Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Beleidsbrief Groen Onderwijs 2000

Datum nieuwsfeit: 21-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief LNV beleidsbrief groen onderwijs 2000

Gemaakt: 25-9-2000 tijd: 14:21

10

27417 Beleidsbrief groen onderwijs 2010

Nr. 1 Brief van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 september 2000


1. Onderwijs voor voedsel en groen: richting en ruimte

Hierbij bied ik u aan de «Beleidsbrief voor het onderwijs voor voedsel en groen: richting en ruimte». De brief is u toegezegd in het algemeen overleg op 15 maart jl.

Na de «Beleidsnota biologische landbouw 2001-2004» (kamerstuk 1999/2000, nr. 27416) is deze beleidsbrief de tweede deelnota van «Voedsel en groen». De nota «Natuur voor mensen, mensen voor natuur» (kamerstuk 1999/2000, nr. 27235) vormt eveneens het kader voor deze beleidsbrief.

In de nota «Voedsel en groen» (kamerstuk 1999/2000, nr. 27232) is aangegeven dat de innovatiekracht in het Nederlandse agrofood complex beperkt is. Innovatie van producten, processen en samenwerkingsvormen is van belang, evenals maatschappelijk verantwoord ondernemen in ketens en een internationale oriëntatie. Alleen een kennisintensief agro-food complex, met goed opgeleid personeel, kan de uitdaging aan.

Onderwijs moet werkenden opleiden voor het functioneren in dat groene domein, in de maatschappij. Dit betekent opleidingen waarbij - naast brede kennis - een grotere nadruk ligt op competenties, kortom vaardigheden om zich in een snel veranderende samenleving te kunnen handhaven. Het onderwijs voor voedsel en groen moet uit het isolement; het leren voor voedsel en groen behoeft een open systeem met een flexibel initieel leertraject als basis. Dit betekent actualisering van inhoud en vernieuwing van vorm. De internationale oriëntatie in het onderwijs zal vanzelfsprekend moeten zijn.

Het onderwijs voor voedsel en groen moet zo voldoen aan de vraag vanuit de arbeidsmarkt en de studerende. De instellingen moeten het vernieuwingsproces in de maatschappelijke context vorm geven; het management moet hierop met ondernemerschap inspelen. Voor docenten betekent dit een veranderende rol en de noodzaak om innoverend te zijn en hun kennis blijvend te vernieuwen. Het bedrijfsleven en de maatschappelijke organisaties zullen de vraag uit arbeidsmarkt en maatschappij moeten verhelderen. Zij moeten meer verantwoordelijkheid nemen voor permanent leren. Voor de studerenden betekent dit dat zij positie moeten kiezen in leven lang leren.

Deze beleidsbrief gaat in op de hoofdlijnen van de onderwijsvernieuwing. Na het debat met uw kamer, zullen de onderwijsinstellingen, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties worden uitgenodigd de hoofdlijnen te concretiseren.

Mijn onderwijsbeleid begint bij de functie van leren voor het groene domein («voedsel en groen») en niet bij het eindpunt: het systeem, de infrastructuur. Het gaat in eerste instantie om de inhoud en de kwaliteit van opleidingen, leren in de kennissamenleving. Ik richt mij op de innovaties die nodig zijn om ook in de komende 10 jaar flexibel, maatschappelijk georiënteerd en hoogwaardig onderwijs te hebben voor het voedsel, groene ruimte, natuur en landschap.

Kortom, het gaat om onderwijs met een actueel pakket van opleidingen van goede kwaliteit, die aantrekkelijk, innovatief, maatschappelijk en internationaal georiënteerd zijn. Het gaat om innoverend onderwijs dat met durf en ambitie onderdeel uitmaakt van een gevarieerd netwerk van kennisaanbieders en -vragers. Het gaat om onderwijs dat werkenden opleidt en blijft opleiden. Het groene onderwijs moet zich zo kunnen meten met het beste groene onderwijs in andere landen. De uitstraling ervan komt tot uiting in de aantrekkingskracht op leerlingen en studenten, in het bijzonder ook buitenlandse studenten uit geïndustrialiseerde landen waaronder met name Europa.

De beleidsagenda voor het groene onderwijs kan uiteraard niet los worden gezien van het algemene onderwijsbeleid zoals weergegeven in het kabinetsbeleid rond onder meer `HOOP 2000' (kamerstuk 1999, nr. 26087), `Koers BVE' (kamerstuk 2000/2001, nr. 27400, hoofdstuk VIII) en `Variëteit en Waarborg' (kamerstuk 1998/1999, nr. 26572).


2. De ambities voor het groene onderwijs: de luiken open!
In de nota's «Voedsel en Groen» en «Natuur voor mensen, mensen voor natuur» verwoordt het kabinet zijn ambities voor voedsel, groene ruimte, natuur en landschap. De effecten van de nieuwe economie zullen in de gehele agrofoodsector merkbaar zijn. Het groene domein is steeds meer verbonden geraakt met andere domeinen. Daardoor zijn burgers en samenleving nadrukkelijker betrokken bij het groene domein zoals bij natuur-, bos- en landschapsbeleid.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen, innoveren en internationaliseren zijn zwaartepunten in het beleid. Kennis is de basis om deze ambities te realiseren. Kennis die steeds vaker uit andere disciplines komt. Het is dus van groot belang om te waarborgen dat er voldoende werkenden in en gebruikers van groen zijn, die goed opgeleid zijn èn blijven.

Onderwijs is daarbij één van de belangrijke instrumenten met als functie: leren ten behoeve van functioneren in de maatschappij in het algemeen, en voor het groene domein in het bijzonder. Ook heeft het onderwijs een functie om kennis en inzicht, waarden en normen uit het groene domein over te dragen aan de maatschappij.

Om deze functies ook in de toekomst te kunnen blijven vervullen, staat het groene onderwijs voor een grote uitdaging: de luiken moeten open. Ik zet in op actualisering van het onderwijs, innovatie in de vorm ervan, internationalisering van het onderwijs en verhoging van de aantrekkelijkheid.

2.1 Actueel onderwijs: van landbouw naar groen

Belangrijke thema's als duurzaamheid, voedselveiligheid, agrobiodiversiteit, biotechnologie en integraal waterbeheer, mogen niet alléén vanuit landbouwkundig oogpunt bekeken worden. Het groene onderwijs moet zich richten op de volledige keten: van consument tot producent. Relevante kennis en kunde komen steeds vaker voort uit aanpalende disciplines: sociale wetenschappen, medische wetenschappen en ICT-gerelateerde disciplines. De sociaal-culturele dimensie van ondernemerschap in de groene ruimte moet aan de orde komen. Deze verbreding moet in het groene onderwijs weerspiegeld worden.

Het gaat ook om permanent leren, om economisch en verantwoord kunnen ondernemen, om innovatief vermogen. Competenties (clusters van kennis, vaardigheden en attitudes) vormen de basis voor permanent leren. Onderwijs heeft de taak om leerlingen en studenten op te leiden die beschikken over een breed palet van kennis en vaardigheden en met het vermogen om bijtijds in te spelen op veranderende omstandigheden en nieuwe kansen.

Het kennisnetwerk voor groen moet open staan voor ideeën, visies die elders ontwikkeld worden. Ook opvattingen die kritisch zijn over de meer traditionele landbouw moeten daarin een plaats hebben. Dit vraagt van het onderwijs een maatschappelijke oriëntatie en een centrale rol in kennisuitwisseling tussen (toekomstige) werkgevers en lerenden.

Van docenten vereist dit een permanente vernieuwing van kennis, toekomstgerichtheid en maatschappelijke en beleidsmatige oriëntatie. Immers, hun kennis en vooruitstrevendheid zijn bepalend voor de vernieuwing van opleidingen. Competenties zoals innovatief vermogen en ondernemerschap zijn voor docenten en management essentieel.

2.2 Vooruitstrevend onderwijs: innovatief in de vorm

Om adequaat in te kunnen spelen op nieuwe inzichten, nieuwe kennis en nieuwe behoeften dient het onderwijs permanent te innoveren. Het gaat daarbij niet alleen om inhoudelijke kennis, maar ook om onderwijskundige kennis, kennis over leren.

Leren is een vrijwel continu proces en vindt plaats op school, op het werk en in de vrije tijd. Het initieel onderwijs legt de basis voor een professionele houding en leert vaardigheden aan. Trainingen en ervaringen tijdens het werk zorgen voor permanente ontwikkeling van kennis en kunde. ICT ondersteunt permanent leren bijvoorbeeld door opleiden op afstand.

Een systeem voor erkenning van elders opgedane kennis en kunde draagt bij aan kwalificeren van werkenden.

Docenten moeten specifieke kennis en vaardigheden hebben om in te spelen op onderwijs, dat flexibel is en waarin de relatie met de lerende verandert. Docenten moeten kunnen aanhaken bij de dynamiek en innovatie van voedsel en groen en daartoe hun kennis en kunde vernieuwen.

Bij het uitvoeren van nieuwe leerconcepten, zoals werkplekleren, moet het bedrijfsleven meer verantwoordelijkheid nemen voor het opleiden, het leren.

2.3 Internationaal onderwijs: van uitzondering naar regel

De Europese en mondiale omgeving bepaalt in belangrijke mate de ontwikkelingen in Nederland. Nederland heeft daarbij vooral te maken met de concurrentie uit geïndustrialiseerde landen. Een hoog kennisniveau en uitstekende handelskwaliteiten zijn de pijlers om in die internationale omgeving mee te kunnen doen.

Opleidingen moeten meer Europees, mondiaal en minder nationaal georiënteerd zijn. Dit heeft gevolgen voor curricula van de opleiding: de internationale elementen in het curriculum moeten veel sterker tot uiting komen.

Ook uitwisseling van lerenden en docenten uit de Europese en andere geïndustrialiseerde landen draagt bij aan de internationalisering van het onderwijs. De kwaliteit van de opleidingen in het groene onderwijs kan hierdoor verbeteren. Een verdere verhoging van uitwisseling van studenten in met name het hoger en wetenschappelijk onderwijs is belangrijk. Het gaat daarbij vooral om studenten uit geïndustrialiseerde landen zoals de (toekomstige) EU-landen en landen waar Nederland mee te maken heeft bij internationale verdragen.

2.4 Aantrekkelijk onderwijs: voldoen aan de vraag

Om te kunnen blijven voorzien in voldoende en goed gekwalificeerde arbeidskrachten moet het groene onderwijs voldoen aan de wensen vanuit de arbeidsmarkt en aansluiten bij de diversiteit van de lerende. Het groene onderwijs moet zich laten sturen door de vraag naar opgeleiden.

De lerende vraagt een aantrekkelijke opleiding van hoge kwaliteit in een brede maatschappelijke context waardoor hij of zij flexibel is op de arbeidsmarkt. De lerende maakt onderdeel uit van de multiculturele maatschappij met een variatie van mensen met individuele wensen en achtergronden. Met name allochtonen vragen specifieke aandacht.

De arbeidsmarkt vraagt om voldoende flexibele medewerkers die startbekwaam zijn en mee kunnen met nieuwe ontwikkelingen.

Onderwijsinstellingen moeten een grotere verantwoordelijkheid nemen voor een succesvolle, individuele leerweg. Voortijdig afbreken van een opleiding dient uitzondering te zijn. Een persoonlijke begeleiding van de lerende door de docent is nodig. Het management moet hiervoor de randvoorwaarden scheppen.

De instroom van lerenden wordt niet alleen bepaald door het aanbieden van goede opleidingen. Het imago speelt daarbij een belangrijke rol. Ik hecht er sterk aan dat het imago van het groene onderwijs wordt geactualiseerd en verbeterd. Het onderwijs kan daar zelf het meeste aan doen door inhoud en kwaliteit te bieden die gevraagd wordt.


3. Landbouwonderwijs 2000: sterktes en zwaktes
De succesvolle realisatie van de ambities hangt samen met een aantal bepalende sterke en zwakke punten in het onderwijs.

3.1 Actueel

Het groene onderwijs is niet meer beperkt tot opleiden voor de primaire (produktie) sector. Dit is ook terug te vinden in het opleidingen aanbod van AOC's, HAO instellingen en Wageningen Universiteit met opleidingen voor groene ruimte, natuur, milieu, recreatie, dienstverlening en verwerking. Waar 25 jaar geleden nog meer dan 90% van de deelnemers een studie in een primaire produktie richting volgde, is dat aandeel nu minder dan 25%.

Gezien deze ontwikkelingen daag ik het groene onderwijs uit om de gewenste actualisering te realiseren en zo aan te sluiten bij ontwikkelingen in het groene domein.

3.2 Vooruitstrevend

Nieuwe concepten van leren en toepassing van ICT krijgen langzaam vorm. Zo is er kennis om ICT te gebruiken voor het onderwijsleerproces in een aantal voorhoede projecten opgedaan. Er is dus een goed begin, maar er moet nog een grote stap gezet worden naar nieuwe onderwijsconcepten, waarin ICT een grotere rol speelt. Dat vraagt veel van de professionele ontwikkeling van docenten en management.

Het groene onderwijs kent ook andere vormen van leren zoals de beroepspraktijkvorming (stages) en het praktijkleren waarin de nadruk ligt - als onderdeel van theorievorming - op leren werken. Deze vormen sluiten nog niet voldoende aan bij de vraag van de lerenden.

In het MAO worden onderwijsarrangementen ontwikkeld waarin elders verworven competenties erkend worden. In het HAO en de leraren opleiding ontstaan meer duale vormen van onderwijs.

De relaties met het bedrijfsleven, vooral op regionaal niveau zijn een goede basis om het bedrijfsleven verder te betrekken bij het verzorgen van nieuwe onderwijsvormen.

Vernieuwingen zijn zichtbaar maar mijn ambities met leren en ICT in het groene onderwijs gaan verder en het tempo moet hoger.

3.3 Internationaal

In het MAO vinden steeds meer uitwisselingen plaats met scholen uit andere Europese landen; ook worden er vele stages in het buitenland doorgebracht en zijn hier en daar internationale aspecten in het onderwijsprogramma opgenomen. In het HAO is een voor alle studenten verplichte, buitenlandse stage in het onderwijsprogramma opgenomen.

Wageningen Universiteit heeft relatief veel master studenten uit zowel ontwikkelings- als uit geïndustrialiseerde landen. Het aantal buitenlandse studenten in het gehele groene onderwijs neemt nog steeds toe. Potentiële groei zit in uitwisseling met studenten uit geïndustrialiseerde landen.

Internationalisering is goed op gang, maar is zeker nog geen vanzelfsprekendheid en dient meer in programma en op niveau van docenten tot uiting te komen.

3.4 Aantrekkelijk

De wettelijke grondslag voor de bekostiging van het groene onderwijs is overeenkomstig die van het overige onderwijs. Voor mij is de evenredigheid op basis van het aantal leerlingen en onderwijssoort uitgangspunt voor verdeling van middelen tussen het groene en het overige onderwijs.

Het percentage lerenden in het landbouwonderwijs t.o.v. het totale beroepsonderwijs is in het voortgezet onderwijs ruim 4% en in het hoger onderwijs iets minder dan 3%. Bij Wageningen Universiteit daalt het aantal studenten al een aantal jaren sterk; dit is een zorgelijke ontwikkeling. Het MAO en HAO tonen een redelijk stabiel beeld; in tegenstelling tot het overige HBO groeit het HAO niet. In het VMBO-groen zijn de leerlingen-aantallen in de afgelopen jaren jaarlijks met zo'n 5% gestegen. Met name het VMBO-groen laat zien dat de groene leeromgeving een aantrekkelijke leeromgeving is.

Aantrekkelijk onderwijs vraagt om opleidingen van hoge kwaliteit die inhoudelijk aansluiten bij de vraag; alleen dan kan het imago van het groene onderwijs veranderen. Aandacht voor kwaliteit en kwaliteitszorg in het algemeen krijgt binnen het groene onderwijs steeds meer aandacht, maar ontwikkelingen gaan langzaam. Van meer integrale vormen van kwaliteitszorg is nog vrijwel nergens sprake.

Het aantal allochtonen in het groene onderwijs is zeer gering. Oorzaken daarvan kunnen liggen in culturele achtergrond, maar ook in de mate van bekendheid met het opleidingen aanbod en de brede uitstroom mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Er zijn op een aantal scholen projecten met financiële steun van mijn departement gaande om de instroom van allochtonen te vergroten. Dit heeft weliswaar geleid tot meer allochtonen op die scholen maar de instroom is nog niet groot.

De ongediplomeerde uitstroom van leerlingen in het voortgezet en het hoger groene onderwijs is zeker niet slechter dan in het overige onderwijs. Toch vind ik deze uitval te hoog, omdat hierdoor te weinig gekwalificeerde mensen instromen op de arbeidsmarkt. Bovendien veroorzaakt dit individuele teleurstelling en verspilling van talent.

De problematiek van voortijdig schoolverlaten moet in het kader van leven lang leren opnieuw worden genormeerd. Dit omdat dit een kenmerk kan zijn van wisselwerking tussen werken en leren.

Ook de doorstroming binnen het voortgezet, en tussen voortgezet en hoger onderwijs, krijgt naar mijn mening niet voldoende aandacht. Dit moet bijdragen aan het wegwerken van het tekort aan gekwalificeerde arbeidskrachten van verschillend niveau.

Ontwikkelingen zoals de schaalvergroting in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs spelen ook in het groene onderwijs een rol. De instellingen voor het groene onderwijs zijn relatief klein gebleven t.o.v. de OC&W instellingen; ze zijn verspreid over het land. Ze vervullen een belangrijke plaatselijke, dan wel regionale functie in het verzorgen van de opleidingen en cursussen. Het groene onderwijs is daardoor aantrekkelijk. De scholen bieden de mogelijkheid voor onderwijs dicht bij huis. De instellingen bieden een herkenbare en veilige leeromgeving. De zorg voor de individuele lerende staat hoog in het vaandel. Daar staat tegenover dat de instellingen kwetsbaarder zijn voor veranderingen, zoals verschuivingen en schommelingen in de instroom van leerlingen en studenten.

Het groene onderwijs zal forse inspanningen moeten leveren om voor een bredere groep van potentiële deelnemers aantrekkelijker te worden en te blijven.


4. Beleidsagenda 2010

Om de genoemde ambities te realiseren zet ik de komende jaren nadrukkelijk in op een aantal specifieke onderwerpen. Ze vormen de beleidsagenda waarin aangegeven is met welke ambitie en inzet ik het proces wil laten verlopen en welke inzet ik verwacht van andere betrokkenen.

Voor zover daarvoor financiële middelen nodig zijn, zal ik de VIA (Versterking Innovatie Agrarisch onderwijs) inzetten. Deze regeling (8 miljoen voor de tranche 2001-2004) stimuleert met name vernieuwingen die gericht zijn op maatschappelijk verantwoord ondernemen, innovaties en internationalisering.

4.1 Actueel onderwijs: van landbouw naar groen

Ik verwacht dat een sterke maatschappelijk oriëntatie nadrukkelijk meegenomen wordt bij het vernieuwen van opleidingsprogramma's. Het onderwijs is daarbij zelf aan zet. In de lerarenopleiding moet veel meer aandacht gegeven worden aan de maatschappelijke oriëntatie van docenten. De Inspectie Landbouwonderwijs zal deze nieuwe oriëntatie toetsen; hiervoor wordt een toetsingskader ontwikkeld.

Voor de actualisering van het groene onderwijs is hechtere samenwerking en kennisuitwisseling met andere onderwijs- en onderzoeksinstellingen nodig. Voor Wageningen UR is hierbij een belangrijke rol weggelegd: Wageningen UR moet nieuwe kennis niet alleen voor het eigen wetenschappelijke onderwijs maar ook voor het gehele groene onderwijs beschikbaar maken. Wageningen UR zal worden verzocht om in het strategisch plan medio 2001 aan te geven hoe die rol en samenwerking wordt versterkt.

Ook de overige onderwijs instellingen wordt gevraagd om medio 2001 een strategisch plan te presenteren. Dit plan moet ingaan op:

aanpak actualisering van de opleidingen

samenwerking

kritische massa van de opleidingen

de functie als kennisverspreider naar de maatschappij

Zelf zal ik in overleg met de minister van OC&W de juiste randvoorwaarden creëren. Randvoorwaarden die de onderwijsinstellingen in staat stellen hun eigen weg te kiezen om kwalitatief hoogwaardig onderwijs voor het groene domein te garanderen.

4.2 Vooruitstrevend onderwijs: innovatief in de vorm

Er moet ruimte komen voor innovatieve leerconcepten waarin permanent leren centraal staat. In opdracht van LNV is het perspectief op leren verkend. De resultaten (Perspectief op `Leren in de kennissamenleving'; Stoas, augustus 2000) vormen de basis voor het debat over leren in de kennissamenleving.

Het zijn uiteindelijk de docenten die de vernieuwing vorm moeten geven. Zij moeten kunnen experimenteren om tot innovatieve leerconcepten te komen; op die manier worden vernieuwende ontwikkelingen geïdentificeerd. De docentenopleiding moet hierop voortvarend en ambitieus inspelen en hun opleiding daarop richten. Ik zal acties ontwikkelen om experimenterende docenten en wetenschappers bij elkaar te brengen. Veelbelovende voorbeeldprojecten waarin een integrale aanpak en een brede groep docenten een rol speelt, zullen worden gestimuleerd. Het gaat daarbij om innovatieve projecten waarin ICT benut wordt voor nieuwe leerconcepten, ontwikkeling en overdracht van kennis. Naast de eerder toegekende ICT middelen ( 65,6 miljoen voor 2001-2004 uit Regeerakkoord, Versnelling Regeerakkoord en Augustusbrief ICES-FES) , wil ik hieraan een extra financiële impuls geven vanuit het Innovatiefonds Voedsel en groen. Samen met het bedrijfsleven wordt binnen het Innovatiefonds ruimte voor een aantal veelbelovende innovatie pilot projecten gereserveerd. Ik zal een extra impuls geven aan het ICT netwerk waarin docenten onafhankelijk van tijd en plaats gezamenlijk kennis - uit diverse kennisinstellingen - kunnen delen en lesmateriaal kunnen ontwikkelen.

Ter verdere stimulering van innovatieve plannen denk ik aan het geven van een jaarlijkse innovatieprijs voor innovatieve opleidingen, instellingen, of jonge afgestudeerden in het groene onderwijs. Dit om veelbelovende innovaties in de etalage te zetten.

Op initiatief van LNV ontwikkelen bedrijfsleven en instellingen gezamenlijk een systematiek voor erkenning van elders verworven competenties. Daarbij maken zij gebruik van het (interdepartementale) EVC Kenniscentrum. In 2002 zal ik de resultaten presenteren.

De gewenste flexibiliteit en vervaging van de scherpe grenzen tussen onderwijs en bedrijfsleven in de rol van opleider heeft consequenties voor financiële rolverdeling tussen overheid en bedrijfsleven.

Met mijn collega van OC&W zal ik overleggen welke modellen voor verdeling voortvloeien uit deze ontwikkelingen. Dit als onderdeel van de algemene discussie over publieke en private financiering van onderwijs.

4.3 Internationaal onderwijs: van uitzondering naar regel

Ik wil verdere internationalisering van opleidingen en kennisuitwisseling en overdracht op Europees en mondiaal niveau versterken. Internationale aspecten moeten veel herkenbaarder in de opleidingen worden opgenomen. Aansprekende projecten waarin internationalisering van opleidingen voorop staat, zullen via de VIA regeling ondersteund worden. Ik zal met het onderwijsveld bespreken op welke wijze kennis van internationale verhoudingen en aspecten binnen het departement een bijdrage kan leveren.

Internationale uitwisselingen van studenten, leerlingen, docenten en management verdient versterking. Het LNV studie beurzenfonds voor buitenlandse onderzoekers vervult hierbij een rol. Ook landbouwattachés zullen hieraan bijdragen. Daarnaast denk ik aan uitbreiding van steunpunten voor het gezamenlijke hoger onderwijs in een aantal voor LNV relevante - met name geïndustrialiseerde - landen. Ik vraag de instellingen om in het strategisch plan in te gaan op hun visie op internationalisering en met voorstellen te komen om de versterking te realiseren. Op basis daarvan kan ik nieuw beleid op dit terrein ontwikkelen.

4.4 Aantrekkelijk onderwijs: voldoen aan de vraag

Van de maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven uit de gehele keten wordt verwacht dat zij nadrukkelijker dan voorheen aangeven aan welke eisen toekomstige opgeleiden moeten voldoen. Het bedrijfsleven en de maatschappelijke organisatie zullen de dialoog met het onderwijs moeten aangaan om tot een werkwijze te komen waarin zij structureel samenwerken. De gezamenlijke voorstellen voor verbetering van die samenwerking moeten in het strategisch plan van de instelling meegenomen worden.

Vraagsturing zal steeds meer doorgevoerd worden. In het cursusonderwijs wordt dit op korte termijn ingevoerd. Over nieuwe systemen voor vraagsturing vindt momenteel het debat plaats. Het groene onderwijs zou goed benut kunnen worden voor een pilot.

Het is essentieel dat instellingen en opleidingen investeren in het voor allochtonen aantrekkelijker maken van hun opleidingen. Het onderwijs zal hieraan hoge prioriteit moeten geven. Een aantal aansprekende voorbeeldprojecten zal ik financieel blijven ondersteunen. Ik heb opdracht gegeven om de problematiek nader te verkennen. Op basis van dit onderzoek zal ik mijn beleid dienaangaande medio 2001 aan u voorleggen.

Samen met onderwijs, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties worden de overlegstructuren vernieuwd; daarbij zullen vooral de voorlopers betrokken worden.

Bij het monitoren en evalueren van de ontwikkelingen en resultaten zal onder meer de Inspectie Landbouwonderwijs een belangrijke rol vervullen.

Ook voor de Inspectie wil ik meer openheid; de werkzaamheden van de inspectie Landbouwonderwijs zullen meer en meer in uitwisseling en roulatie met de Inspectie van OC&W worden uitgevoerd.

Op weg naar 2010

Voor de innovatie wil ik verantwoordelijkheid nemen zonder overigens mijn verantwoordelijkheid voor het huidige systeem uit de weg te gaan. In dat kader wil ik het debat over leren in de kennissamenleving een plaats geven. Ik zal het Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster verzoeken om in samenwerking met verschillende stakeholders en belanghebbenden te verkennen op welke wijze het proces van vernieuwing vorm gegeven kan worden.

Met bovenstaande agenda zet ik in op de versterking van de functie van onderwijs voor het groene domein. Inhoud van opleiding, kwaliteit en maatschappelijke oriëntatie hebben een hogere prioriteit dan bestuurlijke constellatie van een specifieke instelling. In de toekomst staat gerichte bekostiging van opleiding voor het groene domein centraal. Instellingen moeten zelf de mogelijkheden aangrijpen die hen in staat stellen om uit te groeien tot organisaties die de kennismarkt voor dit domein kunnen bedienen. Ik geef zo ruimte aan een pluriform onderwijsveld waarin nieuwe constructies kunnen ontstaan.

De activiteiten uit deze agenda vormen mijn bijdrage aan de transitie in het groene onderwijs waarin inhoud leidend is en systeem daarvan afgeleid wordt. Deze transitie is geen `spoorboekje'. Ik wil nadrukkelijk ruimte scheppen voor het leren van ervaringen die in pilotprojecten worden opgedaan. De agenda bevat daartoe een aantal concrete acties voor het eerste jaar. De praktijkervaring opgedaan in deze activiteiten, gebruik ik om de beleidsagenda zo nodig aan te vullen of bij te stellen.

Ik zal in de loop van 2001 een conferentie Innovatief Groen Onderwijs organiseren. Alle innovatieve ideeën, nieuwe leerconcepten, nieuwe wetenschappelijke kennis en praktijkervaringen, internationale projecten en ervaringen zullen elkaar daar ontmoeten. Op basis van de resultaten van deze conferentie zal ik u informeren over de volgende concrete acties.

De realisatie van mijn voornemens kan alleen in samenwerking met alle actoren in het groene domein. Ik verwacht daarbij van alle partijen een positieve en ambitieuze inzet. Ik zal ook OC&W en het overig onderwijs betrekken bij de uitwerking van mijn beleid.

MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ,

L.J. Brinkhorst

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie