Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag algemeen overleg voorbeeldbegrotingen 2000

Datum nieuwsfeit: 21-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

verslag ao over voorbeeldbegrotingen 2000 en infrastructu urfonds

Gemaakt: 21-9-2000 tijd: 16:33


1


26 573 Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording

Nr. 37 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 21 september 2000

De vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat<1> heeft op 6 september 2000 overleg gevoerd met minister Netelenbos en staatssecretaris De Vries van Verkeer en Waterstaat over de voorbeeldbegrotingen 2000 van Verkeer en Waterstaat (hoofdstuk XII) en het infrastructuurfonds (IF) (26573, nr. 16).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Eurlings (CDA) stelde vast dat met de voorbeeldbegrotingen een stap wordt gezet op weg naar een meer inzichtelijke beleids- en prestatiegerichte begroting. Dit geeft kansen om de invloed van de Kamer op beleidsdoelstellingen op lange termijn te vergroten. Anderzijds zullen, zo vond hij, ter vergroting van de controlemogelijkheden van de Kamer en ter waarborging van de mogelijkheid om de minister op prestaties te beoordelen de voorbeeldbegrotingen op een aantal punten aangepast moeten worden.

Gezien de keuze voor een strikte taakverdeling tussen de departementale begroting die zal fungeren als beleidsbegroting en de IF-begroting die zal worden omgevormd tot een echte outputbegroting, zullen doelstellingen van projecten als de HSL-zuid niet meer in de IF-begroting terug te vinden zijn. Deze doelstellingen zijn echter ook in de departementale begroting niet voldoende herkenbaar terug te vinden. Hij drong erop aan dat er ook bij de nieuwe indeling goed inzicht blijft in projectdoelstellingen.

Hij was geen voorstander van het op termijn ineenschuiven van de IF-begroting en de departementale begroting en ook niet van het laten vervallen van het MIT als zelfstandig document. Door de separate behandeling van het MIT zijn er nu ruime mogelijkheden van evaluatie van individuele potentiële projecten en hij hechtte daaraan.

In de departementale begroting is de beleidsagenda ingericht aan de hand van de beleidsartikelen, waarbij voor ieder artikel de belangrijkste doelen voor de komende jaren worden genoemd. De beleidsagenda is echter in zeer algemene bewoordingen geformuleerd. Dat kan weliswaar een goed beeld geven van de langjarige beleidsprojecten, maar het betekent ook dat de beleidsprioriteiten voor het eerstkomende jaar in de politieke beleidsagenda niet duidelijk naar voren komen. De heer Eurlings vond dan ook dat in de beleidsagenda een duidelijker koppeling dient te worden aangebracht tussen prioriteiten en de daaraan verbonden middelen en prestaties, zoals ook bepleit door de Algemene Rekenkamer. Hij drong erop aan dat in de algemene beleidsagenda een beschrijving van de belangrijkste doelstellingen en beleidsvoornemens voor het komende jaar wordt opgenomen, met een samenvattend overzicht van de financiële gevolgen. Verder dient in dat verband inzicht te worden gegeven in de belangrijkste beleidsintensiveringen en beleidsextensiveringen. Op die manier blijft de controlefunctie van de Kamer goed overeind, temeer omdat dan een rechtstreekse relatie tussen begroting en verantwoording ontstaat.

Het aantal begrotingsartikelen is sterk teruggebracht, al is de teruggang bij Verkeer en Waterstaat minder sterk dan bij sommige andere ministeries. Door deze teruggang is er het risico dat amendering vanuit de Kamer minder specifiek kan zijn.

De indeling in beleidsartikelen is opgebouwd aan de hand van sectoren welke vrijwel overeenkomen met de organisatorische opbouw van het ministerie in onderscheiden directoraten-generaal. Op zich is dat logisch, maar de heer Eurlings had de indruk dat de directoraten-generaal niet altijd even eenduidig hun inbreng vormgeven. Ontevreden was hij over de operationalisering van de algemene beleidsdoelstellingen. Die zijn in een aantal gevallen niet in output-, maar in inputtermen gedefinieerd. Bovendien zijn operationele doelen vaak te kwalitatief van aard. Aspecten als doelgroep, streefwaarde en tijdspad dienen duidelijker te worden aangegeven. Anders is geen goede koppeling tussen operationele doelen en gewenste prestatiegegevens mogelijk.

De prestatiegegevens in de beleidsartikelen zijn overigens vooral in output- in plaats van outcome-termen gedefinieerd. Om het zicht op het maatschappelijk effect van beleid te vergroten, is een meer outcomegerichte benadering van belang. Ook de in elk beleidsartikel opgenomen paragraaf 6 met veronderstellingen in effectbereik, doelmatigheid en raming is op dit moment nog veel te kwalitatief van aard.

Het plan van aanpak vond de heer Eurlings er niet slecht uitzien, maar ter wille van de inzichtelijkheid voor en de controlefunctie van het parlement achtte hij het wel gewenst dat de relatie tussen doelen, middelen en prestatiegegevens wordt geëxpliciteerd. De operationele doelen dienen beter te worden geformuleerd met een duidelijke analyse van de bijdrage van het ministerie aan die te bereiken doelen. Verder is nog nodig een nadere uitwerking van de artikeloverschrijdende prioriteiten in de beleidsagenda en de concrete uitwerking van prioriteiten, door de koppeling ervan met doelen en middelen aan te geven.

Hij meende dat de toegankelijkheid en de volledigheid van de beide agentschapsbegrotingen (KNMI en RDR) nog sterk verbeterd kunnen worden. Hoe zouden volgens de bewindslieden de ZBO-begrotingen verwerkt moeten worden?

Hij vroeg ten slotte hoe gewaarborgd wordt dat bij de overgang naar de nieuwe opzet duidelijk blijft hoe artikelen van de oude naar de nieuwe situatie "overlopen".

De heer Dijsselbloem (PvdA) vond dat de nieuwe begrotingsopzet er goed uitziet en dat de artikelindeling logisch en voldoende gedetailleerd is. Wel is veelal een outputgerichte benadering gekozen, terwijl het vooral om outcome zou moeten gaan. Hij besefte dat dit niet eenvoudig is, maar anderzijds hoefde van hem de relatie tussen de ingezette middelen en het verkregen effect niet wetenschappelijk te worden bewezen, maar alleen plausibel te worden gemaakt. Ter illustratie wees hij op beleidsartikel 07 waar als prestatiegegeven bij de Wet personenvervoer is vermeld het aantal verzelfstandigde vervoersbedrijven. Hij zag dat als een typische output, terwijl het hem vooral erom ging of de kwaliteit van het vervoer in bus en tram toeneemt, of er meer mensen worden vervoerd, of de prijs beheerst is of wellicht zelfs omlaag kan, e.d. Dit soort punten zijn expliciet vanuit de Kamer geformuleerd bij de bespreking van de Wet personenvervoer en hij wilde de voortgang op die punten dan graag ook terugzien in de jaarlijkse begroting. Belangrijk vond hij ook dat de doelgroepen bij infrastructurele projecten worden vermeld en dat wordt aangegeven of zij in financiële zin bij de projecten betrokken kunnen worden.

Hij juichte het toe dat de beleidseffectrapportage wordt geïntegreerd in het jaarverslag en dat er een projectenboek komt, als bijlage bij de IF-begroting. Wel zal dan steeds zichtbaar moeten zijn hoe het gaat met de voortgang van die projecten, welke middelen er na een aantal jaren vrijvallen en hoe moties van de Kamer zijn meegenomen in de uitvoering. In dit verband drong hij erop aan dat de huidige bijlage over de uitvoering van moties en toezeggingen ook in de nieuwe opzet blijft bestaan.

Hij zou het onvoldoende vinden als grote projecten alleen in het projectenboek apart zichtbaar blijven. Ook in de begroting zelf zal steeds zichtbaar gemaakt moeten worden hoe het staat met doelen, middelen en prestaties, vooral omdat juist met deze projecten grote delen van de begroting gemoeid zijn.

Hij had bij enkele politieke thema's nagegaan hoe de informatievoorziening in de nieuwe begroting is. Zo had hij over het thema "betere benutting van de infrastructuur" de opmerking aangetroffen dat dit één van de hoofdpunten van de beleidsagenda van het ministerie in de komende jaren is, maar verder had hij dit thema alleen maar kunnen terugvinden bij het artikel versterking netwerk goederenvervoer, merkwaardigerwijs niet bij het artikel versterking netwerk personenvervoer. Bovendien is niet aangegeven welk bedrag is uitgetrokken voor de uitvoering van dit thema, terwijl bij de prestatiegegevens dit thema onbesproken blijft. Ook beleidsthema's als "inpassing van infrastructuur", "gehandicaptenvervoer", "ondergronds transport" of "ICT infrastructuur" had hij niet kunnen terugvinden.

Uit de begroting had hij ook niet kunnen opmaken wat de verhouding zal zijn tussen investeringen in wegen en in openbaar vervoer. Toch gaat het hier, zo vond hij, om een belangrijk politiek punt en hij wilde dan ook inzicht krijgen in die verhouding.

Ten slotte wees hij erop dat veel projecten vele jaren lopen, soms tien jaar of nog langer, en dat ook de uitgaven over al die jaren worden uitgesmeerd. Hij zou graag zien dat in de begrotingsstukken voor dergelijke langlopende projecten wordt aangegeven hoe het in de komende tien jaar met de uitgaven voor die projecten zal gaan.

De heer Weekers (VVD) had waardering voor de tot nu toe op het ministerie verrichte inspanningen. De nieuwe begroting is overzichtelijker geworden, maar geeft anderzijds minder informatie. Nu dient de Kamer inderdaad op hoofdlijnen te sturen, maar de doelstellingen, de gehanteerde middelen en de benodigde uitgaven horen wel traceerbaar te zijn. Zo wees hij erop dat in de oude begroting de uitgaven voor de scheepvaartinspectie nog apart zijn genoemd en in de nieuwe niet meer terug te vinden zijn. Meer informatie leek hem dan ook nodig. Verder zou een index goede diensten kunnen bewijzen.

Hij kon zich niet vinden in het voornemen om de bijlagen van de huidige begroting te laten vervallen. Ook het overzicht van openstaande moties en toezeggingen wilde hij behouden, waarbij een periodieke actualisering van dit overzicht gewenst is. Tegen het via internet toegankelijk maken van deze informatie had hij uiteraard geen bezwaar, maar daarnaast wilde hij deze stukken ook op schrift blijven ontvangen.

Het tijdig beschikbaar hebben van informatie is van groot belang voor een goede sturing en controle. Hoe ver is de werkgroep monitoring en sturingsinformatie inmiddels en welke mogelijkheden zijn er dat derden voortaan sneller informatie verstrekken? Zo kunnen CBS-gegevens pas rond 1 juni naar de Kamer kunnen worden gezonden, terwijl eind mei het debat over de verantwoording al wordt gevoerd.

De beleidsagenda geeft in algemene termen een meerjarig streefbeeld. Dat geeft een globaal overzicht, maar de heer Weekers zou graag zien dat daarin ook de concrete speerpunten van het beleid voor het komende begrotingsjaar worden beschreven. Ook stond hij een sterkere koppeling voor tussen de beleidsagenda en de beleidsartikelen, opdat snel inzicht wordt verkregen in prioriteiten, middelen en prestaties. Die dienen dan vervolgens in de beleidsartikelen nader te worden uitgewerkt en voorzien van concrete en meetbare doelstellingen, te gebruiken instrumenten en de daarvoor benodigde middelen.

Op zich is bij de beleidsartikelen sprake van een uniforme structuur, maar toch zijn er aanzienlijke verschillen bij de uitwerking en bij de interpretatie door de diverse directoraten-generaal van begrippen als "nader geoperationaliseerde beleidsdoelstellingen", "in te zetten instrumenten" en "te leveren prestatiegegevens". Op dit punt is nog wel een redactieslag nodig, terwijl ook een kwaliteitsslag nodig is als het gaat om concreet meetbare doelstellingen. In dat verband wilde de heer Weekers meer informatie hebben over doelgroep, streefwaarde en tijdspanne. Ook meer informatie over referentiepunten en tussendoelen, zeker als het gaat om een tijdspad van zo'n tien jaar, zou hij op prijs stellen. Zo wordt als doel aangegeven dat in 2010 een reductie van 50% van het huidige aantal doden op spoorwegovergangen is bereikt. Op zichzelf is dat een goed meetbare doelstelling, maar hij zou dan wel graag aangegeven zien welke reductie in bijvoorbeeld 2003 en 2007 al bereikt zou moeten worden. Prestatiegegevens dienen zo goed mogelijk toetsbaar te zijn, al besefte hij dat dit niet eenvoudig is.

De prestatiegegevens in de voorbeeldbegroting zijn bedoeld als beleidsneutraal. Volgend jaar zal de formulering dus waarschijnlijk weer een slag anders zijn. Met het oog hierop leek het hem niet zinvol om nu alle prestatiegegevens langs te lopen. Hij achtte zich daar op dit moment ook niet aan gebonden. Hij pleitte nogmaals voor meer concretisering, vooral een meer kwantitatief inzicht in de veronderstelde effecten. Overigens heeft de minister dit al aangekondigd. Dat is belangrijk, want het gaat uiteindelijk om het maatschappelijk effect en om de vraag welke conclusies ten aanzien van het beleid worden getrokken als bepaalde doelstellingen niet worden gehaald.

Op de briefing op 31 augustus jl. had hij gehoord dat ervoor is gekozen om voor de budgetflexibiliteit uit te gaan van juridische verplichtingen. Dat leek hem juist, maar hij had er behoefte aan dat ook zaken worden besproken als bestuurlijke verplichtingen en onvermijdelijke uitgaven, inclusief een toelichting op de "hardheidsgraden". Alleen dan heeft de Kamer behoorlijk zicht op de vraag welke verschuivingen zij kan doorvoeren, ook binnen beleidsartikelen. Verder vroeg hij om meer duidelijkheid te geven over de flexibiliteit van apparaatsuitgaven. Hij had begrepen dat het ministerie bezig is met tijdschrijven, waardoor personeelskosten aan projecten kunnen worden toegerekend, maar anderzijds geldt ook dat niet elke medewerker van een project zonder meer kan worden ingezet voor een ander project. Duidelijkheid over de inzetbaarheid van personeel is dan ook gewenst.

Bij de agentschappen is er geen inzicht in de doelstellingen, de vermogensontwikkelingen en de vraag hoe doelmatigheidswinst wordt bereikt.

Bij de IF-begroting vroeg hij voortaan duidelijk te maken welke concrete projecten welke bijdrage kunnen leveren aan het halen van de operationele doelen in de departementale begroting. Hij vroeg, zonder daar nu een oordeel over te geven, of het de bedoeling is om IF-begroting en departementale begroting op termijn te integreren.

Ten slotte vroeg hij de minister na de discussie van vandaag in een brief aan te geven op welke manier de verbeterpunten aangepakt zullen worden.

Mevrouw Giskes (D66) had waardering voor de inzet van de bewindslieden en hun medewerkers in de VBTB-operatie. Nu het MIT binnenkort als zelfstandig document komt te vervallen, vroeg zij of het de bedoeling is om vervolgens ook de IF-begroting en de departementale begroting ineen te schuiven. Haar leek dat wel een goede zaak, vooral uit een oogpunt van een goede verantwoording. Weliswaar geeft de fondsconstructie van de IF-begroting ruimere mogelijkheden om over de jaargrens heen te schuiven dan het geval is bij een begroting, maar zij had begrepen dat dit probleem wel te ondervangen is.

Positief vond zij het voornemen om alle beleidsinformatie voortaan in één stuk op te nemen. De vraag is wel wat die informatie dan gaat inhouden. In de voorbeeldbegroting is de informatie sterk algemeen van aard, maar de begroting betreft steeds één jaar en dan is het nodig dat de informatie is afgestemd op dat ene jaar. Ook uit een oogpunt van beleidsverantwoording achteraf is dat nodig.

Enige twijfel had zij bij de nu gekozen indeling van artikelen. Bij wijze van voorbeeld wees zij op het artikel met de titel "faciliëren mobiliteitsbehoefte personen". Bij zo'n titel had zij verwacht dat zou worden aangegeven wat de mobiliteitsbehoefte is, welke behoefte redelijk wordt geacht en hoe daarin zal worden voorzien, maar dit artikel blijkt eigenlijk alleen maar te gaan over autoverkeer, terwijl het openbaar vervoer in een ander artikel wordt genoemd.

De formulering van de doelen en de outcome die wordt beoogd, vond zij op een aantal plaatsen nog vrij algemeen. Zij zou graag zien dat die meer specifieker en meer kwantitatief wordt.

Zij kon zich voorstellen dat straks niet meer elk exemplaar van de begroting nieuwe stijl allerlei bijlagen bevat, maar zij vond wel dat in ieder geval de Kamer die bijlagen moet blijven ontvangen.

Zij hechtte ten slotte aan specifieke aandacht voor projecten die de grenzen van de ministeries overschrijden.

Antwoord van de bewindslieden

De minister merkte eerst op dat het bij de VBTB-operatie gaat om een leerproces waarbij werkende weg steeds verder in de richting van vervolmaking wordt gekomen. Dat zal geruime tijd in beslag nemen. De minister van Financiën heeft ook niet voor niets onlangs de verwachting geuit dat het wel een jaar of tien zal duren voordat de VBTB-operatie volledig is afgerond. Uiteraard zal bij de overgang op het nieuwe systeem de vergelijkbaarheid met vorige begrotingen behouden blijven.

Zij beaamde dat het nog niet is gelukt om volledig over te schakelen op de outcomesystematiek, maar zij ging ervan uit dat dit in de loop van de jaren steeds beter zal lukken. Zeker gezien het streven om de keuzes inzake mobiliteit te rationaliseren is het nodig om duidelijk te maken wat de doelen zijn, welke knelpunten opgelost zouden moeten worden en op welke manier dat het beste kan. In feite wordt allang op die manier gewerkt, maar het moet nog wel geëxpliciteerd worden en dat kan bij de nieuwe opzet.

Zij vond de reductie van bijna 100 naar 22 beleidsartikelen in de nieuwe begrotingsopzet al vrij omvangrijk. Dit aantal kan nog verder omlaag worden gebracht, maar dan komt de inzichtelijkheid in de knel en wordt het voor de Kamer moeilijker om amendementen in te dienen. Bij de huidige opzet wordt in ieder geval zoveel mogelijk duidelijkheid gegeven over de doelstellingen en de percentages die voor ogen staan. Bij verkeer en vervoer is dat niet eenvoudig, alleen al omdat daar allerlei gedragseffecten spelen of bepaalde doelstellingen door pure pech niet worden gehaald. Bij de keuzes voor de nieuwe opzet is dan ook zo goed mogelijk nagegaan of bepaalde zaken wel te monitoren zijn en of ze onder normale omstandigheden haalbaar zijn, gegeven de inzet van middelen en de mogelijkheden die er zijn om het beleid te beïnvloeden. Ook in het komende NVVP zal een concreet actieprogramma worden opgenomen, opgesteld in dialoog met alle betrokken partijen, zoals andere overheden en maatschappelijke organisaties. Dit programma zal vervolgens iedere twee jaar worden geactualiseerd en worden vertaald in de uitgavenartikelen van de jaarlijkse begroting, waarna in het jaarverslag ten slotte wordt aangegeven wat er feitelijk is bereikt. In de nu voorliggende voorbeeldbegroting is dat nog niet terug te vinden, want op dit moment geldt nog het SVV II. Door dit plan is het geheel in feite tien jaar gestold, hetgeen niet meer past in de dynamiek van vandaag.

In dit verband moet bedacht worden dat er in de sector verkeer en vervoer nooit een zuiver causaal verband kan zijn tussen de outcomeprestaties en de ingezette middelen. Wel dient de relatie plausibel gemaakt te kunnen worden.

Hierna gaf de bewindsvrouwe aan dat in de departementale begroting (hoofdstuk XII van de rijksbegroting) het beleid wordt geformuleerd en dit beleid concreet inhoud wordt gegeven door middel van investeringen die zijn geraamd in de IF-begroting. Hieruit volgt dat er een nauwe relatie is tussen beide begrotingen, waardoor ook de lengte van de memorie van toelichting bij de IF-begroting beperkt kan worden gehouden. Op dit moment voelde zij er niet voor om de IF-begroting in de departementale begroting op te nemen. Er is immers altijd een behoorlijk risico dat de termijnen voor infrastructurele werken niet worden gehaald, bijvoorbeeld in verband met beroeps- en bezwaarprocedures en het feit dat bij verkeers- en vervoerszaken altijd vele partijen betrokken zijn, en alleen bij een fondsconstructie is het mogelijk om over de jaargrens heen te schuiven. Dit komt anders te liggen in het geval overgegaan zou worden op een stelsel van baten en lasten, maar de discussie daarover zal volgend jaar pas echt beginnen. Het leek haar niet nodig om het MIT nog als apart stuk te handhaven, nu er een projectenboek komt waarin gedetailleerd inzicht wordt gegeven in de projecten en waar ook tot in details discussie over kan plaatsvinden.

Zij besefte dat een wijziging van de Comptabiliteitswet op komst is waarmee het ministeries wordt toegestaan om met geld dat overblijft aan het eind van een begrotingsjaar een interne begrotingsreserve op te bouwen die "geparkeerd" wordt bij het ministerie van Financiën. Bij Verkeer en Waterstaat is er echter een specifiek aspect, namelijk dat het bij projecten vaak om zeer grote bedragen gaat en er een behoorlijk risico is dat projecten niet binnen het verwachte tijdspad afgewerkt kunnen worden, of dat er niet op het geplande tijdstip mee gestart kan worden. Ook komt het voor dat eerder met een project kan worden begonnen dan werd verwacht. Er moet dus soms met enorme bedragen over de jaargrens heen en weer worden geschoven en juist daarom is voor een fondsconstructie gekozen die op zichzelf goed werkt. Het leek haar verstandiger om eerst de uitkomst over een mogelijke overgang op een stelsel van baten en lasten af te wachten en dus niet nu alweer af te stappen van de fondsconstructie voor het IF.

Overigens herinnerde zij eraan dat het streven erop is gericht om de keuze van investeringsprogramma's zoveel mogelijk te rationaliseren. Mede door middel van economische effectrapportages wordt zoveel mogelijk gepoogd om het geheel transparant te maken en duidelijk nut en noodzaak van infrastructuur aan te geven. Het is de bedoeling om een en ander in de komende jaren verder uit te werken in de stukken van de IF-begroting, opdat niet alleen het totale jaarbedrag voor dit fonds, maar ook de diverse projecten nader worden geëxpliciteerd. Wel moeten zekere beperkingen worden gesteld aan de transparantie van individuele projecten, omdat er anders het risico is dat marktpartijen onnodig hoge prijzen in rekening brengen.

Over het thema benutting zijn in de IF-voorbeeldbegroting opmerkingen gemaakt, zowel wat betreft wegen als wat betreft het openbaar vervoer. Het thema inpassing zal worden behandeld in het komende projectenboek, evenals het thema openbaar vervoer en wegen. Discussie over de verhouding tussen het percentage dat aan wegen wordt besteed en het percentage ten behoeve van openbaar vervoer vond zij niet zo zinvol, omdat het vooral moet gaan om de vraag of met een bepaalde investering een probleem zo goed mogelijk wordt opgelost.

Het thema gehandicaptenvervoer is inderdaad niet direct terug te vinden in de voorbeeldbegrotingen, maar dat geldt ook voor de huidige begrotingsstukken. Dit heeft te maken met de keuze van de indeling. Een verdergaande verfijning leidt er weer toe dat toegankelijkheid en leesbaarheid in het gedrang komen.

Ondanks het opzetten van één nieuwe inspectie voor alle onderdelen van Verkeer en Waterstaat zal de scheepvaartinspectie apart blijven voorkomen in de begroting.

De minister vond het wel jammer dat de Kamer wil dat alle bijlagen uit de huidige begroting ook in de toekomst gedrukt moeten blijven worden. Omdat het de bedoeling is om voor elk hoofdstuk van de rijksbegroting op dezelfde manier te werk te gaan, leek het haar goed om hier opnieuw naar te kijken. Inzake een regelmatige rapportage over de voortgang in de uitvoering van moties en toezeggingen is er al contact geweest tussen de griffier van de vaste commissie en het bureau secretaris-generaal op het ministerie. Zij ging ervan uit dat daar goede afspraken over gemaakt worden en dat de lijst met moties en toezeggingen dan niet meer als bijlage bij de begroting gevoegd hoeft te worden.

Het is zeker de bedoeling om in het projectenboek voor langlopende projecten tussendoelen te stellen. In het kader van rapportages in de vorm van kengetallen zullen de ontwikkelingen zichtbaar worden gemaakt, hetgeen ook terug zal moeten komen in de jaarverslagen. Er zal ten aanzien van effectmeting nog wel een leerproces doorlopen moeten worden, vooral omdat de looptijd van een project (vanaf de ideevorming tot en met de realisatie) gemiddeld al zeven jaar is en vervolgens nog enige jaren moeten verlopen voordat kan worden gemeten of de beoogde effecten ook worden bereikt.

Bij het onderwerp budgetflexibiliteit wees zij erop dat in het algemeen naast juridische verplichtingen ook allerlei bestuurlijke verplichtingen zijn aangegaan, waardoor het vrij besteedbare bedrag in feite veel kleiner is dan op het eerste gezicht lijkt. Het leek haar beter om de échte vrije ruimte te laten zien en zij wilde zich hier graag nog eens op bezinnen. Zij wilde dat doen in overleg met de minister van Financiën, want ook hier is het de bedoeling dat in elk hoofdstuk van de rijksbegroting op dezelfde manier te werk wordt gegaan.

In de praktijk is er al sprake van een flexibele inzet van personeel voor projecten. Dit heeft echter niet zozeer met de opbouw van de begroting te maken.

Het leek haar niet nodig om binnenkort al in een brief aan te geven, op welke manier de verbeterpunten aangepakt zullen worden. De vandaag gemaakte opmerkingen zullen worden bezien en verwerkt, in relatie met de vanuit andere commissies gemaakte opmerkingen en de adviezen van de Algemene Rekenkamer, en volgend jaar zal dan de eerste VBTB-begroting worden gepresenteerd. Dit alles gaat in overleg met andere ministeries, in het bijzonder het ministerie van Financiën, om voor alle hoofdstukken van de rijksbegroting tot dezelfde werkwijze te komen. In dat verband wilde zij ook graag nader kijken naar de suggestie om aan de algemene beleidsagenda een beschrijving van de belangrijkste doelstellingen en beleidsvoornemens voor het komende begrotingsjaar en een samenvattend overzicht van de financiële gevolgen toe te voegen. Hierdoor kan de leesbaarheid van de begroting waarschijnlijk sterk worden vergroot.

De staatssecretaris vond het wat jammer dat alleen voorbeelden uit de sector vervoer zijn genoemd, terwijl in de sector waterkeringen al volgens de nieuwe systematiek wordt gewerkt. In bijvoorbeeld het Deltaplan grote rivieren is al aangegeven wat de doelstellingen zijn, op welke manier die worden gehaald, hoeveel geld daaraan wordt besteed en in welk tempo het werk zal worden verricht. Anderzijds beaamde zij dat het bij dit plan niet al te moeilijk was om op die manier te werken. Bij bijvoorbeeld Ruimte voor de rivier zal dat aanzienlijk moeilijker zijn, want daar spelen veel meer factoren een rol.

De toegankelijkheid van de agentschapsbegrotingen is niet gewijzigd in vergelijking met de bestaande begroting. Dat neemt niet weg dat er zeker verbeteringen mogelijk zijn, al zal dat niet zo eenvoudig zijn, want de producten van de agentschappen zijn niet volledig te verwerken in de betreffende beleidsartikelen. Wel zijn de producten nu al gerelateerd aan de betreffende beleidsartikelen.

Nadere gedachtewisseling

De heer Eurlings (CDA) vroeg hoe de Kamer in de komende tijd wordt geïnformeerd over de verdere voortgang en de uitvoering van de vandaag gedane toezeggingen. Hij voelde wel voor het verzoek om in een brief aan de Kamer nog eens de toezeggingen op een rij te zetten en daarbij aan te geven wat de komende maanden precies in gang zal worden gezet. In die brief kan dan tevens worden geschetst hoe de toegankelijkheid van de agentschapsbegrotingen zal worden verbeterd en op welke manier een duidelijker inzicht in de situatie van ZBO's kan worden gegeven.

Hij bleef bij zijn standpunt dat de teruggang van bijna 100 naar 22 beleidsartikelen de amenderingsmogelijkheden voor de Kamer beperkt. Hij zag dit als een punt van zorg.

Het MIT wilde hij graag handhaven, vooral omdat de meer gedetailleerde discussie zijns inziens beter aan de hand van dit stuk zou kunnen plaatsvinden.

Naar aanleiding van de opmerkingen over de verhouding van de percentages voor wegen en voor openbaar vervoer beaamde hij dat het uiteindelijk gaat om de best mogelijke outcome. Hij was echter geneigd om te stellen dat gegevens over die verhouding toch nodig zijn voor het beoordelen van de vraag of de outcome inderdaad de best mogelijke is.

De heer Dijsselbloem (PvdA) had inderdaad geen voorbeeld uit de portefeuille van de staatssecretaris genoemd. Hij vroeg haar dit maar op te vatten als een compliment voor de manier waarop in haar portefeuille de nieuwe opzet vorm is gegeven.

Hij was niet zo tevreden met het antwoord op zijn constatering dat bepaalde thema's in de nieuwe opzet niet zo goed uit de verf komen. De verhouding tussen openbaar vervoer en wegen was voor hem niet een symbolisch thema, maar een belangrijk politiek punt. In het regeerakkoord is trouwens vastgelegd dat hier sprake moet zijn van een evenwichtige verhouding. Ook het thema inpassing vond hij belangrijk. Dit wordt straks alleen besproken in het projectenboek, zo had hij begrepen, maar hij wilde ook informatie krijgen over het algemene beleidskader, niet alleen informatie per project.

Ten slotte herinnerde hij aan zijn verzoek om inzicht in de geprognostiseerde uitgaven voor langlopende projecten. Hij vond dat o.a. van belang in verband met het mogelijk vrijvallen van gelden in het geval een project niet doorgaat of langdurig wordt uitgesteld. Op dit moment is dat alleen te zien voor de periode tot 2005 en hij pleitte ervoor dat de Kamer voortaan voor een langere periode inzicht hierin krijgt. Alleen dan is het voor de Kamer goed mogelijk om alternatieven aan te dragen als gelden vrijvallen.

De heer Weekers (VVD) herinnerde aan zijn vragen over het tijdig beschikbaar komen van recente informatie en over het opnemen van een index. Verder herhaalde hij zijn verzoek om een brief over de manier waarop met de gedane toezeggingen en de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer omgegaan zal worden.

Mevrouw Giskes (D66) steunde dat verzoek en voegde er het verzoek aan toe om in die brief ook een nadere toelichting op te nemen op de gemaakte keuzes voor de indeling in beleidsartikelen. Zij had daar in eerste termijn enige twijfels over geuit en die indeling is de komende jaren wezenlijk voor een goede beoordeling door de Kamer. Verder onderschreef zij het pleidooi om voor een langere periode inzicht te geven in de geprognostiseerde uitgaven voor langlopende projecten. Het jaar 2010 behoort geen magische grens te zijn.

De minister merkte op dat er eind dit jaar een voortgangsrapportage over de VBTB-operatie komt die betrekking heeft op alle hoofdstukken van de rijksbegroting, dus ook op de departementale begroting van Verkeer en Waterstaat en de IF-begroting. Eventuele afwijkingen per ministerie zullen daarin zichtbaar worden gemaakt. Daartoe zal de komende maanden het nodige overleg met andere ministeries plaatsvinden, in het bijzonder dat van Financiën, over de verwerking van de vandaag gemaakte opmerkingen en gedane toezeggingen, want voor alle hoofdstukken van de rijksbegroting zal op dezelfde manier te werk gegaan moeten worden. Aan de hand van die voortgangsrapportage kan altijd nog in januari a.s. met de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat nader worden gesproken over de specifieke invulling van de departementale begroting en de begroting van het IF. Bovendien wees zij erop dat de vandaag gedane toezeggingen vastliggen in het verslag van het AO. Al met al vond zij het niet zo zinvol om binnenkort nog weer een aparte brief aan de vaste commissie te schrijven die alleen is gericht op de sector Verkeer en Waterstaat, maar als de commissie daar sterk aan hecht, wilde zij wel voldoen aan dit verzoek.

Zij herhaalde dat nader wordt gekeken naar de vraag om voor een langere periode inzicht te geven in langlopende projecten. Het NVVP en het BOR zullen over de grens van 2010 heengaan en in de departementale begroting en de IF-begroting zal inzicht worden gegeven in de consequenties hiervan. Verder zal het komende projectenboek veel meer inzicht geven dan het huidige MIT en zij verwachtte dan ook dat de Kamer niets zal missen als het MIT vervalt. Overigens leek het haar beter om de discussie daarover verder te voeren als het projectenboek eenmaal is verschenen.

Het is zeker niet de bedoeling dat de Kamer door de reductie van het aantal beleidsartikelen wordt beperkt in haar mogelijkheden tot amendering. Zij ging er ook van uit dat zo'n beperking niet aan de orde zal zijn, nu door de nieuwe opzet de begroting juist veel transparanter wordt. Bovendien bevat de voorbeeldbegroting van Verkeer en Waterstaat toch nog relatief vrij veel artikelen, in vergelijking met andere ministeries.

In de overzichten in de IF-begroting is aangegeven hoeveel geld wordt besteed aan railaanleg, hoeveel aan onderhoud e.d. Op dit moment wordt in overleg met de landsdelen een inventarisatie gemaakt van de actuele problemen waar niet al in het MIT een oplossing voor is gegeven. Zodra die inventarisatie klaar is, zullen de diverse projecten worden bekeken aan de hand van de vraag, hoe de problemen het beste opgelost kunnen worden. Daarvoor geldt dus niet al van tevoren een 50/50-verdeling tussen openbaar vervoer en wegen.

In de praktijk worden eigenlijk nooit meevallers bij projecten geboekt. Integendeel, op dit moment speelt juist het probleem van behoorlijk stijgende kosten. Verder is er voor de eerstkomende jaren sprake van een behoorlijke overplanning, waar bewust voor gekozen is omdat er de nodige procedurele problemen worden verwacht. Rond 2006/2007 zal er wat meer ruimte komen en het is de bedoeling om die geleidelijk te gaan gebruiken voor bijvoorbeeld uitvoering van het BOR. Een en ander blijkt overigens duidelijk uit de IF-begroting. Verder was zij het ermee eens dat het jaar 2010 geen magische grens mag zijn. In de komende tijd zal het ook steeds vaker gaan om projecten die over die grens heengaan, o.a. bij het BOR, omdat een aantal PPS-projecten naar alle waarschijnlijkheid pas vanaf 2007 in uitvoering zullen worden genomen. Verder loopt het NVVP tot 2020 en naar verwachting komen er in 2002 budgetten voor de uitvoering van dat plan.

Op het punt van het tijdig beschikbaar komen van CBS-cijfers kon de bewindsvrouwe geen reactie geven. Zij suggereerde om dit punt op te nemen met de minister van Economische Zaken. Overigens onderstreepte zij het belang van het tijdig beschikbaar komen van recente cijfers en zij was dan ook bereid om dit te bevorderen.

Zij stelde zich voor in het kader van de conversie van oud naar nieuw ook een index op te nemen.

Bij de indeling van de beleidsartikelen is ervoor gekozen om ze te ordenen naar directoraat-generaal, waarbij steeds het thema veiligheid als eerste aan de orde wordt gesteld. Zij zegde toe nog eens te kijken naar het artikel "faciliëren mobiliteitsbehoefte personen", want het is niet de bedoeling om daarbij uitsluitend over automobiliteit te spreken.

De staatssecretaris bevestigde dat bij de agentschappen de producten en de parameters nog gedefinieerd moeten worden. Dit zal de komende tijd worden gedaan. Die definities liggen bij de agentschappen overigens niet zo voor de hand als bijvoorbeeld bij het artikel waterkeren. Verder is rijksbreed afgesproken om voor de ZBO's eenzelfde lijn te volgen.

De voorzitter van de commissie,

Blaauw

De griffier van de commissie,

Roovers


1 Samenstelling:


Leden: Blaauw (VVD), voorzitter, Van den Berg (SGP), Reitsma (CDA), Biesheuvel (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Valk (PvdA), Van Gijzel (PvdA), Leers (CDA), ondervoorzitter, Feenstra (PvdA), Van Heemst (PvdA), Verbugt (VVD), Giskes (D66), Stellingwerf (RPF/GPV), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD),Wagenaar (PvdA), Van der Knaap (CDA), Ravestein (D66), Van der Steenhoven (GroenLinks), Niederer (VVD), Van Bommel (SP), Eurlings (CDA), Herrebrugh (PvdA), Hindriks (PvdA), De Swart (VVD)

Plv. leden: Te Veldhuis (VVD), Bakker (D66), Th.A.M. Meijer (CDA), Stroeken (CDA), Van Gent (GroenLinks), Waalkens (PvdA), Crone (PvdA), Atsma (CDA), Duivesteijn (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Augusteijn-Esser (D66), Schutte (RPF/GPV), Geluk (VVD), Luchtenveld (VVD), Spoelman (PvdA), Buijs (CDA), Van Walsem (D66), Vendrik (GroenLinks), Weekers (VVD), Poppe (SP), Dankers (CDA), Dijksma (PvdA), Dijsselbloem (PvdA), Nicolaï (VVD)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie