Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak 'Het beeld van de wetenschap' bij 50-jarig NWO

Datum nieuwsfeit: 25-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Sociaal en Cultureel Planbureau
Zoek soortgelijke berichten
Sociaal en Cultureel Planbureau

Sociaal en Cultureel Planbureau


Het beeld van de wetenschap

Samenvatting van de voordracht prof. dr. Paul Schnabel bij het symposium BESSENSAP op 25 september in Felix Meritis in Amsterdam, ter gelegenheid van het 50 jarig bestaan van het NWO (de cijfers zijn voorlopig).


1 Het onderzoek


De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (Nwo) heeft ter gelegenheid van haar 50-jarig bestaan het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) verzocht een onderzoek te houden naar de beeldvorming omtrent wetenschap in Nederland. In de eerste maanden van het jaar 2000 werd een steekproef uit het Nederlandse volk ondervraagd over het beeld van de wetenschap (N=1777, 16 jaar en ouder). Voor dit onderzoek werd gebruik
gemaakt van een zogenaamd computerpanel. Daarnaast ondervroegen de onderzoekers met een zoveel mogelijk
gelijkluidende vragenlijst leden van de Nederlandse vereniging van Wetenschapsjournalisten (N=59); de voorzitters, secretarissen en leden van een aantal geselecteerde adviesraden (N=107); leden van de Eerste en van de Tweede Kamer (N=26). Dit deel van het onderzoek werd uitgevoerd als een postenquête.
Onder wetenschapsjournalisten en beleidsambtenaren op departementen werden bovendien 8 diepte-interviews gehouden. De resultaten van het laatste zijn hier nog niet verwerkt.

In deze presentatie zijn de uitkomsten voor de drie speciale groepen gebaseerd op iets lagere aantallen van respondenten dan in de uiteindelijke rapportage het geval zal zijn. NWO en SCP zullen begin 2001 een uitgebreid onderzoeksrapport laten verschijnen.

Het bureau Centerdata in Tilburg voerde het veldwerk van het gehele onderzoek uit. Van de kant van NWO hadden Drs. Ron Dekker en Prof. Dick van de Kaa een belangrijke inbreng bij de totstandkoming van het onderzoek. De projectleider van het SCP was Dr. Jos Becker, die ook de analyses verzorgde.


2 Belangstelling: een groot deel van de Nederlanders heeft eigenlijk helemaal geen beeld van de wetenschap!


* 43% leest er nooit iets over in krant, boek of tijdschrift.
* 47% kijkt nooit naar wetenschappelijke informatie op de tv.
* 36% weet niets te antwoorden op de vraag: "Waar denkt U aan bij het woord wetenschap?"

De combinatie van het lezen en kijken levert een eenvoudige typologie van betrokkenheid op:


*

leest en kijkt: 43%

*

leest of kijkt: 24%

* leest niet en kijkt niet: 33%

Degenen die lezen en kijken zijn betrokken. Degenen die geen van beide doen zijn niet betrokken of onverschillig. Degenen die één van beide doen (maar niet alle twee) vormen een middencategorie, zij zijn matig betrokken. Hier zal het vooral om de tegenstelling tussen de betrokkenen en de onverschilligen gaan.

De typologie heeft betekenis voor de behoefte aan informatie over wetenschap. Degenen die niet betrokken zijn, of de onverschilligen, hebben geen behoefte aan meer kennis. Van de onverschilligen wil namelijk slechts 2% meer over de wetenschap vernemen. Er is dus geen sprake van een verborgen behoefte. Het corresponderende percentage onder de betrokkenen is 26%. Dit is vrij hoog als men bedenkt dat deze categorie wetenschappelijke informatie
in de media reeds volgt.


3 Waar betrokkenen en onverschilligen in het Nederlandse volk te vinden zijn.

Onverschilligheid op te vatten als "Ik heb er niks mee!" (33% van de Nederlanders) wordt meer aangetroffen bij


* vrouwen (39% niet betrokken)

* laag opgeleiden (= tm. mulo, mavo) (46% niet betrokken)
* laag beroepsniveau (=handarbeider of een lager administratief beroep) (49% niet betrokken)

Echt geïnteresseerd (43% van de Nederlanders) zijn vooral


* mannen (48% betrokken)

* hoog opgeleiden (= hbo of universiteit) (63% betrokken)
* de hogere employees (58% betrokken)

* de mensen met een technische opleiding en ook mensen met een opleiding gericht op het onderwijs, een de
maatschappij-wetenschappen, communicatie, kunst een cultuur. (53% respectievelijk 51% betrokken)

* de leeftijdsgroep van 60 jaar en ouder (53% betrokken)

4 Men moet de verschillen tussen betrokkenen en onverschilligen nu ook weer niet overdrijven!

Dat mensen betrekkelijk onverschillig staan tegenover de wetenschap, hoeft niet te betekenen dat zij er helemaal niets van weten of er afkerig van zijn. Omgekeerd hoeven lezen en kijken niet altijd tot een scherpe beeldvorming of tot volmondige instemming te leiden. Van de bij de wetenschap betrokkenen gaf 70% een antwoord op de vraag waaraan zij dachten bij het woord wetenschap, 30% niets geen antwoord op de vraag te geven. Van de onverschilligen kon 54% dit toch nog wel, terwijl 46% geen antwoord gaf. De consumptie van informatie helpt dus niet altijd voor het verkrijgen van een beeld. Het feit dat men wars van informatie is, sluit daaraan tegen beeldvorming niet uit.

Uit de resultaten van enige evaluatieve oordelen bleek dat betrokkenen de wetenschap over het algemeen gunstiger beoordeelden dan de onverschilligen. Het meest pregnante verschil bleek uit het antwoord op de vraag of de wetenschap belangrijk was voor het dagelijks leven: betrokkenen 66%, onverschilligen 28%. Van de betrokkenen vond 75% dat de wetenschap voornamelijk goede dingen voortbracht, onder de niet betrokkenen was dat 45%. Als het gaat om de technologie of om de toepassing ervan, vindt overigens toch nog 50% van de onverschilligen dat deze voor hen persoonlijk gunstige gevolgen heeft.


5 Wat men onder wetenschap verstaat.

De respondenten werd verzocht om op te schrijven, waaraan zij dachten bij het woord wetenschap. De antwoorden werden samengevat in een beperkt aantal brede categorieën met de volgende resultaten.


* 44%van de antwoorden heeft betrekking op het onderzoeken, op de activiteit van het onderzoek.

* 31% noemt kennis in het algemeen.

De antwoorden geven verder aanleiding tot de conclusie dat wetenschap voor de bevolking vooral bèta-wetenschap is en dat zij zeker niet in de eerste plaats aan relevantie of toepasbaarheid denkt (8% van de antwoorden).
Onder wetenschap verstaat men dus vooral het belangeloze onderzoek en kennis. De wat wereldvreemde onderzoeker in zijn laboratorium zou heel goed een belangrijk beeld kunnen zijn. Dit imago komt voort uit de spontane reactie van het publiek. De resultaten verschillen voor betrokkenen en onverschilligen nauwelijks.


6 Waarom men belangstelling voor de wetenschap heeft
De Nederlanders hebben belangstelling voor de wetenschap omdat zij wetenschappelijke kennis goed vinden voor hun algemene ontwikkeling (32%) of omdat zij wetenschap leuk vinden (29%). Over dingen mee kunnen praten vindt 10% van belang. Slechts 2% vindt het bezit van wetenschappelijke kennis belangrijk om plannen van de overheid beter te kunnen beoordelen. 27% geeft aan geen belangstelling voor wetenschap te hebben. Hier ligt het belangrijkste verschil tussen betrokkenen en onverschilligen. Van de betrokkenen heeft namelijk 3% geen belangstelling, van de niet betrokkenen 67%.


7 Wat hoort zeker tot de wetenschap?

De ondervraagden gaven van enkele disciplines (regulier èn alternatief) aan of zij zeker tot de wetenschap behoren. 90% vindt dat de scheikunde zeker een wetenschap is. Tussen 40% en 50% kende de sociologie en de astrologie een wetenschappelijke status toe. Tussen 30% en 40% rekende seksuologie, rechten en macro-biotiek met zekerheid tot de wetenschap. Tussen 10% en 20%
deed dit met parapsychologie en paragnostiek (waarzeggen). Handlijnkunde vonden maar weinig mensen wetenschappelijk (5%). De wetenschap is dus allereerst exact. Wetenschap is niet zonder meer reguliere wetenschap. De bekendheid met termen lijkt enige rol te spelen, gelet op de lage plaatsing van de seksuologie en van de parapsychologie. De niet betrokkenen of onverschilligen hebben de neiging om te ontkennen dat disciplines bij de wetenschap horen. Zij doen zich zelfs in enige mate bij de scheikunde.


8 Waar men de informatie over wetenschap vandaan haalt.
Het overgrote deel van de Nederlanders die over de wetenschap lezen, haalt zijn kennis uit de landelijke of regionale krant (76% van de antwoorden). Met name genoemde wetenschappelijke tijdschriften haalden 14%. Bijna 10% van de reacties had betrekking op één van de opiniebladen. Het valt op dat boeken slechts weinig werden genoemd, "de encyclopedie" was nog de meest geraadpleegde bron in boekvorm. Naast de dagbladen blijkt Elsevier belangrijk te zijn voor de wetenschappelijke informatie, gevolgd door het blad Kijk. Bladen als Natuur en Techniek, de National Geographic en Psychologie trekken minder lezers aan.

Onder de tv-kijkers was Discovery Channel populair (26% van de antwoorden). Om iets over wetenschap te leren keek 8% naar National Geographic Channel. Nog eens 8% van de antwoorden had betrekking op documentaires in het algemeen. 8% van de antwoorden verwees naar Teleac. Naar Noorderlicht keek
ongeveer 7%. Veel lagere percentages hadden betrekking op programma's die vaak vaag waren aangeduid, zoals "de quiz", "techniek" of "actualiteiten".


9 Wie men vertrouwt

De mensen vertrouwen vooral de voorlichting, gegeven door de wetenschappers zelf (82%). Op ruime afstand volgen de kanten, het internet, de televisie, de overheid en de vakbonden (tussen 50% en 60% respondenten met vertrouwen). Betrekkelijk weinig vertrouwen genieten het bedrijfsleven en de kerken (tussen 30% en 40% vertrouwen). Zeer weinig vertrouwen stelt men in actiegroepen en in politieke partijen ( tussen 20% en 30% vertrouwen).
De betrokken ondervraagden stellen vertrouwen in de voorlichting door de wetenschappers, de kranten, het internet en de televisie. De onverschilligen kiezen kerken en politieke partijen wat meer tot oriëntatiepunt dan de betrokkenen.


10 Wat de mensen weten.

Er werden twee quizzen voorgelegd: één over exacte en één over sociale kennis. Zij bestonden elk uit zes items. De ondervraagden konden dus scores halen tussen 0 en 6. Bij de exacte quiz hadden de mensen ruim vier van de zes vragen goed, bij de sociale quiz ruim drie van de zes. De sociale quiz was dus wat moeilijker voor het publiek dan de exacte. Enige exacte kennis maakt vermoedelijk deel uit van de algemene ontwikkeling, terwijl er voor sociale kennis een speciale belangstelling of een gerichte opleiding nodig is. De relaties tussen de persoonskenmerken en de prestaties zijn voor beide testen ongeveer dezelfde:


* mannen weten meer dan vrouwen

* hoe hoger men is opgeleid, hoe meer men weet
* betrokkenen weten meer dan niet betrokkenen
* vooral technisch opgeleiden weten veel van de exacte vakken en mensen met een opleiding voor het onderwijs, in de maatschappij wetenschappen, kunst en communicatie scoren goed op de sociale quiz.

Er is een internationale vergelijking mogelijk, doordat de exacte quiz in 1993 in internationaal onderzoek was opgenomen. Als een goede prestatie geldt hier dat vijf of zes antwoorden goed zijn. In Nederland is het aandeel van de goede prestaties tussen 1993 en 2000 verbeterd: het aandeel steeg van 33% tot 56%. Uit ander onderzoek blijkt dat deze verbetering zich internationaal eveneens heeft voorgedaan. In 1993 hadden de Russen de laagste score. Het resultaat in Japan was eveneens gering te noemen. Binnen
Europa haalde de Noren en de Engelsen de hoogste scores. De prestaties van de West Duitsers en van de Italianen waren wat minder. De Nederlanders sloegen in 1993 geen uitgesproken goed figuur. Zij haalden hun achterstand waarschijnlijk in.


11 De technologie

Verandering In 1985 hield het SCP een onderzoek 'Publiek en techniek'. De vragen naar de waardering van nieuwe technologie zijn na 1985 nog een aantal malen herhaald in onderzoek.
Tussen 1985 en 2000 is het oordeel over technologische vernieuwingen er gunstiger op geworden. Dit was het geval bij de milieutechnologie, de communicatie, de computer en de aanwending van DNA-technologie voor het voorkomen van erfelijke kwalen. In het laatste geval ging de goedkeuring van 38% in 1985 naar 55% in 2000. In het geval van de communicatie-technologie is de verandering tussen 1993 en 2000 ongewoon groot geweest, namelijk van 38% met een gunstig oordeel tot 78%. Dit komt ongetwijfeld doordat in het onderzoek van 2000 email en internet bij de voorbeelden werden genoemd. Het positieve oordeel over de
communicatie wordt dus gedragen door de nieuwe media. De goedkeuring van genetische modificatie van gewassen - voor het eerst in 2000 gevraagd - is wat lager dan die voor de aanwending ten behoeve van de bestrijding van erfelijke aandoeningen (42% in 1985 tegen 55% in 2000).
De modificatie van dierlijke organen ten behoeve van transplantatie ontmoet minder instemming, namelijk van 33%. Uit de beantwoording van een andere vraag bleek dat het publiek hier in meerderheid het idee kan hebben dat langs deze weg virussen van dier op mens kunnen worden overgebracht.

Pro-technologie oordelen vooral de volgende evolkingscategorieën:


* mannen

* de groep van 60 jaar en ouder

* de hoogst opgeleiden

* de technisch opgeleiden en de respondenten met een opleiding voor de handel en de economie

* directeuren en hogere employees

Deze resultaten stemmen vrijwel geheel overeen met die bij de beoordeling van de wetenschap in het algemeen.


12 Journalisten, raadsleden en Kamerleden

Beeld

De drie groepen van specialisten hadden bij het begrip wetenschap andere associaties dan de bevolking als geheel.


* De bevolking noemt nogal eens een discipline, exact of medisch (samen 15%), de drie speciale groepen doen dit niet.
* Omgekeerd noemen de specialisten een kenmerk dat in de antwoorden van de bevolking ontbreekt, namelijk objectief en onafhankelijk (journalisten 6% van de antwoorden, ambtelijke adviseurs 10% en kamerleden 21%).

* Bevolking en specialisten geven een verschillende uitleg aan het begrip wetenschap. De bevolking ziet er vooral onderzoek in het algemeen in (44%). Journalisten, adviseurs en kamerleden doen dat minder. De percentages zijn achtereenvolgens 18, 17 en 11. De drie categorieën leggen veel meer dan de bevolking nadruk op positivistische kenmerken van wetenschap, zoals toetsbare uitspraken, betrouwbare uitspraken, kwantificering, bouw van een theorie. Zij noemen bepaalde kenmerken vaker dan de bevolking en zij weten ook meer kenmerken te formuleren. Bij de bevolking valt 5% van de antwoorden in de betreffende categorie, bij de journalisten 46% en bij de adviseurs en kamerleden elk 36%.

Betrouwbaarheid van informatie

Enige resultaten zijn de volgende.


* venals de bevolking kennen de categorieën een zeer hoge betrouwbaarheid toe aan de informatie van de wetenschappers zelf. De percentages liggen ruim boven de 80%.

* In de oordelen van de groepen weerspiegelt zich hun positie. Journalisten vinden vooral de krant betrouwbaar (bevolking 59%, journalisten 66%). De ambtelijke adviseurs hebben vrij veel vertrouwen in de overheid (bevolking 53%, adviseurs 59%). De kamerleden hebben vertrouwen in de politieke partijen (bevolking 23%, kamerleden 39%).

* Alle specialisten staan gereserveerd tegenover de televisie (vertrouwen bij de bevolking 53%, journalisten 21%, adviseurs 23%, kamerleden 20%)

* Journalisten vinden het internet minder betrouwbaar (bevolking 58%, journalisten 38%).

Evaluatie


* De specialisten staan positiever tegenover technologische innovaties dan de bevolking. Van de bevolking beoordeelt 37% zes tot tien innovaties als gunstig, van de journalisten en adviseurs elk zo'n 54% en van de kamerleden 42%.

* De specialisten zijn er echter minder optimistisch over dat de technologie veel hedendaagse problemen zal oplossen (bevolking 55%, journalisten 41%, adviseurs 47% en politici 39%).
* De specialisten vinden nog minder dan de bevolking dat de mensen zich moeten aanpassen bij de stand van de techniek (bevolking 30%, journalisten 17%, adviseurs 26% en politici 26%)

De houding van de specialisten jegens de technologie is positief. Hun verwachtingen zijn echter wat minder hoog gespannen dan die van de bevolking. Zij denken wellicht realistischer. Zij vinden bovendien nog meer dan de bevolking dat de technologie andere, "humane" waarden in stand moet laten. Van de drie groepen denken de kamerleden nog het minst positief over
de technologie.

Advisering: wetenschap en beleid

Vooral de specialisten waarderen wetenschappelijk onderzoek voor het beleid. Op de vraag of onderzoek voor het beleid in Nederland nut heeft antwoordt 49% van de bevolking bevestigend. De journalisten doen dat voor 79%, de adviseurs voor 88% en de politici voor 83%. Over het algemeen wordt onderzoek gevraagd op de terreinen van de arbeidsongeschiktheid en van de minderheden. Het ontwerpen van een belastingwet, die misbruik uitsluit, wordt kennelijk vooral als een technische zaak gezien, hetgeen overigens een redelijk standpunt is.

De waardering voor het Nederlands onderzoek

Wat vinden de specialisten van het Nederlandse onderzoek? (De vraag werd niet aan de bevolking voorgelegd). 75% van de journalisten vinden de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek hoog. Adviseurs vinden dat minder vaak (53%) politici vinden dat eveneens (48%). De oordelen van de laatste twee groepen tenderen vooral naar "voldoende". dat het Nederlandse onderzoek
slecht zou zijn vindt bijna niemand. Als het gaat om de vergelijking met het buitenland luidt het oordeel eveneens gunstig: 74% of meer van de specialisten zegt dat het Nederlands onderzoek even goed is als dat in het buitenland.

NB: de hierboven gegeven cijfers en getallen zijn voorlopig. De definitieve cijfers en getallen zijn te vinden in een komende wetenschappelijke publicatie.


reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie