Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief BUZA inzake werkzaamheden Veiligheidsraad

Datum nieuwsfeit: 22-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief BUZA inzake werkzaamheden veiligheidsraad augustus 2000

Gemaakt: 26-9-2000 tijd: 13:51

8

26301 Lidmaatschap Veiligheidsraad

Nr. 30 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 september 2000

Hierbij bied ik u mede namens de Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking een verslag aan over de werkzaamheden van de Veiligheidsraad in de maand augustus 2000.
SAMENVATTING

De werkzaamheden van de Raad, onder Maleisisch voorzitterschap, stonden in het teken van de ontwikkelingen in Burundi, de Democratische Republiek Congo en Sierra Leone.

Op 28 augustus is weliswaar, na maanden moeizame onderhandelingen onder leiding van Nelson Mandela, een vredesakkoord over Burundi overeengekomen, maar vier Tutsi-partijen bleken niet bereid tot ondertekening. Bovendien laat het akkoord een aantal cruciale zaken onopgelost en is er geen staakt-het-vuren overeengekomen.

De situatie in de Democratische Republiek Congo is onverminderd slecht. Door het gebrek aan medewerking van President Kabila staat de voortgang van het Lusaka-vredesakkoord onder grote druk. En marge van de Millennium-Top zullen regionale leiders trachten het Lusaka-proces weer op de rails te krijgen.

De Raad ging akkoord met de oprichting van een speciaal hof dat een einde moet maken aan de straffeloosheid van de personen die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige schendingen van mensenrechten in Sierra Leone.

De Raad besprak de situatie in Bosnië-Herzegovina en Kosovo, waar op 28 oktober de door UNMIK georganiseerde verkiezingen zullen plaatsvinden.

De leden van de Raad uitten grote verontrusting over de veiligheidssituatie in Afghanistan, waar opnieuw hevige gevechten waren uitgebroken. Door de toegenomen militie-activiteiten in Oost-Timor lijkt vooralsnog een vermindering van de militaire tak van de VN-missie in Oost-Timor (UNTAET) van de baan.

De mandaten van de VN-missies in de Democratische Republiek Congo (MONUC) en Sierra Lone (UNAMSIL) zijn voor een korte periode verlengd. AFRIKA

Burundi

Onder Secretaris-Generaal Prendergast informeerde op 31 augustus de Raad over het vredesakkoord dat op 28 augustus in Arusha, Tanzania, werd getekend door president Buyoya en 14 partijen. Vier Tutsi partijen bleken niet bereid tot ondertekening. Hoewel geen staakt-het-vuren is bereikt en vier van de tien Tutsi-partijen zich afzijdig hebben gehouden, noemde Prendergast het akkoord toch een belangrijke stap voorwaarts in het vredesproces van Burundi. Thans dienden onderhandelingen te starten over de uitstaande onderwerpen. De «weigeraars» dienen tot ondertekening te worden gebracht. In het akkoord staat dat een VN-vredesmacht voor de beveiliging van overheidsinstellingen en hooggeplaatste personen dient zorg te dragen. Prendergast had Mandela en de Burundese partijen duidelijk gemaakt dat de eerste verantwoordelijkheid voor de naleving van de akkoorden bij de partijen lag en niet bij de VN; de kansen op een vredesmacht zouden ook beduidend groter zijn naarmate de partijen zich meer zouden committeren aan het vredesproces.

De leden van de Raad verwelkomden het akkoord als een stap in de goede richting. Het was echter nog te vroeg om de VN te committeren aan een vredesoperatie. In een persverklaring riep de Raad alle partijen op een staakt-het-vuren over een te komen en het akkoord uit te voeren. De verklaring riep voorts de «weigeraars» op alsnog tot ondertekening over te gaan.

Democratische Republiek Congo

De Raad sprak op 3 augustus met de Minister voor Mensenrechten van de Democratische Republiek Congo (DRC), Okitundu.

Van schendingen van het Lusaka-akkoord en van
Veiligheidsraad-resoluties door de DRC was volgens Okitundu geen sprake. De Raad moest begrip tonen voor de staat van oorlog waarin de DRC zich bevond. Zijn land had te stellen met externe agressie en werd in feite bezet door Oeganda, Rwanda en Burundi. Het was evenwel wel degelijk bereid samen te werken met de VN-missie in de DRC, MONUC.

Okitundu meldde dat ernstige schendingen van de mensenrechten vooral plaatsvonden in gebieden die niet onder controle van Kinshasa vielen. Uiteraard vonden incidenteel wandaden plaats, maar deze moesten vooral worden toegeschreven aan de permanente druk waaronder de geheime politie wegens de gespannen toestand in het land moest opereren, aldus Okitundu.

De leden van de Raad, waaronder Nederland, veroordeelden het blokkeren van MONUC door de DRC, het dwarsbomen van de nationale dialoog en andere schendingen van het Lusaka-akkoord. Nederland vroeg aandacht voor de zorgwekkende mensenrechtensituatie in het land.

Assistent Secretaris-Generaal Miyet verzorgde op 18 augustus een briefing over de stand van zaken van het vredesproces in de DRC. De bijeenkomsten van de Joint Military Commission en het Politiek Comité waren teleurstellend verlopen en de bijeenkomst van het Southern Africa Development Committee had niet het gewenste resultaat opgeleverd.

Kabila had zijn positie gehandhaafd: hij weigerde in te stemmen met verdere ontplooiing van de VN-missie, MONUC en wenste niet mee te werken aan de nationale dialoog met Masire als facilitator. De veiligheidssituatie bleef verslechteren, evenals de humanitaire en de mensenrechtensituatie.

De voormalige President van Nigeria, Abubakr, werd tot Speciaal Gezant van de Secretaris-Generaal benoemd, met het mandaat aan te dringen op de volledige medewerking van Kabila bij de implementatie van het Lusaka-akkoord en de Veiligheidsraad-resoluties. In een persverklaring sprak de Raad ernstige zorg uit over de stand van zaken van het Lusaka-proces, dat door het gebrek aan Congolese medewerking stagneerde. De Raad steunde de voorgenomen missie van Abubakr.

Op 23 augustus aanvaardde de Veiligheidsraad unaniem een resolutie waarmee het mandaat van MONUC werd verlengd tot 15 oktober 2000. De Raad zal zich in deze periode beraden over de toekomst van MONUC.

Abubakr verzorgde op 30 augustus een briefing over zijn bezoek aan de DRC als Speciale Gezant van de Secretaris-Generaal.

Abubakr had met President Kabila en diens naaste adviseurs gesproken. Kabila stemde in met de ontplooiing van een Senegalees contingent in Mbandaka, een Pakistaanse eenheid in Kanaga en een Oekraïense contingent in Kisangani. Bezwaren bleven bestaan tegen de uitzending van Zuid-Afrikaanse speciale logistieke eenheden, die echter essentieel zijn voor de ontplooiing van de andere contingenten. Inmiddels heeft Kabila een brief met zijn bezwaren tegen het Lusaka-akkoord aan de Secretaris-Generaal gezonden, zonder overigens melding te maken van het bezoek van Abubakr.

Nederland stelde dat handhaven van het Lusaka-akkoord voorwaarde was voor de ontplooiing van MONUC. De Veiligheidsraad zou aan Kabila duidelijk moeten maken dat over Lusaka niet te onderhandelen viel. Ethiopië/Eritrea Onder Secretaris-Generaal Miyet lichtte op 15 augustus het rapport toe van de Secretaris-Generaal met aanbevelingen voor uitbreiding van het mandaat van UNMEE, de VN-missie voor Ethiopië/Eritrea, thans bestaande uit 100 waarnemers. UNMEE zou onder andere moeten toezien op stopzetting van de vijandelijkheden, de veiligheidszone monitoren en de posities van beide legers verifiëren. Daartoe zou UNMEE dienen te bestaan uit politieke, militaire, administratieve, voorlichtings- en
mijnenruimingscomponenten. De militaire component zou moeten bestaan uit 4.200 personen, inclusief 220 militaire waarnemers, drie infanteriebataljons en de benodigde ondersteuningseenheden. In reactie op Nederlandse vragen stelde Miyet dat het opsporen van overtredingen van sancties niet tot UNMEE's hoofdtaken zou behoren. Uiteraard kon de Raad van dergelijke overtredingen op de hoogte worden gesteld. Miyet besteedde veel aandacht aan de humanitaire situatie, met name in Badme en Zalambessa. In totaal waren circa 10 miljoen mensen afhankelijk van noodhulp. Een resolutie op basis van de aanbevelingen van de Secretaris-Generaal is in voorbereiding. Snelle ontplooiing van de VN-macht was in dit stadium essentieel. Nederland legde evenals andere sprekers de nadruk op het belang van politieke wil van beide partijen. Beide landen dienden zich van vijandige propaganda te onthouden en elkaars onderdanen humaner te behandelen. Guinee-Bissau Op 2 augustus meldde Assistent Secretaris-Generaal Turk dat de grens tussen Guinee-Bissau en Senegal op enkele grensovergangen na op 11 juli 2000 weer was geopend. Als gevolg van banditisme en militaire activiteiten van MFDC-separatisten (Mouvement des Forces Democratiques du Casamance) waren de spanningen evenwel niet geheel verdwenen. Turk meldde dat, hoewel beide landen bereid leken om het grensprobleem op te lossen, een reële dreiging bleef bestaan van verdere escalatie. Hij suggereerde dat het nuttig zou zijn als de Raad zijn nauwe betrokkenheid bij de zaak zou continueren. Sierra Leone

Op 31 juli en 1 augustus vond een qua samenstelling unieke openbare hoorzitting plaats van het Sanctiecomité Sierra Leone. Vertegenwoordigers van zowel de private als de publieke sector namen deel. De rol van onder andere Liberia, Guinee en Burkina Faso in de handel in `conflict diamanten' uit Sierra Leone werd scherp bekritiseerd. Het voorstel voor een certificeringsregime, gepresenteerd door Sierra Leone, kreeg de steun van de diamantindustrie. Op 4 augustus benadrukte UNAMSIL-Force Commander Generaal Jetley in de Raad de zwaarte van het werk in Sierra Leone voor de militairen van de verschillende bataljons en de noodzaak van een numerieke uitbreiding van troepen. Het huidige mandaat van UNAMSIL was volgens hem adequaat; een oplossing moest worden gezocht in toevoeging van goed getrainde, gedisciplineerde en voldoende uitgeruste troepen. De Raad nam op dezelfde dag een resolutie aan waarmee het mandaat van UNAMSIL ongewijzigd werd verlengd tot 8 september 2000. Tevens werd de Secretaris-Generaal verzocht voorstellen te doen om UNAMSIL te herstructureren ter vergroting van de effectiviteit. Op 30 augustus besprak de Raad het rapport van de Secretaris-Generaal terzake. In dit rapport beveelt hij aan het mandaat van de missie met een half jaar te verlengen, de militaire component te herstructuren en de missie uit te breiden tot 20.500 manschappen. Een resolutie hierover is in voorbereiding en zal in september in de Raad worden besproken. Op 14 augustus aanvaardde de Raad een resolutie waarin de Secretaris-Generaal wordt gevraagd een consultatie- en onderhandelingsproces te starten met de regering van Sierra Leone voor het opzetten van een speciaal hof. Conform de resolutie dient de Secretaris-Generaal uiterlijk 13 september een rapport in te dienen met aanbevelingen over de modaliteiten van het speciale hof. De jurisdictie van het hof zou misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en schendingen van humanitair recht moeten omvatten, evenals misdaden onder Sierra Leoons recht. Nederland is groot voorstander van de berechting van de daders van mensenrechtenschendingen in Sierra Leone en maakt zich sterk voor een onafhankelijke, geloofwaardige en rechtvaardige rechtsgang. De berechting mag zich niet beperken tot de periode na de amnestie (augustus 1999) of tot de kopstukken van de RUF. De doodstraf dient te worden uitgesloten.

Soedan

Het hoofd van de «Emergency Liaison Branch» van OCHA, Kennedy, informeerde de Raad op 11 augustus over ontwikkelingen met betrekking tot de humanitaire situatie in Soedan. Kennedy deelde mee dat de omstandigheden voor humanitaire hulpverlening buitengewoon moeilijk waren. Vluchtoperaties werden gehinderd door het grote aantal geweigerde vliegvergunningen. Humanitaire operaties werden verder bemoeilijkt door het toenemend aantal bombardementen op dorpen in het zuiden van het land, die bleven doorgaan ondanks interventies van de VN bij de Soedanese regering. Zelfs toezeggingen per brief van President Al-Bashir aan de Secretaris-Generaal om de veiligheid van de hulpoperaties te garanderen, leidden niet tot stopzetting van de bombardementen.

In een persverklaring werden de regering en de rebellen opgeroepen burgers niet tot doelwit van militaire acties te maken.

Nederland veroordeelde de bombardementen ten sterkste. De vluchten die plaatsvinden in Zuid-Soedan werden steeds formeel afgestemd met en goedgekeurd door de regering van Soedan. De gerichte bombardementen vormden derhalve niet alleen een schending van de meest elementaire regels van internationaal humanitair recht, maar bovendien een schending van gemaakte afspraken ten behoeve van onpartijdige humanitaire hulpverlening.

Somalië

In de maandelijkse briefing voor de Veiligheidsraad over de situatie in Somalië concentreerde Assistent Secretaris-Generaal Turk zich geheel op het vredesproces in Arta (Djibouti), dat als eerste stap de oprichting van het Nationale Overgangsparlement (TNA) heeft bewerkstelligd. Aan het TNA, aanvankelijk bestaande uit 225 zetels, zullen 20 zetels worden toegevoegd om rivaliserende clans tevreden te kunnen stellen. De houding van Somaliland en Puntland was nog ongewijzigd afhoudend. De humanitaire situatie was volgens Turk enigszins verbeterd dankzij regenval. Sommige gebieden hadden echter nog dringend humanitaire hulp nodig, die echter bemoeilijkt werd omdat de veiligheid van humanitaire werkers niet kon worden verzekerd.

De leden van de Veiligheidsraad steunden de besprekingen in Djibouti, maar plaatsten, in navolging van Nederland, vraagtekens bij het representatieve gehalte van het proces en het TNA. Op vragen van Nederland naar de beklijfbaarheid van de huidige ontwikkelingen, antwoordde Turk dat alhoewel nu op korte termijn resultaten waren bereikt, de toekomst onzeker bleef, met name door de houding van ontevreden krijgsheren. De steun van de Veiligheidsraad was in ieder geval van groot belang. In een persverklaring sprak de Raad steun uit voor het Djibouti-proces en voor de TNA. De Raad hoopte dat het TNA zelf de niet deelnemende partijen zou aanmoedigen om te participeren. Ten slotte riep de Raad op om de veiligheid van internationale humanitaire werkers te respecteren.

MIDDEN-OOSTEN

Irak

De Veiligheidsraad kreeg op 17 augustus een briefing van Ambassadeur Vorontsov over zijn inspanningen als High-level Coordinator inzake de vermiste Koeweitse burgers en burgers van derde landen (conform resolutie 1284). Zijn briefing bestond vrijwel geheel uit een opsomming van zijn internationale bezoeken en de Koeweitse en Irakese standpuntverklaringen en documenten uitgebracht sinds zijn vorige rapport. Hij concludeerde dat er geen vooruitgang was geboekt, maar verklaarde de hoop niet op te geven. Volgens Vorontsov weigerde Irak elke dialoog met hem Bagdad wilde geen enkele bemoeienis met personen die benoemd waren op grond van resolutie 1284.

In een persverklaring sprak de Raad unanieme steun uit voor Vorontsovs werkzaamheden. Irak werd opgeroepen mee te werken.

EUROPA

Bosnië-Herzegovina

Op 15 augustus informeerde Onder Secretaris-Generaal Miyet de Raad over de situatie in Bosnië-Herzegovina. De «State Border Service» had vier posten geopend. De terugkeer van minderheden was sterk toegenomen. Volgens Miyet was er nog geen duidelijke «exit strategy» voor UNMIBH ontwikkeld.

Alle delegaties toonden zich verheugd over de terugkeer van vluchtelingen en over het feit dat nu daadwerkelijk een begin was gemaakt met de «State Border Service». Tegelijkertijd werd zorg uitgesproken over de trage voortgang van de implementatie van Dayton. Een enkele delegatie wees erop dat het regime in Belgrado voor Bosnië (en de gehele regio) het grootste obstakel vormde voor vooruitgang. UNMIBH werd opgeroepen bij de Bosnische autoriteiten aan te dringen op krachtiger optreden tegen misdaad en smokkel.

Nederland verwelkomde de toegenomen terugkeer van minderheden, hetgeen als een teken van vertrouwen kon worden beschouwd. Nederland sprak zijn zorg uit over de ernstige begrotingstekorten. Onvolkomenheden in het innen van belastingen en accijnzen waren deels debet aan het begrotingstekort. Anderzijds vormden misdaad en corruptie mogelijk een oorzaak van de gaten in de begroting. Terzake waren grotere inspanningen gewenst, omdat de implementatie van Dayton werd bedreigd.

FRJ

In besloten consultaties van de Raad op 10 augustus stelden Canada en Nederland de kwestie van de door de FRJ gearresteerde Britten, Canadezen, en de vier Nederlanders aan de orde. In een onderhoud van Onder Secretaris-Generaal Miyet met de Joegoslavische Tijdelijk Zaakgelastigde, Jovanovic, had Miyet aangedrongen op naleving van het Verdrag van Wenen. De Russische

Tijdelijk Zaakgelastigde verklaarde zich bezorgd over de behandeling van de Britse, Canadese en Nederlandse gedetineerden door de FRJ en gaf aan dat Rusland contact

onderhield met Belgrado om een oplossing te helpen vinden.

In een persverklaring uitte de Raad zijn zorg over het feit dat de FRJ internationale verplichtingen met betrekking tot de arrestatie en detentie van betrokkenen negeert. De Raad drong er bij de Joegoslavische regering op aan te voldoen aan de verplichtingen van de desbetreffende bepalingen van internationaal recht.

Kosovo

In een briefing op 24 augustus informeerde Assistent Secretaris-Generaal Annabi de Raad over de situatie in Kosovo en met name over de verkiezingen op 28 oktober aanstaande.

Negentig procent van de Albanese Kosovaren waren geregistreerd. De meeste Serviërs hadden zich niet laten registreren. Intimidatie, onder meer de dreiging uit Belgrado dat pensioenen niet meer betaald zouden worden, had Serviërs van registratie weerhouden. Ook Turkse Kosovaren hadden zich niet laten registreren in verband met hun eis dat het Turks als derde officiële taal moest worden erkend.

Annabi ging uitvoerig in op de nieuwe golf van geweld, met name de vijandelijkheden tegenover UNMIK. De vrijwillige terugkeer van vluchtelingen zette zich voort. De onvrijwillige terugkeer vertoonde een stijgende lijn. Sinds februari waren 5600 vluchtelingen onvrijwillig gerepatrieerd, vooral uit Duitsland en Zwitserland. UNMIK is geen voorstander van onvrijwillige terugkeer.

Annabi meldde voorts dat UNMIK besloten had tot de voorlopige sluiting van de loodfabriek te Zvecan. Rusland uitte felle kritiek op de sluiting; milieuredenen vormden een voorwendsel voor de feitelijke onteigening van Servische eigendommen in Kosovo, een voorbeeld van «etnische zuivering en Albanisering» van bedrijven.

De leden van de Raad spraken steun uit voor de Speciale Vertegenwoordiger Kouchner en veroordeelden het deels politiek, deels etnisch gemotiveerde geweld.

Nederland noemde het gedrag van de FRJ ten aanzien van de gevangenen onaanvaardbaar. Aangedrongen werd op consulaire toegang onder vier ogen alsmede toegang voor rechtsbijstand en onafhankelijke medische zorg. Nederland deed nogmaals beroep op de FRJ-autoriteiten om hun internationale verplichtingen krachtens het Verdrag van Wenen na te komen.

De Russische Ambassadeur keerde zich als enige tegen de door Kouchner vastgestelde datum voor de verkiezingen De tijd was hiervoor nog niet rijp; alle inspanningen om een multi-etnische samenleving te creëren zouden door verkiezingen te niet worden gedaan. Rusland

De President van de Veiligheidsraad bood op 23 augustus namens de Veiligheidsraad condoleances aan vanwege de ramp met de Russische onderzeeër «Koersk» aan de Russische Regering, het Russische volk en de nabestaanden.

MIDDEN-AMERIKA

Haïti

De voorzitter van de Veiligheidsraad legde op 18 augustus een persverklaring af naar aanleiding van de aanslag met dodelijke afloop op een medewerker van de VN-missie in Haïti, MICAH, Garfield Lyle (Guyana). In de verklaring sprak de voorzitter namens de Raad deelneming uit aan de familie en de Guyaanese regering en riep hij de Haitiaanse regering op de veiligheid van de internationale staf te garanderen.

AZIE

Afghanistan

Assistent Secretaris-Generaal Turk informeerde de Raad op 23 augustus over de grootschalige gevechten in het noordoosten van Afghanistan waarbij vele slachtoffers waren gevallen. De Taliban had gebied veroverd; het United Front (UF) had gevoelige verliezen geleden.

De Speciale Vertegenwoordiger Vendrell had zijn contacten met de strijdende partijen en landen in de regio voortgezet. De Taliban had laten weten dat zij niet bereid waren Osama Bin Laden uit te leveren, tenzij het bewijs kon worden geleverd dat hij aan specifieke terroristische activiteiten had meegedaan; het door de VS geleverde bewijsmateriaal was onvoldoende.

De mensenrechtensituatie was onverminderd slecht. Strijdende partijen trokken zich niets aan van de rechten van burgers. Willekeurige detentie en standrechtelijke executies waren nog immer de orde van de dag. De positie van vrouwen was geenszins verbeterd: het recent uitgevaardigde edict dat het werken van vrouwen bij internationale organisaties en ngo's had verboden, had de situatie nog verergerd. Nederland maakte in de Raad bezwaar tegen deze maatregel die een ernstige vorm van discriminatie van vrouwen betekent.

De humanitaire situatie bleef zorgwekkend. De droogte bleef aanhouden en bemoeilijkte de hulpvoorziening.

Nederland betreurde dat, ondanks herhaalde oproepen van de internationale gemeenschap om af te zien van militaire initiatieven en te komen tot een vreedzame oplossing voor het conflict in Afghanistan, opnieuw hevige gevechten waren uitgebroken ten koste van de toch al zo zeer geteisterde burgerbevolking.

In een persverklaring uitten de leden van de Raad grote verontrusting over de situatie in Afghanistan. Op verzoek van Nederland werd tevens in de verklaring afschuw uitgesproken over de moord op zeven medewerkers van het door de VN gesteunde Organisation for Mine Clearance and Afghan Rehabilitation (OMAR) en een oproep gedaan de schuldigen te berechten.

Oost-Timor

Op 3 augustus sprak de voorzitter van de Raad een presidentiële verklaring uit ten vervolge op een briefing over Oost-Timor op 28 juli. Daarin is onder andere de door Nederland geuite wens opgenomen dat de Raad met betrekking tot de troepensterkte van UNTAET een militaire briefing zal krijgen. De moord op de Nieuw-Zeelandse UNTAET-soldaat werd veroordeeld. Zorg werd uitgesproken over de grote aantallen vluchtelingen die zich nog in kampen in West-Timor bevinden, over de voortdurende aanwezigheid van milities in de kampen en intimidatie door de milities van UNHCR-personeel. De Raad drong in de verklaring bij de Indonesische regering aan op een meer doortastende aanpak van het probleem. Indonesië diende stappen te nemen om orde en rust te herstellen en een veilige situatie voor vluchtelingen en hulpverleners te creëren.

De Raad kreeg op 11 augstus een briefing van het «Department for Peacekeeping Operations» (DPKO) naar aanleiding van een vuurgevecht op 10 augustus tussen milities en UNTAET militairen. Hierbij werden drie Nepalese UNTAET-militairen gewond en vond een vierde de dood. Er was, aldus DPKO, sprake van een toename van de activiteiten van de - goed uitgeruste en goed getrainde - milities in westelijk Oost-Timor.

DPKO meldde voorts dat het onderzoek naar de dood van de Nieuw-Zeelandse UNTAET-soldaat in juli nauwelijks vorderde. De medewerking van Indonesische zijde liet te wensen over.

De Raad gaf een persverklaring uit waarin de moord op de Nepalese UNTAET-soldaat werd veroordeeld. Bij Indonesië werd erop aangedrongen een einde te maken aan grensoverschrijdingen vanuit West-Timor, de milities te ontwapenen en te ontbinden en militieleden die zich schuldig hadden gemaakt aan misdaden te vervolgen.

Assistent Secretaris-Generaal Annabi informeerde op 30 augustus de Raad over de ontwikkelingen in Oost-Timor. De veiligheidssituatie verslechterde, met name aan de grens met West-Timor. Gezien deze ontwikkelingen heeft Transitional Administrator Vieira de Mello besloten om voorlopig de troepenvermindering van de militaire tak van UNTAET uit te stellen.

De situatie in West-Timor was volgens Annabi zorgwekkend. De repatriëring van en hulpverlening aan vluchtelingen was opgeschort door de toenemende bedreiging door milities. Toch was het repatriërings- en `resettlement'-proces tot begin augustus relatief goed verlopen. Op enkele incidenten na, waren 170.000 vluchtelingen vrijwillig teruggekeerd

Annabi sloot af met mededelingen over economische wederopbouw, politieke activiteiten, groei van openbare instellingen en de vestiging van een `administrative and legal framework' in Oost-Timor.

Nederland uitte nogmaals zijn bezorgdheid over de toegenomen militie-activiteiten en riep Indonesië op effectieve actie te ondernemen tegen de milities.

DIVERSEN

Kinderen in gewapend conflict

De Raad aanvaardde op 11 augustus een resolutie over Kinderen in Gewapend Conflict. De resolutie vloeit voort uit een rapport van de Secretaris-Generaal over dit onderwerp en een daaraan open debat in de Raad op 26 juli jl. De resolutie verwijst diverse malen naar de kwetsbare positie van meisjes in een conflictsituatie, herbevestigt de bereidheid van de Raad zogenaamde «Child Protection Advisers» in toekomstige vredesoperaties op te nemen, en roept lidstaten op zich in te spannen voor de invrijheidstelling van kinderen die tijdens gewapend conflict zijn ontvoerd. Voorts wijst de resolutie op de positieve rol die NGOs kunnen spelen bij het aanpakken van onderhavige problematiek, en is een aantal aanbevelingen opgenomen voor actie door regionale en sub-regionale organisaties.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J.J. van Aartsen

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie