te keuren Uitkeringsreglementen;


b. het beoordelen of een aanvraag voor een uitkering voldoet aan de in de Uitkeringsreglementen voor toekenning van een uitkering vermelde criteria;


c. het vaststellen van de hoogte van het bedrag dat als uitkering aan een aanvrager wordt verstrekt;


d. het op basis van de Uitkeringsreglementen (doen) verstrekken van uitkeringen.

Vermogen.

Artikel 3.


1. Het vermogen van de stichting wordt uitsluitend gevormd door:


a. de gelden als bedoeld in artikel 2, eerste lid;

b. de gelden welke op basis van de Uitkeringsreglementen zijn uitgekeerd en daarna zo spoedig mogelijk aan de stichting zijn terugbetaald, en


c. de renten van de hiervoor onder a en b bedoelde gelden.

2. Andere baten dan de in het vorige lid bedoelde gelden en renten zullen onverwijld na ontvangst daarvan door het bestuur worden overgemaakt naar een stichting met een zelfde of aanverwant doel als omschreven in het eerste lid van artikel 2 van deze statuten, zoals Stichting Individuele Maror-gelden, Stichting Maror-gelden Nederland en Stichting

Maror-gelden Israël, alle gevestigd te Amsterdam.

Bestuur: samenstelling, benoeming, defungeren.

Artikel 4.


1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door het CJO en het Platform Israël gezamenlijk vast te stellen aantal van ten minste drie natuurlijke personen, die niet onder verantwoordelijkheid van een minister werkzaam zijn. Een niet-voltallig bestuur behoudt zijn bevoegdheden.


2. Het CJO, in overleg met zijn Adviescollege Restitutie en Verdeling en met de raad van advies, als bedoeld in artikel 9, benoemt twee bestuursleden en kan voor ieder van hen een of meer plaatsvervangers benoemen, en het Platform Israël benoemt één bestuurslid en kan voor dit bestuurslid een of meer plaatsvervangers benoemen. Indien het bestuur uit meer dan drie personen bestaat, worden de overige bestuursleden benoemd door het CJO en het Platform Israël gezamenlijk. De benoeming van de bestuursleden en hun plaatsvervangers geschiedt niet dan na goedkeuring van de Minister van Financiën. In ontstane vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien door degene(n) die het bestuurslid in wiens vacature moet worden voorzien, heeft onderscheidenlijk hebben benoemd; gedurende het bestaan van een vacature wordt de functie van het bestuurslid in wiens vacature moet worden voorzien, vervuld door de plaatsvervanger die daartoe is aangewezen door degene die het bestuurslid heeft benoemd. Plaatsvervangers maken geen deel uit van het bestuur, tenzij zij gedurende het bestaan van een vacature de functie van het bestuurslid in wiens vacature moet worden voorzien vervullen; de plaatsvervanger wordt alsdan als bestuurder in het handelsregister ingeschreven.


3. Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan, dan wel, in de plaats van beide laatstgenoemden, een secretaris-penningmeester.


4. Bestuursleden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor de tijd van maximaal vier jaar.


5. Bestuursleden en hun plaatsvervangers treden af volgens een door het bestuur vast te stellen rooster van aftreden. Een volgens het rooster aftredend bestuurslid of aftredende plaatsvervanger is terstond doch ten hoogste tweemaal herbenoembaar.


6. Een bestuurslid of een plaatsvervanger defungeert:

a. door zijn overlijden;


b. door zijn aftreden, al dan niet volgens het in het vorige lid bedoelde rooster;


c. doordat hij het vrije beheer over zijn vermogen verliest;

d. door zijn ontslag, verleend door de rechtbank in de gevallen in de wet voorzien;


e. door zijn ontslag, verleend door degene die hem heeft benoemd, om gewichtige redenen, doch niet dan na goedkeuring van de Minister van Financiën;


f. door zijn ontslag, verleend door degene die hem heeft benoemd, op verzoek van de Minister van Financiën om zwaarwegende redenen, welk verzoek moet worden gehonoreerd, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.

Bestuur: taak en bevoegdheden.

Artikel 5.


1. Het bestuur is belast met het besturen van de stichting, met dien verstande dat het bestuur zich daarbij moet gedragen naar de aanwijzingen van de Minister van Financiën betreffende de algemene lijnen van het te voeren beleid.


2. Het bestuur is niet bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt en tot vertegenwoordiging van de stichting ter zake van deze handelingen.


3. Het bestuur is bevoegd te besluiten tot:


a. het (mede)oprichten van een rechtspersoon dan wel het deelnemen in een vennootschap;


b. het aangaan van kredietovereenkomsten en overeenkomsten van geldlening;


c. het doen van aangifte van het faillissement van de stichting en het aanvragen van haar surseance van betaling;


d. het vormen van fondsen,

doch niet dan na toestemming van de Minister van Financiën.


4. Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel behoort in het bijzonder tot de taak van het bestuur:


a. het vaststellen van een instructie voor en het houden van toezicht op de Kamers van de stichting;


b. het jaarlijks vaststellen van de begroting, het jaarplan en de overige jaarstukken;


c. het periodiek afleggen van verantwoording aan de Minister van Financiën over de uitvoering van de taak van het bestuur en het financiële beheer van de stichting;


d. het desgevraagd verstrekken aan de Minister van Financiën van de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen, waaronder begrepen het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden van de stichting voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is, een en ander met inachtneming van het bepaalde in het zesde lid van dit artikel.


5. Het bestuur is bevoegd reglementen op te stellen en te wijzigen, waarin de taken en de gang van zaken binnen de stichting nader worden geregeld, met dien verstande dat:


a. op een besluit tot opstelling of wijziging van de Uitkeringsreglementen het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid van artikel 14 van overeenkomstige toepassing is;


b. wanneer het een reglement betreft dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:

(i) Kamer II, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter b, het CJO toestemming moet geven en de raad van advies moet worden geraadpleegd;

(ii) Kamer III, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter c, het Platform Israël toestemming moet geven.

De reglementen kunnen tevens de organisatie en werkwijze betreffen van de in deze statuten genoemde organen. Het bestuur stuurt elk reglement ter kennisneming aan de Minister van Financiën. Een bepaling in een reglement, welke in strijd is met de wet of deze statuten, is nietig.


6. Het bestuur is verplicht erop toe te zien dat bij het verstrekken van inlichtingen en verlenen van inzage, zoals in het vierde lid van dit artikel bedoeld, alsmede bij het bewaren en doen archiveren van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, zoals in het zesde lid van artikel 13 bedoeld, de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen niet zal worden geschaad.

Bestuur: vertegenwoordiging.

Artikel 6.


1. De stichting wordt vertegenwoordigd door het bestuur. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan hetzij de voorzitter tezamen met de secretaris of met de penningmeester, hetzij, indien de laatstgenoemde functies in één persoon zijn verenigd, de voorzitter tezamen met de secretaris-penningmeester. In geval van belet of ontstentenis van de voorzitter komt de vertegenwoordigingsbevoegdheid mede toe aan de secretaris tezamen met de penningmeester, tenzij de laatstgenoemde functies in één persoon zijn verenigd.


2. Het bestuur kan besluiten tot het verlenen van volmacht aan een of meer bestuursleden alsook aan derden, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.

Bestuur: vergaderingen.

Artikel 7.


1. Bestuursvergaderingen worden gehouden zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee van de overige bestuursleden een bestuursvergadering bijeenroepen, doch ten minste tweemaal per jaar.


2. De bijeenroeping van een bestuursvergadering geschiedt door de voorzitter of door ten minste twee van de overige bestuursleden, dan wel namens deze(n) door de secretaris, en wel schriftelijk onder opgaaf van de te behandelen onderwerpen, op een termijn van ten minste zeven dagen. Indien de bijeenroeping niet schriftelijk is geschied, of onderwerpen aan de orde komen die niet bij de oproeping werden vermeld, dan wel de bijeenroeping is geschied op een termijn korter dan zeven dagen, is besluitvorming niettemin mogelijk, mits de vergadering voltallig is en geen van de bestuursleden zich alsdan tegen besluitvorming verzet.


3. Bestuursvergaderingen worden gehouden ter plaatse te bepalen door degene die de vergadering bijeenroept.


4. Toegang tot de vergaderingen hebben de bestuursleden, de plaatsvervangers die door de niet ter vergadering aanwezige bestuursleden zijn gevolmachtigd, de door de Minister van Financiën als waarnemer aan te wijzen personen, alsmede zij die door de ter vergadering aanwezige bestuursleden worden toegelaten. Een bestuurslid kan zich door de plaatsvervanger die hij daartoe bij geschrift heeft gevolmachtigd ter vergadering doen vertegenwoordigen. Onder geschrift wordt te dezen verstaan elk via gangbare communicatiekanalen overgebracht en op schrift ontvangen bericht.


5. De vergaderingen worden geleid door de voorzitter; bij diens afwezigheid voorziet de vergadering zelf in haar leiding. Tot dat ogenblik wordt het voorzitterschap waargenomen door het ter vergadering aanwezige bestuurslid dat het langst als zodanig fungeert dan wel, indien twee of meer ter vergadering aanwezige bestuursleden even lang als zodanig fungeren, door de in leeftijd oudste van hen.


6. Van het verhandelde in de vergadering worden door een daartoe door de voorzitter van de vergadering aangewezen persoon notulen opgemaakt, welke in dezelfde of de eerstvolgende vergadering worden vastgesteld en ten blijke daarvan door de voorzitter en de notulist worden ondertekend.

Bestuur: besluitvorming.

Artikel 8.


1. Ieder bestuurslid heeft één stem. Alle besluiten waaromtrent bij deze statuten niet anders bepaald is, worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste één bestuurslid of gevolmachtigde plaatsvervanger, benoemd door het CJO, en het bestuurslid of de door hem daartoe gevolmachtigde plaatsvervanger, benoemd door het Platform Israël, ter vergadering aanwezig zijn. Is in deze vergadering niet ten minste één bestuurslid of gevolmachtigde plaatsvervanger, benoemd door het CJO, en het bestuurslid of de door hem daartoe gevolmachtigde plaatsvervanger, benoemd door het Platform Israël, aanwezig, dan wordt een tweede vergadering bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee en niet later dan drie weken na de eerste vergadering. In deze tweede vergadering kan ongeacht het aantal aanwezige bestuursleden of plaatsvervangers rechtsgeldig omtrent de voorstellen, zoals deze in de eerste vergadering aan de orde waren, met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen worden besloten. Blanco stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht. Staken de stemmen, dan is de stem van de voorzitter doorslaggevend.


2. Alle stemmingen geschieden mondeling. Echter kan de voorzitter bepalen dat de stemmen schriftelijk worden uitgebracht. Indien het een verkiezing van personen betreft, kan ook een aanwezige stemgerechtigde verlangen dat de stemmen schriftelijk worden uitgebracht. Schriftelijke stemming geschiedt door middel van ongetekende stembriefjes.


3. Het bestuur kan ook op andere wijze dan in vergadering besluiten nemen, mits alle bestuursleden in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen en zij allen schriftelijk hebben verklaard zich niet tegen deze wijze van besluitvorming te verzetten. Een besluit is alsdan genomen zodra de vereiste meerderheid van alle bestuursleden zich schriftelijk vóór het voorstel heeft verklaard. Van een buiten vergadering genomen besluit wordt door de secretaris een relaas opgemaakt, dat in de eerstvolgende vergadering wordt vastgesteld en ten blijke daarvan door de voorzitter en de notulist van die vergadering wordt ondertekend. Het aldus vastgestelde relaas wordt tezamen met de in de eerste zin van dit lid bedoelde stukken bij de notulen gevoegd.


4. Een bestuurslid onthoudt zich van deelneming aan beraad en stemming indien een besluit wordt genomen over het op basis van de Uitkeringsreglementen (doen) verstrekken van een uitkering aan:


a. het bestuurslid of de echtgenoot of geregistreerde partner van het bestuurslid;


b. degene met wie het bestuurslid een gemeenschappelijke huishouding voert;


c. een bloed- of aanverwant van het bestuurslid tot en met de tweede graad, dan wel aan


d. een rechtspersoon of zijn dochtermaatschappij waarvan het bestuurslid of een van de hiervoor bedoelde personen bestuurder is of in de periode van vier jaar voorafgaande aan dit besluit is geweest.

Raad van advies.

Artikel 9.

De stichting kent een raad van advies, waarvan de leden worden benoemd en ontslagen door het bestuur. De leden van de raad van advies staan het bestuur, gevraagd en ongevraagd, met raad ter zijde indien en voorzover het onderwerpen van beleidsmatige aard betreft die betrekking hebben op Kamer II. Een advies van de raad van advies is niet bindend.

College van deskundigen.

Artikel 10.

De stichting kent een college van deskundigen, waarvan de leden worden benoemd en ontslagen door het bestuur. De in Nederland woonachtige leden van het college van deskundigen staan het bestuur en de raad van advies, gevraagd en ongevraagd, met raad ter zijde indien en voorzover het door Kamer II te nemen besluiten betreft; de in Israël woonachtige leden van het college van deskundigen staan het bestuur, gevraagd en ongevraagd, met raad terzijde indien en voorzover het besluiten betreft die betrekking hebben op Kamer III. Een advies van het college van deskundigen is niet bindend.

Kamers: samenstelling en taak.

Artikel 11.


1. De stichting kent drie Kamers, te weten:



a. Kamer I, die op basis van de Uitkeringsreglementen en op basis van een hem daartoe door het bestuur verstrekt mandaat besluit over de individuele uitkeringen;


b. Kamer II, die op basis van de Uitkeringsreglementen en op basis van een hem daartoe door het bestuur verstrekt mandaat besluit over uitkeringen die betrekking hebben op collectieve Joodse doelen ten behoeve van de Nederlands-Joodse gemeenschap, welke doelen zich bevinden in Nederland en in het buitenland anders dan in Israël;


c. Kamer III, die op basis van de Uitkeringsreglementen en op basis van een hem daartoe door het bestuur verstrekt mandaat besluit over uitkeringen die betrekking hebben op collectieve Joods-Nederlandse doelen ten behoeve van de Nederlands-Joodse gemeenschap, welke doelen zich bevinden in Israël.


2. Het aantal leden en de samenstelling van iedere Kamer, alsmede de wijze van besluitvorming binnen deze Kamers wordt geregeld door het bestuur, met dien verstande dat:


a. de leden van Kamer I worden benoemd en ontslagen door het CJO en het Platform Israël gezamenlijk, in overleg met het Adviescollege Restitutie en Verdeling van het CJO;


b. de leden van Kamer II worden benoemd en ontslagen door het CJO, in overleg met de raad van advies;


c. de leden van Kamer III worden benoemd en ontslagen door het Platform Israël.

Toegang tot de vergaderingen van de Kamers hebben de bestuursleden, de door de Minister van Financiën als waarnemer aan te wijzen personen, alsmede zij die door de ter vergadering aanwezige leden van de Kamers worden toegelaten.


3. De Kamers hebben tot taak het op basis van de Uitkeringsreglementen en op basis van een hun daartoe door het bestuur verstrekt mandaat:


a. beoordelen of een aanvraag voor een uitkering voldoet aan de in de Uitkeringsreglementen voor toekenning van een uitkering vermelde criteria;


b. vaststellen van de hoogte van het bedrag dat als uitkering aan een of meer aanvragers wordt verstrekt, en


c. (doen) verstrekken van een uitkering,
zulks met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Bezwarencommissie.

Artikel 12.


1. Het bestuur stelt een bezwarencommissie in met zoveel afdelingen als het bestuur zal nodig achten, bestaande uit een door het bestuur vast te stellen aantal onafhankelijke deskundigen.


2. De bezwarencommissie heeft tot taak het bestuur en de Kamers te adviseren omtrent de in de Uitkeringsreglementen bedoelde bezwaarschriften. Een advies van de bezwarencommissie is niet bindend.

Boekjaar, begroting en jaarstukken.

Artikel 13.


1. Het boekjaar van de stichting valt samen met het kalenderjaar.


2. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de stichting en van alles betreffende de werkzaamheden van de stichting, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat daaruit te allen tijde haar rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.


3. Het bestuur is verplicht jaarlijks binnen twee maanden na afloop van het boekjaar de navolgende jaarstukken op te maken:


a. de balans en de staat van baten en lasten van de stichting per het einde van dit boekjaar;


b. een verslag van de werkzaamheden, van het gevoerde beleid in het algemeen en van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder;


c. een begroting voor het daaropvolgende boekjaar,
en de sub a bedoelde balans en staat van baten en lasten te doen onderzoeken door een door hem aan te wijzen accountant als bedoeld in artikel 393 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze brengt omtrent zijn onderzoek verslag uit, dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het bestuur dat aan de Minister van Financiën desgevraagd inzicht wordt geboden in de onderzoekswerkzaamheden van de accountant.


4. Het bestuur is verplicht de in het derde lid bedoelde jaarstukken ter kennisneming toe te sturen aan de Minister van Financiën. Deze jaarstukken worden zo spoedig mogelijk doch niet eerder dan een maand nadat zij aan de Minister van Financiën zijn toegestuurd door het bestuur vastgesteld, tenzij de Minister van Financiën daartegen binnen deze maand bezwaar maakt.


5. Eenmaal per jaar, of zoveel vaker als de Minister van Financiën wenst, evalueren het bestuur en de Minister van Financiën de werkzaamheden van de stichting.


6. Het bestuur is, met inachtneming van het bepaalde in het zesde lid van artikel 5, verplicht de in de voorgaande leden bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers zeven jaar lang te bewaren, met dien verstande dat deze boeken, bescheiden en andere gegevensdragers naar de algemene rijksarchiefbewaarplaats als bedoeld in artikel 26 van de Archiefwet 1995 moeten worden overgebracht zodra dat naar het oordeel van het bestuur mogelijk is, doch in elk geval na afloop van deze zeven jaar.

Statutenwijziging.

Artikel 14.


1. De Minister van Financiën is na raadpleging van het bestuur bevoegd de statuten te wijzigen. Het bestuur is eveneens bevoegd de statuten te wijzigen, doch niet dan na schriftelijke goedkeuring van:


a. het CJO, in overleg met zijn Adviescollege Restitutie en Verdeling;

b. het Platform Israël, en


c. de Minister van Financiën.


2. Een besluit van het bestuur tot statutenwijziging behoeft een meerderheid van tweederde van de stemmen, uitgebracht in een voltallige vergadering. Is een vergadering waarin een voorstel tot statutenwijziging aan de orde is niet voltallig, dan wordt een tweede vergadering bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee en niet later dan vier weken na de eerste vergadering. In deze tweede vergadering kan ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde bestuursleden rechtsgeldig omtrent het voorstel, zoals dit in de eerste vergadering aan de orde was, worden besloten, mits met een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen.


3. Bij de oproeping tot de vergadering waarin een statutenwijziging op grond van een besluit van het bestuur zal worden voorgesteld, dient een afschrift van het voorstel, bevattende de woordelijke tekst van de voorgestelde wijziging, te worden gevoegd.


4. Een besluit tot statutenwijziging treedt eerst in werking nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt. Tot het doen verlijden van die akte is ieder bestuurslid bevoegd.

Ontbinding.

Artikel 15.


1. De Minister van Financiën is na raadpleging van het bestuur bevoegd de stichting te ontbinden. Het bestuur is eveneens bevoegd de stichting te ontbinden, doch niet dan na schriftelijke goedkeuring van:


a. het CJO, in overleg met zijn Adviescollege Restitutie en Verdeling;

b. het Platform Israël, en


c. de Minister van Financiën.


2. Op het besluit van het bestuur tot ontbinding is het bepaalde in het tweede lid van het vorige artikel van overeenkomstige toepassing.


3. Na de ontbinding geschiedt de vereffening door de bestuursleden.

4. Bij het besluit tot ontbinding wordt tevens de bestemming van het overschot na vereffening van de stichting vastgesteld, welke geschiedt in overeenstemming met het doel van de stichting en welke de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van:


a. het CJO, in overleg met zijn Adviescollege Restitutie en Verdeling;

b. het Platform Israël, en


c. de Minister van Financiën,

behoeft.


5. Na afloop van de vereffening worden de in artikel 13 bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden stichting overgebracht naar de algemene rijksarchiefbewaarplaats als bedoeld in artikel 26 van de Archiefwet 1995.


6. Op de vereffening zijn overigens de bepalingen van titel 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

Slotbepaling.

Artikel 16.

In alle gevallen waarin de wet noch deze statuten voorzien, beslist het bestuur.

Overgangsbepaling.

Artikel 17.

Het eerste boekjaar van de stichting eindigt op eenendertig december tweeduizend.

EINDE STATUTEN.

Slotverklaring.

Ten slotte heeft de comparant, handelend als gemeld, verklaard dat bij deze oprichting worden benoemd tot bestuursleden van de stichting in de achter hun naam vermelde functie:


**.

Slot akte.

De comparant is mij, notaris, bekend.

WAARVAN AKTE in minuut is verleden te 's-Gravenhage op de datum in het hoofd dezer akte vermeld.

Na mededeling van de zakelijke inhoud van deze akte aan de comparant en het geven van een toelichting daarop, heeft de comparant verklaard tijdig voor het verlijden van deze akte gelegenheid te hebben gehad om van de inhoud van deze akte kennis te nemen en daarvan ook kennis te hebben genomen, met de inhoud van deze akte in te stemmen en op volledige voorlezing daarvan geen prijs te stellen.

Onmiddellijk na voorlezing van in elk geval die gedeelten van deze akte, waarvan de wet voorlezing verplicht stelt, is deze akte vervolgens eerst door de comparant en onmiddellijk daarna door mij, notaris, ondertekend. TOELICHTING STATUTEN STICHTING MAROR-GELDEN OVERHEID

Toelichting artikel 1 Naam en zetel:

De statuten moeten op grond van artikel 2:286 BW de naam van de stichting bevatten, met het woord "stichting" als deel van de naam. Ook de gemeente in Nederland waar zij haar zetel heeft, dient op grond van deze bepaling in de statuten te worden vermeld. De gemeente waar de stichting zetelt, is onder meer van belang om vast te stellen waar gerechtelijke procedures aanhangig kunnen worden gemaakt. Het adres waar de stichting kantoor houdt, behoeft overigens niet te zijn gelegen in de gemeente waar zij haar zetel heeft.

Toelichting artikel 2 Doel en middelen:

Het doel van de stichting moet op grond van artikel 2:286 BW eveneens in haar statuten worden omschreven. Stichting Maror-gelden Overheid heeft tot doel de door de rijksoverheid eenmalig aan de Nederlands-Joodse gemeenschap ter beschikking gestelde gelden te beheren en te (doen) verdelen. Dit dient te gebeuren overeenkomstig de door het bestuur van deze stichting vast te stellen en door de Minister van Financiën goed te keuren uitkeringsreglementen, die bovendien de instemming behoeven van de sub a, b of c van het eerste lid van dit artikel genoemde partijen.

Uit artikel 11 van de statuten volgt dat deze gelden ook zijn bedoeld voor collectieve Joodse doelen in Nederland en daarbuiten. Een dergelijk collectief doel betreft bijvoorbeeld de bouw en het onderhoud van synagogen, waar ook ter wereld. Het mogen overigens uitsluitend collectieve Joodse doelen ten behoeve van de Nederlands-Joodse gemeenschap zijn. Voor de verdeling van gelden, bestemd voor buiten Nederland gelegen collectieve doelen ten behoeve van de Joodse gemeenschap, niet zijnde de Nederlands-Joodse gemeenschap, zal een andere stichting, te weten Stichting Joods Humanitair Fonds, worden opgericht. Laatstgenoemde stichting is derhalve bedoeld om gelden uit te keren ten behoeve van bijvoorbeeld het onderhoud van een in Frankrijk gelegen synagoge van de Frans-Joodse gemeenschap.

Het doel van een stichting beperkt de bevoegdheden van haar bestuur: indien een bestuurslid of een andere vertegenwoordiger van de stichting een rechtshandeling verricht die in strijd is met het doel van de stichting, kan zij die rechtshandeling doen vernietigen als de wederpartij van de doeloverschrijding wist of zonder eigen onderzoek had moeten weten. Deze bevoegdheid vervalt na één jaar.

Toelichting artikel 3 Vermogen:

Om te voorkomen dat de door de rijksoverheid eenmalig ter beschikking gestelde gelden in de toekomst met andere vermogensbestanddelen worden aangevuld, is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat het vermogen uitsluitend kan worden gevormd door de aldaar bedoelde gelden en rente. Door de wijze waarop dit artikel is geredigeerd, worden de door de rijksoverheid ter beschikking gestelde gelden (en de daarop gekweekte rente) gescheiden gehouden van gelden, afkomstig uit andere bronnen. Laatstbedoelde gelden dienen onverwijld na ontvangst daarvan door het bestuur van de stichting te worden overgemaakt naar een of meer van de in het tweede lid van dit artikel genoemde stichtingen.

Toelichting artikel 4 Samenstelling, benoeming en defungeren van het bestuur:

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat een persoon die werkzaam is onder verantwoordelijkheid van een minister niet tot lid van het bestuur van de stichting kan worden benoemd. Volgens de Aanwijzingen voor de regelgeving dient deze beperking ertoe te voorkomen dat een minister via aan hem ondergeschikte ambtenaren invloed kan uitoefenen op de besluitvorming in het bestuur.

Degenen die de bestuursleden moeten benoemen, kunnen voor ieder van hen tevens een of meer plaatsvervangers benoemen. Een plaatsvervanger vervangt het bestuurslid voor wie hij is benoemd indien deze een bestuursvergadering om welke reden dan ook niet kan bijwonen; een plaatsvervanger kan overigens slechts als zodanig fungeren indien hem daartoe volmacht is verleend door het bestuurslid dat niet op de bestuursvergadering aanwezig is (zie ook artikel 7, vierde lid, van de statuten). Plaatsvervangers maken geen deel uit van het bestuur van de stichting, tenzij zij gedurende het bestaan van een vacature in het bestuur de functie vervullen van het bestuurslid in wiens vacature moet worden voorzien. Vanaf dat moment dienen zij als bestuurslid in het handelsregister te worden ingeschreven.

Toelichting artikel 5 Taak en bevoegdheden van het bestuur:

Het bestuur dient zich blijkens het eerste lid van dit artikel bij de uitoefening van zijn bestuurstaak te gedragen naar de door de Minister van Financiën gegeven aanwijzingen betreffende de algemene lijnen van het te voeren beleid; voor het overige blijft de autonomie van het bestuur in stand.

Artikel 2:291 BW bepaalt dat het bestuur van een stichting slechts bevoegd is de in artikel 5, tweede lid, van de statuten vermelde besluiten te nemen indien dit uit haar statuten voortvloeit. Ter wille van de duidelijkheid is niettemin in dit artikellid opgenomen dat het bestuur van de stichting niet bevoegd is om deze besluiten te nemen.

Het bestuur van de stichting is overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:71 Awb bevoegd tot de in het derde lid van artikel 5 vermelde rechtshandelingen te besluiten. Hoewel het niet waarschijnlijk wordt geacht dat het bestuur van de stichting tot een of meer van deze rechtshandelingen zal besluiten, is op verzoek van het Ministerie van Financiën zekerheidshalve bepaald dat de Minister van Financiën voorafgaande toestemming aan het bestuur dient te verlenen, wil het bestuur tot een of meer van deze rechtshandelingen kunnen besluiten.

Met het oog op de bescherming van de privacy is in het zesde lid van dit artikel de verplichting voor het bestuur opgenomen erop toe te zien dat bij het desgevraagd aan de Minister van Financiën verstrekken van de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen alsmede bij het bewaren en doen archiveren van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de stichting de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen niet wordt geschaad. Met "betrokkenen" worden bedoeld belanghebbenden en plaatsvervangers, zoals gedefinieerd in het Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Maror-gelden Overheid, hun echtgenoten of geregistreerde partners, degenen met wie zij een gemeenschappelijke huishouding voeren en de bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad van de hiervoor bedoelde personen.

Toelichting artikel 6 Vertegenwoordiging door het bestuur:

Hoofdregel is volgens de wet dat een stichting door haar bestuur als geheel wordt vertegenwoordigd. Met het oog op de werkbaarheid kunnen de statuten bepalen dat de bevoegdheid om de stichting te vertegenwoordigen ook aan een of meer bestuursleden toekomt. In het eerste lid van dit artikel is van deze wettelijke mogelijkheid gebruikgemaakt.

Daarnaast kan het bestuur van de stichting aan een bestuurslid dat niet zelfstandig bevoegd is de stichting te vertegenwoordigen of aan een derde volmacht verlenen om de stichting te vertegenwoordigen. Bij het verlenen van deze volmacht dienen tevens de grenzen te worden vastgesteld waarbinnen de gevolmachtigde de stichting mag vertegenwoordigen. De volmacht kan bijvoorbeeld worden beperkt tot bepaalde handelingen of tot een bepaald bedrag. Ook kan de volmacht voor onbepaalde tijd worden verleend of beperkt zijn tot een bepaald tijdvak dan wel voor het verrichten van één specifieke transactie.

Toelichting artikel 7 Vergaderingen van het bestuur:

Het bestuur van de stichting dient blijkens het eerste lid van dit artikel ten minste tweemaal per jaar te vergaderen. Vanzelfsprekend volstaat deze vergaderfrequentie niet indien dat voor een adequate uitoefening van de taak van het bestuur noodzakelijk is; het bestuur dient namelijk zo vaak bijeen te komen als voor de uitoefening van zijn taak noodzakelijk is.

Toelichting artikel 8 Besluitvorming in het bestuur:

Om te voorkomen dat besluitvorming binnen het bestuur van de stichting wordt gefrustreerd doordat geen van de door het CJO of door het Platform Israël benoemde bestuursleden en plaatsvervangers ter vergadering aanwezig is, is in het eerste lid van dit artikel voor dat geval voorzien in een tweede vergadering waarin ongeacht het aantal aanwezige bestuursleden en plaatsvervangers rechtsgeldige besluitvorming mogelijk is.

Het derde lid van dit artikel biedt een faciliteit: mits alle bestuursleden in de gelegenheid zijn gesteld hun stem uit te brengen en zij allen schriftelijk hebben verklaard zich niet daartegen te verzetten, kan het bestuur ook anders dan in vergadering besluiten nemen.

Toelichting artikel 9 Raad van advies:

In het algemeen geldt dat de artikelen 9 tot en met 12 van de statuten een grondslag beogen te vormen voor een deskundige en onpartijdige besluitvorming door de verschillende organen van de stichting.

De raad van advies is een vertegenwoordigend orgaan, waarvan de leden worden benoemd en ontslagen door het bestuur. Zij hebben tot taak het bestuur, gevraagd en ongevraagd, te adviseren over beleidsmatige onderwerpen die betrekking hebben op de in artikel 11, eerste lid, sub b, van de statuten bedoelde Kamer II. Het bestuur is niet aan deze adviezen gebonden. Daarnaast is in het tweede lid van artikel 4 van de statuten de verplichting voor het CJO neergelegd om onder meer met de raad van advies te overleggen alvorens het tot benoeming van bestuursleden en hun eventuele plaatsvervangers overgaat. De raad van advies is wel te onderscheiden van het Adviescollege Restitutie en Verdeling, dat als een orgaan van het CJO optreedt.

Toelichting artikel 10 College van deskundigen:

De door het bestuur van de stichting dan wel - onder diens mandaat - door Kamer II en III te nemen besluiten over uitkeringen die betrekking hebben op collectieve Joodse doelen zullen worden voorbereid door een college van deskundigen. Dit college zal voor de verschillende soorten projecten die voor een uitkering in aanmerking komen specifiek worden samengesteld op een enigszins vergelijkbare wijze als dit bijvoorbeeld bij het Koningin Wilhelminafonds en andere grote charitatieve instellingen gebeurt. Aan de hand van de adviezen van het college van deskundigen dienen de daartoe door het bestuur gemandateerde Kamers hun besluiten te nemen. Ook aan de adviezen van het college van deskundigen komt geen bindende werking toe.

Toelichting artikel 11 Kamers:

De door het bestuur aan de Kamers II en III te mandateren taak lijkt op de taak die het bestuur van Stichting Joods Humanitair Fonds zal hebben. Zowel het bestuur van Stichting Maror-gelden Overheid - dan wel de door dit bestuur daartoe gemandateerde Kamers II en III - alsook het bestuur van Stichting Joods Humanitair Fonds hebben tot taak gelden uit te keren of te doen uitkeren aan collectieve Joodse doelen. Afhankelijk van de doelgroep behoort het (doen) uitkeren van gelden evenwel tot de taak van het bestuur - of van de Kamers II en III - van Stichting Maror-gelden Overheid dan wel tot de taak van het bestuur van Stichting Joods Humanitair Fonds. Is de doelgroep de Nederlands-Joodse gemeenschap, dan is het aan het bestuur - of aan de Kamers II en III - van eerstgenoemde stichting om uitkeringen te (doen) verstrekken; is de doelgroep een andere dan de Nederlands-Joodse gemeenschap, dan behoort het (doen) verstrekken van uitkeringen tot de taak van het bestuur van Stichting Joods Humanitair Fonds. Daarnaast dienen de financieel door laatstgenoemde stichting te ondersteunen doelen buiten Nederland te zijn gelegen, wil haar bestuur uitkeringen aan deze doelen kunnen (doen) verstrekken. Deze beperking geldt niet voor het bestuur van Stichting Maror-gelden Overheid. Zie ook de toelichting op artikel 2 van de statuten.

Toelichting artikel 12 Bezwarencommissie:

De bezwarencommissie geeft inhoud aan het bestuursrechtelijke recht van bezwaar dat belanghebbenden tegen de door de stichting genomen besluiten kunnen uitoefenen. De bezwarencommissie, bestaande uit onafhankelijke deskundigen, heeft tot taak het bestuur en de Kamers te adviseren over de in de uitkeringsreglementen bedoelde bezwaarschriften. Deze adviezen zijn evenmin bindend.

Toelichting artikel 13 Boekjaar, begroting en jaarstukken:

De in het tweede lid van dit artikel opgenomen verplichting berust op artikel 2:10 BW. De in het derde lid van dit artikel vermelde termijn van twee maanden is conform de voor andere door het Ministerie van Financiën geïnitieerde ZBO's gehanteerde termijn. De wettelijke termijn gedurende welke het bestuur van een stichting haar boeken, bescheiden en andere gegevensdragers dient te bewaren, bedraagt zeven jaar. Gezien het belang om ook nadien een en ander te kunnen raadplegen, is in het zesde lid van dit artikel bepaald dat deze boeken, bescheiden en gegevensdragers in ieder geval na afloop van deze zeven jaar naar de algemene rijksarchiefbewaarplaats moeten worden overgebracht. Zoals reeds bij de toelichting op artikel 5 is vermeld, dient daarbij de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen in acht te worden genomen.

Toelichting artikel 14 Statutenwijziging:

Zowel de Minister van Financiën - zij het na raadpleging van het bestuur - als het bestuur zelf - zij het na verkregen schriftelijke goedkeuring van de in het eerste lid van dit artikel genoemde partijen - zijn bevoegd de statuten van de stichting te wijzigen.

Toelichting artikel 15 Ontbinding:

Zowel de Minister van Financiën - zij het na raadpleging van het bestuur - als het bestuur zelf - zij het na verkregen schriftelijke goedkeuring van de in het eerste lid van dit artikel genoemde partijen - zijn bevoegd de stichting te ontbinden. Ongeacht wie tot ontbinding besluit, dient op grond van het vierde lid van dit artikel de bestemming van het eventuele overschot na vereffening van de stichting bij dit besluit te worden vastgesteld, hetgeen eveneens uitsluitend kan na verkregen schriftelijke goedkeuring van de in dit artikellid genoemde partijen.

Toelichting artikel 16 Slotbepaling:

Volledigheidshalve is in dit artikel uitdrukkelijk opgenomen dat het aan het bestuur van de stichting is om te beslissen in alle gevallen waarin noch de wet noch de statuten van de stichting voorzien.

Toelichting artikel 17 Overgangsbepaling:

Het einde van het eerste boekjaar van de stichting zou op 31 december van het oprichtingsjaar van de stichting kunnen worden gesteld dan wel op 31 december van het daaropvolgende kalenderjaar. Ter wille van de duidelijkheid is daarom tot slot bepaald dat het eerste boekjaar van de stichting eindigt op 31 december 2000.

OPRICHTING

van de stichting:

STICHTING JOODS HUMANITAIR FONDS,

gevestigd te Amsterdam

Heden, ** tweeduizend, is voor mij, mr. Frank Jan Oranje, notaris met plaats van vestiging 's-Gravenhage, verschenen:


**, te dezen handelend als schriftelijk gevolmachtigde van:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid: Centraal Joods Overleg Externe Belangen, statutair gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te (1081 BT) Amsterdam, Van der Boechorststraat 26, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam onder nummer 33306792;


2. de naar het recht van Israël opgerichte rechtspersoon: Platform Israël (A.R.), gevestigd te Ramat Gan (Israël), voorlopig kantoorhoudende te Ramat Gan (Israël), per adres Jeelim Street 7, Ramat Gan 52596, ingeschreven in het "Registrar of Amutot" te Jeruzalem onder nummer 58-035-457-9.

Volmachten.

Van de volmachten aan de comparant blijkt uit twee onderhandse akten van volmacht, welke aan deze akte worden gehecht.

De comparant, handelend als gemeld, heeft verklaard,

in aanmerking nemende,


- dat de Nederlandse regering bij brief van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van eenentwintig maart tweeduizend (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 25 839, nummer 13), als erkenning van, achteraf geconstateerde tekortkomingen in het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog en in het overheidshandelen ter zake, onder meer heeft toegezegd gelden ter beschikking te stellen teneinde finaal recht te doen aan de kritiek op de bejegening van de betrokken vervolgingsslachtoffers in het rechtsherstel en de gevolgen die dat heeft gehad voor hun verdere bestaan;


- dat een deel van deze gelden aan de Nederlands-Joodse gemeenschap ter beschikking is gesteld ten behoeve van humanitaire projecten in het buitenland;


- dat het beheer en het (doen) verdelen van dit deel van de gelden zal geschieden door na te noemen stichting;


- dat de uitvoering hiervan zal plaatsvinden binnen een publiekrechtelijk kader;


- dat de stichting door haar taak de gelden te (doen) verdelen wordt geacht met openbaar gezag te zijn bekleed en dientengevolge vanaf het moment waarop deze taak wordt uitgevoerd, is aan te merken als een zelfstandig bestuursorgaan;


- dat de formele oprichtingshandeling niet door de Staat der Nederlanden zal worden verricht;


- dat de oprichting van de stichting in termen van artikel 29, eerste lid, van de Comptabiliteitswet, hierna aan te duiden als: "de Wet", niettemin is te karakteriseren als het doen oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon door de Staat der Nederlanden;


- dat dit doen oprichten van de stichting dientengevolge niet eerder zal plaatsvinden dan dertig dagen nadat van het voornemen daartoe door de betrokken ministers, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, schriftelijk mededeling is gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal;


- dat deze schriftelijke mededeling heeft plaatsgevonden, waarvan blijkt uit twee brieven van de Minister van Financiën, gericht aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal onderscheidenlijk aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, beide daterend van ** tweeduizend, welke brieven in kopie aan deze akte

./. worden gehecht;


- **,

ter uitvoering van de hiervoor vermelde overwegingen bij dezen op te richten een stichting en voor deze stichting vast te stellen de navolgende statuten:

Naam en zetel.

Artikel 1.


1. De stichting draagt de naam: Stichting Joods Humanitair Fonds.


2. Zij heeft haar zetel in de gemeente Amsterdam.
Doel en middelen.

Artikel 2.


1. De stichting heeft ten doel het beheren en (doen) verdelen van de gelden, welke door de rijksoverheid eenmalig ter beschikking zijn gesteld aan de Nederlands-Joodse gemeenschap en zijn bestemd voor buitenlandse humanitaire doelen ten behoeve van de Joodse gemeenschap, niet zijnde de Nederlands-Joodse gemeenschap, als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen in het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog en in het overheidshandelen ter zake, zoals bedoeld in de brief van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van eenentwintig maart tweeduizend (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 25 839, nummer 13), een en ander overeenkomstig het door het bestuur vast te stellen en door de Minister van Financiën goed te keuren uitkeringsreglement, hierna te noemen: "het Uitkeringsreglement", dat de instemming behoeft van de te Amsterdam gevestigde vereniging met volledige rechtsbevoegdheid: Centraal Joods Overleg Externe Belangen, hierna te noemen: "het CJO", in overleg met zijn Adviescollege Restitutie en Verdeling, en van de te Ramat Gan (Israël) gevestigde rechtspersoon: Platform Israël (A.R.), hierna te noemen: "het Platform Israël", alles in de ruimste zin van het woord.


2. Zij tracht dit doel te bereiken door onder meer:

a. het overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid vaststellen van het vervolgens door de Minister van Financiën goed te keuren Uitkeringsreglement;


b. het beoordelen of een aanvraag voor een uitkering voldoet aan de in het Uitkeringsreglement voor toekenning van een uitkering vermelde criteria;


c. het vaststellen van de hoogte van het bedrag dat als uitkering aan een aanvrager wordt verstrekt;


d. het op basis van het Uitkeringsreglement (doen) verstrekken van uitkeringen.

Vermogen.

Artikel 3.


1. Het vermogen van de stichting wordt uitsluitend gevormd door:


a. de gelden als bedoeld in artikel 2, eerste lid;

b. de gelden welke op basis van het Uitkeringsreglement zijn uitgekeerd en daarna zo spoedig mogelijk aan de stichting zijn terugbetaald, en


c. de renten van de hiervoor onder a en b bedoelde gelden.

2. Andere baten dan de in het vorige lid bedoelde gelden en renten zullen onverwijld na ontvangst daarvan door het bestuur worden overgemaakt naar een stichting met een zelfde of aanverwant doel als omschreven in het eerste lid van artikel 2 van deze statuten, zoals Stichting Individuele Maror-gelden, Stichting Maror-gelden Nederland en Stichting

Maror-gelden Israël, alle gevestigd te Amsterdam.

Bestuur: samenstelling, benoeming, defungeren.

Artikel 4.


1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door het CJO en het Platform Israël gezamenlijk vast te stellen aantal van ten minste drie natuurlijke personen, die niet onder verantwoordelijkheid van een minister werkzaam zijn. Een niet-voltallig bestuur behoudt zijn bevoegdheden.


2. Het CJO, in overleg met zijn Adviescollege Restitutie en Verdeling, benoemt twee bestuursleden en kan voor ieder van hen een of meer plaatsvervangers benoemen, en het Platform Israël, benoemt één bestuurslid en kan voor dit bestuurslid een of meer plaatsvervangers benoemen. Indien het bestuur uit meer dan drie personen bestaat, worden de overige bestuursleden benoemd door het CJO en het Platform Israël gezamenlijk. De benoeming van de bestuursleden en hun plaatsvervangers geschiedt niet dan na goedkeuring van de Minister van Financiën. In ontstane vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien door degene(n) die het bestuurslid in wiens vacature moet worden voorzien, heeft onderscheidenlijk hebben benoemd; gedurende het bestaan van een vacature wordt de functie van het bestuurslid in wiens vacature moet worden voorzien, vervuld door de plaatsvervanger die daartoe is aangewezen door degene die het bestuurslid heeft benoemd. Plaatsvervangers maken geen deel uit van het bestuur, tenzij zij gedurende het bestaan van een vacature de functie van het bestuurslid in wiens vacature moet worden voorzien vervullen; de plaatsvervanger wordt alsdan als bestuurder in het handelsregister ingeschreven.


3. Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan, dan wel, in de plaats van beide laatstgenoemden, een secretaris-penningmeester.


4. Bestuursleden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor de tijd van maximaal vier jaar.


5. Bestuursleden en hun plaatsvervangers treden af volgens een door het bestuur vast te stellen rooster van aftreden. Een volgens het rooster aftredend bestuurslid of aftredende plaatsvervanger is terstond doch ten hoogste tweemaal herbenoembaar.


6. Een bestuurslid of een plaatsvervanger defungeert:

a. door zijn overlijden;


b. door zijn aftreden, al dan niet volgens het in het vorige lid bedoelde rooster;


c. doordat hij het vrije beheer over zijn vermogen verliest;

d. door zijn ontslag, verleend door de rechtbank in de gevallen in de wet voorzien;


e. door zijn ontslag, verleend door degene die hem heeft benoemd, om gewichtige redenen, doch niet dan na goedkeuring van de Minister van Financiën;


f. door zijn ontslag, verleend door degene die hem heeft benoemd, op verzoek van de Minister van Financiën om zwaarwegende redenen, welk verzoek moet worden gehonoreerd, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.

Bestuur: taak en bevoegdheden.

Artikel 5.


1. Het bestuur is belast met het besturen van de stichting, met dien verstande dat het bestuur zich daarbij moet gedragen naar de aanwijzingen van de Minister van Financiën betreffende de algemene lijnen van het te voeren beleid.


2. Het bestuur is niet bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt en tot vertegenwoordiging van de stichting ter zake van deze handelingen.


3. Het bestuur is bevoegd te besluiten tot:


a. het (mede)oprichten van een rechtspersoon dan wel het deelnemen in een vennootschap;


b. het aangaan van kredietovereenkomsten en overeenkomsten van geldlening;


c. het doen van aangifte van het faillissement van de stichting en het aanvragen van haar surseance van betaling;


d. het vormen van fondsen,

doch niet dan na toestemming van de Minister van Financiën.


4. Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel behoort in het bijzonder tot de taak van het bestuur:


a. het beoordelen of een aanvraag voor een uitkering voldoet aan het in het Uitkeringsreglement voor toekenning van een uitkering vermelde criteria;


b. het vaststellen van de hoogte van het bedrag dat als uitkering aan een aanvrager wordt verstrekt, en


c. het op basis van het Uitkeringsreglement (doen) verstrekken van een uitkering;


d. het jaarlijks vaststellen van de begroting, het jaarplan en de overige jaarstukken;


e. het periodiek afleggen van verantwoording aan de Minister van Financiën over de uitvoering van de taak van het bestuur en het financiële beheer van de stichting;


f. het desgevraagd verstrekken aan de Minister van Financiën van de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen, waaronder begrepen het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden van de stichting voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is, een en ander met inachtneming van het bepaalde in het zesde lid van dit artikel.


5. Het bestuur is bevoegd reglementen op te stellen en te wijzigen, waarin de taken en de gang van zaken binnen de stichting nader worden geregeld, met dien verstande dat op een besluit tot wijziging van het Uitkeringsreglement het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid van artikel 11 van overeenkomstige toepassing is. De reglementen kunnen tevens de organisatie en werkwijze betreffen van de in deze statuten genoemde organen. Het bestuur stuurt elk reglement ter kennisneming aan de Minister van Financiën. Een bepaling in een reglement, welke in strijd is met de wet of deze statuten, is nietig.


6. Het bestuur is verplicht erop toe te zien dat bij het verstrekken van inlichtingen en verlenen van inzage, zoals in het vierde lid van dit artikel bedoeld, alsmede bij het bewaren en doen archiveren van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, zoals in het zesde lid van artikel 10 bedoeld, de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen niet zal worden geschaad.

Bestuur: vertegenwoordiging.

Artikel 6.


1. De stichting wordt vertegenwoordigd door het bestuur. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan hetzij de voorzitter tezamen met de secretaris of met de penningmeester, hetzij, indien de laatstgenoemde functies in één persoon zijn verenigd, de voorzitter tezamen met de secretaris-penningmeester. In geval van belet of ontstentenis van de voorzitter komt de vertegenwoordigingsbevoegdheid mede toe aan de secretaris tezamen met de penningmeester, tenzij de laatstgenoemde functies in één persoon zijn verenigd.


2. Het bestuur kan besluiten tot het verlenen van volmacht aan een of meer bestuursleden alsook aan derden, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.

Bestuur: vergaderingen.

Artikel 7.


1. Bestuursvergaderingen worden gehouden zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee van de overige bestuursleden een bestuursvergadering bijeenroepen, doch ten minste tweemaal per jaar.


2. De bijeenroeping van een bestuursvergadering geschiedt door de voorzitter of door ten minste twee van de overige bestuursleden, dan wel namens deze(n) door de secretaris, en wel schriftelijk onder opgaaf van de te behandelen onderwerpen, op een termijn van ten minste zeven dagen. Indien de bijeenroeping niet schriftelijk is geschied, of onderwerpen aan de orde komen die niet bij de oproeping werden vermeld, dan wel de bijeenroeping is geschied op een termijn korter dan zeven dagen, is besluitvorming niettemin mogelijk, mits de vergadering voltallig is en geen van de bestuursleden zich alsdan tegen besluitvorming verzet.


3. Bestuursvergaderingen worden gehouden ter plaatse te bepalen door degene die de vergadering bijeenroept.


4. Toegang tot de vergaderingen hebben de bestuursleden, de plaatsvervangers die door de niet ter vergadering aanwezige bestuursleden zijn gevolmachtigd, de door de Minister van Financiën als waarnemer aan te wijzen personen, alsmede zij die door de ter vergadering aanwezige bestuursleden worden toegelaten. Een bestuurslid kan zich door de plaatsvervanger die hij daartoe bij geschrift heeft gevolmachtigd ter vergadering doen vertegenwoordigen. Onder geschrift wordt te dezen verstaan elk via gangbare communicatiekanalen overgebracht en op schrift ontvangen bericht.


5. De vergaderingen worden geleid door de voorzitter; bij diens afwezigheid voorziet de vergadering zelf in haar leiding. Tot dat ogenblik wordt het voorzitterschap waargenomen door het ter vergadering aanwezige bestuurslid dat het langst als zodanig fungeert dan wel, indien twee of meer ter vergadering aanwezige bestuursleden even lang als zodanig fungeren, door de in leeftijd oudste van hen.


6. Van het verhandelde in de vergadering worden door een daartoe door de voorzitter van de vergadering aangewezen persoon notulen opgemaakt, welke in dezelfde of de eerstvolgende vergadering worden vastgesteld en ten blijke daarvan door de voorzitter en de notulist worden ondertekend.

Bestuur: besluitvorming.

Artikel 8.


1. Ieder bestuurslid heeft één stem. Alle besluiten waaromtrent bij deze statuten niet anders bepaald is, worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste één bestuurslid of gevolmachtigde plaatsvervanger, benoemd door het CJO, en het bestuurslid of de door hem daartoe gevolmachtigde plaatsvervanger, benoemd door het Platform Israël, ter vergadering aanwezig zijn. Is in deze vergadering niet ten minste één bestuurslid of gevolmachtigde plaatsvervanger, benoemd door het CJO, en het bestuurslid of de door hem daartoe gevolmachtigde plaatsvervanger, benoemd door het Platform Israël, aanwezig, dan wordt een tweede vergadering bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee en niet later dan drie weken na de eerste vergadering. In deze tweede vergadering kan ongeacht het aantal aanwezige bestuursleden of plaatsvervangers rechtsgeldig omtrent de voorstellen, zoals deze in de eerste vergadering aan de orde waren, met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen worden besloten. Blanco stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht. Staken de stemmen, dan is de stem van de voorzitter doorslaggevend.


2. Alle stemmingen geschieden mondeling. Echter kan de voorzitter bepalen dat de stemmen schriftelijk worden uitgebracht. Indien het een verkiezing van personen betreft, kan ook een aanwezige stemgerechtigde verlangen dat de stemmen schriftelijk worden uitgebracht. Schriftelijke stemming geschiedt door middel van ongetekende stembriefjes.


3. Het bestuur kan ook op andere wijze dan in vergadering besluiten nemen, mits alle bestuursleden in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen en zij allen schriftelijk hebben verklaard zich niet tegen deze wijze van besluitvorming te verzetten. Een besluit is alsdan genomen zodra de vereiste meerderheid van alle bestuursleden zich schriftelijk vóór het voorstel heeft verklaard. Van een buiten vergadering genomen besluit wordt door de secretaris een relaas opgemaakt, dat in de eerstvolgende vergadering wordt vastgesteld en ten blijke daarvan door de voorzitter en de notulist van die vergadering wordt ondertekend. Het aldus vastgestelde relaas wordt tezamen met de in de eerste zin van dit lid bedoelde stukken bij de notulen gevoegd.


4. Een bestuurslid onthoudt zich van deelneming aan beraad en stemming indien een besluit wordt genomen over het op basis van het Uitkeringsreglement (doen) verstrekken van een uitkering aan een rechtspersoon of zijn dochtermaatschappij waarvan het bestuurslid, de echtgenoot of partner van het bestuurslid, degene met wie het bestuurslid een gemeenschappelijke huishouding voert of een bloed- of aanverwant van het bestuurslid tot en met de tweede graad bestuurder is of in de periode van vier jaar voorafgaande aan dit besluit is geweest. Met een uitkering aan een rechtspersoon of zijn dochtermaatschappij wordt gelijk gesteld een uitkering ten gunste van een buitenlands humanitair doel waarop het bestuurslid of de in de vorige volzin bedoelde personen een overwegende invloed hebben of in de periode van vier jaar voorafgaande aan dit besluit hebben gehad.

Bezwarencommissie.

Artikel 9.


1. Het bestuur stelt een bezwarencommissie in met zoveel afdelingen als het bestuur nodig zal achten, bestaande uit een door het bestuur vast te stellen aantal onafhankelijke deskundigen.


2. De bezwarencommissie heeft tot taak het bestuur te adviseren omtrent de in het Uitkeringsreglement bedoelde bezwaarschriften. Een advies van de bezwarencommissie is niet bindend.

Boekjaar, begroting en jaarstukken.

Artikel 10.


1. Het boekjaar van de stichting valt samen met het kalenderjaar.


2. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de stichting en van alles betreffende de werkzaamheden van de stichting, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat daaruit te allen tijde haar rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.


3. Het bestuur is verplicht jaarlijks binnen twee maanden na afloop van het boekjaar de navolgende jaarstukken op te maken:


a. de balans en de staat van baten en lasten van de stichting per het einde van dit boekjaar;


b. een verslag van de werkzaamheden, van het gevoerde beleid in het algemeen en van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder;


c. een begroting voor het daaropvolgende boekjaar,
en de sub a bedoelde balans en staat van baten en lasten te doen onderzoeken door een door hem aan te wijzen accountant als bedoeld in artikel 393 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze brengt omtrent zijn onderzoek verslag uit, dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het bestuur dat aan de Minister van Financiën desgevraagd inzicht wordt geboden in de onderzoekswerkzaamheden van de accountant.


4. Het bestuur is verplicht de in het derde lid bedoelde jaarstukken ter kennisneming toe te sturen aan de Minister van Financiën. Deze jaarstukken worden zo spoedig mogelijk doch niet eerder dan een maand nadat zij aan de Minister van Financiën zijn toegestuurd door het bestuur vastgesteld, tenzij de Minister van Financiën daartegen binnen deze maand bezwaar maakt.


5. Eenmaal per jaar, of zoveel vaker als de Minister van Financiën wenst, evalueren het bestuur en de Minister van Financiën de werkzaamheden van de stichting.


6. Het bestuur is verplicht de in de voorgaande leden bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers zeven jaar lang te bewaren, met dien verstande dat deze boeken, bescheiden en andere gegevensdragers naar de algemene rijksarchiefbewaarplaats als bedoeld in artikel 26 van de Archiefwet 1995 moeten worden overgebracht zodra dat naar het oordeel van het bestuur mogelijk is, doch in elk geval na afloop van deze zeven jaar.

Statutenwijziging.

Artikel 11.


1. De Minister van Financiën is na raadpleging van het bestuur bevoegd de statuten te wijzigen. Het bestuur is eveneens bevoegd de statuten te wijzigen, doch niet dan na schriftelijke goedkeuring van:


a. het CJO, in overleg met zijn Adviescollege Restitutie en Verdeling;

b. het Platform Israël, en


c. de Minister van Financiën.


2. Een besluit van het bestuur tot statutenwijziging behoeft een meerderheid van tweederde van de stemmen, uitgebracht in een voltallige vergadering. Is een vergadering waarin een voorstel tot statutenwijziging aan de orde is niet voltallig, dan wordt een tweede vergadering bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee en niet later dan vier weken na de eerste vergadering. In deze tweede vergadering kan ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde bestuursleden rechtsgeldig omtrent het voorstel, zoals dit in de eerste vergadering aan de orde was, worden besloten, mits met een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen.


3. Bij de oproeping tot de vergadering waarin een statutenwijziging op grond van een besluit van het bestuur zal worden voorgesteld, dient een afschrift van het voorstel, bevattende de woordelijke tekst van de voorgestelde wijziging, te worden gevoegd.


4. Een besluit tot statutenwijziging treedt eerst in werking nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt. Tot het doen verlijden van die akte is ieder bestuurslid bevoegd.

Ontbinding.

Artikel 12.


1. De Minister van Financiën is na raadpleging van het bestuur bevoegd de stichting te ontbinden. Het bestuur is eveneens bevoegd de stichting te ontbinden, doch niet dan na schriftelijke goedkeuring van:


a. het CJO, in overleg met zijn Adviescollege Restitutie en Verdeling;

b. het Platform Israël, en


c. de Minister van Financiën.


2. Op het besluit van het bestuur tot ontbinding is het bepaalde in het tweede lid van het vorige artikel van overeenkomstige toepassing.


3. Na de ontbinding geschiedt de vereffening door de bestuursleden.

4. Bij het besluit tot ontbinding wordt tevens de bestemming van het overschot na vereffening van de stichting vastgesteld, welke geschiedt in overeenstemming met het doel van de stichting en welke de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van:


a. het CJO, in overleg met zijn Adviescollege Restitutie en Verdeling;

b. het Platform Israël, en


c. de Minister van Financiën,

behoeft.


5. Na afloop van de vereffening worden de in artikel 10 bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden stichting overgebracht naar de algemene rijksarchiefbewaarplaats als bedoeld in artikel 26 van de Archiefwet 1995.


6. Op de vereffening zijn overigens de bepalingen van titel 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

Slotbepaling.

Artikel 13.

In alle gevallen waarin de wet noch deze statuten voorzien, beslist het bestuur.

Overgangsbepaling.

Artikel 14.

Het eerste boekjaar van de stichting eindigt op eenendertig december tweeduizend.

Slotverklaring.

Ten slotte heeft de comparant, handelend als gemeld, verklaard dat bij deze oprichting worden benoemd tot bestuursleden van de stichting in de achter hun naam vermelde functie:


**.

Slot akte.

De comparant is mij, notaris, bekend.

WAARVAN AKTE in minuut is verleden te 's-Gravenhage op de datum in het hoofd dezer akte vermeld.

Na mededeling van de zakelijke inhoud van deze akte aan de comparant en het geven van een toelichting daarop, heeft de comparant verklaard tijdig voor het verlijden van deze akte gelegenheid te hebben gehad om van de inhoud van deze akte kennis te nemen en daarvan ook kennis te hebben genomen, met de inhoud van deze akte in te stemmen en op volledige voorlezing daarvan geen prijs te stellen.

Onmiddellijk na voorlezing van in elk geval die gedeelten van deze akte, waarvan de wet voorlezing verplicht stelt, is deze akte vervolgens eerst door de comparant en onmiddellijk daarna door mij, notaris, ondertekend.

OPRICHTING

van de stichting:

STICHTING RECHTSHERSTEL SINTI EN ROMA,

gevestigd te **

Heden, ** tweeduizend, is voor mij, mr. Frank Jan Oranje, notaris met plaats van vestiging 's-Gravenhage, verschenen:


**, te dezen handelend als schriftelijk gevolmachtigde van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid: Landelijke Zigeunerorganisatie Sinti, mede bekend onder de naam "Landelijke Sinti en Roma Organisatie", statutair gevestigd te Best, kantoorhoudende te (5683 CS) Best, Sportlaan 10, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Oost-Brabant onder nummer 40239395.

Volmacht.

Van de volmacht aan de comparant blijkt uit een onderhandse akte van

./. volmacht, welke aan deze akte wordt gehecht.

De comparant, handelend als gemeld, heeft verklaard,

in aanmerking nemende,


- dat de Nederlandse regering bij brief van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van eenentwintig maart tweeduizend (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 25 839, nummer 13), als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen in het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog, en in het overheidshandelen ter zake, onder meer heeft toegezegd aan de Sinti- en Roma-gemeenschap gelden ter beschikking te stellen, omdat de Sinti en Roma grotendeels buiten het rechtsherstel zijn gebleven en bovendien in de maatschappij met grote kilte zijn bejegend;


- dat het beheer en het (doen) verdelen van deze gelden zal geschieden door na te noemen stichting;


- dat de uitvoering hiervan zal plaatsvinden binnen een publiekrechtelijk kader;


- dat de stichting door haar taak de gelden te (doen) verdelen wordt geacht met openbaar gezag te zijn bekleed en dientengevolge vanaf het moment waarop deze taak wordt uitgevoerd, is aan te merken als een zelfstandig bestuursorgaan;


- dat de formele oprichtingshandeling niet door de Staat der Nederlanden zal worden verricht;


- dat de oprichting van de stichting in termen van artikel 29, eerste lid, van de Comptabiliteitswet, hierna aan te duiden als: "de Wet", niettemin is te karakteriseren als het doen oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon door de Staat der Nederlanden;


- dat dit doen oprichten van de stichting dientengevolge niet eerder zal plaatsvinden dan dertig dagen nadat van het voornemen daartoe door de betrokken ministers, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, schriftelijk mededeling is gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal;


- dat deze schriftelijke mededeling heeft plaatsgevonden, waarvan blijkt uit twee brieven van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, gericht aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der

Staten-Generaal onderscheidenlijk aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, beide daterend van ** tweeduizend, welke

./. brieven in kopie aan deze akte worden gehecht;


- **,

ter uitvoering van de hiervoor vermelde overwegingen bij dezen op te richten een stichting en voor deze stichting vast te stellen de navolgende statuten:

Naam en zetel.

Artikel 1.


1. De stichting draagt de naam: Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma.


2. Zij heeft haar zetel in de gemeente **.

Doel en middelen.

Artikel 2.


1. De stichting heeft ten doel het beheren en (doen) verdelen van de gelden, welke door de rijksoverheid ter beschikking zijn gesteld aan Sinti en Roma ter compensatie van tekortkomingen in het na de Tweede Wereldoorlog jegens hen uitgevoerde rechtsherstel als bedoeld in de brief van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van eenentwintig maart tweeduizend (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 25 839, nummer 13), een en ander overeenkomstig door het bestuur vast te stellen en door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport goed te keuren uitkeringsreglementen, hierna te noemen: "de Uitkeringsreglementen", alles in de ruimste zin van het woord.


2. Zij tracht dit doel te bereiken door onder meer:

a. het overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid vaststellen van de vervolgens door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport goed te keuren Uitkeringsreglementen;


b. het beoordelen of een aanvraag voor een uitkering voldoet aan de in de Uitkeringsreglementen voor toekenning van een uitkering vermelde criteria;


c. het vaststellen van de hoogte van het bedrag dat als uitkering aan een aanvrager wordt verstrekt;


d. het op basis van de Uitkeringsreglementen (doen) verstrekken van een uitkering.

Vermogen.

Artikel 3.


1. Het vermogen van de stichting wordt uitsluitend gevormd door:


a. de gelden als bedoeld in artikel 2, eerste lid;

b. de gelden welke op basis van de Uitkeringsreglementen zijn uitgekeerd en daarna onverwijld door de uitkeringsgerechtigde aan de stichting zijn terugbetaald, en


c. de renten van de hiervoor onder a en b bedoelde gelden.

2. Andere baten dan de in het vorige lid bedoelde gelden en renten zullen onverwijld na ontvangst daarvan door het bestuur worden overgemaakt naar een stichting met een zelfde of aanverwant doel als omschreven in het eerste lid van artikel 2 van deze statuten.

Bestuur: samenstelling, benoeming, defungeren.

Artikel 4.


1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door het bestuur vast te stellen aantal van ten minste vijf natuurlijke personen, die niet onder verantwoordelijkheid van een minister werkzaam zijn. Een niet-voltallig bestuur behoudt zijn bevoegdheden.


2. Het bestuur wordt benoemd door het bestuur, met dien verstande:

a. dat ten minste één bestuurslid afkomstig dient te zijn uit de geledingen van Roma;


b. dat per bestuurslid, afkomstig uit de geledingen van Roma, twee bestuursleden afkomstig dienen te zijn uit de geledingen van Sinti, en


c. dat ten minste één bestuurslid niet afkomstig is uit de geledingen van Roma noch uit de geledingen van Sinti.

De benoeming van de bestuursleden geschiedt niet dan na goedkeuring van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. In ontstane vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien, met inachtneming van het bepaalde in dit lid.


3. Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan, dan wel, in de plaats van beide laatstgenoemden, een secretaris-penningmeester. De voorzitter mag niet afkomstig zijn uit de geledingen van Roma noch uit de geledingen van Sinti.


4. Bestuursleden worden benoemd voor de tijd van maximaal vier jaar.

5. Bestuursleden treden af volgens een door het bestuur vast te stellen rooster van aftreden. Een volgens het rooster aftredend bestuurslid is terstond herbenoembaar.


6. Een bestuurslid defungeert:


a. door zijn overlijden;


b. door zijn aftreden, al dan niet volgens het in het vorige lid bedoelde rooster;


c. doordat hij het vrije beheer over zijn vermogen verliest;

d. door zijn ontslag, verleend door de rechtbank in de gevallen in de wet voorzien;


e. door zijn ontslag, verleend door het bestuur, om gewichtige redenen, doch niet dan na goedkeuring van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;


f. door zijn ontslag, verleend door het bestuur, op verzoek van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om zwaarwegende redenen, welk verzoek moet worden gehonoreerd, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.

Bestuur: taak en bevoegdheden.

Artikel 5.


1. Het bestuur is belast met het besturen van de stichting, met dien verstande dat het bestuur zich daarbij moet gedragen naar de aanwijzingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport betreffende de algemene lijnen van het te voeren beleid.


2. Het bestuur is niet bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt en tot vertegenwoordiging van de stichting ter zake van deze handelingen.


3. Het bestuur is bevoegd te besluiten tot:


a. het (mede)oprichten van een rechtspersoon dan wel het deelnemen in een vennootschap;


b. het aangaan van kredietovereenkomsten en overeenkomsten van geldlening;


c. het doen van aangifte van het faillissement van de stichting en het aanvragen van haar surseance van betaling;


d. het vormen van fondsen,

doch niet dan na toestemming van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.


4. Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel behoort in het bijzonder tot de taak van het bestuur:


a. het beoordelen of een aanvraag voor een uitkering voldoet aan de in de Uitkeringsreglementen voor toekenning van een uitkering vermelde criteria;


b. het vaststellen van de hoogte van het bedrag dat als uitkering aan een aanvrager wordt verstrekt, en


c. het op basis van de Uitkeringsreglementen (doen) verstrekken van een uitkering;


d. het jaarlijks vaststellen van de begroting, het jaarplan en de overige jaarstukken;


e. het periodiek afleggen van verantwoording aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de uitvoering van de taak van het bestuur en het financiële beheer van de stichting;


f. het desgevraagd verstrekken aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen, waaronder begrepen het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden van de stichting voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.


5. Het bestuur is bevoegd reglementen - andere reglementen dan de Uitkeringsreglementen - op te stellen en te wijzigen, waarin de taken en de gang van zaken binnen de stichting nader worden geregeld. Deze andere reglementen kunnen tevens de organisatie en werkwijze betreffen van de in deze statuten genoemde organen. Het bestuur stuurt elk van deze andere reglementen ter kennisneming aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Een bepaling in een van deze andere reglementen, welke in strijd is met de wet of deze statuten, is nietig.

Bestuur: vertegenwoordiging.

Artikel 6.


1. De stichting wordt vertegenwoordigd door het bestuur. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan de voorzitter, een bestuurslid, afkomstig uit de geledingen van Roma, en een bestuurslid, afkomstig uit de geledingen van Sinti, gezamenlijk handelend.


2. Het bestuur kan besluiten tot het verlenen van volmacht aan een of meer bestuursleden alsook aan derden, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.

Bestuur: vergaderingen.

Artikel 7.


1. Bestuursvergaderingen worden gehouden zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee van de overige bestuursleden een bestuursvergadering bijeenroepen, doch ten minste eenmaal per kwartaal.


2. De bijeenroeping van een bestuursvergadering geschiedt door de voorzitter of door ten minste twee van de overige bestuursleden, dan wel namens deze(n) door de secretaris, en wel schriftelijk onder opgaaf van de te behandelen onderwerpen, op een termijn van ten minste zeven dagen. Indien de bijeenroeping niet schriftelijk is geschied, of onderwerpen aan de orde komen die niet bij de oproeping werden vermeld, dan wel de bijeenroeping is geschied op een termijn korter dan zeven dagen, is besluitvorming niettemin mogelijk, mits de vergadering voltallig is en geen van de bestuursleden zich alsdan tegen besluitvorming verzet.


3. Bestuursvergaderingen worden gehouden ter plaatse te bepalen door degene die de vergadering bijeenroept.


4. Toegang tot de vergaderingen hebben de bestuursleden, de door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport als waarnemer aan te wijzen personen, alsmede zij die door de ter vergadering aanwezige bestuursleden worden toegelaten. Een bestuurslid kan zich door een bij geschrift door hem daartoe gevolmachtigd medebestuurslid ter vergadering doen vertegenwoordigen. Onder geschrift wordt te dezen verstaan elk via gangbare communicatiekanalen overgebracht en op schrift ontvangen bericht. Een bestuurslid kan ten hoogste één medebestuurslid ter vergadering vertegenwoordigen.


5. De vergaderingen worden geleid door de voorzitter; bij diens afwezigheid voorziet de vergadering zelf in haar leiding. Tot dat ogenblik wordt het voorzitterschap waargenomen door het ter vergadering aanwezige bestuurslid dat het langst als zodanig fungeert.


6. Van het verhandelde in de vergadering worden door een daartoe door de voorzitter van de vergadering aangewezen persoon notulen opgemaakt, welke in dezelfde of de eerstvolgende vergadering worden vastgesteld en ten blijke daarvan door de voorzitter en de notulist worden ondertekend.

Bestuur: besluitvorming.

Artikel 8.


1. Ieder bestuurslid heeft één stem, tenzij het een voorstel betreft waarbij het bestuur wil afwijken van het door een raadkamer uitgebrachte advies, in welk geval ieder bestuurslid, afkomstig uit de geledingen van Roma, zoveel stemmen uitbrengt als er bestuursleden, afkomstig uit de geledingen van Sinti, aanwezig of vertegenwoordigd zijn, en ieder bestuurslid, afkomstig uit de geledingen van Sinti, zoveel stemmen uitbrengt als er bestuursleden, afkomstig uit de geledingen van Roma, aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Een besluit over een zodanig voorstel kan slechts worden genomen indien ten minste één bestuurslid, afkomstig uit de geledingen van Roma, en ten minste één bestuurslid, afkomstig uit de geledingen van Sinti, ter vergadering aanwezig of vertegenwoordigd zijn.


2. Alle besluiten waaromtrent bij deze statuten niet anders bepaald is, worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Blanco stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht. Staken de stemmen, dan is de stem van de voorzitter doorslaggevend.


3. Alle stemmingen geschieden mondeling. Echter kan de voorzitter bepalen dat de stemmen schriftelijk worden uitgebracht. Indien het een verkiezing van personen betreft, kan ook een aanwezige stemgerechtigde verlangen dat de stemmen schriftelijk worden uitgebracht. Schriftelijke stemming geschiedt door middel van ongetekende stembriefjes.


4. Het bestuur kan ook op andere wijze dan in vergadering besluiten nemen, mits alle bestuursleden in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen en zij allen schriftelijk hebben verklaard zich niet tegen deze wijze van besluitvorming te verzetten. Een besluit is alsdan genomen zodra de vereiste meerderheid van alle bestuursleden zich schriftelijk vóór het voorstel heeft verklaard. Van een buiten vergadering genomen besluit wordt door de secretaris een relaas opgemaakt, dat in de eerstvolgende vergadering wordt vastgesteld en ten blijke daarvan door de voorzitter en de notulist van die vergadering wordt ondertekend. Het aldus vastgestelde relaas wordt tezamen met de in de eerste zin van dit lid bedoelde stukken bij de notulen gevoegd.


5. Een bestuurslid onthoudt zich van stemming indien een besluit wordt genomen over het op basis van de Uitkeringsreglementen (doen) verstrekken van een uitkering aan de echtgenoot of geregistreerde partner van het bestuurslid of aan degene met wie het bestuurslid een gemeenschappelijke huishouding voert dan wel aan een bloed- of aanverwant van het bestuurslid tot en met de tweede graad.

Raadkamers.

Artikel 9.


1. De stichting kent twee raadkamers, te weten:


a. de raadkamer "individuele uitkeringen", en

b. de raadkamer "projecten",

die het bestuur desgevraagd adviseren over de verdeling van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde gelden aan individuen onderscheidenlijk aan projecten.


2. Het bestuur benoemt buiten zijn midden de leden van de raadkamers en stelt hun aantal vast. Slechts natuurlijke personen die deskundig zijn op het gebied waarop zij dienen te adviseren en tevens affiniteit hebben met het doel van de stichting kunnen tot lid van een raadkamer worden benoemd.


3. Een lid van een raadkamer onthoudt zich van advisering indien het de verdeling betreft van gelden aan de echtgenoot of geregistreerde partner van dit lid van een raadkamer of aan degene met wie dit lid van een raadkamer een gemeenschappelijke huishouding voert dan wel aan een bloed- of aanverwant van dit lid van een raadkamer tot en met de tweede graad.

Bezwarencommissie.

Artikel 10.


1. Het bestuur stelt een bezwarencommissie in, bestaande uit een door het bestuur vast te stellen aantal onafhankelijke natuurlijke personen die deskundig zijn op het gebied waarop zij dienen te adviseren en tevens affiniteit hebben met het doel van de stichting. Leden van de bezwarencommissie mogen geen lid zijn van een raadkamer.


2. De bezwarencommissie heeft tot taak het bestuur te adviseren omtrent de in de Uitkeringsreglementen bedoelde bezwaarschriften. Een advies van de bezwarencommissie is niet bindend.

Boekjaar, begroting en jaarstukken.

Artikel 11.


1. Het boekjaar van de stichting valt samen met het kalenderjaar.


2. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de stichting en van alles betreffende de werkzaamheden van de stichting, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat daaruit te allen tijde haar rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.


3. Het bestuur is verplicht jaarlijks binnen twee maanden na afloop van het boekjaar de navolgende jaarstukken op te maken:


a. een balans en een staat van baten en lasten van de stichting;

b. een verslag van de werkzaamheden, van het gevoerde beleid in het algemeen en van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder;


c. een begroting voor het daaropvolgende boekjaar,
en de sub a bedoelde balans en staat van baten en lasten te doen onderzoeken door een door hem aan te wijzen accountant als bedoeld in artikel 393 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De door het bestuur opgemaakte stukken worden ondertekend door alle bestuurders; ontbreekt de ondertekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van reden melding gemaakt. De aangewezen accountant brengt omtrent zijn onderzoek verslag uit, dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het bestuur dat aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport desgevraagd inzicht wordt geboden in de onderzoekswerkzaamheden van de accountant.


4. Het bestuur is verplicht de in het derde lid bedoelde jaarstukken ter kennisneming toe te sturen aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Deze jaarstukken worden zo spoedig mogelijk doch niet eerder dan een maand nadat zij aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn toegestuurd door het bestuur vastgesteld, tenzij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport daartegen binnen deze maand bezwaar maakt.


5. Eenmaal per jaar, of zoveel vaker als de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wenst, evalueren het bestuur en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de werkzaamheden van de stichting.


6. Het bestuur is verplicht de in de voorgaande leden bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers zeven jaar lang te bewaren, met dien verstande dat deze boeken, bescheiden en andere gegevensdragers naar de algemene rijksarchiefbewaarplaats als bedoeld in artikel 26 van de Archiefwet 1995 moeten worden overgebracht zodra dat naar het oordeel van het bestuur mogelijk is, doch in elk geval na afloop van deze zeven jaar.

Statutenwijziging.

Artikel 12.


1. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is na raadpleging van het bestuur bevoegd de statuten te wijzigen. Het bestuur is eveneens bevoegd de statuten te wijzigen, doch niet dan na schriftelijke goedkeuring van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.


2. Een besluit van het bestuur tot statutenwijziging behoeft een meerderheid van tweederde van de stemmen, uitgebracht in een voltallige vergadering. Is een vergadering waarin een voorstel tot statutenwijziging aan de orde is niet voltallig, dan wordt een tweede vergadering bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee en niet later dan vier weken na de eerste vergadering. In deze tweede vergadering kan slechts rechtsgeldig omtrent het voorstel, zoals dit in de eerste vergadering aan de orde was, worden besloten indien ten minste één bestuurslid, afkomstig uit de geledingen van Roma, en ten minste één bestuurslid, afkomstig uit de geledingen van Sinti, ter vergadering aanwezig of vertegenwoordigd zijn. In deze tweede vergadering behoeft een besluit van het bestuur tot statutenwijziging een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen. Ieder bestuurslid, afkomstig uit de geledingen van Roma brengt zoveel stemmen uit als er bestuursleden, afkomstig uit de geledingen van Sinti, aanwezig of vertegenwoordigd zijn, en ieder bestuurslid, afkomstig uit de geledingen van Sinti brengt zoveel stemmen uit als er bestuursleden, afkomstig uit de geledingen van Roma, aanwezig of vertegenwoordigd zijn.


3. Bij de oproeping tot de vergadering waarin een statutenwijziging op grond van het besluit van het bestuur zal worden voorgesteld, dient een afschrift van het voorstel, bevattende de woordelijke tekst van de voorgestelde wijziging, te worden gevoegd.


4. Een besluit tot statutenwijziging treedt eerst in werking nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt. Tot het doen verlijden van die akte is ieder bestuurslid bevoegd.

Ontbinding.

Artikel 13.


1. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is na raadpleging van het bestuur bevoegd de stichting te ontbinden. Het bestuur is eveneens bevoegd de stichting te ontbinden, doch niet dan na schriftelijke goedkeuring van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.


2. Op het besluit van het bestuur tot ontbinding is het bepaalde in het tweede lid van het vorige artikel van overeenkomstige toepassing.


3. Na de ontbinding geschiedt de vereffening door de bestuursleden.

4. Bij het besluit tot ontbinding wordt tevens de bestemming van het overschot na vereffening van de stichting vastgesteld, welke geschiedt in overeenstemming met het doel van de stichting en welke de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport behoeft.


5. Na afloop van de vereffening worden de in artikel 11 bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden stichting overgebracht naar de algemene rijksarchiefbewaarplaats als bedoeld in artikel 26 van de Archiefwet 1995.


6. Op de vereffening zijn overigens de bepalingen van titel 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

Slotbepaling.

Artikel 14.

In alle gevallen waarin de wet noch deze statuten voorzien, beslist het bestuur.

Overgangsbepaling.

Artikel 15.

Het eerste boekjaar van de stichting eindigt op eenendertig december tweeduizend.

Slotverklaring.

Ten slotte heeft de comparant, handelend als gemeld, verklaard dat bij deze oprichting worden benoemd tot bestuursleden van de stichting in de achter hun naam vermelde functie:


**.

Slot akte.

De comparant is mij, notaris, bekend.

WAARVAN AKTE in minuut is verleden te 's-Gravenhage op de datum in het hoofd dezer akte vermeld.

Na mededeling van de zakelijke inhoud van deze akte aan de comparant en het geven van een toelichting daarop, heeft de comparant verklaard tijdig voor het verlijden van deze akte gelegenheid te hebben gehad om van de inhoud van deze akte kennis te nemen en daarvan ook kennis te hebben genomen, met de inhoud van deze akte in te stemmen en op volledige voorlezing daarvan geen prijs te stellen.

Onmiddellijk na voorlezing van in elk geval die gedeelten van deze akte, waarvan de wet voorlezing verplicht stelt, is deze akte vervolgens eerst door de comparant en onmiddellijk daarna door mij, notaris, ondertekend.

TOELICHTING STATUTEN STICHTING RECHTSHERSTEL SINTI EN ROMA

Toelichting artikel 1 Naam en zetel:

De statuten moeten op grond van artikel 2:286 BW de naam van de stichting bevatten, met het woord "stichting" als deel van de naam. Ook de gemeente in Nederland waar zij haar zetel heeft, dient op grond van deze bepaling in de statuten te worden vermeld. De gemeente waar de stichting zetelt, is onder meer van belang om vast te stellen waar gerechtelijke procedures aanhangig kunnen worden gemaakt. Het adres waar de stichting kantoor houdt, behoeft overigens niet te zijn gelegen in de gemeente waar zij haar zetel heeft.

Toelichting artikel 2 Doel en middelen:

Het doel van een stichting moet op grond van artikel 2:286 BW eveneens in haar statuten worden omschreven. Het doel beperkt de bevoegdheden van het bestuur: indien een bestuurslid of een andere vertegenwoordiger van de stichting een rechtshandeling verricht die in strijd is met het doel van de stichting, kan zij die rechtshandeling doen vernietigen als de wederpartij van de doeloverschrijding wist of zonder eigen onderzoek had moeten weten. Deze bevoegdheid vervalt na één jaar.

Toelichting artikel 3 Vermogen:

Om te voorkomen dat de door de rijksoverheid eenmalig ter beschikking gestelde gelden in de toekomst met andere vermogensbestanddelen worden aangevuld, is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat het vermogen uitsluitend kan worden gevormd door de aldaar bedoelde gelden en rente. Door de wijze waarop dit artikel is geredigeerd, worden de door de rijksoverheid ter beschikking gestelde gelden (en de daarop gekweekte rente) gescheiden gehouden van gelden, afkomstig uit andere bronnen. Laatstbedoelde gelden dienen onverwijld na ontvangst daarvan door het bestuur van de stichting te worden overgemaakt naar een stichting met een zelfde of aanverwant doel als Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma heeft.

Toelichting artikel 4 Samenstelling, benoeming en defungeren van het bestuur:

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat een persoon die werkzaam is onder verantwoordelijkheid van een minister niet tot lid van het bestuur van de stichting kan worden benoemd. Volgens de Aanwijzingen voor de regelgeving dient deze beperking ertoe te voorkomen dat een minister via aan hem ondergeschikte ambtenaren invloed kan uitoefenen op de besluitvorming in het bestuur.

Toelichting artikel 5 Taak en bevoegdheden van het bestuur:

Het bestuur dient zich blijkens het eerste lid van dit artikel bij de uitoefening van zijn bestuurstaak te gedragen naar de door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gegeven aanwijzingen betreffende de algemene lijnen van het te voeren beleid; voor het overige blijft de autonomie van het bestuur in stand.

Artikel 2:291 BW bepaalt dat het bestuur van een stichting slechts bevoegd is de in artikel 5, tweede lid, van de statuten vermelde besluiten te nemen indien dit uit haar statuten voortvloeit. Ter wille van de duidelijkheid is niettemin in dit artikellid opgenomen dat het bestuur van de stichting niet bevoegd is om deze besluiten te nemen.

Het bestuur van de stichting is overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:71 van de Awb bevoegd tot de in het derde lid van artikel 5 vermelde rechtshandelingen te besluiten. Hoewel het niet waarschijnlijk wordt geacht dat het bestuur van de stichting tot een of meer van deze rechtshandelingen zal besluiten, is zekerheidshalve bepaald dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorafgaande toestemming aan het bestuur dient te verlenen, wil het bestuur tot een of meer van deze rechtshandelingen kunnen besluiten.

Toelichting artikel 6 Vertegenwoordiging door het bestuur:

Hoofdregel is volgens de wet dat een stichting door haar bestuur als geheel wordt vertegenwoordigd. Met het oog op de werkbaarheid kunnen de statuten bepalen dat de bevoegdheid om de stichting te vertegenwoordigen ook aan een of meer bestuursleden toekomt. In het eerste lid van dit artikel is van deze wettelijke mogelijkheid gebruikgemaakt.

Daarnaast kan het bestuur van de stichting aan een bestuurslid dat niet zelfstandig bevoegd is de stichting te vertegenwoordigen of aan een derde volmacht verlenen om de stichting te vertegenwoordigen. Bij het verlenen van deze volmacht dienen tevens de grenzen te worden vastgesteld waarbinnen de gevolmachtigde de stichting mag vertegenwoordigen. De volmacht kan bijvoorbeeld worden beperkt tot bepaalde handelingen of tot een bepaald bedrag. Ook kan de volmacht voor onbepaalde tijd worden verleend of beperkt zijn tot een bepaald tijdvak dan wel voor het verrichten van één specifieke transactie.

Toelichting artikel 7 Vergaderingen van het bestuur:

Het bestuur van de stichting dient blijkens het eerste lid van dit artikel ten minste eenmaal per kwartaal te vergaderen. Vanzelfsprekend volstaat deze vergaderfrequentie niet indien dat voor een adequate uitoefening van de taak van het bestuur noodzakelijk is; het dient namelijk zo vaak bijeen te komen als voor de uitoefening van zijn taak noodzakelijk is.

Toelichting artikel 8 Besluitvorming in het bestuur:

Het vierde lid van dit artikel biedt het bestuur bij zijn besluitvorming een faciliteit: mits alle bestuursleden in de gelegenheid zijn gesteld hun stem uit te brengen en zij allen schriftelijk hebben verklaard zich niet daartegen te verzetten, kan het bestuur ook anders dan in vergadering besluiten nemen.

Toelichting artikelen 9 en 10 Raadkamers en bezwarencommissie:

Indien het bestuur dat nodig acht, kan het bij de daartoe ingestelde raadkamer advies inwinnen over de verdeling van de gelden. Voor de advisering over de verdeling van de gelden aan individuen is een andere raadkamer verantwoordelijk dan voor de advisering over de verdeling van gelden aan projecten. De leden van de raadkamers mogen niet afkomstig zijn uit het bestuur en kunnen niet tevens lid zijn van de bezwarencommissie. De bezwarencommissie dient het bestuur van een overigens niet-bindend advies te voorzien ter zake van de in de uitkeringsreglementen bedoelde bezwaarschriften.

Toelichting artikel 11 Boekjaar, begroting en jaarstukken:

De in het tweede lid van dit artikel opgenomen verplichting berust op artikel 2:10 BW. De wettelijke termijn gedurende welke het bestuur van een stichting haar boeken, bescheiden en andere gegevensdragers dient te bewaren, bedraagt zeven jaar. Gezien het belang om ook nadien een en ander te kunnen raadplegen, is in het zesde lid van dit artikel bepaald dat deze boeken, bescheiden en gegevensdragers in ieder geval na afloop van deze zeven jaar naar de algemene rijksarchiefbewaarplaats moeten worden overgebracht.

Toelichting artikel 12 Statutenwijziging:

Zowel de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport - zij het na raadpleging van het bestuur - als het bestuur zelf - zij het na verkregen schriftelijke goedkeuring van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport - zijn bevoegd de statuten van de stichting te wijzigen.

Toelichting artikel 13 Ontbinding:

Zowel de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport - zij het na raadpleging van het bestuur - als het bestuur zelf - zij het na verkregen schriftelijke goedkeuring van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport - zijn bevoegd de stichting te ontbinden. Op grond van het vierde lid van dit artikel dient bij het ontbindingsbesluit tevens de bestemming van het eventuele overschot na vereffening van de stichting te worden vastgesteld, hetgeen eveneens uitsluitend kan na verkregen schriftelijke goedkeuring van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Toelichting artikel 14 Slotbepaling:

Volledigheidshalve is in dit artikel uitdrukkelijk opgenomen dat het aan het bestuur van de stichting is om te beslissen in alle gevallen waarin noch de wet noch de statuten van de stichting voorzien.

Toelichting artikel 15 Overgangsbepaling:

Het einde van het eerste boekjaar van de stichting zou op 31 december van het oprichtingsjaar van de stichting kunnen worden gesteld dan wel op 31 december van het daaropvolgende kalenderjaar. Ter wille van de duidelijkheid is daarom tot slot bepaald dat het eerste boekjaar van de stichting eindigt op 31 december 2000.

UITKERINGSREGLEMENT INDIVIDUELE UITKERINGEN STICHTING MAROR-GELDEN OVERHEID

Het bestuur van de stichting Stichting Maror-gelden Overheid, gevestigd te Amsterdam,

in aanmerking nemende,


- dat de Nederlandse regering bij brief van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken en de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 maart 2000 (Tweede Kamer, Vergaderjaar 1999-2000, 25 839, nummer 13), als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen in het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog en in het overheidshandelen terzake, onder meer heeft toegezegd gelden ter beschikking te stellen teneinde finaal recht te doen aan de kritiek op de bejegening van de betrokken vervolgingsslachtoffers in het rechtsherstel en de gevolgen die dat heeft gehad voor hun verdere bestaan;


- dat het beheer en het (doen) verdelen van een bedrag van driehonderdvijftig miljoen gulden dat de regering in dit kader voor Joodse vervolgingsslachtoffers beschikbaar heeft gesteld, met rente vanaf 21 maart 2000, zal geschieden door de op (invullen) opgerichte Stichting Maror-gelden Overheid;


- dat de uitvoering hiervan zal plaatsvinden binnen een publiekrechtelijk kader;


- dat de Stichting Maror-gelden Overheid ten doel heeft het beheren en (doen) verdelen van bovenvermeld bedrag van driehonderdvijftig miljoen gulden met rente, een en ander overeenkomstig door het bestuur vast te stellen en door de Minister van Financiën goed te keuren uitkeringsreglementen op basis waarvan zowel individuele uitkeringen als uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen kunnen plaatsvinden, waarbij blijkens eerder genoemde brief van de Minister-President van 21 maart 2000 geldt dat voor uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen een bedrag van tientallen miljoenen wordt aangewend;


- dat het CJO en het Platform Israël met het uitkeringsreglement hebben ingestemd;

besluit, met goedkeuring van de Minister van Financiën, het navolgende uitkeringsreglement vast te stellen:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:


a. de Stichting: de Stichting Maror-gelden Overheid, gevestigd te Amsterdam.

b. aanvangsvermogen Stichting: het in de considerans genoemde bedrag van drie-honderdvijftig miljoen gulden.


c. uitdelingsvermogen individuele uitkeringen: het aanvangsvermogen van de Stichting, vermeerderd met de daadwerkelijk over deze gelden genoten rente en verminderd met i) de door de Stichting te treffen voorzieningen en ii) het vermogen uitkeringen voor collectieve doelen, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 5 lid 1 en 7 van dit reglement.


d. vermogen uitkeringen voor collectieve doelen: tien procent van het aanvangsvermogen van de Stichting, vermeerderd met de daadwerkelijk tot de aanvangsdatum van de uitkeringen over dit percentage van het aanvangsvermogen genoten rente, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 5 leden 1 en 7 van dit reglement.


e. aanvangsdatum van de uitkeringen: 1 december 2000 of zoveel eerder als een aanvang zal worden gemaakt met het trekken van geld door het bestuur van de Stichting van de rekening van de Stichting bij de schatkist voor het doen van uitkeringen, in welk geval de eerste datum waarop geld van die rekening is getrokken geldt als de aanvangsdatum van de uitkeringen.


f. voorzieningen: door de Stichting gereserveerde bedragen voor toekomstige (onzekere) verplichtingen.


g. belanghebbenden: de belanghebbenden als bedoeld in artikel 2 van dit reglement.


h. plaatsvervangers: de nog in leven zijnde weduwe of weduwnaar en kinderen van dié belanghebbenden, die zijn overleden voordat zij een aanvraag hebben ingediend, voorzover de weduwe of weduwnaar en/of de kinderen zelf geen belanghebbende in de zin van artikel 2 van dit reglement zijn. Onder 'weduwe' of 'weduwnaar' wordt in dit reglement verstaan: de persoon met wie de belanghebbende op het moment van zijn/haar overlijden was gehuwd of van wie hij/zij op dat moment de geregistreerde partner was.


i. kinderen: degenen die volgens de Nederlandse wetgeving als kinderen worden aangemerkt, alsmede pleegkinderen als omschreven in artikel 24 lid 2 letter a van de Successiewet 1956.

j. periode Tweede Wereldoorlog: de periode van 10 mei 1940 tot 8 mei 1945.

k. unit: een uitkering ten laste van het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen, waarvan de hoogte wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van dit reglement.

l. deelunit: het evenredige gedeelte van een unit waarop een plaatsvervanger die een unit met (een) andere plaatsvervanger(s) dient te delen, recht heeft.

m. slotuitkering: een in aanvulling op een unit of een deelunit (en eventuele tussentijdse uitkeringen als bedoeld in artikel 5 lid 4 van dit reglement) te verstrekken uitkering ten laste van het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 lid 2 van dit reglement.

n. aanvrager: degene die op basis van dit reglement een aanvraag voor een (deel)unit heeft ingediend.

Artikel 2 Belanghebbenden

Als belanghebbenden in de zin van dit reglement worden beschouwd:

a) de natuurlijke personen, geboren vóór 8 mei 1945 uit tenminste één Joodse ouder en twee Joodse grootouders aan de kant van de betreffende ouder, alsmede

b) de natuurlijke personen, geboren vóór 8 mei 1945, die wegens hun Joods-zijn in of vanuit Nederland zijn vervolgd dan wel beroofd,

voor zover deze onder a) en b) bedoelde belanghebbenden gedurende de periode Tweede Wereldoorlog enige tijd woonplaats binnen het Koninkrijk in Nederland hadden en op 8 mei 1945 nog in leven waren.

Artikel 3 Recht op een (deel)unit


1. Een aanvrager van een unit die stelt belanghebbende te zijn heeft recht op een unit indien hij/zij ten tijde van de indiening van de aanvraag nog in leven is en naar het oordeel van het bestuur van de Stichting voldoende aannemelijk maakt dat hij/zij aan de in artikel 2 genoemde criteria voldoet.


2. Een aanvrager die stelt plaatsvervanger te zijn heeft recht op een (deel)unit indien hij/zij ten tijde van de indiening van de aanvraag nog in leven is en voldoet aan de criteria genoemd in artikel 1 sub h. en ook de persoon van wie hij/zij stelt plaatsvervanger te zijn voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.


3. Het in lid 2 bedoelde recht komt niet toe aan de plaatsvervanger van een belanghebbende die tussen de aanvangsdatum van de uitkeringen als bedoeld in artikel 1 onder e en zijn/haar overlijden uitdrukkelijk en schriftelijk heeft verklaard van zijn/haar aanspraken op grond van dit reglement af te zien.


4. De hoogte van de deelunit wordt bepaald door het totale aantal plaatsvervangers van de betreffende belanghebbende; ieder heeft recht op een evenredig deel van in totaal één unit.


5. Een plaatsvervanger heeft maximaal recht op één unit, ook indien hij/zij plaatsvervanger is van meerdere belanghebbenden, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 5 lid 2 t/m 6.


6. Een aanvrager die als belanghebbende recht op een uitkering heeft kan niet tevens recht op een uitkering als plaatsvervanger doen gelden.


7. Een besluit waarbij een (deel)unit wordt toegekend geeft tevens aanspraak op (een evenredig deel van) één of meer eventuele tussentijdse uitkeringen en/of een slotuitkering als bedoeld in artikel 5 van dit reglement, voorzover het bestuur tot toekenning van één of meer tussentijdse uitkeringen en/of een slotuitkering overgaat. Een besluit tot afwijzing van een (deel)unit betekent dat geen recht ontstaat op een eventuele tussentijdse uitkering en/of slotuitkering.

Artikel 4 Hoogte unit


1. Het bestuur van de Stichting stelt de hoogte van een unit vast.


2. Bij de vaststelling van de hoogte van de unit houdt het bestuur van de Stichting in ieder geval rekening met:


- de ten tijde van de vaststelling van de hoogte van de unit bestaande prognose omtrent het aantal mogelijke aanvragen voor een unit dat voor toekenning in aanmerking komt;


- de hoogte van het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen;

- een voorziening voor afwijking van de hiervoor genoemde prognose van het aantal units;


- een voorziening voor onvoorziene omstandigheden.

3. De prognose van het aantal toe te kennen (deel)units zal worden gebaseerd op een door het bestuur van de Stichting in te winnen advies van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut betreffende de voor de prognose van belang zijnde demografische elementen.

Artikel 5 Overheveling uitdelingsvermogen individuele uitkeringen; tussentijdse uitkering en slotuitkering


1. Zodra na 1 januari 2002 - onderscheidenlijk, indien het bestuur een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 7 lid 2, na 1 januari 2003 - kan worden vastgesteld hoeveel (deel)units op basis van dit reglement zijn en nog moeten of kunnen worden toegekend, zal het overschot van het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen worden berekend. Het overschot zal worden berekend door het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen als bedoeld in artikel 1 onder c van dit reglement inclusief de vrijgevallen voorzieningen en de daadwerkelijk genoten rente te verminderen met de uitbetaalde (deel)units en een voorziening voor aanvragen waarop nog niet onherroepelijk is beslist. Het aldus berekende overschot zal worden overgeheveld naar het vermogen uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen, met dien verstande dat het over te hevelen bedrag niet hoger zal liggen dan een bedrag ter grootte van twintig procent van het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen ten tijde van de aanvangsdatum van de uitkeringen als bedoeld in artikel 1 onder e van dit reglement, verminderd met eventuele tussentijdse bedragen die aan het vermogen uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen zijn toegevoegd volgens lid 7 van dit artikel. Indien de hiervoor bedoelde voorziening voor aanvragen waarop nog niet onherroepelijk is beslist (gedeeltelijk) vrijvalt, zal dat bedrag worden aangewend ter aanvulling van het over te hevelen bedrag tot de hiervoor bedoelde twintig procent, indien en voor zover dat percentage nog niet is bereikt.


2. Indien het in het vorige lid bedoelde overschot van het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen meer bedraagt dan het overeenkomstig het vorige lid berekende maximaal over te hevelen bedrag, dan zal het meerdere bij wijze van slotuitkering worden uitbetaald aan degenen aan wie op grond van dit reglement een unit of deelunit is toegekend of, indien deze zijn overleden, aan hun rechtverkrijgenden. De hoogte van de slotuitkering wordt berekend naar rato van de hoogte van de toegekende (deel)unit.


3. Een slotuitkering als in het vorige lid bedoeld zal betaalbaar worden gesteld zo mogelijk binnen 14 dagen na de vaststelling als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.


4. Indien de hoogte van het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen na aftrek van de daadwerkelijk toegekende en uitbetaalde (deel)units daartoe aanleiding geeft kan het bestuur van de Stichting ten behoeve van degenen aan wie een (deel)unit is toegekend bij wijze van voorschot op de slotuitkering een of meer tussentijdse uitkeringen vaststellen. Bij de vaststelling van de hoogte van een tussentijdse uitkering houdt het bestuur van de Stichting in ieder geval rekening met de op dat moment bestaande prognose omtrent het aantal aanvragen voor een (deel)unit dat (nog) voor toekenning in aanmerking kan komen, de overige elementen als genoemd in artikel 4 lid 2 van dit reglement, alsmede het bedrag dat ingevolge lid 1 van dit artikel zal worden overgeheveld naar het vermogen uitkeringen voor collectieve doelen. Tussentijdse uitkeringen mogen de hoogte van dit over te hevelen bedrag niet aantasten.


5. De hoogte van een tussentijdse uitkering wordt berekend naar rato van de hoogte van de toegekende (deel)unit.


6. Een tussentijdse uitkering als in lid 4 bedoeld zal betaalbaar worden gesteld zo mogelijk binnen 14 dagen nadat het bestuur van de Stichting de hoogte van de tussentijdse uitkering heeft vastgesteld.


7. Indien het bestuur van de Stichting een tussentijdse uitkering vaststelt volgens lid 4 van dit artikel zal het ook een tussentijds bedrag toevoegen aan het vermogen uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen; zo een tussentijds bedrag zal niet groter zijn dan het bedrag dat zou zijn overgeheveld naar het vermogen uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen ingevolge lid 1 van dit artikel, indien de betreffende tussentijdse uitkering een slotuitkering zou zijn geweest.

Artikel 6 Hardheidsclausule

Het bestuur van de Stichting kan in bijzondere gevallen tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich naar het oordeel van het bestuur van de Stichting bij toepassing van deze regeling mochten voordoen. Toepassing van de hardheidsclausule kan nooit tot uitkering van meer dan één unit (en eventuele tussentijdse uitkering en slotuitkering) in totaal per persoon leiden.

Artikel 7 Procedure toekenning (deel)unit


1. Degene die voor een (deel)unit in aanmerking wenst te komen dient daartoe een schriftelijke aanvraag in. De aanvraag wordt ingediend door middel van een door de Stichting opgesteld aanvraagformulier dat bij de Stichting (invullen: adres) verkrijgbaar is.


2. Het aanvraagformulier dient vóór 1 januari 2002 ingevuld en ondertekend bij de Stichting te zijn ingediend. Het bestuur kan besluiten deze termijn te verlengen tot 1 januari 2003.


3. De aanvrager is verplicht:


a. toestemming te verlenen tot onderzoek naar en in zijn/haar persoonlijke gegevens die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag, zulks ter beoordeling van de functionarissen die door de Stichting met de uitvoering van dit reglement zijn belast, en in het geval van een plaatsvervanger die van zichzelf en die van de belanghebbende(n) voor wie hij/zij plaatsvervanger is;


b. desgevraagd of uit eigen beweging aan de functionarissen, die door de Stichting met de uitvoering van dit reglement zijn belast, alle inlichtingen te verstrekken en alle medewerking te verlenen die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag, zulks ter beoordeling van de betrokken functionaris.


4. Door ondertekening van het aanvraagformulier verklaart de aanvrager dat hij/zij bekend is met deze regeling en de verplichtingen die deze regeling jegens hem/haar in het leven roept.


5. De Stichting bevestigt de ontvangst van het aanvraagformulier schriftelijk binnen een maand aan de aanvrager.


6. De door de in artikel 2 genoemde belanghebbenden ingediende aanvraagformulieren zullen bij voorrang worden afgehandeld, in volgorde van afnemende leeftijd.

Artikel 8 Besluit omtrent (deel)unit


1. Het bestuur van de Stichting beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag of een (deel)unit aan de aanvrager zal worden verstrekt. Indien niet binnen acht weken kan worden beslist, stelt de Stichting de aanvrager daarvan in kennis en noemt zij daarbij een redelijke termijn waarbinnen wel kan worden beslist.


2. Een besluit omtrent het al dan niet toekennen van een (deel)unit wordt schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld.


3. Een (deel)unit wordt zo mogelijk binnen 14 dagen na een besluit als bedoeld in het vorige lid, waarbij een (deel)unit wordt toegekend, aan de aanvrager betaalbaar gesteld.

Artikel 9 Herziening


1. Het bestuur van de Stichting kan een besluit tot toekenning van een uitkering herzien of intrekken indien:


a. de aanvrager aan wie een uitkering is toegekend onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft, waardoor de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend;


b. het besluit tot toekenning van de uitkering anderszins onjuist was en de aanvrager dat wist of behoorde te weten.


2. Bedragen die als gevolg van een besluit als bedoeld in het eerste lid ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn uitbetaald zullen van degene aan wie is uitbetaald worden teruggevorderd.

Artikel 10 Bezwaar/beroep

Tegen besluiten van het bestuur van de Stichting kan bezwaar en (hoger) beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht worden ingesteld.

Artikel 11 Uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen

De criteria, procedure en overige regels voor toekenning van uitkeringen ten laste van het vermogen uitkeringen voor collectieve doelen worden in een separaat, door het bestuur van de Stichting vast te stellen en door de Minister van Financiën goed te keuren, uitkeringsreglement voor uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen vastgelegd.

Artikel 12 Slotbepalingen


1. De Stichting is belast met de uitvoering van deze regeling. In alle gevallen, waarin de regeling niet voorziet beslist het bestuur van de Stichting.


2. Deze regeling kan worden aangehaald als "Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Maror-gelden Overheid" en treedt in werking op het moment van publicatie in de Staatscourant.

Aldus vastgesteld door het bestuur van de Stichting Maror-gelden Overheid, in vergadering bijeen te ** op ** 2000.

TOELICHTING UITKERINGSREGLEMENT INDIVIDUELE UITKERINGEN STICHTING MAROR-GELDEN OVERHEID

Toelichting algemeen

Op verzoek van de Nederlandse regering is er vanaf 1997 door vijf onafhankelijke commissies onderzoek gedaan naar wat wordt aangeduid met "Tegoeden Tweede Wereldoorlog". De belangrijkste conclusies en aanbevelingen van deze commissies kwamen aan het begin van 2000 beschikbaar. Een van de hoofdaanbevelingen van de commissies-Kordes, -Scholten en -Van Kemenade vormde een oproep aan de regering een bedrag ter beschikking te stellen aan de Joodse gemeenschap. In de regeringsreactie op de conclusies en hoofdaanbevelingen van de commissies (de brief van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken en de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 maart 2000 (Tweede Kamer, Vergaderjaar 1999-2000, 25 839, nummer 13)) geeft de regering onder meer aan dat vervolgingsslachtoffers te zeer alleen hun verdriet hebben moeten dragen. De regering stelt vervolgens vast dat "met de inzichten en met de ogen van nu terugkijkend op de jaren na de Tweede Wereldoorlog, velen in de Nederlandse samenleving, zij die beleidsverantwoordelijkheid droegen niet uitgezonderd, daar lange tijd niet voldoende aandacht voor hadden". Tevens is vastgesteld dat naast het leed er ook een materiële kant aan de Tweede Wereldoorlog is verbonden. Bezittingen waren ontno-men door de bezetter en na de Tweede Wereldoorlog kwamen deze bezittingen niet in alle gevallen terug. Het naoorlogs rechtsherstel is een wettelijk instrument geweest om het materiële onrecht zoveel mogelijk te herstellen. De regering erkende in haar reactie ten volle - terugkijkend met de wetenschap en de ogen van nu - dat er teveel formalisme, bureaucratie en vooral kilte in het rechtsherstel is geweest. De regering heeft daarom het advies van de commissies overgenomen en een bedrag als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen ter beschikking gesteld. De regering heeft daarmee uitdrukkelijk finaal recht willen doen aan de kritiek op de bejegening van de betrokken vervolgingsslachtoffers in het rechtsherstel en de gevolgen die dat heeft gehad voor hun verdere bestaan.

Een werkgroep van het Centraal Joods Overleg (CJO), Platform Israël, Adviescollege Restitutie en Verdeling, Ministerie van Financiën en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft de individuele verdeling voorbereid, evenwel zonder dat deze werkgroep over besluitvormende bevoegdheden beschikte. De Joodse gemeenschap werd in deze werkgroep in brede laag vertegenwoordigd. Een commissie uit die werkgroep heeft de uitgangspunten geschetst voor de toekomstige verdeling van individuele uitkeringen en van projectgelden die door overheidsgelden mogelijk wordt. Deze uitgangspunten zijn in grote lijnen in het uitkeringsreglement neergelegd; in de artikelsgewijze toelichting op het reglement wordt nog afzonderlijk op die uitgangspunten ingegaan. Het CJO, het Platform Israël en het Adviescollege kunnen zich in het uitkeringsreglement zoals dat uiteindelijk is vastgelegd vinden. De Minister van Financiën heeft het uitkeringsreglement evenzeer goedgekeurd.

De werkgroep heeft als uitgangspunten genomen:

a dat snelheid geboden is, waar het gaat om uitkeringen aan overlevenden van de Tweede Wereldoorlog;

b dat overeenstemming tussen de betrokken partijen noodzakelijk is;

c dat de verdelingssystematiek recht dient te doen aan de belangen van individuen en de belangen van de Joodse gemeenschap als collectiviteit op langere termijn;

d dat gezien de leeftijd van vele gerechtigden - zo mogelijk - het hoogst mogelijke bedrag in één ronde aan individuen moet worden uitbetaald;

e dat de voorstellen eenduidig en eenvoudig moeten zijn.

De verdeling van gelden ten behoeve van collectieve doelen is, gelet op de aard van deze materie, buiten dit reglement gehouden; dit reglement is beperkt tot individuele uitkeringen en de verdeling van het totale bedrag van f 350 miljoen tussen individuele uitkeringen en uitkeringen voor collectieve doelen ten behoeve van de Nederlands-Joodse gemeenschap. Voor de uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen zal het bestuur een afzonderlijk uitkeringsreglement vaststellen.

Dit reglement betreft alleen het door de Nederlandse regering ter verdeling gegeven bedrag van f 350 miljoen; een verder bedrag van f 50 miljoen zal worden verdeeld door de Stichting Joods Humanitair Fonds voor collectieve doelen buiten Nederland en Israël, terwijl de Stichting Individuele Maror-gelden Overheid zich bezig houdt met de verdeling van bedragen uit andere bronnen, zoals leden van de beurs, banken en verzekeringsmaat-schappijen.

Toelichting artikelsgewijs

Toelichting artikel 1 Begripsbepalingen:

Het totale vermogen van de Stichting bedraagt f 350 miljoen, voor zowel individuele uitkeringen als uitkeringen voor collectieve doelen ten behoeve van de Nederlands-Joodse gemeenschap. In de aangehaalde brief van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 maart 2000 is vastgelegd dat tientallen miljoenen moeten worden besteed aan uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen. Dit uitgangspunt is overeengekomen in het kader van de onderhandelingen met de Joodse organisaties over de door de regering ter beschikking te stellen bedragen. Aan dit uitgangspunt is voldaan met de in het reglement gehanteerde verdeelsleutel (minimaal tien procent en maximaal twintig procent van het te verdelen vermogen), die in overleg tussen het Centraal Joods Overleg en het Adviescollege tot stand is gekomen.

De belanghebbenden zijn nader omschreven in artikel 2. Als plaatsvervangers van de belanghebbende(n) kunnen hun weduwen of weduwnaars (c.q. geregistreerde partners) en hun kinderen en pleegkinderen een aanvraag indienen. Voor het begrip kinderen is aangesloten bij de bepalingen over afstamming in het Burgerlijk Wetboek (artikelen 1:198 en 1: 199 BW). Voor het begrip pleegkinderen is aangesloten bij de omschrijving als bedoeld in artikel 24 lid 2 letter a van de Successiewet 1956: "met een kind wordt gelijkgesteld een pleegkind, waaronder voor de toepassing van dit lid wordt verstaan een kind dat ... als een eigen kind is onderhouden en opgevoed” (hetgeen een financiële zowel als een ideële band veronderstelt). Wie tegelijkertijd als belanghebbende en als plaatsvervanger kwalificeert dient als belanghebbende een uitkering aan te vragen; men kan niet als belanghebbende en tevens als plaatsvervanger een (deel)uitkering aanvragen. Plaatsvervangers van een belanghebbende delen met elkaar de uitkering waarop de belanghebbende aanspraak had kunnen maken; zij kunnen ieder aanspraak maken op een deeluitkering, waarvan de hoogte afhankelijk is van het aantal plaatsvervangers.

Als einde van de periode Tweede Wereldoorlog is de internationale capitulatie-datum van Duitsland (8 mei 1945) gehanteerd, omdat in Nederland de capitulatie niet eenduidig op 5 mei heeft plaatsgevonden en het zuiden van Nederland bovendien aanmerkelijk eerder bevrijd was dan het noorden.

Toelichting artikel 2 Belanghebbenden:

In dit artikel is de categorie van personen aangegeven die in beginsel met een beroep op dit reglement een uitkering kunnen aanvragen, mits zij aan de overige voorwaarden voor toekenning van een uitkering voldoen. Het reglement gaat ervan uit dat de leden van de Joodse gemeenschap met tenminste één Joodse ouder en twee Joodse grootouders aan de kant van de betreffende ouder die tijdens de periode van de Tweede Wereldoorlog op enig moment woonplaats hadden binnen het Koninkrijk in Nederland per definitie vervolgd zijn en daarmee beroofd; bewijs van vergolging/beroving behoeft niet te worden geleverd. Voorzover anderen, die niet aan de onder a) van artikel 2 bedoelde criteria voldoen, vanwege hun Joodse afkomst zijn vervolgd danwel beroofd, kunnen ook zij in aanmerking komen voor een uitkering; het bewijs van vervolging of beroving vanwege Joodse afkomst moet dan wel worden geleverd. De voorwaarde van woonplaats in Nederland te hebben gehad veronderstelt een zekere permanentie: men moet zich in Nederland gevestigd hebben. Kortstondig verblijf, bijvoorbeeld op doortocht, geeft geen aanspraak op een uitkering.

Buiten deze verdeling vallen diegenen die voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog uit Nederland gevlucht zijn, dan wel zich op dat moment om andere redenen in het buitenland bevonden. Deze groep was - in zijn algemeenheid - in de gelegenheid om bewijsmateriaal voor het bezit van verzekeringspolissen, bankrekeningen etc. mee te nemen naar het buitenland. Op grond van deze bewijsstukken kon na de oorlog het rechtsherstel plaatsvinden.

Toelichting artikel 3 Recht op een (deel)unit:

De ten tijde van de aanvraag nog in leven zijnde aanvrager die aantoont aan de criteria van artikel 2 te voldoen heeft recht op een unit, waarvan het bedrag zal worden vastgesteld overeenkomstig artikel 4. Op het moment van overlijden moet de aanvraag door het bestuur van de Stichting Maror-gelden Overheid ontvangen zijn. Oorspronkelijk vormden alleen de overlevenden uit de Tweede Wereldoorlog de doelgroep. Aangezien velen van hen inmiddels zijn overleden is besloten de doelgroep uit te breiden met zogenaamde plaatsvervangers, mede omdat de nagedachtenis van deze overledenen tekort zou worden gedaan als hun directe nabestaanden in het geheel niets zouden krijgen. Als plaatsvervangers kunnen worden aangemerkt de kinderen en de weduwe of weduwnaar (c.q. geregistreerde partner) van de overleden belanghebbende. Indien de belanghebbende vóór het doen van een aanvraag is overleden, kan/kunnen zijn/haar plaatsvervanger(s) een aanvraag indienen, tenzij de belanghebbende expliciet heeft laten weten geen aanspraak te willen maken op een uitkering. In dat geval kunnen ook zijn/haar plaatsvervangers geen aanspraak maken op een (deel)uitkering.

Teneinde te bewerkstelligen dat een zo groot mogelijk deel van het uitdelingsvermogen aan de nog in leven zijnde belanghebbenden (eerste generatie) zal toekomen, is bepaald dat plaatsvervangers gezamenlijk hooguit één volledige uitkering zullen ontvangen. De aanspraak van een plaatsvervanger die plaatsvervanger is van meer belanghebbenden en die uit dien hoofde meer deeluitkeringen zou kunnen krijgen is bovendien beperkt tot maximaal één uitkering: het zou niet in overeenstemming met het doel van het uitkeringsreglement zijn indien een plaatsvervanger meer zou krijgen dan een belanghebbende; het maximum voor een plaatsvervanger is daarom gesteld op één volledige uitkering.

Toelichting artikel 4 Hoogte unit:

Op basis van een onderzoek door het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) wordt een prognose gemaakt van het potentiële aantal belanghebbenden c.q. hun plaatsvervangers. Op basis van die prognose, die met een veiligheidsmarge van vijftien procent zal worden gehanteerd, op basis van de hoogte van het uitkeringsvermogen individuele uitkeringen en een voorziening voor onvoorziene omstandigheden zal het bedrag worden bepaald (de unit) waarop de uitkering in elk geval zal kunnen worden vastgesteld. Blijkt later dat nog uitdelingsvermogen resteert ten behoeve van individuele uitkeringen dan wordt het resterende bedrag bij wijze van slotuitkering naar rato over de belanghebbenden verdeeld.

De opzet van het reglement is dus dat er eenmaal een besluit zal worden genomen over het recht op een uitkering, waarbij meteen de hoogte van de (deel)unit wordt vastgesteld. Diegenen aan wie een (deel)unit is toegekend delen automatisch mee in een eventuele slotuitkering. Diegenen wier aanspraak op een (deel)unit is verworpen, delen niet mee in een eventuele slotuitkering; daarvoor wordt geen afzonderlijk besluit genomen.

De hoogte van de uitkering staat niet in relatie tot enig bedrag aan daadwerkelijk geleden schade.

Toelichting artikel 5 Overheveling uitdelingsvermogen individuele uitkeringen;

tussentijdse uitkering en slotuitkering:

In artikel 5 is geregeld hoe het vermogen uitkeringen voor collectieve doelen eventueel vanuit het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen wordt aangevuld. Met de regering is overeengekomen dat tientallen miljoenen guldens van het door de regering ter beschikking gestelde bedrag zullen worden besteed aan projecten. In overleg tussen het CJO en het Adviescollege Restitutie en Verdeling is besloten tien procent van het aanvangsvermogen, met rente vanaf 21 maart 2000 tot het moment waarop de eerste individuele uitkeringen worden gedaan, voor collectieve doelen beschikbaar te stellen. Dat bedrag wordt aangevuld indien minder individuele belanghebbenden en plaatsvervangers aanspraak maken op een individuele uitkering dan oorspronkelijk geschat en er dientengevolge na vaststelling en uitbetaling van de (deel)units uitdelingsvermogen resteert. In dat geval wordt het vermogen uitkeringen voor collectieve doelen aangevuld tot, kort weergegeven, maximaal twintig procent van het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen ten tijde van de eerste individuele uitkeringen.

Omdat het definitieve bedrag van de toegekende uitkering ingevolge artikel 4 pas kan worden vastgesteld nadat de inschrijvingstermijn is gesloten, een bedrag is overgeheveld naar het vermogen ten behoeve van uitkeringen voor collectieve doelen en alle eventueel lopende procedures over individuele uitkeringen zijn afgerond, dient het bestuur van de Stichting de mogelijkheid te hebben bij wijze van voorschot op de slotuitkering één of meer tussentijdse uitkeringen vast te stellen indien het resterende uitdelingsvermogen daartoe ruimte biedt. Waar in het reglement derhalve wordt gesproken van tussentijdse uitkering(en) wordt uitsluitend gedoeld op voorschot(ten) op de slotuitkering. Bij de vaststelling van tussentijdse uitkeringen dient het bestuur te allen tijde het risico te vermijden dat het uitdelingsvermogen uiteindelijk niet toereikend zal zijn. Ook eventuele tussentijdse uitkeringen zullen derhalve met aanzienlijke veiligheidsmarges moeten worden vastgesteld. Tussentijdse uitkeringen mogen bovendien niet van invloed zijn op de hoogte van het bedrag dat ingevolge het eerste lid van artikel 5 moet worden overgeheveld naar het vermogen uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen.

Gezien het forfaitaire karakter van de uitkering zullen de tussentijdse uitkeringen voor iedere uitkeringsgerechtigde, net als de units, op een gelijk bedrag worden vastgesteld, zij het dat een plaatsvervanger die slechts recht heeft op een proportioneel deel van een unit ook slechts dat proportionele deel van een eventuele tussentijdse uitkering zal ontvangen. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de slotuitkering; een plaatsvervanger die recht heeft op een proportioneel deel van een unit, heeft ook slechts aanspraak op een proportioneel deel van een eventuele slotuitkering.

Uitsluitend indien na vaststelling van (i) de (deel)units, (ii) het overhevelingsbedrag naar het vermogen uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen als bedoeld in het eerste lid van artikel 5, en (iii) eventuele tussentijdse uitkeringen, nog uitdelingsvermogen voor individuele uitkeringen resteert, zal een slotuitkering worden gedaan. Er bestaat uiteraard geen enkele zekerheid dat er voldoende uitdelingsvermogen beschikbaar zal zijn voor een slotuitkering of een voorschot daarop.

Toelichting artikel 6 Hardheidsclausule:

Het artikel bevat een hardheidsclausule voor bijzondere gevallen waarin toepassing van het reglement in ernstige mate onbillijk zou uitwerken. Toepassing van de hardheids-clausule kan niet tot toekenning van meer dan één volledige uitkering in totaal per persoon leiden.

Toelichting artikel 7 Procedure:

De aanvragers zullen alle medewerking moeten verlenen om het bestuur van de Stichting en de bij de uitvoering betrokken functionarissen te kunnen laten vaststellen of aan de in dit reglement genoemde criteria is voldaan. Een voorbeeld van de in lid 3 bedoelde inlichtingen: adressen en persoonlijke gegevens van nog levende broers en zusters van iemand die als plaatsvervanger in aanmerking wil komen. De in artikel 7 genoemde verplichtingen zullen op het aanvraagformulier worden vermeld.

Veel belanghebbenden als bedoeld in artikel 2 zijn inmiddels op gevorderde leeftijd en/of ziek. Teneinde te waarborgen dat de units aan deze belanghebbenden zo spoedig mogelijk kunnen worden uitbetaald zullen zij een voorrangsbehandeling krijgen ten opzichte van de plaatsvervangers.

Toelichting artikel 8 Besluit bestuur:

De Stichting beoordeelt het verzoek op basis van de ontvangen informatie. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van toepassing op de besluitvorming van het bestuur van de Stichting. In de praktijk zal Kamer I worden belast met de beoordeling van aanvragen voor een individuele uitkering. Het bestuur blijft verantwoordelijk voor de besluitvorming.

Toelichting artikel 9 Herziening of intrekking:

Voor zover de uitkering onjuist is vastgesteld, bijvoorbeeld als gevolg van onjuiste ge-

gevens van de aanvrager, kan het bestuur besluiten de uitkering in te trekken of te

wijzigen.

Toelichting artikel 10 Bezwaar/beroep:

Bezwaar, beroep en hoger beroep is mogelijk op basis van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen bedraagt steeds zes weken. Een exacte rechtsmiddelenclausule wordt onder ieder besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld opgenomen. Daarin wordt ook vermeld waar een evt. bezwaar- of beroepschrift moet worden ingediend. Een bezwarencommissie van onafhankelijke deskundigen adviseert omtrent de ingediende bezwaren aan het bestuur van de Stichting, dat vervolgens een besluit neemt. Het bestuur dient in beginsel binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift te beslissen. De termijnen van artikel 7:10 Awb zijn van toepassing.

UITKERINGSREGLEMENT INDIVIDUELE UITKERINGEN STICHTING RECHTSHERSTEL SINTI EN ROMA

Het bestuur van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, gevestigd en kantoorhoudende te .........,

in aanmerking nemende,


- dat de Nederlandse regering bij brief van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 maart 2000 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 25 839, nummer 13), als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen in het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog, en in het overheidshandelen ter zake, onder meer heeft toegezegd aan de Sinti- en Roma-gemeenschap gelden ter beschikking te stellen, omdat de Sinti en Roma grotendeels buiten het rechtsherstel zijn gebleven en bovendien in de maatschappij met grote kilte zijn bejegend.


- dat het beheer en het (doen) verdelen van een bedrag van dertig miljoen gulden dat de regering in dit kader aan de Sinti en Roma ter beschikking heeft gesteld, met rente vanaf 21 maart 2000, zal geschieden door de op (invullen) opgerichte Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma;


- dat de uitvoering hiervan zal plaatsvinden binnen een publiekrechtelijk kader;


- dat de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma ten doel heeft het beheren en (doen) verdelen van bovenvermeld bedrag van 30 miljoen gulden met rente, een en ander overeenkomstig door het bestuur vast te stellen en door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport goed te keuren uitkeringsreglementen op basis waarvan zowel individuele uitkeringen als uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen kunnen plaatsvinden;

besluit, met goedkeuring van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het navolgende uitkeringsreglement individuele uitkeringen vast te stellen:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:


a. de Stichting: de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, gevestigd te Leusden.


b. Raadkamer: de Raadkamer "individuele uitkeringen" als bedoeld in artikel 9 van de statuten van de Stichting.


c. Roma: de personen, van wie het bestuur van de Stichting, na de Raadkamer te hebben gehoord, vaststelt dat één of beide ouders Rom of Romni was of is.


d. Sinti: de personen, van wie het bestuur van de Stichting, na de Raadkamer te hebben gehoord, vaststelt dat één of beide ouders Sinto of Sintezza was of is.


e. uitdelingsvermogen: zevenentachtig en een half procent van het in artikel 2, lid 1 van de statuten van de Stichting omschreven vermogen, alsmede de gelden als bedoeld in artikel 3, lid 1 sub b en c van de statuten, na aftrek van de door de Stichting te treffen voorzieningen.


f. voorzieningen: door de Stichting gereserveerde bedragen voor toekomstige (onzekere) verplichtingen.


g. belanghebbenden: de belanghebbenden als bedoeld in artikel 2.

h. plaatsvervangers: de nog in leven zijnde weduwe, weduwnaar of levenspartner en de nog in leven zijnde kinderen van die belanghebbenden, die zijn overleden vóór dat zij een aanvraag voor een uitkering hebben ingediend, voorzover de weduwe, weduwnaar of levenspartner en/of de kinderen zelf geen belanghebbende in de zin van artikel 2 van dit reglement zijn.


i. kinderen: degenen die volgens het Nederlands Burgerlijk Wetboek als kinderen worden beschouwd alsmede pleegkinderen als omschreven in artikel 24 lid 2 letter a van de Successiewet 1956. Ook als kinderen in de zin van dit reglement worden beschouwd de kinderen die zijn geboren uit een huwelijk dat volgens de wetten van Sinti en Roma is gesloten.

j. periode Tweede Wereldoorlog: de periode van 10 mei 1940 tot 8 mei 1945.

k. uitkering: een uitkering ten laste van het uitdelingsvermogen, waarvan de hoogte wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van dit reglement.

l. deeluitkering: het evenredige gedeelte van een uitkering waarop een plaatsver-vanger die een uitkering met (een) andere plaatsvervanger(s) dient te delen, recht heeft.

m. aanvrager: degene die overeenkomstig artikel 7 van dit reglement een aanvraag voor een uitkering indient.

Toelichting artikel 1:

Sinti of Roma zullen niet met documenten kunnen aantonen dat zij Sinti of Roma zijn. Of een aanvrager als Sinti of Roma kan worden beschouwd zal moeten worden bepaald door de ervaringsdeskundigen die zitting hebben in de Raadkamer. Het bestuur van de Stichting beslist uiteindelijk op advies van de Raadkamer. Het uitdelingsvermogen is gesteld op 87,5% omdat het reglement uitsluitend op de individuele uitkeringen ziet. 12,5% van het vermogen van de Stichting zal worden bestemd voor uitkeringen ten behoeve van projecten, waarvoor een apart reglement zal worden vastgesteld. De belanghebbenden zijn nader omschreven in artikel 2. Als plaatsvervangers van de belanghebbende(n) kunnen hun weduwen of weduwnaars en hun kinderen en pleegkinderen een aanvraag indienen. Levenspartners gelden ook als plaatsvervangers. Zij zullen getrouwd zijn geweest volgens de wetten van Sinti en Roma. De raadkamer zal adviseren over de vraag of van een dergelijk huwelijk sprake is geweest. Voor het begrip kinderen is aangesloten bij de bepalingen over afstamming in het Burgerlijk Wetboek (artikelen 1:198 en 1: 199 BW). Kinderen evenwel die zijn geboren uit een huwelijk dat volgens de wetten van Sinti en Roma is gesloten worden voor de toepassing van dit reglement ook als kinderen aangemerkt. Voor het begrip pleegkinderen is aangesloten bij de omschrijving als bedoeld in artikel 24 lid 2 letter a van de Successiewet 1956: "met een kind wordt gelijkgesteld een pleegkind, waaronder voor de toepassing van dit lid wordt verstaan een kind dat .... Als een eigen kind is onderhouden en opgevoed (hetgeen een financiële zowel als een ideële band veronderstelt).

Als einde van de periode van de Tweede Wereldoorlog is de internationale capitulatie-datum (8 mei 1945) gehanteerd, omdat in Nederland de capitulatie niet eenduidig op 5 mei heeft plaatsgevonden en het zuiden van Nederland bovendien aanmerkelijk eerder bevrijd was dan het noorden.

Artikel 2 Belanghebbenden

Als belanghebbenden in de zin van deze regeling worden beschouwd de natuurlijke personen, geboren vóór 8 mei 1945 en tevens nog in leven op deze datum, die Sinti of Roma zijn en die op enig moment tijdens de periode van de Tweede Wereldoorlog deel uitmaakten van de Sinti- en Roma-gemeenschap en hun verblijf hadden binnen het Konink-rijk in Nederland.

Toelichting artikel 2:

In dit artikel is de categorie van personen aangegeven die in beginsel een beroep op dit reglement kunnen doen, mits zij aan de overige voorwaarden voor toekenning van een uitkering voldoen. Het reglement gaat ervan uit dat de Sinti en Roma die tijdens de periode van de Tweede Wereldoorlog op enig moment deel uitmaakten van de Sinti- of Roma-gemeenschap en in Nederland hun verblijf hadden per definitie vervolgd zijn en daarmee beroofd en behoren tot de groep ten behoeve waarvan de regering gelden beschikbaar heeft gesteld omdat zij na de Tweede Wereldoorlog grotendeels buiten het rechtsherstel is gebleven en bovendien in de maatschappij met grote kilte is bejegend. Onder de definitie vallen uiteraard ook die Sinti en Roma die in de periode van de Tweede Wereldoorlog vanuit Nederland zijn gedeporteerd of gevlucht.

Artikel 3 Recht op een uitkering


1. Een aanvrager van een uitkering die stelt belanghebbende te zijn heeft recht op een uitkering indien hij/zij ten tijde van de indiening van de aanvraag nog in leven is en naar het oordeel van het bestuur van de Stichting - totstandgekomen na het advies van de Raadkamer - voldoende aannemelijk maakt dat hij/zij aan de in artikel 2 genoemde criteria voldoet.


2. Een aanvrager die stelt plaatsvervanger te zijn heeft recht op een uitkering of een deeluitkering indien hij/zij ten tijde van de indiening van de aanvraag nog in leven is en naar het oordeel van het bestuur van de Stichting - totstandgekomen na advies van de Raadkamer - voldoende aannemelijk maakt dat hij/zij voldoet aan de criteria genoemd in artikel 1 sub i alsmede dat de persoon van wie hij stelt plaatsvervanger te zijn voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2, een en ander met inachtname van het bepaalde in de leden 3 t/m 5 van dit artikel.


3. Indien meerdere plaatsvervangers van dezelfde belanghebbende(n) een aanvraag indienen hebben deze plaatsvervangers voor zover zij voldoen aan de criteria van het tweede lid van dit artikel ieder recht op een evenredig deel van in totaal één uitkering, ook indien zij plaatsvervangers zijn van meerdere belanghebbenden.


4. Een plaatsvervanger heeft maximaal recht op één uitkering, ook indien hij/zij plaatsvervanger is van meerdere belanghebbenden.


5. Een aanvrager die als belanghebbende recht op een uitkering heeft kan niet tevens recht op een uitkering als plaatsvervanger doen gelden.

Toelichting artikel 3:

De nog in leven zijnde aanvrager die aantoont aan de criteria van artikel 2 te voldoen heeft recht op een uitkering, waarvan het bedrag uiteindelijk zal worden vastgesteld overeenkomstig artikel 4. Of aan de criteria van artikel 2 is voldaan zal worden beoordeeld door het bestuur van de Stichting na advies van de in de Raadkamer zitting hebbende ervaringsdeskundigen. In de statuten van de Stichting is bepaald dat bestuursleden en Raadkamerleden niet over hun eigen aanvraag of aanvragen van hun directe familieleden mogen beslissen respectievelijk adviseren.

Indien de belanghebbende voor het doen van een aanvraag is overleden, kan/kunnen zijn/haar plaatsvervanger(s) een aanvraag indienen. Teneinde te bewerkstelligen dat een zo groot mogelijk deel van het uitdelingsvermogen aan de nog in leven zijnde belanghebbenden (eerste generatie) zal toekomen, is bepaald dat plaatsvervangers van een belanghebbende gezamenlijk hooguit één volledige uitkering zullen ontvangen. De aanspraak van een plaatsvervanger die plaatsvervanger is van meer belanghebbenden (bijvoorbeeld vader en moeder) en die uit dien hoofde meer deeluitkeringen zou kunnen krijgen is beperkt tot maximaal één uitkering; hij/zij behoort als plaatsvervanger niet meer te kunnen krijgen dan een belanghebbende.

Artikel 4 Hoogte uitkering


1. Het bestuur van de Stichting stelt de hoogte van de uitkering vast door het uitdelingsvermogen te delen door het aantal uitkeringen dat op basis van dit reglement zal worden toegekend. Voor plaatsvervangers wordt vervolgens conform artikel 3 lid 3 het hun toekomende evenredige deel van de uitkering vastgesteld.


2. De in het vorige lid bedoelde vaststelling van de hoogte van de uitkering zal plaats-vinden op het tijdstip dat onherroepelijk vaststaat hoeveel (deel)uitkeringen op basis van dit reglement zijn toegekend.


3. De toegekende (deel)uitkering wordt zo mogelijk binnen drie maanden nadat het bestuur van de Stichting het bedrag van de uitkering overeenkomstig het vorige lid heeft vastgesteld aan de aanvrager uitgekeerd, zulks onder verrekening van (het) ingevolge artikel 6 reeds aan de aanvrager uitbetaalde voorschot(ten).

Toelichting artikel 4:

De hoogte van de uitkering zal pas kunnen worden vastgesteld als de inschrijvingstermijn is gesloten en alle eventueel nog lopende procedures onherroepelijk zijn afgerond. Het bedrag van de uitkering betreft een forfaitair bedrag dat totstandkomt door het uitdelingsvermogen te delen door het aantal uitkeringsgerechtigden, waarbij belanghebbenden ieder afzonderlijk als uitkeringsgerechtigde worden beschouwd en plaatsvervangers van één belanghebbende samen als één uitkeringsgerechtigde. De hoogte van de uitkering staat niet in relatie tot enig bedrag aan daadwerkelijk geleden schade.

Artikel 5 Hardheidsclausule


1. Het bestuur van de Stichting kan in bijzondere gevallen tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich naar het oordeel van het bestuur van de Stichting bij toepassing van deze regeling mochten voordoen.


2. Besluiten tot toekenning van een uitkering die met toepassing van lid 1 tot stand zijn gekomen zullen door het bestuur van de Stichting ter kennisname aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden toegezonden.

Toelichting artikel 5:

Het artikel bevat een hardheidsclausule voor gevallen waarin de regeling in ernstige mate onbillijk zou uitpakken.

Artikel 6 Voorschot op uitkering


1. Het bestuur van de Stichting kan bij het besluit tot toekenning van een (deel)uit-kering een voorschot op de (deel)uitkering vaststellen.


2. De hoogte van het voorschot zal door het bestuur van de Stichting worden vastgesteld waarbij in ieder geval rekening zal worden houden met de ten tijde van het toekenningsbesluit bestaande prognose ten aanzien van het aantal te verstrekken uitkeringen, de hoogte van het uitdelingsvermogen, alsmede een voor-ziening voor onvoorziene omstandigheden en een voorziening voor afwijking van genoemde prognose van het aantal uitkeringen.


3. Het overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel vastgestelde voorschot wordt zo mogelijk binnen drie maanden nadat het besluit tot toekenning van een (deel)uitkering is genomen, aan de aanvrager uitgekeerd.


4. Het bestuur van de Stichting kan ten behoeve van degenen aan wie een (deel)uit-kering is toegekend een aanvullend voorschot vaststellen.


5. De hoogte van een aanvullend voorschot zal door het bestuur van de Stichting worden vastgesteld, waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met de ten tijde van de vaststelling van dat voorschot bestaande prognose van het aantal te verstrekken uitkeringen, de hoogte van het uitdelingsvermogen, alsmede voor-zieningen voor onvoorziene omstandigheden en afwijkingen van genoemde prognose van het aantal uitkeringen.


6. Een overeenkomstig de leden 4 en 5 van dit artikel vastgesteld aanvullend voorschot wordt zo mogelijk binnen drie maanden nadat het bestuur van de Stichting de hoogte van het aanvullend voorschot heeft vastgesteld aan de desbetreffende aanvrager uitgekeerd.

Toelichting artikel 6:

Omdat het bedrag van de toegekende uitkering ingevolge artikel 4 pas kan worden vastgesteld indien de inschrijvingstermijn is gesloten en alle eventueel lopende procedures zijn afgerond, dient het bestuur van de Stichting de mogelijkheid te hebben tussentijds voorschotten vast te stellen. Het bestuur dient daarbij te allen tijde het risico te vermijden dat het uitdelingsvermogen uiteindelijk niet toereikend zal zijn. De voorschotten zullen derhalve met aanzienlijke veiligheidsmarges moeten worden vastgesteld.

Artikel 7 Procedure


1. Degene die voor een (deel)uitkering in aanmerking wenst te komen dient daartoe een schriftelijke aanvraag in. De aanvraag wordt ingediend door middel van een door de Stichting opgesteld aanvraagformulier dat bij de Stichting (invullen: adres) verkrijgbaar is.


2. Het aanvraagformulier dient uiterlijk één jaar na publicatie van deze regeling in de Staatscourant ingevuld en ondertekend bij de Stichting te worden ingediend.


3. De aanvrager die stelt belanghebbende als bedoeld in artikel 2 te zijn dient bij het aanvraagformulier een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens met vermelding van de historische adresgegevens vanaf geboorte betreffende hem- of haarzelf te voegen.


4. De aanvrager die stelt plaatsvervanger te zijn dient bij het aanvraagformulier een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens betreffende hem- of haarzelf te voegen en zo mogelijk een akte van overlijden en een afschrift van de persoonskaart met adreshistorie betreffende de belanghebbende van wie hij/zij plaatsvervanger is.


5. De aanvrager van een uitkering is verplicht:

a. toestemming te verlenen tot onderzoek naar en in zijn/haar persoonlijke gegevens die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag, zulks ter beoordeling van de functionarissen die door de Stichting met de uitvoering van deze regeling zijn belast en in het geval van een plaatsvervanger die van zichzelf en die van de belanghebbende(n) voor wie hij/zij plaatsvervanger is;


b. desgevraagd of uit eigen beweging aan de functionarissen, die door de Stichting met uitvoering van deze regeling zijn belast, alle inlichtingen te verstrekken en alle medewerking te verlenen die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag, een en ander ter beoordeling van de desbe-treffende functionaris.


6. Door ondertekening van het aanvraagformulier verklaart de aanvrager dat hij/zij bekend is met deze regeling en de verplichtingen die deze regeling jegens hem/haar in het leven roept.


7. De Stichting bevestigt de ontvangst van het aanvraagformulier schriftelijk binnen een maand aan de aanvrager.


8. De door de in artikel 2 genoemde belanghebbenden ingediende aanvraagformulieren zullen bij voorrang worden afgehandeld, in volgorde van afnemende leeftijd.

Toelichting artikel 7:

De aanvragers zullen alle medewerking moeten verlenen om het bestuur van de Stichting en de in de Raadkamer benoemde ervaringsdeskundigen alsmede eventuele andere functionarissen van de Stichting te kunnen laten vaststellen of aan de in dit reglement genoemde criteria is voldaan.

De lid 5 sub a en b genoemde verplichtingen zullen op het aanvraagformulier worden vermeld. Een afschrift van de persoonskaart van een overledene is op te vragen bij het Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag.

Veel belanghebbenden als bedoeld in artikel 2 zijn inmiddels op gevorderde leeftijd en/of ziek. Teneinde te waarborgen dat de voorschotten aan deze belanghebbenden zo spoedig mogelijk kunnen worden uitbetaald zullen zij een voorrangsbehandeling krijgen ten opzichte van de plaatsvervangers.

Artikel 8 Besluit bestuur


1. Het bestuur van de Stichting beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag of een (deel)uitkering ten laste van het uitdelingsvermogen van de Stichting aan de aanvrager zal worden verstrekt. In het besluit zal de hoogte van het aan de aanvrager te verstrekken voorschot worden vermeld.

Indien niet binnen acht weken kan worden beslist, stelt de Stichting de aanvrager daarvan in kennis en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen wel kan worden beslist.


2. Een besluit omtrent het al dan niet verlenen van een (deel)uitkering wordt schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld en per aangetekende post verzonden.

Toelichting artikel 8:

De Stichting beoordeelt het verzoek op basis van de ontvangen informatie, het advies van de Raadkamer. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van toepassing op de besluitvorming van het bestuur van de Stichting.

Artikel 9 Herziening of intrekking


1. De Stichting kan een besluit tot toekenning van een uitkering herzien of intrekken indien:


a. de aanvrager aan wie een uitkering is toegekend onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft, waardoor de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend;


b. het besluit tot toekenning van de uitkering anderszins onjuist was en de aanvrager dat wist of behoorde te weten.


2. Bedragen die als gevolg van een besluit als bedoeld in het eerste lid ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn uitbetaald zullen van degene aan wie de uitkering is uitbetaald worden teruggevorderd.

Artikel 10 Bezwaar/beroep

Tegen besluiten van het bestuur van de Stichting kan bezwaar en (hoger) beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht worden ingesteld.

Toelichting artikel 10:

Bezwaar, beroep en hoger beroep is mogelijk op basis van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn daarvoor bedraagt steeds zes weken. Een exacte rechtsmiddelenclausule wordt onder ieder besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld opgenomen. Een bezwarencommissie van onafhankelijke deskundigen adviseert omtrent de ingediende bezwaren aan het bestuur van de Stichting, die vervolgens een besluit neemt. Het bestuur dient in beginsel binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift te beslissen. De termijnen van artikel 7:10 Awb zijn van toepassing.

Artikel 11 Slotbepalingen


1. De Stichting is belast met de uitvoering van deze regeling. In alle gevallen, waarin de regeling niet voorziet beslist het bestuur van de Stichting.


2. Deze regeling kan worden aangehaald als "Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma" en treedt in werking op het moment van publicatie in de Staatscourant.

Aldus vastgesteld door het bestuur van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, in vergadering bijeen te ** op ** 2000.

PERSOONLIJK

Minister van Financiën

Postbus 20201

2500 EE DEN HAAG

20 september 2000

Uw kenmerk PTG 00/697 M

Ons kenmerk 801 R

Betreft oprichting drie stichtingen verdeling oorlogstegoeden

In bovengenoemde brief van 8 september 2000 verzoekt u, mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), om overleg op grond van artikel 63 van de Comptabiliteitswet.

Het betreft de oprichting van een drietal stichtingen ter uitkering van de gelden die de Regering ter beschikking heeft gesteld van de Joodse en de Sinti en Roma slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.

Op ambtelijk niveau had enkele keren constructief overleg plaats met uw ambtenaren en met ambtenaren van het ministerie van VWS. Dit overleg heeft ertoe geleid dat wij met één uitzondering thans geen opmerkingen meer hebben over de ons voorgelegde statuten, uitkeringsreglementen en financiële brieven. Deze uitzondering betreft de statuten van de stichting rechtsherstel Sinti en Roma. In tegenstelling tot de twee andere statuten ontbreekt hierin een bepaling die de minister de mogelijkheid biedt ten minste een maal per jaar samen met het bestuur de werkzaamheden van de stichting te evalueren. Gaarne zouden wij een dergelijke bepaling in de statuten zien opgenomen.

Wij constateren dat de Rekenkamer bij deze stichtingen controlerechten krijgt op grond van artikel 59, eerste lid, van de Comptabiliteitswet en dat wij derhalve bij de drie stichtingen onderzoek kunnen verrichten.

Tot slot worden wij graag op de hoogte gesteld van de oprichting van de stichtingen en ontvangen te zijner tijd gaarne de vastgestelde statuten en de aan de besturen van de stichtingen verzonden financiële brieven. Ook zien wij het uitkeringsreglement van de stichting Joods Humanitair Fonds te gelegener tijd alsnog tegemoet.

Wij verzoeken u deze brief in afschrift mee te zenden met het voorstel aan de Staten-Generaal en beschouwen thans het overleg op grond van artikel 63 van de Comptabiliteitswet afgerond.

Algemene Rekenkamer

drs. Saskia J Stuiveling,

president

M.J. Winters RA,

wnd. secretaris

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie