Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief minister inzake beleid kostenbeheersing zorgsector

Datum nieuwsfeit: 22-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief VWS inzake beleid geneesmiddelen mbt kostenbeheersing zorgsector

24124 Kostenbeheersing in de zorgsector
Nr. 110 Brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 22 september 2000

In juni zijn door u vier moties aanvaard waarvan er twee, indien ze op korte termijn worden uitgevoerd, verstrekkende gevolgen zullen hebben voor de beheersbaarheid van de geneesmiddelenuitgaven. De eerste motie (24124, nr. 103, Van Blerck-Woerdman en Oudkerk) betreft de ontmanteling van het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS), het verbieden van de taxe en het afschaffen van de CTG-tariefbeschikking. De tweede motie (24124, nr. 104, Van Blerck-Woerdman en Oudkerk) betreft het stopzetten van het voornemen om de ziekenhuizen te budgetteren voor de poliklinisch voorgeschreven geneesmiddelen en het stopzetten van het voornemen om geneesmiddelen op te nemen in de aanspraak van verzorgingshuizen. Onderstaand worden deze moties in het korte- en langetermijnbeleid geplaatst. Met name voor de eerste motie is dit onderscheid van belang.

Met betrekking tot de overige twee moties (24124, nr. 108, Oudkerk en Van Blerck-Woerdman, betreffende de halfjaarlijkse rapportage en 24124, nr. 106, Oudkerk en Van Blerck-Woerdman, betreffende vergoeding van nieuwe geneesmiddelen) verwijs ik naar mijn reactie zoals gegeven tijdens de mondelinge behandeling van de moties, aangezien de regering deze moties beschouwt als ondersteuning van het huidige geneesmiddelenbeleid.

Kernpunten
Als verzekeraars op de markt van geneesmiddelen voldoende inkoopmacht hebben opgebouwd kan het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS) in zijn huidige vorm worden losgelaten. Zinnig en zuinig voorschrijfgedrag op de polikliniek van het ziekenhuis is, gezien de bestaande krachtsverhoudingen in het veld, niet zonder financiële incentives te regelen. De budgettering van verzekeraars voor de kosten van geneesmiddelen, die sinds 1999 volledig is ingevoerd, geeft verzekeraars de noodzakelijke incentives om afspraken te maken over kostenbeheersing.

Het onderbrengen van de medische zorg bij verzorgingshuizen zal naast doelmatigheidswinsten een aanzienlijk kwaliteitsverbetering van deze zorg opleveren. Dit inzicht wordt door de sector zelf gedeeld. Het nu afschaffen van het GVS leidt tot een financieel risico van 1 mrd structureel. Het afzien van de budgettering van geneesmiddelen in de polikliniek leidt tot een besparingsverlies van 265 mln structureel. De uiteindelijke gemiste doelmatigheidswinsten door het niet doorgaan van de budgetteringsvoorstellen kunnen echter aanzienlijk hoger zijn dan deze 265 mln. Van belang is het om te benadrukken dat het succes van de geplande maatregelen voor een groot deel afhangt van de mate waarin de zorgverzekeraars zich inzetten om hun verantwoordelijkheid waar te maken. Teneinde de zorgverzekeraars voldoende instrumenten te bieden om hun nieuwe rol op zich te kunnen nemen, wordt door mij in samenwerking met Zorgverzekeraars Nederland een deregulerings- en instrumenteringsprogramma uitgevoerd. Een uitgewerkt plan van aanpak van dit programma kunt u vóór 1 november a.s. tegemoet zien. Op deze wijze zullen er geen belemmeringen meer bestaan voor de uitvoering van het beoogde beleid door de zorgverzekeraars. Daarbij wil ik wel opmerken dat verzekeraars nu, op een aantal positieve uitzonderingen na, nog te weinig gebruik maken van de al beschikbare ruimte om het volume en de prijs van het geneesmiddel en de zorgverlening te beïnvloeden. Ik verwacht dat zij hun regierol dit jaar met voortvarendheid zullen oppakken.

Motie nr. 103 (Van Blerck-Woerdman en Oudkerk): afschaffing GVS De vraagzijde van de geneesmiddelenmarkt vormt op dit moment geen afdoende 'countervailing power' ten opzichte van de aanbodzijde. Dit is vooral het gevolg van een monopolistisch georganiseerde internationale geneesmiddelenindustrie en een monopolistisch opererend apothekerswezen. Zo zijn op deelmarkten, per ziektebeeld, wereldwijd vaak maar één of twee grote fabrikanten actief. Bovendien geven octrooien op producten en productiewijzen, alsmede het merkenrecht aanbieders gedurende vele jaren bescherming tegen de concurrentie van generieke geneesmiddelen. Ook op de markt voor apothekers heerst zeer onvolkomen concurrentie. De hechte marktstructuur resulteert er in dat het instrument van prijsconcurrentie tussen apothekers feitelijk is uitgeschakeld.

Het GVS geeft vergoedingslimieten aan die een verzekeraar mag vergoeden per cluster van geneesmiddelen met dezelfde werking. In de KNMP-taxe zijn de apotheekinkoopprijzen (de 'lijstprijs') vermeld die de apothekers maximaal mogen doorberekenen aan de verzekeraar/patiënt. In beginsel registreert de KNMP slechts deze prijzen die door de geneesmiddelenleveranciers worden aangeleverd. Kortingen en bonussen vormen het verschil tussen de door de apotheker feitelijk betaalde inkoopprijs en de taxe (lijstprijs). Bij de uitvoering van het GVS wordt als referentieprijs gebruik gemaakt van deze taxe. Ook voor het afromen van de kortingen en bonussen (met een opbrengst van tenminste 425 mln structureel ten gunste van de zorg) is als referentieprijs gebruik gemaakt van de taxe door de maximuminkoopvergoeding op de geneesmiddelen te verlagen.

In de motie geeft u aan dat het GVS en de taxe leiden tot hogere prijzen en ondoorzichtigheid en dat beide daarom op zo kort mogelijke termijn dienen te worden afgeschaft.

Aangezien het GVS uitgaat van maximumvergoedingen (vergoedingslimieten) staat dit prijsconcurrentie als zodanig niet in de weg. Concurrentie onder deze vergoedingslimieten kan immers gewoon plaatsvinden. Dat er weinig beweging is onder de vergoedingslimieten duidt erop dat er nog altijd sprake is van een te geringe macht aan de vraagzijde van de markt. In de geneesmiddelenbranche is de prijs die wordt gehanteerd slechts een uitvloeisel van het onderhandelingsspel met de aanbieders van geneesmiddelen (de industrie, groothandel en apotheker). In deze situatie is het op korte termijn loslaten van het GVS en de taxe alleen al vanwege de verwachte financiële effecten ongewenst:
- de met het GVS gerealiseerde structurele besparingen (300 mln bij de invoering in 1991 en 158 mln bij de actualisatie in 1999) zullen waarschijnlijk verloren gaan omdat het voor de fabrikanten aantrekkelijk wordt om de prijzen te laten stijgen naar het niveau van de Wet Geneesmiddelenprijzen;
- het afromen van de kortingen en bonussen zal niet langer mogelijk zijn aangezien deze afroming verloopt via de KNMP-taxe; een besparingsverlies van tenminste 425 mln structureel.
Als de vraagzijde van de markt in substantiële mate aan feitelijke marktkracht heeft gewonnen, kan de huidige vergoedingwetgeving wel worden gedereguleerd. Daarmee past de motie binnen het langetermijnbeleid van dit kabinet. Ten einde de vraagzijde van de markt te versterken krijgt de verzekeraar de regie ten aanzien van de doelmatigheid van het gebruik van geneesmiddelen. Pas als de markt goed gaat functioneren, is het mogelijk om het GVS los te laten. De verzekeraars hebben een direct belang bij een beheersing van de kosten en kunnen inkoopvoordelen die nu nog toevallen aan apothekers ten goede laten komen aan de zorg. Eerst zal de verzekeraar verder in zijn rol moeten groeien en beter worden geïnstrumenteerd. Zo zou de verzekeraar bijvoorbeeld bonussen en malussen moeten kunnen uitdelen aan voorschrijvers in het kader van formulariumafspraken, zou de indicatie vermeld moeten kunnen worden op het recept en moet het verzekeraars lukken om prijsafspraken te maken beneden de huidige maximumvergoedingen.

Het voorstel in de motie om te komen tot voorschrijven en vergoeding van geneesmiddelen op indicatie wordt reeds bezien in het licht van de mogelijkheden om te komen tot flexibilisering van de aanspraak op geneesmiddelen, d.w.z. de mogelijkheden van individuele verzekeraars om verschillende geneesmiddelenpakketten te vergoeden. Hierover wordt binnenkort een uitvoeringstoets aan het College voor zorgverzekeringen gevraagd. Het vergoeden van geneesmiddelen per indicatie is één van de alternatieven om deze flexibilisering te bereiken. Ook hier geldt echter dat een en ander niet op korte termijn kan worden gerealiseerd en dus ook geen (gedeeltelijke) compensatie kan betekenen voor het besparingsverlies bij afschaffen van het GVS. De aard van de motie is echter wel in lijn met het lange termijn-beleid.

Er kan dus worden geconcludeerd dat het voorgenomen beleid in lijn is met de motie, maar dat de voorgestelde termijn in de motie onwenselijk is omdat de randvoorwaarden voor een alternatief beleid nog niet vervuld zijn, met alle gevolgen van dien. Wel zal op korte termijn specifiek worden gekeken naar de mogelijkheden om bij de generieke geneesmiddelen (waar de Nederlandse prijzen relatief hoog liggen) meer prijsconcurrentie tot stand te brengen.

Motie nr. 104 (Van Blerck-Woerdman en Oudkerk): afzien van budgettering poliklinisch voorgeschreven geneesmiddelen Eén van de doelstellingen van het geneesmiddelenbeleid van het kabinet is het zinnig en zuinig voorschrijven van geneesmiddelen. Voor medisch specialisten wordt dit in het ziekenhuis (dat wil zeggen, voor opgenomen patiënten) al jaren bereikt door het gebruik van een geneesmiddelenformularium, opgesteld door medische staf en ziekenhuisapotheker. De leiding van het ziekenhuis ziet toe op het gebruik van het formularium omdat de geneesmiddelen deel uitmaken van het ziekenhuisbudget. Op de polikliniek bestaat dit mechanisme niet, omdat het recept door de stadsapotheker wordt afgeleverd en de kosten dus deel uitmaken van de extramurale geneesmiddelenuitgaven (open einde-regeling).

Het voornemen van het kabinet om de poliklinisch voorgeschreven geneesmiddelen onder het ziekenhuisbudget te brengen is met motie nr. 104 in juni door u afgewezen. Ook de geneesmiddelencommissie-De Vries acht deze maatregel in strijd met de nieuwe sturingsfilosofie van het kabinet: de zorgverzekeraars, die volledig risico dragen voor de extramurale geneesmiddelenuitgaven, stimuleren via incentives de specialisten (en huisartsen) tot zuinig voorschrijven. Met ingang van 2003 zullen de klinische en poliklinische ziekenhuisartszorg gedeclareerd worden via zogenoemde producten (diagnose-behandelcombinaties DBC's) waarbij voor elk product een kostenconforme prijs wordt vastgesteld. In de productprijzen, ook die van de poliklinische behandeling, moeten de geneesmiddelen worden inbegrepen.

Omdat er in het Regeerakkoord is vastgelegd dat er deze kabinetsperiode belangrijke stappen gezet zouden worden op het gebied van zinnig en zuinig voorschrijven, onder andere resulterend in een taakstelling op de poliklinisch voorgeschreven geneesmiddelen in 2001 en 2002, moet er in die jaren wel iets gebeuren. Daartoe ben ik in gesprek met betrokkenen en heb ik al het nodige ingang gezet. Per 1 april jl. zijn administratie- en declaratievoorschriften van kracht geworden voor onder meer apotheekhoudenden en ziekenhuizen. Hierdoor komen gegevens over inhoud, kosten en volume van de poliklinische receptuur beschikbaar. In de proeftuinen van het farmacotherapeutische transmurale overleg, FTTO, maken huisartsen, specialisten en farmaceuten met elkaar afspraken over het farmaceutische voorschrijfgedrag. Opgedane ervaring zal elders worden ingezet. Op landelijk niveau krijgt deze ontwikkeling een nieuwe impuls door de opstelling voor protocollen en richtlijnen door de (gezamenlijke) wetenschappelijke verenigingen. Specialisten zullen door middel van een elektronisch voorschrijfsysteem gestimuleerd worden rationeel voor te schrijven. Met de Vereniging Academische Ziekenhuizen (VAZ) heb ik afgesproken dat zij nog dit jaar een poliklinisch formularium zullen afronden. Ten behoeve van de verzekeraars ontwikkelt ZN een doelmatigheidsmodule, zodat er een doelmatigheidstarief komt. Hiermee kan op individueel niveau van de voorschrijver gestuurd worden. De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) heeft voor de zomer reeds aangekondigd met een aantal ziekenhuizen te willen experimenteren hoe de kosten van de poliklinische receptuur beheerst kunnen worden. Mede in het kader van de DBC-ontwikkeling komt er een forse impuls voor ICT-gebruik in ziekenhuizen. Lokale initiatieven van specialisten kunnen via het meenemen van het poliklinisch voorschrijfgedrag in hun onderlinge afspraken met ziekenhuizen en verzekeraars nieuw elan krijgen. Dit zijn allemaal activiteiten die erop gericht zijn het gedrag van betrokkenen te veranderen in de richting van het tonen van meer verantwoordelijkheid bij beslissingen ten aanzien van de poliklinische receptuur. De DBC's en de voortgaande ontwikkeling van behandelprotocollen versterken deze lijn.

Het regeringsbeleid is er dus uitdrukkelijk opgericht de beheersing van de kosten door lokale partijen vorm en inhoud te laten geven. Dit is in lijn met de motie. Volgend jaar zomer zal ik het geheel evalueren en de balans opmaken.

Motie nr. 104 (Van Blerck-Woerdman en Oudkerk): afzien van overheveling van geneesmiddelenkosten naar budget van verzorgingshuis Het kabinet stelt voor om gelijktijdig met het opnemen van verzorgingshuiszorg in de AWBZ (1 januari 2001) de genees- en hulpmiddelen en medische zorg onder de aanspraak verzorgingshuiszorg te brengen. De belangrijkste aanleiding hiervoor is de noodzakelijke kwaliteitsverbetering en verdere professionalisering van de medische zorg in verzorgingshuizen. Het bewonersbestand van verzorgingshuizen is de afgelopen jaren sterk veranderd; de zorgzwaarte en daarmee het gemiddelde geneesmiddelengebruik is aanzienlijk toegenomen. Gegeven deze ontwikkeling is een kwaliteitsverbetering van de medische zorg in verzorgingshuizen noodzakelijk.

In de motie wordt aangegeven dat het opnemen van de kosten van geneesmiddelen in het budget van intramurale instellingen kan leiden tot ongewenste effecten ten aanzien van de toegankelijkheid van patiënten en dat daarom dient te worden afgezien van deze overheveling.

In de huidige situatie heeft het management van de verzorgingshuizen vaak onvoldoende zicht op het grote aantal huisartsen dat in het verzorgingshuis komt en vormen de grote verschillen in medicatie en toezicht op geneesmiddelengebruik door bewoners een risico. Door de medische zorg onder de verantwoordelijkheid van het verzorgingshuis te brengen kan het verzorgingshuis integrale zorg aan de bewoners bieden (één loket) en kan de medische zorg zich meer richten op de specifieke eigenschappen van de verzorgingshuisbewoners waardoor een kwaliteitsslag wordt gemaakt. Ook de sector zelf onderkent het belang hiervan.

Tussen de noodzakelijke kwaliteitsslag in medische zorg en de keuzevrijheid van arts voor bewoners bestaat enige spanning. Het kabinet is van mening dat zo min mogelijk concessies moeten worden gedaan aan de vrije keuze van arts, maar dat de kwaliteit van de medische zorg tegelijkertijd moet aansluiten bij de zorgzwaarte van deze bewoners. Daarom is met de betrokken veldpartijen afgesproken dat er per verzorgingshuis een contract met één of twee HAGRO's (in één HAGRO werken gemiddeld ca. 7 à 8 huisartsen samen) wordt afgesloten. Daarnaast is een samenwerkingsverband met een verpleeghuis, waarin doorgaans meerdere verpleeghuisartsen werken, mogelijk.

Een bijkomend voordeel van dit beleidsvoornemen is dat de budgettaire beheersing van de betreffende geneesmiddelenenuitgaven verbetert, doordat de verantwoordelijkheid hiervoor bij het verzorgingshuis wordt gelegd. Het risico dat de geneesmiddelenenuitgaven de ruimte voor wachtlijsten en werkdruk 'opeten' vermindert daardoor. Om tot een verantwoorde hoogte van het budget te komen is met de verzorgingshuizen afgesproken dat de eerste twee jaar de uitgaven worden nagecalculeerd en daarna aan de hand van de ervaringscijfers wordt bekeken wat een reëel budget is.

Over dit onderwerp heeft de Staatssecretaris van VWS op 14 juli jl. een brief gestuurd naar de Vaste Commissie voor VWS. Hierin wordt tevens ingegaan op de motie, waarbij voor een discussie over het onderwerp wordt verwezen naar het Algemeen Overleg over de modernisering van de AWBZ.

De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie