Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Vragen en antwoorden Miljoenennota 2001

Datum nieuwsfeit: 29-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Financiën
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financiën

Titel: Antwoorden op kamervragen naar aanleiding van de Miljoenennota



Directie Begrotingszaken

De voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BZ 2000-01352 M

29 september 2000

Onderwerp

Antwoorden op kamervragen naar aanleiding van de Miljoenennota 2001, de Macro Economische Verkenning 2001 en de hoofdstukken IX-A en IX-B.

Hierbij ontvangt u de antwoorden op de vragen naar aanleiding van de Miljoenennota 2001, de Macro Economische Verkenning 2001 en de hoofdstukken IX-A en IX-B.

DE MINISTER VAN FINANCIËN

Vragen en antwoorden Miljoenennota 2001

Vraag 1

Ten opzichte van de Voorjaarsnota 2000 presenteert de regering bij de Miljoenennota 2001 f. 1,1 miljard extra uitgaven in 2000. Kunnen deze nader worden gespecificeerd?

Antwoord

In onderstaande tabel zijn de ten opzichte van de Voorjaarsnota extra uitgaven ad. 1,1 miljard in 2000 nader uitgesplitst.

Intensiveringen na de Voorjaarsnota 2000 (bedragen in miljarden guldens)

2000

Onderwijs

0,4

Veiligheid en leefbaarheid

0,5

Europees Veiligheidsbeleid

0,2

Totaal


1,1

De intensiveringen op het terrein van het onderwijs hebben voornamelijk betrekking op de huisvesting van scholen, het fundamenteel onderzoek en het vervangingsfonds. Daarnaast worden de schoolspecifieke budgetten al vanaf 2000 op het structurele niveau gebracht.

Op het terrein van de veiligheid en leefbaarheid is 0,4 miljard ter beschikking gesteld voor de gevolgen van de vuurwerkramp in Enschede. Tevens is geld beschikbaar gekomen voor de KLPD (helicopters), het oudkomersbeleid en het ruimen van explosieven.

Ten behoeve van het Europees Veiligheidsbeleid is 0,2 miljard aan de Defensiebegroting toegevoegd zodat Nederland een substantiële bijdrage kan leveren aan de intensivering van multilaterale en bilaterale samenwerkingsverbanden.

Binnen de zorgsector zijn in 2000 meevallers aangewend om op onderdelen nadere prioriteiten te stellen. Het betreft hier een intensivering van 0,4 miljard die met name is neergeslagen op de terreinen ziekenhuiszorg en huisartsen. Tevens heeft de openbare gezondheidszorg een impuls gekregen.

Vraag 2

Kan worden medegedeeld hoe het verloop is van de uitgaven uit hoofde van hgIS als percentage van uitgaven die vallen onder de Rijksbegroting in enge zin in de periode 1994 t/m 2001?

Antwoord

Daar in 1994 nog geen onderscheid in budgetdisciplinesectoren werd gemaakt en derhalve nog geen sprake was van de Rijksbegroting in enge zin, is in onderstaande tabel voor de periode 1995 t/m 2001 weergegeven hoe de uitgaven voor hgIS zich verhouden tot de netto-uitgaven Rijksbegroting in enge zin.

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

hgIS

4,4%

4,6%

4,7%

4,8%

5,6%

5,4%

5,6%

Vraag 3

Kan worden medegedeeld hoe het verloop is van de uitgaven uit hoofde van Defensie als percentage van uitgaven die vallen onder de Rijksbegroting in enge zin in de periode 1994 t/m 2001?

Antwoord

Daar in 1994 nog geen onderscheid in budgetdisciplinesectoren werd gemaakt en derhalve nog geen sprake was van de Rijksbegroting in enge zin, is in onderstaande tabel voor de periode 1995 t/m 2001 weergegeven hoe de uitgaven voor Defensie zich verhouden tot de netto-uitgaven Rijksbegroting in enge zin.

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

Defensie

9,1%

9,2%

8,9%

8,6%

8,7%

8,2%

7,8%

Vraag 4

Welke veronderstelling hanteert de regering voor de inflatie en de groei van het BBP in 2001 en 2002? Wijkt de regering hier af van de CPB-raming en zo ja waarom?

Antwoord

Er van uitgaande dat met inflatie wordt bedoeld de prijsontwikkeling van het BBP, is de veronderstelling als volgt:

2001

2002

prijsstijging BBP

3,6%


2,0%
groei BBP (volume)

4,0%

2,1%

De regering wijkt hiermee voor 2001 niet af van de CPB-raming. De veronderstellingen voor 2001 zijn gebaseerd op de Macro Economische Verkenning 2001. In de MEV worden geen ramingen voor 2002 gepresenteerd. Voor de groei BBP zijn voor 2002 de veronderstellingen ten tijde van het Regeerakkoord gehandhaafd. Voor de prijsontwikkeling BBP 2002 wijkt de regering iets af van de CPB-veronderstellingen ten opzichte van het Regeerakkoord (2,0% i.p.v. 2,2%), dit om de budgettaire dreigingen van een destijds veronderstelde reële contractloondaling te beperken.

Vraag 5

Welke aflossingspercentages BBP horen bij een lineaire aflossing van de EMU-schuld in 25 jaar bij een groeivoet BBP van 2% en 3%

Antwoord

De onderstaande tabel omvat de aflossingspercentages BBP per jaar bij een groeivoet van het BBP van 2% en 3% en bij een prijsveronderstelling van 2%.

Tabel aflossing EMU-schuld in 25 jaar (in % BBP)

2% groei BBP


3% groei BBP

Jaar 1

2,0

2,0

Jaar 2


1,9



1,9


Jaar 3


1,9



1,8


Jaar 4


1,8



1,7


Jaar 5


1,7



1,6


Jaar 6


1,7



1,6


Jaar 7


1,6



1,5


Jaar 8


1,5



1,4


Jaar 9


1,5



1,4


Jaar 10


1,4



1,3


Jaar 11


1,4



1,2


Jaar 12


1,3



1,2


Jaar 13


1,3



1,1


Jaar 14


1,2



1,1


Jaar 15


1,2



1,0


Jaar 16


1,1



1,0


Jaar 17


1,1


0,9

Jaar 18


1,0


0,9

Jaar 19


1,0


0,8

Jaar 20


1,0


0,8

Jaar 21

0,9

0,8

Jaar 22

0,9

0,7

Jaar 23

0,9

0,7

Jaar 24

0,8

0,6

Jaar 25

0,8

0,6

Vraag 6

Indien de regering zou besluiten om over te stappen van een behoedzaam naar een voorzichtig trendmatig scenario voor het begrotingsbeleid, zoals een recente SER-aanbeveling luidt, welke budgettaire risicos ziet zij dan?

Antwoord

De SER pleit in zijn advies voor een overgang van behoedzaam naar een voorzichtig trendmatig scenario als uitgangspunt voor het trendmatig begrotingsbeleid voor toekomstige kabinetten. De SER adviseert daarbij vast te houden aan de vaste uitgavenkaders en de strikte scheiding tussen uitgaven en inkomsten. De gunstigere uitgangspositie van de overheidsfinanciën biedt volgens de SER de mogelijkheid om bij het opstellen van een volgend Regeerakkoord de veronderstelde economische groei nauwer te laten aansluiten bij de trendmatige (gemiddelde) groei dan nu het geval is. Door de recente verbetering van het overheidsfinanciën is de kans dat in een economische neergang de EMU-grenzen worden geschonden verkleind. Ten opzichte van een middenscenario moet volgens de SER echter wel een zekere veiligheidsmarge blijven.

Bij de hantering van minder behoedzame uitgangspunten zullen bij het opstellen van het Regeerakkoord meer budgettaire middelen beschikbaar komen voor uitgavenverhoging, lastenverlichting en verbetering van het begrotingssaldo. De keerzijde hiervan is dat tijdens de uitvoering van het Regeerakkoord de kans op eventuele tegenvallers en noodzakelijke ombuigingen groter is. Overigens zal een deel van de extra ruimte als vanzelf worden ingenomen door een hogere reële loonstijging die past bij een hogere reële groei.

De uitgavenkaders en de ijklatten voor de huidige kabinetsperiode zijn en blijven gebaseerd op behoedzame uitgangspunten. Voor het te voeren begrotingsbeleid in de komende kabinetsperiode zal het kabinet de Studiegroep Begrotingsruimte om advies vragen. Dit advies zal naar verwachting medio 2001 beschikbaar zijn. In het advies zal ook worden ingegaan op de te verwachten economische groei en de te hanteren mate van behoedzaamheid.

Vraag 7

Hoe oordeelt de regering over de twee in het WRR-rapport Generatiebewust Beleid genoemde scenario's voor de overheidsschuld, de zogenoemde rekkelijke en de precieze norm?

Antwoord

In het WRR-rapport zijn lange termijn berekeningen voor de overheidsfinanciën opgenomen uitgaande van een rekkelijke norm (stabiele schuldquote op lange termijn) en een precieze norm (begrotingsevenwicht vanaf 2050). Deze normen dienen vooral gezien als een technische rekenveronderstelling voor het maken van (indicatieve) lange termijn scenarios voor de overheidsfinanciën. In beide scenarios moet de overheidsschuld in de periode tot 2025/2030 grosso modo geheel worden gereduceerd, om de vrijvallende renteverplichtingen in te kunnen zetten voor de financiering van de vergrijzing. Naast schuldreductie beveelt de WRR ook aan het economisch draagvlak te verbreden door de bevordering van de arbeidsparticipatie en een beheerste uitgavenontwikkeling na te streven. Het kabinet onderschrijft deze aanbevelingen en richt het huidige beleid hier mede op.

Vraag 8

Kan een meer helder inzicht worden gegeven in de van de Europese Unie te verwachten ontvangsten ?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 124.
Vraag 9

Kan alsnog worden voldaan aan het verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken om een overzicht op te stellen van alle ontvangsten in Nederland uit de Europese Structuurfondsen en de daarbij behorende cofinanciering ?

Antwoord

De verdeling en besteding van de middelen uit de Structuurfondsen (3,315 miljard voor de komende jaren) wordt gemonitord door de verantwoordelijke departementen. Alle inspanningen zijn erop gericht om verbeteringen in de informatievoorziening conform het bovengenoemde verzoek te realiseren.

De daadwerkelijke start van de uitvoering van de programma's wordt eind 2000/begin 2001 verwacht. Alsdan kan aan de Kamer een rapportage over het verloop van de uitvoering en de bijbehorende cofinanciering worden aangeboden.

Voorts is in dit kader relevant dat het kabinet voornemens is om in december een voorstel te doen voor de presentatie van de Structuurfondsontvangsten.

Vraag 10

Kan een totaaloverzicht worden gegeven van de wijze waarop de moties en amendementen bij de Voorjaarsnota 2000 en de Miljoenennota 2001 in de begrotingen zijn of zullen worden verwerkt?

Antwoord

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de amendementen die ingediend zijn bij de eerste suppletore begrotingen 2000. Ter voorbereiding van de Algemene Financiële Beschouwingen zult u separaat geïnformeerd worden over de wijze van verwerking van de moties die tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen zijn ingediend.

Tabel 1: Overzicht aanvaarde amendementen (x 1mln)

Extra geld 2000

Wijze van verwerking

Kalsbeek/Dittrich: Bijdrage DJI

15

Verwerkt in begroting Justitie

Hindriks: Technologische infrastructuur

20

Verwerkt in begroting OCW

Lambrechts/Oudkerk: Extra geld voor de zorg

100

Verwerkt in de Zorgnota

Bakker: Compensatie lokale omroepen

18,4

Verwerkt in het GFPF

Van der Hoek/Ravenstein: Integratie en veiligheid G25



Verwerkt in begroting Justitie

Koenders: Instelling vredesfonds

15

Verwerkt binnen HGIS

Verhagen: Ontmijnen

30

Verwerkt binnen HGIS

Barth/Lambrechts: Extra geld voor onderwijs

100

Verwerkt op begroting OCW

Hamer/Lambrechts: Overige uitgaven en P en M onderwijs

45

Verwerkt op begroting OCW

Hamer/Lamberts: WTS

27

Verwerkt op begroting OCW

Totaal

376

Al de amendementen die ingediend zijn bij de behandeling van de suppletore begrotingen zijn verwerkt in de Miljoenennota. Deze amendementen zijn op een zodanige wijze verwerkt dat het voorzieningenniveau dat beoogd werd in de amendementen, structureel gegarandeerd is. Met betrekking tot de regionale omroepen heeft het kabinet besloten om het amendement Bakker niet structureel te verwerken aangezien met de VNG en het IPO reeds overeenstemming is bereikt over de compensatie. Binnenkort zullen de Ministers van Financiën en BZK de Kamer hierover informeren.

De moties die aangenomen zijn tijdens de behandeling van de Voorjaarsnota zijn meegenomen in de besluitvorming over de Miljoenennota 2001. Achtereenvolgens gaat het om de volgende moties:
1. Motie Melkert inzake het bieden van een concreet pakket beleidsmaatregelen gericht op decentrale mogelijkheden om in te spelen op urgente knelpunten in het personeelsbeleid. Op pag. 59 van de Miljoenennota wordt hier op ingegaan, tevens vormt dit een belangrijk onderdeel van de Trendnota.

2. Motie De Graaf/Melkert inzake het bieden van de mogelijkheid tot het maken van bovenbudgettaire afspraken met ziekenhuizen. De minister van VWS en het hele kabinet hebben en houden de verantwoordelijkheid om enerzijds vraag en aanbod in evenwicht te houden, en anderzijds zorg te dragen voor doelmatige uitvoering en beheersing van de kosten. Het kabinet werkt er aan om de ziektekostenverzekeraars in staat te stellen hun verantwoordelijkheid voor het beschikbaar stellen van zorg ten volle te kunnen laten dragen. Daarom wordt gewerkt aan een systeem van adequate budgettering van de verzekeraars.
3. Motie De Graaf/Melkert inzake de EHS en verdroging. Ten behoeve van de Nota Natuur, Bos en landschap is structureel 100mln per jaar vrijgemaakt. De kosten van gestegen grondprijzen zijn verwerkt in de begroting van LNV en VROM om binnen het voorgenomen tempo grond aan te kopen. Het kabinet is tevens bereid om bij Najaarsnota, afhankelijk van de dan aanwezige ruimte, incidenteel geld vrij te maken ten behoeve van de EHS en verdroging.
4. Motie Van der Vlies inzake de onderwijshuisvesting. Het kabinet heeft structureel 0,2miljard extra uitgetrokken ten behoeve van de modernisering van het onderwijs. In 2000 is incidenteel 0,9 miljard hiervoor uitgetrokken, deze gelden zijn bedoeld voor vervanging en modernisering van leermiddelen en inventaris van schoolgebouwen.

5. Motie Melkert inzake knelpunten publieke dienstverlening. De motie vraagt om een structureel pakket van intensiveringen gericht op het onderwijs, de zorg, openbare veiligheid en natuur. Hoofdstuk drie van de Miljoenennota geeft het overzicht van de intensiveringen waartoe het kabinet besloten heeft.
6. Motie Melkert inzake verruiming van het vervangingsfonds. Het kabinet heeft besloten het vervangingfonds met 50mln in 2000 te verruimen.

Ten aanzien van de wensen op het terrein van de veiligheid in het Openbaar Vervoer heeft het kabinet naar aanleiding van het amendement van Gijzel op de begroting van Verkeer en Waterstaat gelden vrijgemaakt ten behoeve van veiligheid in het Openbaar Vervoer. Voor rampenbestrijding is in de Voorjaarsnota een pakket van 136mln opgenomen, additioneel daarop is in de Miljoenennota voor 2000 en 2001 100mln vrijgemaakt, en 60mln structureel.

Vraag 11

Kan een overzicht worden gegeven van de rentebesparingen per jaar, en met name ook in de jaren 2001 en 2002, indien de staatsschuld in 25 jaar wordt afgelost?

Antwoord

Onderstaand schema geeft de omvang van de rente-uitgaven als verondersteld wordt dat de schuld in 25 jaar wordt afgelost door begrotingsoverschotten van 1,3% per jaar in de periode 2002-2025 (voor 2000 en 2001 zijn de actuele ramingen aangehouden). Het betreft tentatieve berekeningen, ook een ander tijdpad is denkbaar.

Tabel Rente-uitgaven collectieve sectora houdbaar scenario CPB

in % BBP

in miljarden

prijzen 2000

2000



35

2001

3,6

34

2002

3,4



2010


1,6

18

2020

0,4



2025





a Naast Rijksoverheid betreft dit dus ook de rentebetalingen en
-ontvangsten van de sociale fondsen, de lagere overheden en overige overheidslichamen (ZBOs e.d.).

Vraag 12

Het CPB verwacht dat een deel van de investeringen 2000 niet tot besteding zal komen (MEV, blz. 129). In het CEP 2000 schatte het CPB de onderbesteding op 0,75 miljard. Zijn er reeds nieuwe inzichten omtrent de onderuitputting van de 6,7miljard extra investeringen?

Antwoord

Voor het jaar 2000 heeft het kabinet in de Miljoenennota de Vermoedelijke Uitkomsten gepubliceerd. Deze geven aan wat het kabinet verwacht uit te geven in het jaar 2000; sinds de Miljoenennota zijn hierover geen nieuwe inzichten ontstaan. De door het CPB verwachte onderuitputting wordt door het kabinet op dit moment niet herkend.

Vraag 13

Kan een reactie worden gegeven op de waarschuwing van het CPB dat de thans gehanteerde loonraming ook nog risicovol is (MEV, p. 94)? Waarom is de minister niet direct overgegaan tot een meer behoedzame contractloonraming? Hoe verhoudt zich dit tot het behoedzame begrotingsbeleid van de minister? Van welke loonraming gaat het kabinet thans uit voor het jaar 2002?

Antwoord

Bij een behoedzaam begrotingsbeleid wordt uitgegaan van een behoedzame economische groei. De prijsontwikkeling en vervolgens de contractloonontwikkeling wordt daarvan afgeleid. De eventuele risicos in de ruilvoetsfeer kunnen gedeeltelijk worden opgevangen door de uitgavenreserve.

Het is goed gebruik om voor een echte begroting voor een jaar aan te sluiten bij CPB-prognoses. Het CPB raamt voor 2001 een contractloonontwikkeling van 3,5%.

Voor 2002 is geen actuele CPB-raming beschikbaar en zouden dus normaal de uitgangspunten van het Regeerakkoord worden gehanteerd (1,4% contractloonstijging). Dit impliceerde een reële loondaling. De reële loondaling vormde een fors budgettair risico. Daarom is, in lijn met het behoedzame begrotingsbeleid, besloten om dit risico te beperken. In de Miljoenennota 2001 is de reële loonontwikkeling in 2002 nu geraamd op 0% (2% contractloonstijging bij een evengrote prijsstijging).

Vraag 14

Over de besteding van de uitgavenreserves, tranches 2000 en 2001, is bij Miljoenennotas van respectievelijk 2000 en 2001 besloten. Mag hieruit worden geconcludeerd dat over de besteding van de uitgavenreserve tranche 2002 bij Miljoenennota 2002 besloten mag worden?

Antwoord

De uitgavenreserve is bedoeld om onverwachtse uitgaventegenvallers in de ruilvoetsfeer grotendeels te kunnen opvangen. Er kan pas tot besteding van de uitgavenreserve worden overgegaan indien het risico op uitgaventegenvallers beheersbaar worden geacht. Op dit moment kan nog niet worden geconcludeerd of dat voor 2002 bij Miljoenennota 2002 al het geval is. Denkbaar is ook de Voorjaarnota 2002.

Vraag 15

Kan meer informatie worden gegeven over de aanpassing van de ijklat voor de inkomsten voor het jaar 2000?

Antwoord

In de onderstaande tabel wordt de aanpassing van de ijklat 2000 op basis van het beeld bij Miljoenennota 2001 weergegeven.

Tabel: Aanpassing Ijklat 2000 (in miljarden)

MN2001

Reële ijklat 2000 bij MN 1999

319,9

BBP-deflator

14,7

Correctiepost


2,8
Ijklat 2000 in lopende prijzen

337,4

De ijklat 2000 wordt aangepast met de BBP-deflator en de correctiepost. De correctiepost bevat de structurele doorwerking van de inkomstenmeevaller uit 1998 en beleidsmatige wijzigingen in het inkomstenbeeld (bijvoorbeeld het lastenpakket dat is afgesproken bij de Algemene Politieke Beschouwingen in 1999).

Vraag 16

Hoe kan het verschio worden verklaard tussen de raming van de inkomstenmeevaller voor het jaar 2000 van 15,4 mld (Miljoenennota) en het CPB dat een inkomstenmeevaller voor het jaar 2000 raamt van 16,5 mld.

Vraag 17 MN 2001

Hoe kan het verschil worden verklaard tussen de raming van de overschrijding van de inkomstenijklat van f 13,8 miljard (Miljoenennota) en het CPB dat in 2001 een overschrijding raamt van f 17 miljard?

Vraag 103 MN 2001

Kan het verschil in de inkomstenmeevaller voor het jaar 2000 tussen de MEV (16,5 mld) en de Miljoenennota worden verklaard?

Vraag 105

Kan worden medegedeeld waardoor het verschil in de overschrijding van de ijklat van de belastingopbrengsten in de Miljoenennota (f 13,8 mld) en de MEV (f 17 mld) wordt veroorzaakt?

Antwoord

Het verschil tussen de cijfers van het CPB en de cijfers in de Miljoenennota wordt grotendeels verklaard door de wijze waarop rekening is gehouden met de meevallers over eerdere jaren. Het CPB meldt de totale inkomstenmeevaller ten opzichte van het Regeerakkoord1. In de Miljoenennota is de additionele meevaller voor 2001 weergegeven ten opzichte van de Miljoenennota 2000. Dat betekent dat in de Miljoenennota 2001 is gecorrigeerd voor de structurele doorwerking van de inkomstenmeevaller uit 1998 en voor de structurele doorwerking van de inkomstenmeevaller in 2000 zoals die bij Miljoenennota 2000 is vastgesteld. De inkomstenmeevaller over 1998 bedraagt 2¼ miljard. In het Regeerakkoord is afgesproken dat inkomstenmeevallers die betrekking hebben op 1998 inclusief de doorwerking naar latere jaren worden ingezet voor extra tekortreductie en niet wordt meegenomen bij het bepalen van de ruimte voor lastenverlichting in deze kabinetsperiode (via de mee- en tegenvallerformule).

De inkomstenmeevaller die in de Miljoenennota 2000 is geconstateerd bedraagt 1¼ miljard. Deze inkomstenmeevaller wordt niet meegerekend voor de berekening van de additionele inkomstenmeevaller die in de Miljoenennota 2001 is weergegeven. De meevaller voor 2000 is uiteraard wel meegenomen bij de berekening van de beschikbare ruimte voor lastenverlichting.

Indien de inkomstenmeevaller uit de MEV 2001 wordt gecorrigeerd voor deze twee presentationele verschillen dan komt het CPB uit op een additionele meevaller die vergelijkbaar is met de inkomstenmeevaller uit de Miljoenennota 2001. In de onderstaande tabel worden de cijfers weergegeven.

Stand Miljoenennota 2001

MEV 2001 (afgerond op halven)

Ink. meevaller 1998

Ink. meevaller MN 2000

Additionele meevallers conform MEV

Belastingen c.s.

13,8

17









14½

Premies

5,5



¾




5

Gasbaten


1,4



2

0

½





Totaal

20,7

24½








21

Uit de tabel blijkt dat rekening houdend met de genoemde correcties het CPB een vergelijkbare meevaller bij de gasbaten raamt.

Na de genoemde correcties is de belastingmeevaller in de MEV 2001 ongeveer ½ miljard hoger en komt de premiemeevaller in de MEV 2001 ongeveer 0,4 miljard lager uit. Dit verschil wordt grotendeels veroorzaakt doordat in de MEV de belasting- en premiederving als gevolg van de verhoging van de arbeidskorting met 85 gulden (zoals aangekondigd op pag 81 in de Miljoenennota) volledig is toegerekend aan de belastingen. Deze moet echter voor 0,4 miljard moet worden toegerekend aan de premies.

Bij de belastingmeevaller resteert nog een verschil van 0,1 miljard. Dit wordt veroorzaakt doordat het CPB enerzijds de belastinginkomsten in 2001 0,3 miljard lager raamt en anderzijds de indexering van het huurwaardeforfait uitgaat van een lastenverlichting van 0,4 miljard. Deze wijze van verwerken heeft een opwaarts effect op de meevaller. Hierdoor komt het CPB per saldo bij de belastingmeevaller 0,1 miljard hoger uit.

In de Miljoenennota 2001 wordt geen inkomstenmeevaller 2000 gemeld maar alleen de additionele inkomstenmeevaller 2001. Ten aanzien van de inkomstenmeevaller in 2000 kan opgemerkt worden dat deze bij Miljoenennota 2000 1¼ miljard bedroeg. De stijging van de inkomstenmeevaller in 2000 ten opzichte van de meevaller uit de Miljoenenota 2000 als gevolg van de hogere economische groei, loopt structureel mee in de meevaller in 2001. Hierboven is reeds weergegeven waardoor verschillen in 2001 tussen de Miljoenennota 2001 en de MEV 2001 worden veroorzaakt.

Vraag 18

Wat is de huidige stand van zakenomtrent de intensiveringen en ombuigingen uit het Regeerakkoord ? Kan voortaan in elke Miljoenennota, Voorjaarsnota en Najaarsnota een geactualiseed overzicht worden opgenomen ?

Antwoord:

In onderstaande tabellen wordt een overzicht gegeven van de stand van zaken met betrekking tot de afgesproken intensiveringen. Bezien zal worden of deze informatie in het vervolg standaard ten tijde van het uitbrengen van de notas via internet ter beschikking kan worden gesteld. In de tabellen 1 en 2 vindt u een overzicht van de afgesproken intensiveringen uit het Regeerakkoord. In deze tabellen wordt dezelfde indeling gevolgd als in het Regeerakkoord. Begrotingstechnisch waren de intensiveringen ten tijde van de Miljoenennota 1999 ten dele toegedeeld naar de diverse begrotingen en deels nog gereserveerd op de aanvullende post Algemeen. Inmiddels zijn de middelen verdeeld over de begrotingen. De implementatie van alle maatregelen is door de ministeries ter hand genomen. Op dit moment kan worden aangegeven dat de implementatie veelal op schema ligt; in de kolom stand van zaken wordt per maatregel stilgestaan bij de huidige situatie. Indien bij bepaalde intensiveringen de invulling/implementatie vertraging oploopt dan wordt dit ook in deze kolom aangegeven. Daarnaast wordt met betrekking tot de Zorg niet alleen aangegeven wat de extra intensiveringen zijn maar ook wat de volumegroei per sector bedraagt.

Tabel 1: Regeerakkoordintensiveringen (excl. infrastructuur)

Intensiveringen (in miljoenen guldens)

1999

2000

2001

2002

Stand van zaken

Kwaliteit onderwijs

435

1040

1491

1977

Algemene toelichting

In het Regeerakkoord is een reeks kwaliteit van het onderwijs opgenomen die afwijkt van wat hier vermeld staat. Uit de optelsom van de begrotingen 1999 van OCenW en LNV en het gemeentefonds resulteert de hier genoemde reeks.

OCenW

384

925

1335

1761


- klassenverkleining primair onderwijs

100

330

580

De tweede stap naar Klassenverkleining is op 1 augustus dit jaar gezet. Desalniettemin kan niet worden ontkend dat enige knelpunten worden ervaren bij het aantrekken van extra leerkrachten uit hoofde van deze operatie. Anticiperend hierop heeft de regering in het plan Maatwerk voor Morgen perspectieven en acties ontwikkeld om deze knelpunten op te lossen.


- ICT in het onderwijs (exploitatie)

40

244

242

240

Verleden jaar heeft de Kamer ingestemd met ICT-plannen zoals verwoord in Onderwijs Online. Inmiddels is begonnen met de uitvoering van de plannen gericht op het integreren van ICT in het dagelijkse onderwijs teneinde de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. De middelen van het Regeerakkoord zijn versneld ingezet.


- BVE (apparatuur en nieuwe taken WEB)

69

96

96

154

Het kasritme voor de investeringen in apparatuur is aangepast (gelijkmatiger over de jaren verdeeld). Daarnaast is ongeveer tweederde van de vernieuwingsgelden (61 miljoen) ingezet voor het voorkomen van voortijdig schoolverlaten. Het rapport over voortijdig schoolverlaten is aan de Kamer aangeboden. Hierin wordt voorgesteld hoe de problemen effectief aangepakt kunnen worden. De resterende vernieuwingsgelden zijn opgenomen via de lump-sum bekostiging ter beschikking gesteld aan het beroepsonderwijs voor de aanschaf van moderne apparatuur.


- verbetering materieel in PO/VO

113

199

175

295

Naast extra middelen voor de versterking van het management op scholen in het primair onderwijs, zijn extra gelden bij Regeerakkoord gereserveerd voor de aanschaf van nieuwe leermiddelen en voor de schoonmaak. Ook is een deel van de middelen ingezet voor de onderwijs CAO. In het voortgezet onderwijs zijn extra gelden ingezet ter bestrijding van de onderhoudsachterstanden en vernieuwingen. Om de verdeling over de jaren gelijkmatiger te laten verlopen is het kasritme van de uitgaven aangepast.


- studiefinanciering (exclusief WTS)

84

125

331

282

Voor de genomen maatregelen wordt verwezen naar de nota Flexibele studiefinanciering en het wetsvoorstel WSF 2000. In essentie komen de beleidsintenties neer op de verbetering van de financiële positie van studenten.


- leraren

78

161

161

210

Al eerder is gememoreerd dat voor het aantrekkelijker maken van het beroep leraar bij Regeerakkoord extra geld beschikbaar is gesteld. In het plan Maatwerk voor morgen, dat aan de Kamer is aangeboden, geeft de regering een meerjarig perspectief om de oplossingen concreet handen en voeten te geven.

LNV

11

25

26

36

Het betreft hier de intensiveringen in het agrarisch onderwijs die samenhangen met de OCenW-intensiveringen.

Gemeentefonds

40

90

130

180

In het kader van de Klassenverkleining is bij Regeerakkoord geld vrijgemaakt voor de gefaseerde verkleining van de groepen 1 tot en met 4 in het basisonderwijs. Groepsverkleining leidt tot een grotere behoefte aan klaslokalen. Om aan deze behoefte te kunnen voldoen, zijn gelden aan het gemeentefonds toegevoegd oplopend van 40 miljoen in 1999 tot 180 miljoen in 2002.

Kinderopvang en naschoolse activiteiten

65

155

265

265

Algemene toelichting

SZW

15

15

15

15


- commissie dagindeling

Aanbevelingen van de commissie dagindeling (die voorziet in een betere combinatie van werk- en thuissituatie) zijn door middel van een tijdelijke stimuleringsmaatregel worden uitgewerkt in experimenten, ervaringsuitwisseling en informatievoorziening. De middelen zijn inmiddels voor een groot deel verdeeld. Over de jaren is wel een kleine wijziging in het kaspatroon opgetreden.

VWS

50

140

250

250


- specifieke uitkering

Met betrekking tot de kinderopvang is met de Tweede Kamer een Plan van Aanpak besproken en afgestemd. In dit plan zijn streefdoelen geformuleerd. De uitvoering van deze plannen loopt op schema. Tot en met 2002 lopen deze middelen via de VWS-begroting.

Politie/overige justitiële keten

175

482

616

750

Algemene toelichting

BZK

123

298

294

375


- politie

In het kader van het veiligheidsbeleid worden de RA-middelen aangewend voor meer politieagenten (3.000 ftes extra) en oplossen financiële knelpunten politieregios. In het in november afgesloten politieconvenant zijn over beide zaken (gekwantificeerde) afspraken gemaakt. Bij de herstructurering van het politieonderwijs en voor ICT politie heeft een versnelling van de RA-intensiveringen plaatsgevonden.

Justitie

52

184

322

375


- sanctiecapaciteit

6

61

122,5

170

Met de bij Regeerakkoord beschikbaar gestelde middelen wordt de sanctiecapaciteit vergroot. Een deel van de middelen is inmiddels voor de sociale advocatuur ingezet voor de sociale advocatuur (10 mln. in 2000 en 2001 en 20 miljoen). Een deel van deze middelen is versneld ingezet.


- versterken en moderniseren rechterlijke macht
30

79

130

130

Met de contourennota die in december 1998 naar de Tweede Kamer is gestuurd is een start gemaakt met de versterking en modernisering van de rechterlijke macht. Een belangrijk deel van de werkzaamheden neemt de rechterlijke macht zelf ter hand via het Programma Versterking Rechterlijke Macht. Over de voortgang van dit grote project wordt de Tweede Kamer minstens tweemaal per jaar geïnformeerd. Een deel van deze middelen is versneld ingezet.


- Jeugd en Geweld

16

44,4

69,8

75

De RA-middelen voor jeugd en geweld zijn onder andere ingezet voor de Raad voor de kinderbescherming, uitvoering van het programma CRIEM, verkorten wachtlijsten in de jeugdhulpverlening en voor criminaliteitsbestrijdingsprojecten. Ook hier is een deel van de middelen versneld ingezet.

Sport

10

20

35

55

VWS

10

20

35

55


- versterking sportbeoefening in alle geledingen
Met de Tweede Kamer is een Plan van Aanpak besproken dat erop ziet om sportbeoefening in alle gelederen te versterken. Er is enige vertraging opgetreden in de uitvoering van deze plannen doordat de nota Brede Sport later dan verwacht in de Kamer is ingediend.

Cultuur

15

40

60

60

OcenW

De uitgangspuntenbrief is vorig najaar door de Tweede Kamer behandeld en aanvaard. De brief was de voorloper van de Cultuurnota 2001-2004 die op Prinsjesdag aan de Kamer is aangeboden. De RA-middelen zijn versneld ingezet.

Specifiek Werkgelegenheidsbeleid

250

500

750

950

SZW

250

500

750

950


- Sluitende aanpak (netto)

75

150

225

250

Iedere nieuwe werkzoekende van 23 jaar en ouder krijgt binnen een jaar een arbeidsbemiddelingstraject aangeboden. In 2000 zullen circa 40.000 trajecten worden gerealiseerd. Bovenop de middelen uit het Regeerakkoord is ook nog 100 miljoen uit de Eindejaarsmarge toegevoegd aan de sluitende aanpak.


- I/D-banen (netto)

100

200

300

400

Er worden in totaal 20.000 nieuwe I/D-banen (Instroom/Doorstroom) geïntroduceerd, waarvan ultimo 2000 al 10.000.


- Uitbreiding WSW-plaatsen

50

100

150

200

Er vinden intensiveringen plaats in de WSW waarmee de wachtlijsten worden beperkt. Daarbij komt relatief veel nadruk te liggen op het instrument begeleid werken. In 2000 zullen circa 1100 nieuwe WSW-plaatsen in uitvoering genomen kunnen worden.


- bevordering betere arbeidsomstandigheden

25

50

75

100

Met het oog op de verbetering van de arbeidsmarktomstandigheden bevordert het Rijk de totstandkoming van
arbeidsomstandighedenconvenanten op bedrijfstakniveau.

Specifiek inkomensbeleid

175

500

575

750

OCenW

50

175

175

250


- WTS

Op dit moment ligt er een wetsvoorstel bij de Raad van State waarin de RA-intensiveringen met betrekking tot de Wet Tegemoetkoming Studiekosten nader worden vormgegeven.

VROM

25

75

100

125


- IHS

De RA-intensivering IHS is deels beschikbaar gesteld ter dekking van het woon-zorgstimuleringsfonds, die is bedoeld voor de afstemming van wonen en zorg voor met name ouderen. Daarnaast is een oplopend bedrag (12,5 mln in 2002) besteed aan de extra IHS-uitgaven als gevolg van de ontdooiing van de huurgrens. Ten slotte zijn gelden beschikbaar gesteld voor de BEW (Wet bevordering eigenwoningbezit) die naar verwachting per 1 januari 2001 van kracht wordt.

SZW


- Bijzondere bijstand

50

75

125

150

Het kabinet heeft overeenkomstig het Regeerakkoord extra middelen beschikbaar gesteld voor de bijzondere bijstand als onderdeel van het lokale inkomensondersteuningsbeleid. Deze middelen, oplopend van 50 miljoen in 1999 tot 150 miljoen in 2002, zijn aan het gemeentefonds toegevoegd. In 1999 en 2000 is de totale intensivering op grond van een amendement op de begroting van SZW eenmalig verhoogd met 50 miljoen respectievelijk 25 miljoen.

Gemeentefonds

50

175

200

225


- WVG/Chronisch zieken

Er vinden intensiveringen plaats in de Wvg. Deze middelen zijn toegevoegd aan het Gemeentefonds. Overigens is er voor jonggehandicapten met een Wajong-uitkering een fiscale faciliteit geïntroduceerd om hun inkomstenniveau op te trekken naar dat van ouderen.

Zorg

1415

3021

4506

5660

VWS

1415

3021

4506

5660

In het Regeerakkoord is in totaal 5,66 mrd aan de zorg toegevoegd. Deze 5,66 mrd bestaat uit 3,46 mrd reeds beschikbare volumegroei en
2,2 mrd extra intensiverings-middelen (overeenkomend met groei van 2,3% per jaar). De aan de zorgsector toegevoegde middelen zijn in de meeste sectoren middels meerjarenafspraken belegd.


- curatieve zorg

593

778

1142

1495

Met de huisartsen en de paramedici zijn meerjarenafspraken overeengekomen over de aanwending van de middelen. Met de ziekenhuizen en de specialisten zijn akkoorden gesloten over de hoogte van de intensiveringsgelden.


- geestelijke gezondheidszorg

127

133

230

256

In de sector GGZ zijn geen meerjarenafspraken gesloten omdat door het vorige kabinet al is besloten tot capaciteitsuitbreiding in de zorg via bouw van nieuwe faciliteiten.


- gehandicaptenzorg

136

245

376

386

Met de sector zijn meerjarenafspraken gemaakt over de inzet van de intensiveringen. Dit ligt op schema. Een deel van deze RA-middelen is versneld ingezet voor de reductie van wachtlijsten in de gehandicaptenzorg.


- ouderen- en thuiszorg

368

1084

1558

1903

Met de sector zijn afspraken gemaakt over de inzet van de intensiveringen. Dit ligt op schema. Een deel van de RA-middelen is versneld ingezet voor reductie van wachtlijsten in de verpleging/verzorging.


- genees- en hulpmiddelen

215

774

1161

1548

In het Regeerakkoord is uitgegaan van een volumegroei bij de medicijnen van ca. 6%. Om deze 6% te realiseren dienen onder meer de maatregelen uit het met de Tweede Kamer besproken Plan Koopmans tijdig geïmplementeerd te worden (voornamelijk beheersing van poliklinisch voorgeschreven geneesmiddelen en de invoering van het Electronisch Voorschrijfsysteem).


- overig


-23,6

7,1

38,8

71,4

In afwachting van de nadere uitwerking van plannen staat een aantal intensiveringen vooralsnog gereserveerd op de aanvullende post. Bedoeling is om op het gebied van preventie en beheer zo snel mogelijk plannen aan de TK te presenteren zodat met de uitvoering ervan kan worden begonnen. De overige intensiveringen betreffen preventie, beheer en diversen (incl. de besparing op uitvoeringskosten i.v.m. het opheffen van de eigen-bijdrageregeling ZFW). De budgetten van de zorgkantoren zullen afhankelijk van mate waarin deze nieuwe taken ontwikkelen opgehoogd worden. De overige intensiveringen worden verwerkt in de budgetten.

Sociale infrastructuur

25

50

75

100

BZK

12,5

25

37,5

50


- inburgering

Deze middelen zijn bestemd voor inburgering van oudkomers (langer in Nederland verblijvende allochtonen). Het merendeel van deze middelen is toegevoegd aan de regeling sociale integratie en veiligheid ten behoeve van de 25 grootste gemeenten in ons land. In de afgesloten convenanten in het kader van het Grote Stedenbeleid zijn over de inzet van deze middelen afspraken gemaakt. Het restant van de middelen is bedoeld voor de inburgering van oudkomers in de andere steden.

VWS

25

37,5

50


- jeugdbeleid

In het kader van een brede aanpak omtrent het Jeugdbeleid zijn de Plannen van Aanpak eerder dit jaar met de Tweede Kamer besproken. Tevens is dit jaar het beleidskader voor de nieuwe wet op de Jeugdzorg met de Tweede Kamer besproken.

Doorwerking GF/PF

75

245

275

335

Tabel 2: Regeerakkoordintensivering Infrastructuur

Maatregel (bedragen in miljoenen)

Totaal

1999

2000

2001

2002

Stand van zaken

6.42521

NB. De RA-intensivering voor infrastructuur bedraagt 6.200 miljoen; het restant komt, conform RA, uit de vrije ruimte op de begrotingen.


a. Bereikbaarheid

2.730

328

704

773

925

Infrastructuurfonds

Hoofdwegennet

Regionaal/lokaal vervoer

Rail personenvervoer

Rail goederenvervoer

Vaarwegen


+

Inpassingsbudget wegen/OV/Vaarwegen (na 2002)

Na het vaststellen van het geïntegreerde investeringsprogramma Bereikbaarheid, in samenhang met het Infrastructuurfonds in het MIT zijn aanvullende afspraken gemaakt met de regios. Op basis van een bijstelling van de geraamde prijsbijstelling ad 2,3 miljard en met verdeling van de 2 miljard uit het RA voor extra inpassing zijn extra projecten aan het programma tot en met 2010 toegevoegd (zie brief van 4 december 1998 aan de TK). Tevens kunnen regios door voorfinanciering projecten laten versnellen.

In de Monitoringsrapportage van dit voorjaar wordt per maatregel een korte stand van zaken gegeven.

VenW

Rekeningrijden

535

50

160

160

165


b. Vitaliteit Steden

930

110

240

265

315

Algemeen

In 1998 zijn doorstartconvenanten met de Grote Steden gesloten. Het instrument om stedelijke vernieuwing te stimuleren is het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV). Dit instrument is te beschouwen als de fysieke kolom van het overkoepelende GSB, dat verder bestaat uit een sociale en een economische kolom.

EZ

Stadseconomie (v/h Bedrijventerreinen)

17

36

40

47

Op basis van ontwikkelings- en investeringsprogrammas van steden zijn in december 1999 meerjarentoezeggingen aan steden voor de periode tot en met 2004 gedaan.

VROM

Sleutelprojecten

12

27

30

36

De sleutelprojecten zijn nog volop in ontwikkeling. De beschikbare middelen zijn nog gereserveerd in het FES.

OCenW/VROM

Monumentenzorg

14

31

34

41

OCenW: De plannen voor monumentenzorg zijn vanwege de bestaande toekenningssystematiek geaccordeerd tot en met 2008. De inzet van middelen voor Rijksmonumenten niet in rijksbezit, wordt in overeenstemming met de VNG, in verband gebracht met het plannen voor het ISV en het GSB.

VROM: Inmiddels wordt de restauratie van reeds 31 geselecteerde Rijksmonumenten in rijksbezit ter hand genomen.

VROM

Stedelijke vernieuwing en Lokale Milieuhinder

56

121

134

159

In relatie met het bestaande ISV, worden de middelen beschikbaar gesteld voor de grootstedelijke programmas tot en met 2004.

BZK

Fonds Leefbaarheid Grote Steden

11

25

27

32

Ter verbetering van de leefbaarheid en de veiligheid van de leefomgeving worden in het kader van de meerjaren ontwikkelingsprogrammas van de G25 middelen beschikbaar gesteld.


c. Milieu

350

42

89

96

123

EZ/VROM

Milieutechnologie

7

16

17

20

De (uitbreidingen van de) programmas Economie, Ecologie en Technologie (EET) en het Programma Milieutechnologie (ProMT) zijn in uitvoering genomen.

EZ

Duurzame energie-

impuls

10

20

23

27

Er worden 2 onderzoeks- en demonstratieprogrammas onder beheer van Novem geïntensiveerd en er is een subsidiefaciliteit gecreëerd voor warmtepompboilers.

VROM/VenW

Sanering waterbodems

20

28

31

36

De voornemens voor realisering van additionele stort- en verwerkingsfaciliteiten, voor sanering in regionale wateren en voor waterbodems in gemeentelijke en regionale wateren zijn in uitvoering genomen.

VROM

Overige NMP3-opties

5

25

25

40

Met de middelen wordt uitvoering gegeven aan maatregelen op het gebied van aanvullend stikstofbeleid, klimaatbeleid, bronbeleid voor Nox en geluid, en voor een stimuleringsregeling vervanging loden leidingen.

Ruimtedruk en


-kwaliteit

745

147

206,5

201

224,5

LNV

Natte natuur, reservering EHS, Agrarisch natuur- en landschapsbeheer, Glastuinbouw

67

126,5

121

144,5

De concrete uitwerking van de projecten Natte natuur (Ijsselmeer/Randmeren, Zuid-Hollandse Delta e.a.) is in overleg met betrokken bestuurders en maatschappelijke organisaties vastgesteld. De grondverwerving tbv de EHS ligt door de impuls kwantitatief (qua hectares) op schema. Inmiddels is een aantal natuur- en landschapsbeheerprojecten in bijzondere landschappen in uitvoering genomen. Tevens zijn middelen beschikbaar gesteld in het kader van groen in en om de stad (ISV-kader). Voor de glastuinbouw is inmiddels de Stimuleringsregeling inrichting duurzame glastuinbouwgebieden (Stidug) in werking getreden. Deze regeling is gericht op de inrichting van nieuwe, hoogwaardige vestigingslokaties voor de glastuinbouw.

LNV

Reconstructie / Kwaliteitsimpuls zandgronden

80

80

80

80

Op grond van de reeds in werking getreden Regeling voor bedrijfsbeëindiging en verplaatsing varkenshouderijbedrijven zijn veel aanvragen toegekend. In het kader van de kwaliteitsverbetering zijn inmiddels pilots opgestart. Een deel van de middelen zal worden ingezet ten behoeve van het integrale mestbeleid. Daarnaast worden middelen beschikbaar gesteld in het kader van de herstructurering van de melkveehouderij en kennisontwikkeling en -verspreiding met betrekking tot nitraat.


e. Kennis

1.135

209

300

311

315

NB: Een aantal projecten hebben ten opzichte van 1998 een gewijzigd kasritme.

OCenW

Technocentra

16

12

12

De plannen voor technocentra zijn met de TK besproken en worden thans in uitvoering genomen. Besloten is om in plaats van pilots, in deze kabinetsperiode te komen tot een landelijk gespreid stelsel van circa 15 technocentra. Een regeling is inmiddels uitgewerkt.

Diversen

Onderzoek (kennis en toepassing)

24

76

90

93

Van de 10 kennisprojecten zijn er 8 definitief goedgekeurd en zijn in uitvoering genomen.

EZ

Internet / Exchange / diensten

25

38

39

40

Dit onderwerp is uitgewerkt in het project Gigaport, dat is goedgekeurd en in uitvoering is genomen.

OCenW

ICT Onderwijs

160

170

170

170

Het plan voor ICT in het onderwijs is inmiddels goedgekeurd. De middelen zijn verdeeld over de beleidsterreinen en de scholen zijn op de hoogte gesteld. De uitrol van Kennisnet is van start gegaan in de BVE- en VO-sector.

Tabel 3: Regeerakkoordombuigingen

Ombuigingen (in miljoenen guldens)

1999

2000

2001

2002

Stand van Zaken

Doelmatigheid

474

1117

1747

2334


1. Arbeidsproductiviteit collectieve sector

110

220

330

450

Deze maatregel is bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen. De begrotingsramingen zijn structureel verlaagd en er zullen geen besparingsverliezen optreden.


2. Volume-taakstelling departementen

36

72

108

144

Deze maatregel is bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen. De begrotingsramingen zijn structureel verlaagd en er zullen geen besparingsverliezen optreden.


3. Budgettering incidentele loonstijging

73

170

285

435

Bij Miljoenennota 1999 is deze taakstelling verwerkt op de aanvullende post arbeidsvoorwaarden. De jaarlijkse uitdeling loonbijstelling is, respectievelijk wordt, vervolgens voor deze taakstelling gekort; de ombuiging wordt dus per definitie volledig gerealiseerd. Voor de sector onderwijs en wetenschappen is de taakstelling naar rato verdeeld over de relevante begrotingen (OCenW en LNV).


4. Vergroting doelmatigheid departementale

aankoop

62

123

185

246

Deze maatregel is bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen. De begrotingsramingen zijn structureel verlaagd en er zullen geen besparingsverliezen optreden.


5. Externe advisering

18

37

54

54

Deze maatregel is bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen. De begrotingsramingen zijn structureel verlaagd en er zullen geen besparingsverliezen optreden.


6. Efficiency uitvoeringskosten uvis en SVB
50

250

400

500

De SVB en de uvis (LISV) hebben een aantal plannen uitgewerkt.


7. Efficiency Arbvo/SWI

25

50

75

100

Deze ombuiging is taakstellend op de budgetten van Arbeidsvoorziening en het Gemeentefonds verwerkt. De ombuiging wordt gerealiseerd.


8. Tendering en uitbesteding VenW

0

30

60

90

De verlagingen zijn programmatisch verwerkt in het Infrastructuurfonds respectievelijk via doelmatigheidsbesparing op het beleidsterrein van personenvervoer verwerkt in de begroting van VenW.


9. LNV

50

90

125

150

Op de begroting van LNV is een aantal maatregelen genomen, die zijn toegedeeld naar diverse artikelen. Het betreft hier onder meer een beperking van de apparaatsuitgaven en een beperking van een aantal subsidies. De ombuiging wordt gerealiseerd.


10. Gevangeniswezen

25

50

75

115

De Tweede Kamer is via de brief over het masterplan DJI van 4 mei 2000 geïnformeerd overde invulling van de taakstelling van 115 miljoen bij de gevangenissen. In deze brief worden de concrete maatregelen genoemd, die door justitie worden geïmplementeerd. De taakstelling voor 1999 is ingevuld door het inzetten van het positieve resultaat uit 1998 en de taakstelling voor 2000 wordt voor 24 miljoen ingevuld door het inzetten van maatregelen . Meerjarig vindt een concrete invulling van maatregelen plaats waarop geen besparingsverliezen worden voorzien.


11. Efficiency uitvoering IHS

25

25

50

50

De getroffen maatregelen hebben in ieder geval het beoogde effect bij verhuurders (convenanten zijn afgesloten). Bij het ministerie zelf zijn de maatregelen nog onderwerp van gesprek met de OR. Zoals het er nu naar uitziet wordt de maatregel voor 2000 en 2001 niet geheel gehaald, maar wel in 2002 en latere jaren.

Marktconforme prijzen

135

170

260

300


1. Nieuw contract gasprijs tuinders


35

70

110

150

Invulling van de maatregel heeft gedeeltelijk plaatsgevonden via een verhoging van de gasbatenraming met de geraamde meeropbrengst als gevolg van de nieuwe contracten voor de tuinbouwsector. Vanaf 2000 is een klein besparingsverlies op deze ombuiging opgetreden. Budgettair heeft het accepteren van het besparingsverlies geen effect gehad, aangezien bij de meest recente gasbatenramingen reeds rekening is gehouden met een lagere opbrengst gasprijs tuinders.


2. Verkoop agrarische domeinen

100

100

150

150

De Regeerakkoordtaakstelling ging uit van hogere verkoopopbrengsten, mede dankzij de liberalisering van het pachtbeleid. De maatregel is verwerkt in de ontvangsten uit de verkoop domeinen. Sinds het Regeerakkoord zijn er in 1999 en 2000 forse meeropbrengsten gerealiseerd. Inmiddels is een verkoopstop bij de agrarische landbouwgronden afgesproken. Deze maatregel brengt de realisatie van de taakstelling niet in gevaar. Wel is in de begroting 2001 een deel van de verwachte opbrengsten doorgeschoven naar latere jaren.

Decentralisatie

0

250

375

500


1. ABW-volume


0

250

375

500

In het Regeerakkoord is afgesproken dat de ingeboekte bezuiniging moet worden gerealiseerd door een verhoging van het gemeentelijk aandeel in de financiering van de bijstand. Met de gemeenten is afgesproken om dit aandeel per 2001 in beperkte mate te verhogen (van 10% naar 25%). Het wetsvoorstel terzake is aanvaard.

Arbeidsvoorwaarden overheid

0

133

267

400


1. Functioneel Leeftijdsontslag


0

33

67

100

Bij Miljoenennota 1999 is deze maatregel toegedeeld naar diverse begrotingen, met name de begrotingen van Defensie en BZK (sector Politie). Bij de sector Politie is in de CAO overeenstemming bereikt over maatregelen voor de FLO. Bij de sector Defensie staat dit onderwerp nog op de agenda.


2. Ziektekostentegemoetkomingen

0

100

200

300

Bij Miljoenennota 1999 is deze maatregel verwerkt op de aanvullende post arbeidsvoorwaarden. Nadien is een verdeling afgesproken over de sectoren Rijk, Onderwijs en Wetenschappen, Rechterlijke Macht, Politie en Defensie. De op basis van deze verdeling berekende percentages zullen in het desbetreffende jaar als korting op de kabinetsbijdrage voor de arbeidsvoorwaarden worden verwerkt.

Concrete maatregelen t.a.v. de ziektekostentegemoetkomingen vallen onder het overeenstemmingsvereiste. In de CAOs voor de sectoren Rijk, Rechterlijke Macht, Defensie en Onderwijs zijn concrete afspraken gemaakt voor de ziektekostentegemoetkomingen. Bij de Politie zal dit bij de besprekingen over de nieuwe CAO aan de orde komen.

Onderwijs

25

50

75

100


1. Wacht- en lesgelden


25

50

75

100

De maatregel wachtgelden is taakstellend verdeeld over de onderwijssectoren. De lesgelden worden op basis van de Les- en cursusgeldenwet geïndexeerd. Daarnaast is de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek aangepast waarmee de jaarlijkse indexering van collegegeld met ingang van het collegejaar 1999/2000 gerealiseerd is. Besparingsverliezen worden niet voorzien.

Volume Sociale Zekerheid

170

335

500

665


1. Volume WAO/vangnet ZW (keuringspraktijk/arbo)

75

150

225

300

In dit voorjaar is een nieuw Plan van Aanpak voor terugdringing van het WAO-volume gepresenteerd en zijn nieuwe beleidsvoornemens gepresenteerd in de Voortgangsnota arbeidsongeschiktheidsregelingen, die er toe moeten leiden dat het WAO-volume de raming bij Regeerakkoord niet overtreft.


2. Volume WAO/vangnet ZW a.g.v. reductie wachtlijsten zorg
50

100

150

200

Van deze ombuiging slaat 150 miljoen in 2002 neer bij de geprivatiseerde ziektewetuitgaven (geen onderdeel uitgavenkader). De overige 50 miljoen zal gerealiseerd moeten worden door een verkorting van de wachttijden zorg en zorginkoop. De zorginkoop loopt in elk geval vertraging op. Voor de verkorting van de wachttijden zijn al wel maatregelen in gang gezet.


3. Volume WW

25

50

75

100

De voorstellen voor realisatie van de ombuiging zijn ingevoerd. Het betreft met name voorstellen voor het activerend ouderenbeleid.


4. Vrijval ABW en arbeidsongeschiktheidsuitkering (WSW)
20

35

50

65

Als gevolg van de intensivering bij de WSW treedt vrijval op bij de ABW en de arbeidsongeschiktheidsregelingen.

Specifieke maatregelen zorg

0

15

30

45


1. Verhaalsrecht AWBZ


0

15

30

45

De stand van zaken wordt toegelicht in tabel 2.

Buitenlandbeleid

569

1025

1575

2000


1. Beperking EU-uitgaven


0

425

925

1300

Deze maatregel is reeds volledig gerealiseerd via de uitkomsten van Berlijn.


2. Verbreding begrip internationale samenwerking (non-ODA)
69

100

150

200

Gerealiseerd; de binnenlandse apparaatsuitgaven van Buitenlandse Zaken zijn onder de hgIS gebracht, onder aftrek van de in het Regeerakkoord opgenomen budgettaire taakstellingen.


3. Opvang A-statushouders onder ODA

125

125

125

125

Gerealiseerd. Bij Miljoenennota 1999 zijn de uitgaven voor A-statushouders uit ontwikkelingslanden onder de hgIS gebracht.


4. Defensie

375

375

375

375

De maatregel is volledig gerealiseerd. Voor 1999 was dit reeds in de Voorjaarsnota gebeurd, voor 2000 en latere jaren is dit geëffectueerd en geïllustreerd in de Defensienota. In de Defensienota zijn posterioriteiten en nieuwe prioriteiten aangekondigd, die per saldo resulteren in de ombuiging van 375 miljoen.

Overige ombuigingen

126

431

681

1308


1. Versneld afschaffen BWS


0

0

60

145

Gerealiseerd door een verlaging van de rijkssubsidiëring aan budgethouders en corporaties. Er zal geen besparingsverlies optreden.


2. Verrekening lokatiegebonden subsidies

0

50

50

50

In het Regeerakkoord is besloten tot een intertemporele compensatie op de budgetten voor Locatiegebonden Subsidies (BLS) van 2000 t/m 2002 naar 2003 en 2004. De kasverschuiving was ingeboekt met de verwachting dat de woningbouwrealisaties op Vinexlokaties zou achterblijven en zich in latere jaren zou herstellen. Aangeziende realisaties minder achterblijven dan verwacht, is bij Voorjaarsnota 2000 de Intertemporele Compensatie teruggedraaid.


3. Vermindering subsidies en kredieten EZ

40

80

95

110

Invulling heeft plaatsgevonden op diverse artikelen op de begroting van EZ waar subsidies en kredieten worden verantwoord. De taakstelling is voor het jaar 1999 volledig gerealiseerd, voor 2000 en later worden geen besparingsverliezen voorzien.


4. Vermindering kredieten FIN

20

40

40

40

De maatregel is verwerkt op het artikel bijzondere financiering. 1999 is gerealiseerd en voor 2000 en verder zullen zich geen besparingsverliezen voordoen.


5. Verhogen boeten en transacties

60

60

60

60

In het Regeerakkoord is de raming voor Boeten en Transacties verhoogd met structureel 60 miljoen. Justitie en financiën zijn overeengekomen dat de verhoging niet ingevuld zal worden door een verhoging van de bedragen voor Boeten en Transacties, maar door een intensivering van het verkeerstoezicht. Deze intensivering zal per saldo jaarlijks 60 miljoen opleveren. De taakstelling voor 1999 is ruim gehaald en is uiteindelijk 40 miljoen meer gerealiseerd. Wat betreft de realisatie meerjarig worden derhalve geen problemen verwacht.


6. Fraudeplan


-23

42

138

285

De besparing wordt gerealiseerd door verschillende fraudebestrijdingsmaatregelen, op de terreinen van SZW, de fiscaliteit en de horizontale fraudebestrijding (i.h.b. politie, magistratuur en bijzondere opsporingsdiensten). De maatregelen worden op dit moment geïmplementeerd. Verwezen wordt tevens naar de voortgangsrapportage fraudebestrijding die in juni vorig jaar naar de Tweede Kamer is gestuurd. Vooralsnog zijn er geen redenen om aan te nemen dat de ombuiging niet gerealiseerd zal worden.


7. Tegengaan misbruik en oneigenlijk gebruik fiscale regelgeving
0

100

150

500

De RA-ombuiging wordt ingevuld binnen een integraal pakket voor ondernemers (ondernemerspakket 21e eeuw). Het wetsvoorstel terzake wordt voor de zomer naar de Tweede Kamer gestuurd en treedt in werking per 2001. Op dit moment is er geen aanleiding om besparingsverliezen te veronderstellen. Met de maatregelen uit het belastingplan 2000 is de 100 miljoen in 2000 gerealiseerd.


8. Algemene indexatie eigen bijdragen

29

59

88

118

Deze maatregel is bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen. De begrotingsramingen zijn structureel verlaagd en er zullen geen besparingsverliezen optreden.

Totaal

1499

3526

5510

7652

Tabel 4: Regeerakkoordombuigingen Zorg

Ombuigingen (in miljoenen guldens)

1999

2000

2001

2002

Stand van Zaken


1. Geneesmiddelen verzorgingshuizen


25

25

25

25

Deze taakstelling wordt per 2001 gerealiseerd met de overgang van verzorgingshuizen naar de AWBZ per 1-1-2001. Het besparingsverlies is in 1999 en 2000 elders in het BKZ gedekt.


2. Beperking groei hardlopende geneesmiddelen
10

20

30

40

Ten opzichte van de taakstelling Miljoenennota 1999 is het beleid t.a.v. hardlopende geneesmiddelen (cholestorol-verlagende middelen, maagzuurremmers en slaapmiddelen) aangescherpt, dit heeft tot ruimte geleid in 2000 en 2001. Deze meevaller is aangewend voor tegenvallers en besparingsverliezen elders. De 10 mln in 1999 is niet gerealiseerd.


3. Overheveling buiten-WTG

155

155

155

155

Over het buiten de WTG plaatsen van geneesmiddelen is een onderzoek uitbesteed aan de Ziekenfondsraad (m.n. gericht op de positie van chronisch zieken), waardoor de geplande invoering per 1-1-99 niet kon worden gerealiseerd, maar per 1-4 99. Op basis van de evaluatie van de maatregel blijkt deze 80 miljoen structureel op te brengen. Dit tezamen resulteert in een besparingsverlies van 115 miljoen in 1999 en 65 miljoen structureel. Dit verlies is inmiddels gedekt uit meevallers elders in het BKZ.


4. Kortingen en bonussen apothekers

150

150

150

150

De taakstelling bij Miljoenennota 1999 is gerealiseerd door een generieke korting op de inkoopvergoeding. Inmiddels is een additionele taakstelling opgenomen van 75 miljoen in 1999 tot 225 miljoen in 2002. De 150 mln structureel is gerealiseerd.


5. Koopmans

80

295

555

Afgesproken is dat de poliklinisch voorgeschreven geneesmiddelen per 2003 worden opgenomen in de nieuwe bekostigingssystematiek van ziekenhuizen als onderdeel van de diagnose behandelcombinaties. Tot die tijd krijgen verzekeraars op vrijwillige basis de mogelijkheiod om afspraken te maken over de beheersing van de poliklinische receptuur. In de meerjarenafspraken is overeengekomen dat de LHV en het NHG het electronisch voorschrijfsysteem in de huisartsenpraktijk vanaf 2002 ingevoerd zullen hebben.


6.TVK-hulpmiddelen

150

200

200

200

Deze taakstelling is gedeeltelijk meegenomen in de bijstelling van de uitgavenraming van de Zorgnota 2000 (van 6% naar 9,5%). Wat nog resteert zijn de maatregelen uit het Plan van Aanpak hulpmiddelen (uit 1998) die nog gerealiseerd moeten worden. Daarnaast is inmiddels een additionele taakstelling ingeboekt van 47 mln in 2000, 80 mln in 2001 en 2002. Ter invulling hiervan dienen de maatregelen uit het recente Actieprogramma uitgavenbeheersing hulpmiddelen (2000).


7. Prijsbijstelling hulpmiddelen

10

10

10

10

Zie toelichting TVK-hulpmiddelen; de taakstelling wordt meegenomen in het totaalpakket hulpmiddelen.


8. Verhaalsrecht AWBZ

15

30

45

60

Het wetsvoorstel hiertoe is in het Parlement aangenomen.


9. Centrale inning CAK

50

50

50

De centrale inning van de eigen bijdragen wordt per 1-7-2001 ingevoerd. Door de vertraging met een anderhalf jaar zal een besparingsverlies van 50 miljoen in 2000 en 25 mln in 2001 optreden.


10. Zittend ziekenvervoer

48

48

48

48

Met de zorgverzekeraars zijn afspraken gemaakt over deze taakstelling. De 48 mln in 1999 is niet gerealiseerd. Voor de overige jaren zal dit wel het geval zijn.


11. Modernisering GVS

255

255

255

255

De feitelijke opbrengst van de modernisering GVS blijft achter bij de taakstelling. Er is een beparingsverlies opgenomen van 110 miljoen in 1999 en 97 miljoen structureel. Dit verlies is binnen het BKZ gecompenseerd.

12. 3e VGR/Britse Pond

51

30

10

Door de stijging van de koers van het Britse Pond zijn de geneesmiddelenprijzen meer gestegen dan geraamd. Hiervoor is bij de 3e VGR1998 een taakstelling opgenomen. Deze is niet met maatregelen belegd, waardoor er een besparingsverlies is opgetreden. Inmiddels zijn door verdere appreciatie nieuwe tegenvallers opgetreden welke binnen het BKZ gecompenseerd zijn.

13. Prijsbijstelling geneesmiddelen

45

45

45

45

De structurele doorwerking is in het beeld verwerkt, samen met aanvullende tegenvallers in de geneesmiddelen die bij de Najaarsnota 1998 aan het licht kwamen.

14. Beperking incidenteel

15

50

100

In overleg met de werkgevers is overeenstemming bereikt over het realiseren van deze taakstelling.

15. Beheerskosten particuliere verzekeraars

10

10

10

10

Deze taakstelling is gerealiseerd via afboeking van het kader.

16. Beheerskosten WTZ

10

10

10

10

Deze korting is deels gerealiseerd door een bevriezing van de administratiekostenvergoeding, het resterende bedrag wordt gerealiseerd door een nieuw systeem van administratiekostenvergoeding.

17. Doelmatiger inkoop

100

200

300

Deze taakstelling is verwerkt in de meerjarenafspraken met de zorginstellingen.

18. Beheerskosten ZFW

50

50

50

50

Deze taakstelling vloeit voort uit het afschaffen van de eigen bijdrage ZFW en is verwerkt in de budgetten

Vraag 19

Kan een overzicht gegeven worden van de (veronderstellingen die gehanteerd zijn ten aanzien van de) macro-economische variabelen (economische groei, inflatie, contractloon, rente, dollarkoers en olieprijs) voor de jaren 1999-2002.

Antwoord

Er van uitgaande dat met inflatie de prijsstijging van het BBP wordt bedoeld, is het overzicht van de macro-economische variabelen als volgt:

1999

2000

2001

2002

reële groei BBP

3,9%

4,6%

4,0%

2,1%

prijsstijging BBP


1,7%


2,7%

3,6%
2,0%

contractloon

2,6%

2,7%

3,5%

2,0%

lange rente


4,6%
4,5%


5,75%

6,17%
dollarkoers

2,07

2,30

2,20

2,05

olieprijs (in $)

17,90

26,50

24,00

17,50

Vraag 20

Het koopkrachtoverzicht in de hoofdlijnen verschilt met die in de MEV. Kan aangegeven worden waardoor dit verschil wordt veroorzaakt?

Antwoord

Het koopkrachtoverzicht voor 2001 in de Hoofdpunten van het Regeringsbeleid is inclusief (gemiddelde) niet-standaardeffecten. Het koopkrachtoverzicht in de Hoofdpunten van het Regeringsbeleid is daarmee vergelijkbaar met het koopkrachtbeeld in kolom (2001)b van Tabel IV.2.1 in de MEV. Bij vergelijking doet zich op één punt een verschil voor: het koopkrachtcijfer voor de groep tweeverdieners (modaal/½ modaal) in de Hoofdpunten van het Regeringsbeleid (3¾) verschilt van het cijfer in de MEV (4¾). Dit verschil wordt veroorzaakt doordat in de Hoofdpunten van het Regeringsbeleid per abuis een verkeerd koopkrachtcijfer is opgenomen. In de MEV (en in de Sociale Nota) staat het correcte koopkrachtbeeld voor 2001.

Vraag 21

In het memo van 21 september 2000 is een koopkrachtbeeld, inclusief aanvullend pakket fiscale maatregelen 2001, gegeven. Het lijkt er op dat de minima er niet op achteruit zullen gaan. Is het echter niet zo dat de minima zonder auto er door dit pakket wel op achteruit gaan? Zo ja, hoeveel?

Antwoord

Bij de koopkrachtberekeningen wordt bij mutaties van indirecte belastingen in de regel uitgegaan van een gemiddeld effect op de consumentenprijsindex (cpi). In individuele gevallen kan het effect groter of kleiner zijn dan dit gemiddelde. Partieel bezien zullen sociale minima zonder auto geen voordelen ondervinden van een lagere motorrijtuigenbelasting (koopkrachteffect +0,1%) doch zij ondervinden ook geen hinder van hoge benzineprijzen.

Vraag 22

Kan in één overzichtelijke tabel de verwachte koopkrachteffecten voor het jaar 2000 (Miljoenennota inclusief aanvullingen door de kamer) én de meest waarschijnlijke uitkomsten voor dit jaar worden gegeven. Waardoor wordt dit verschil veroorzaakt?

Antwoord

In de Sociale Nota 2001 wordt in tabel 6.6 van hoofdstuk 6 (pagina 120) een overzicht gegeven van de raming in 1999 van het koopkrachtbeeld voor 2000 en van de huidige raming van het koopkrachtbeeld voor 2000. Het verschil tussen beide ramingen kan worden verklaard uit de aanvullende maatregelen die tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen 1999 zijn genomen om de inkomens voor gezinnen met lage inkomens en gezinnen met kinderen te ondersteunen en uit de aanpassing van de loon- en prijsramingen van het CPB.

Vraag 23

Is het juist dat onder de CPB-definitie een structurele lastenverlichting (inclusief aanvullend pakket fiscale maatregelen en inclusief maatregelen voor de vervoers- en verladerssector) van 7,5 miljard in 2001 plaatsvindt? Is het eveneens juist dat de incidentele lastenverlichting in 2001 ongeveer 5 miljard hoger ligt?

Antwoord:

Het CPB heeft in de MEV 2001 een lastenverlichting geraamd van afgerond 7 miljard. Daarbij is nog geen rekening gehouden met het aanvullend pakket fiscale maatregelen en de maatregelen voor de vervoerssector. Het effect op de lastenverlichting in 2001 van deze maatregelen wordt door het kabinet geraamd op 1/2 miljard. Het CPB zal dit voorjaar in het CEP 2001 een geactualiseerde berekening van de microlastenontwikkeling in 2001 publiceren.

De microlastenontwikkeling heeft betrekking op het budgettaire effect van fiscale maatregelen op transactiebasis. In de Miljoenennota 2001 werd nog uitgegaan van een lastenverlichting van 6,6 miljard in 2001. Zoals in bijlage 3 van de Miljoenennota is uiteengezet bestaat er echter een fors verschil tussen het effect van fiscale maatregelen op transactiebasis en het effect op kasbasis (voor de belastingen een verschil van 4,6 miljard). In 2001 komen de belastingontvangsten op kasbasis dus incidenteel lager uit dan zou worden verwacht op basis van de geraamde lastenontwikkeling. Conform de gebruikelijke systematiek wordt met dergelijke kas/transverschillen geen rekening gehouden bij de berekening van de microlastenontwikkeling.

Vraag 24

In het aanvullende pakket wordt de kinderkorting verhoogd, waarmee het inkomensplaatje voor de sociale minima met kinderen wordt verbeterd. Kan de regering garanderen dat alle sociale minima met kinderen er in 2001 door de kinderkorting op vooruit gaan? Is het uitgesloten dat deze inkomensvooruitgang niet weer wordt gekort op hun uitkering? Is het waar dat hiervoor wetswijzigingen nodig zijn en zullen deze op tijd kunnen worden ingevoerd?

Antwoord

Bij ongewijzigd beleid zou de inkomensvooruitgang uit hoofde van de (verruiming en verhoging van de aanvullende) kinderkorting op de hoogte van een bijstandsuitkering kunnen worden gekort. Het systeem van de bijstandsuitkering voorziet thans in een systeem van netto inkomensverrekening. Het kabinet is echter voornemens om een regeling in de wet op te nemen waarmee de kinderkorting in de netto inkomensverrekening wordt vrijgelaten. Deze regeling zal deel uitmaken van de Nota van wijziging van de Aanpassingwet. Deze wetswijziging zal op tijd kunnen worden ingevoerd.

Wel is het mogelijk dat zelfstandigen en andere belastingplichtigen met (tijdelijk) lage inkomens die geen inkomensheffing betalen niet van de kinderkorting kunnen profiteren. Wie geen belasting betaalt kan immers niet profiteren van een belastingkorting.

Vraag 25

Kan een overzicht worden gegeven van de financiële gevolgen van de jaren 2000 tot en met 2002 van alle aangenomen moties bij de Algemene Politieke Beschouwingen?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 10.

Vraag 26

De minister van Financiën signaleert in zijn voorwoord bij de Miljoenennota dat er de dreiging is dat nu zulke goede resultaten zichtbaar zijn, de beleidsmix die tot het succes heeft bijgedragen, als achterhaald wordt bestempeld. Welke dreiging staat de minister van Financiën hierbij voor ogen? Is deze dreiging reeds opgetreden? Indien ja, wat is het oordeel van de minister van Financiën over deze dreiging?

Antwoord

Hiermee wordt onder andere gedoeld op de dreiging om het trendmatig begrotingsbeleid met behoedzame uitgangspunten en vaste reele uitgavenkaders terzijde te schuiven; tevens wordt gedoeld op de dreiging van het loslaten van de gematigde arbeidskostenontwikkeling. Kenmerk van een dreiging is dat deze nog niet is gematerialiseerd.

Vraag 27

Kan worden uitgelegd waardoor het verschil tussen de f 7,25 mld op blz. 9 en de f 6,7 mld van blz. 73 wordt veroorzaakt? Hoe zijn beide bedragen opgebouwd? Krijgt de sector Zorg er ten opzichte van de Voorjaarsnota in 2000 geld bij of is er sprake van een budgetneutrale verschuiving binnen de sector Zorg?

Antwoord

De 7¼ miljard die genoemd staat op pagina 9 van de Miljoenennota 2001 betreft de additionele intensiveringen in het jaar 2001 (abusievelijk staat in de Miljoenenenota dat dit bedrag betrekking heeft op 2000) ten opzichte van de Miljoenennota 2000. Het bedrag van 6,7miljard dat genoemd wordt op pagina 73 is volledig vergelijkbaar met de 7,25 mld, maar heeft betrekking op het jaar 2000. Beide betreffen de additionele uitgaven binnen de onderscheiden beleidsclusters, met uitzondering van de effecten van macro-economisch bepaalde variabelen. Ten opzichte van de Voorjaarsnota 2000 zijn geen additionele gelden in 2000 meer toegevoegd aan de budgetten van de zorgsector. Uit de afrekening van het jaar 1999 zijn meevallers aan het licht gekomen in zorgsector. Deze zijn na de Voorjaarsnota op een alternatieve wijze belegd binnen de zorgsector.

Vraag 28

De Miljoenennota geeft, behalve summier op bladzijde 10, vrijwel geen aansluitingscijfers tussen Regeerakkoord, Voorjaarsnota en de Miljoenennota 2001. Kunnen deze alsnog worden gegeven voor:
* de afgesproken bezuinigingen

* de afgesproken intensiveringen

* de aansluiting van het intensiveringspakket Voorjaarsnota (5,6 miljard) op de structurele doorloop 2001.

Kunnen deze gegevens voortaan standaard worden gegeven?

Antwoord

Zie voor de eerste twee onderdelen van de vraag het antwoord op vraag 18.

Het merendeel van de intensiveringen voor 2000, zoals aangekondigd in de Voorjaarsnota (totaal 5,6 miljard), betreft een front-loading van structurele maatregelen. Van de 5,6 miljard is 0,6 miljard van een meer incidenteel karakter aangezien het hier de versnellingen van de Regeerakkoord-intensiveringen betreft.

Vraag 29

Hoe wordt de uitgavenverhoging ten behoeve van Zorg gefinancierd? Wat is de doorwerking van deze uitgavenverhoging voor Zorg naar de ziektekostenpremies? Stijgen deze premies? Zo ja, hoe is deze stijging meegenomen in de koopkrachtplaatjes

Antwoord

De uitgavenintensivering ten behoeve van de zorg (3,7 mrd) betreft zowel collectief als particulier gefinancierde zorguitgaven. De uitgavenintensivering wordt voor het AWBZ-deel (1,6 mrd) gefinancierd uit de centrale kas AFBZ, en voor het ziekenfondsdeel (circa 1,5 mrd) uit de centrale ziekenfondskas. Door de groei van de werkgelegenheid en het gemiddeld inkomen is de stijging van de premieopbrengst, bij ongewijzigde premiepercentages, voldoende om de intensiveringen te financieren. Ook na de intensivering kennen beide fondsen nog steeds exploitatieoverschotten. Voor het particuliere deel (circa 0,6 mrd) wordt de uitgavenintensivering gefinancierd uit (een stijging van) de particuliere ziektekostenpremies. Deze intensiveringen - en de gevolgen ervan voor de verzekeringspremies - zijn meegenomen in het koopkrachtbeeld zoals dat in de MEV is gepresenteerd.

Het AWBZ-premiepercentage 2001 is ongewijzigd ten opzichte van 2000. De procentuele ziekenfondspremie is gedaald van 8,1 naar 7,95% vanwege de afschaffing van de overhevelingstoeslag, en is per saldo op micro-niveau (in guldens) niet gewijzigd. Ook in de nominale ziekenfondspremie is geen wijziging voorzien. Tegenover een stijging van de rekenpremie (met fl 14) staat een verwachte daling van de nominale opslagpremie (met eveneens fl 14). Hierbij zij opgemerkt dat het vaststellen van de nominale opslagpremie in november/december door de ziekenfondsen zelf gebeurt.

In het koopkrachtbeeld in de MEV is uitgegaan van een stijging van de kale premies voor de particuliere verzekeringen (dus exclusief de MOOZ-premie en de WTZ-omslagbijdrage en exclusief de eigen betalingen) met 6,5%. Met deze stijging kan volgens het kabinet en het CPB de intensivering in de zorg - voorzover die ten laste van de particuliere verzekeraars komt - gedekt worden.

Vraag 30

Kan tabel 1.2.1 worden uitgebreid met een overzicht van de genoemde bedragen en posten verdeeld over de jaren 1999, 2000 en 2001 en worden aangevuld met 2002? Kan tevens een realisatie-overzicht voor genoemde jaren worden verschaft?

Antwoord

In onderstaande tabellen worden voor de jaren 1999, 2000, 2001 en 2002 de totale uitgavenverhogingen weergegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de intensiveringen uit het Regeerakkoord en intensiveringen als gevolg van nader beleid. De bedragen in de tabellen betreffen voor 1999 realisatiecijfers, voor 2000 de Vermoedelijke Uitkomsten, voor 2001 de stand ontwerpbegroting en voor 2002 ramingen. In de tabellen is in het totaal van de zorguitgaven niet meegenomen de groei in verband met demografische ontwikkelingen waar in het Regeerakkoord wel rekening mee is gehouden.

Intensiveringen 1999 (bedragen in miljarden guldens)

Regeerakkoord

Totaal

Zorg

0,6

0,6

Onderwijs

0,5

0,5

Infrastructuur

0,9

0,9

Natuur en Milieu

0,1

0,1

Veiligheid en leefbaarheid

0,2

0,2

Internationaal en Defensie


-0,1

-0,1
Werkgelegenheid en inkomensbeleid

0,4

0,4

Overig

0,2

0,2

Totaal

2,7

2,7

Intensiveringen 2000 (bedragen in miljarden guldens)

Regeerakkoord

Nader beleid

Totaal

Zorg


1,1

0,9


2,0
Onderwijs

0,9


1,9


2,8
Infrastructuur


1,6

0,1


1,7

Natuur en Milieu

0,1

0,7

0,8

Veiligheid en leefbaarheid

0,4

0,9


1,3

Internationaal en Defensie


-0,1
0,7

0,7

Werkgelegenheid en inkomensbeleid

0,9

0,7


1,6

Overig

0,4


1,5


2,0
Totaal

5,3

7,4

12,7

Intensiveringen 2001 (bedragen in miljarden guldens)

Regeerakkoord

Nader beleid

Totaal

Zorg


1,7


1,6

3,3

Onderwijs


1,4


1,5


2,8
Infrastructuur


1,7

0,7


2,4
Natuur en Milieu

0,3

0,5

0,8

Veiligheid en leefbaarheid

0,6

0,6


1,2

Internationaal en Defensie


-0,3
0,6

0,3

Werkgelegenheid en inkomensbeleid


1,3

0,8


2,1
Overig

0,5


1,4


2,0
Totaal

7,1

7,7

14,8

Intensiveringen 2002 (bedragen in miljarden guldens)

Regeerakkoord

Nader beleid

Totaal

Zorg

2,2


1,2

3,4

Onderwijs


1,8


1,3

3,1

Infrastructuur


2,0
0,9

2,9

Natuur en Milieu

0,4

0,7


1,1

Veiligheid en leefbaarheid

0,9

0,5


1,4

Internationaal en Defensie


-0,4
0,7

0,3

Werkgelegenheid en inkomensbeleid


1,7

0,7


2,4
Overig

0,7

0,7


1,4









Totaal

9,3

6,7

16,0

Vraag 31

Op welke wijze zijn de wensen van de Tweede Kamer, zoals geuit in amendementen en moties bij de behandeling van de Voorjaarsnota, uitgevoerd? Waarom zijn niet alle wensen uitgevoerd, zoals meeruitgaven voor veiligheid in het openbaar, rampenbestrijding en regionale omroepen? In welke gevallen is afgezien van structurele doorwerking en waarom?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 10.

Vraag 32

Betekent de uitspraak De inkomstenmeevallers bieden conform de meevallerformule voor de inkomsten ook nog ruimte voor verdere lastenverlichting in het laatste jaar van deze kabinetsperiode dat de voor 2001 geraamde inkomstenmeevallers nog niet of nog niet geheel zijn verwerkt in de staatsschuld.

Antwoord

Zowel de inkomstenmeevaller in 2001 als de lastenverlichting in 2001 is verwerkt in de berekening van de EMU-schuld in 2001. Bij het berekenen van de EMU-schuld in 2002 is rekening gehouden met de doorwerking van de inkomstenmeevaller 2001 en is tevens de nog resterende ruimte voor lastenverlichting in 2002 verwerkt (uitgaande van 50% naar lastenverlichting en 50% naar schuldreductie, zie voetnoot bij tabel 3.4.2).
Vraag 33

Hoe verhoudt de passage uit de Miljoenennota 2001 dat de huidige stand van de conjunctuur () aanleiding voor een voorzichtige houding ten aanzien van verdergaande lastenverlichting. Ook de EU, het IMF en de OESO bepleiten voor Nederland terughoudendheid ten aanzien van beleidsmaatregelen die het risico van oververhitting kunnen vergroten' zich tot de passage uit het geactualiseerde Stabiliteitsprogramma dat 'hoewel de risico's toenemen er geen duidelijke tekenen zijn van oververhitting' (blz.1)?

Antwoord

De passages sluiten uitstekend op elkaar aan.

Vraag 34

In de Miljoenennota wordt in tabel 1.2.3. weergegeven dat de EMU-schuld daalt van 518 miljard in 1999 via 501 miljard in 2000 tot 499 miljard in 2001. In tabel 3.6.1 wordt weergegeven dat toetsing van de overheidsinkomsten aan de inkomstenijklat 2001 een overschrijding laat zien van 20,7 miljard. In de hoofdpunten van het regeringsbeleid wordt op bladzijde 5 gemeld dat er ruimte is voor aflossing van de staatsschuld met 21,4 miljard in 2001. Wat is het verband tussen deze cijfers?

Antwoord

* In de Hoofdpunten uit het Regeringsbeleid is per abuis een verouderd cijfer opgenomen. Het juiste cijfer voor de geraamde inkomstenmeevaller in 2001 is het cijfer uit de Miljoenennota 2001; 20,7 miljard. De totale inkomstenmeevaller ten opzichte van het Regeerakkoord bedraagt 22 mld; 1,3 mld was reeds in de Miljoenennota 2000 in beeld.

* Voor een goed begrip van de verband tussen inkomstenmeevallers en de ontwikkeling van het EMU-saldo en de EMU-schuld is van belang dat inkomstenmeevallers zijn gedefinieerd ten opzichte van het beeld bij Regeerakkoord. In dit beeld werd voor 2001 een EMU-tekort van 1,4 % (-12,3 mld) voorzien. Thans wordt in de Miljoennenota 2001 een overschot van 0,7% BBP (6,3 mld) voor 2001 gerapporteerd. Het EMU-saldo voor 2001 is dus ten opzichte van het Regeerakkoord in totaal met 18,6 mld verbeterd.
* De omslag van een tekort van 1,4% BBP naar een overschot van 0,7% BBP (de 18,6 mld) wordt grotendeels verklaard door de (totale) inkomstenmeevaller die zich ten opzichte van het Regeerakkoord heeft voorgedaan. Naast deze inkomstenmeevaller, zijn ook de lasten- en uitgavenontwikkeling en nominale mutaties van belang voor het verschil tussen het EMU-saldo bij Regeerakkoord en het in de Miljoenennota 2001 gerapporteerde EMU-saldo.
* Een EMU-overschot leidt niet tot een één op één daling van de schuld. Het EMU-overschot 2001 is geraamd 6,3 miljard gulden en leidt tot een schulddaling van zon 2 miljard gulden. De totale correctie van kastransactieverschillen, financiële transacties en overig vermindert de daling van de EMU-schuld met 4,4 miljard gulden. Voor ruim 3 miljard gulden hangt dit samen met kastransactiecorrecties; de grootste twee in 2001 zijn de kastransactieverschillen rente en kastransactiecorrectie belastingen en sociale premies. Inzake de doorwerking van het EMU-overschot van de lokale overheid hanteren we in ramingsjaren de rekenregel dat het EMU-saldo voor de helft leidt tot een daling van de EMU-schuld van de lokale overheid.

Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen het EMU-overschot en de schulddaling in 2001.

Tabel ontwikkeling EMU-saldo 2001 en aansluiting met nominale mutatie EMU-schuld 2001


1. EMU-saldo 2001 stand MN 2001



+6,3 miljard / 0,7% BBP


2. Kastransacties / financiële transacties en overig

-4,4 miljard / 0,5 % BBP

wv KTV rente


-1,7 miljard

wv KTV belastingen en premies


-1,3 miljard

wv Financiële transacties


-0,2 miljard

wv veronderstelling doorwerking EMU-saldo lokale overheid

en overig


-1,2 miljard


3. Mutatie EMU-schuld (plus betekent schulddaling)

+1,9 miljard / 0,2% BBP




Vraag 35

Er wordt bij de schuldreductie gesteld dat de periode tot 2010 de beste mogelijkheid tot schuldreductie biedt. Aan welke aflossingsverhouding wordt gedacht als de periode tot 2010 wordt vergeleken met de periode tot bijvoorbeeld 2025? Welke percentages BBP horen daar dan bij? Welke beleidsconclusies verbindt de regering aan de stelling dat dit decennium de beste mogelijkheid biedt tot schuldreductie?

Antwoord

Bij deze algemene notie zijn nog geen cijfermatige opvattingen voorhanden.

Vraag 36

Kan zo duidelijk mogelijk worden weergegeven hoe de projecties omtrent de vergrijzingslasten en de staatsschuld er uitzien?

Antwoord

De verhouding tussen het aantal 65-plussers en de potentiële beroepsbevolking (personen tussen 20 en 65 jaar) naar huidige inzichten bijna verdubbelen van 22% in 2000 naar 43% in 2040, om daarna op een hoog niveau te blijven van circa 40% (zie pagina 17 en 18 van de Miljoenennota). Op pagina 25 tot en met 27 van de Miljoenennota zijn CPB-projecties opgenomen van de ontwikkeling van de overheidsfinanciën op lange termijn. In een basisprojectie is uitgegaan van voortzetting van het huidige collectieve arrangement (d.w.z. met de welvaart meestijgende uitgaven en constante belasting- en premietarieven). Door de vergrijzing zullen de AOW- en zorguitgaven met circa 8% BBP toenemen (van 12% in 2000 naar 20% in 2040). De indicatieve CPB-berekeningen geven aan dat in het basisscenario de staatsschuld aanvankelijk daalt van ruim 55% in 2000 tot circa 20% BBP in 2025, om daarna door een cumulatie van begrotingstekorten en renteverplichtingen al maar verder op te lopen. Door een beperkte en tijdige aanpassing ten opzichte van dit basispad kan een pad voor de staatsschuld bereikt worden waarvan de ontwikkeling budgettair houdbaar is. In dit scenario is de schuld in 2025 geheel afgebouwd.

Vraag 37

Het kabinet bepleit een behoedzaam financieel beleid ter voorkoming van oververhitting. Mag hieruit worden geconcludeerd dat het kabinet van mening is dat in tijden van recessie/onderbesteding een expansief of minder behoedzaam financieel beleid noodzakelijk is?

Antwoord

Elementen van het trendmatig begrotingsbeleid dat het kabinet voert beperken een pro-cyclische beleid. De reële uitgavenontwikkeling is met de uitgavenkaders gemaximeerd en onafhankelijk van de conjuncturele situatie (de conjunctuur kan wel de samenstelling van de collectieve uitgaven beïnvloeden). Fluctuaties in de economische groei leiden in sterkere mate tot mee- en tegenvallers bij de collectieve inkomsten dan bij de uitgaven. Conform de mee- en tegenvallerformule inkomstenmeevallers (tegenvallers) ten gunste (ten laste) van het begrotingssaldo en wordt de ruimte voor lastenverlichting vergroot (beperkt). In tijden van recessie hoeft niet te worden omgebogen voor inkomstentegenvallers, wel moeten de uitgaven binnen de kaders blijven. Bij de afweging op welke tijdstip en in welke mate de beschikbare ruimte voor lastenverlichting wordt ingezet, wordt ook gekeken naar de conjuncturele situatie. Voor 2001 is tegen de achtergrond van risicos voor oververhitting besloten de ruimte voor lastenverlichting (nog) niet volledig te beleggen. In tijden van recessie is een omgekeerd beleid niet zomaar mogelijk omdat niet geanticipeerd kan worden op mogelijk in latere jaren optredende meevallers (tenzij ruimte voor lastenverlichting uit voorgaande jaren nog in reserve is). Anders gezegd lastenverlichting kan wel worden vertraagd maar niet worden versneld.

Vraag 38

Kan de minister een tabel verstrekken met daarin de absolute en relatieve staatsschuld tot 2010 op basis van aflossingspercentages van
1% BBP en 2% BBP en een groeivoet BBP van het gemiddelde van de laatste 10 jaar?

Antwoord

Voor de berekening van de relatieve EMU-schuld en de aflossingspercentages in BBP zijn aannames gemaakt over de volumegroei van het BBP en de bijbehorende prijsveronderstelling. De gevraagde schuldcijfers zijn berekend op basis van een groeivoet BBP van 2½ % en een prijsveronderstelling van 2%. Onderstaande tabel omvat de gevraagde gegevens.

Tabel ontwikkeling EMU-schuld

Aflossingspercentage 1% BBP

Aflossingspercentage 2% BBP

EMU-schuld

in miljarden

EMU-schuld

in % BBP

EMU-schuld

in miljarden

EMU-schuld

in % BBP

2001

499

52,3%

499

52,3%

2002

489

49,1%

479

48,1%

2003

479

46,0%

458

44,0%

2004

468

43,0%

437

40,1%

2005

457

40,1%

414

36,4%

2006

445

37,4%

390

32,8%

2007

432

34,8%

365

29,4%

2008

419

32,3%

339

26,1%

2009

406

29,9%

312

23,0%

2010

392

27,6%

283

21,8%

Vraag 39

Waarom moet worden bedacht dat voor het opvangen van de budgettaire lasten van de vergrijzing niet alleen de ontwikkeling van het AOW-spaarfonds, maar vooral ook de ontwikkeling van de overheidsschuld van belang is?

Antwoord

Allereerst is het van belang dat het AOW-spaarfonds deel uitmaakt van de collectieve sector. Hierdoor worden het begrotingssaldo en de overheidsschuld niet belast door stortingen in het AOW-spaarfonds. De stortingen in het AOW-spaarfonds zijn eigenlijk een geoormerkte verbetering van het begrotingssaldotekort / schuldreductie. Dit is vergelijkbaar met het verhogen van het spaarsaldo ten laste van de betaalrekening door een particulier. Door deze transactie verandert het vermogen van de betrokkenen niet, wel wordt een deel van zijn middelen anders geoormerkt. In tabellen op pagina 71 en 72 van de Miljoenennota worden ook het EMU-saldo en de EMU-schuld exclusief AOW-spaarfonds gepresenteerd.

Ten tweede is voor de financiering van de vergrijzingslasten het financieren van de stortingen in het AOW-spaarfonds (via overschotten ter grootte van de stortingen) niet voldoende omdat dit slechts een deel van de kosten van vergrijzing afdekt (uitgaande van de stortingen zoals die thans zijn afgesproken). Het AOW-spaarfonds richt zich op de dekking van de piek in de AOW-uitgaven. Een deel van de stijging van AOW-uitgaven is echter structureel van aard en zal buiten het spaarfonds om gefinancierd moeten worden. Verder moet ook de verwachte oploop in de zorguitgaven gefinancierd worden. Indicatieve berekeningen van CPB en de WRR geven aan dat voor de financiering van de vergrijzing, bij welvaartsvaste regelingen, de schuld in 2025 grosso modo geheel afgebouwd moet zijn. Dit is inclusief de stortingen in het AOW-spaarfonds. Primair is overigens de vraag dat voldoende rentevrijval plaatsvindt. Of dit plaatsvindt door schuldreductie vormgegeven als storting in het AOW-spaarfonds dan wel als reguliere schuldreductie doet daarbij niet terzake.

Vraag 40

Hoe definieert het kabinet precies het begrip 'houdbaar pad' van de overheidsfinanciën? Blijkt niet pas uit de reactie van de financiële markten (de mate waarin schuld kan worden ge(her)financierd) of al dan niet sprake is van houdbaarheid?

Antwoord

Van houdbare overheidsfinanciën wordt gesproken als uitgaande van voortzetting van het huidige collectieve arrangement (d.w.z. met de welvaart meestijgende uitgaven en constante belasting- en premietarieven) de overheidsfinanciën op lange termijn niet ontsporen. De overheidsschuld stabiliseert zich dan op lange termijn op een evenwichtsniveau. Indien echter de schuld op lange termijn voortdurend dreigt op te lopen door een cumulatie van begrotingstekorten en rente-verplichtingen is sprake van niet-houdbare overheidsfinanciën. Of de financiële markten al dan niet bereid zijn leningen aan de overheid te verstrekken is hierbij niet het criterium.

Vraag 41

Kan de regering op afzienbare termijn met een grondige analyse, inclusief kabinetsstandpunt, komen over de drie recente rapporten (WRR, Studiegroep en CPB) die ingaan op de kosten en financiering van de vergrijzing? Kan nu alvast kort worden ingegaan op het essentiële verschil tussen het advies van het CPB (een structurele lastenverhoging) en de overige rapporten. Kan uit de Miljoenennota worden afgelezen dat het kabinet het niet met het CPB eens is? Is het waar dat de structurele verhoging die het CPB bepleit in de orde van grootte ligt die nu aan lastenverlichting door de Stelselherziening wordt weggegeven?

Antwoord

Het kabinet onderschrijft de conclusies van de drie recente rapporten dat schuldreductie en het vergroten van de arbeidsparticipatie een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de financiering van de vergrijzing. In de huidige kabinetsperiode wordt een begin gemaakt met de daadwerkelijke schuldreductie (in guldens), ook wordt de arbeidsparticipatie mede met het belastingplan 2001 verder bevorderd. Bij de cijferopstelling voor de lange termijn zoals opgenomen in de Miljoenennota (pagina 25-27) heeft het kabinet zich gebaseerd op CPB-berekeningen. Het kabinet is niet voornemens een eigen analyse over de schuldpolitiek op te stellen, de studies van het CPB, de WRR en van de ambtelijk werkgroep (bestaande uit de leden van de Studiegroep Begrotingsruimte) bieden voldoende materiaal. Toekomstige kabinetten kunnen mede op basis van deze studies het beleid voor na 2002 nader vormgeven.

De drie genoemde studies komen ongeveer ten aanzien van de benodigde schuldreductie tot dezelfde conclusies. Uitgaande van welvaartsvaste collectieve voorzieningen zal voor de financiering van de vergrijzing de schuld in de komende 25 jaar grosso modo geheel afgebouwd moeten worden. Er zijn verschillende mogelijkheden om dit te bereiken: verhogen van de belastingen, maar ook het beperken van de stijging van de uitgaven of het realiseren van een hogere arbeidsparticipatie. Het CPB heeft in zijn studie het verhogen van de belastingen als centrale rekenvariant gepresenteerd, maar wijst in het rapport ook uitdrukkelijk op andere mogelijkheden. In het rapport van de ambtelijke werkgroep (bestaande uit de leden van de Studiegroep) wordt aangeven dat verhoging van de belastingen een minder aantrekkelijk optie is met het oog op de internationale concurrentiepositie en de bevordering van de arbeidsparticipatie.

De structurele aanpassing van de collectieve inkomsten of uitgaven die vanaf 2001 leidt tot het bereiken van houdbare overheidsfinanciën bedraagt 0,6 à 0,7% BBP (5 à 6 miljard). Dit is inderdaad ongeveer gelijk aan de lastenverlichting die is uitgetrokken voor de stelselherziening. Zoals gezegd zijn er ook andere mogelijkheden en tijdpaden denkbaar om de overheidsfinanciën op lange termijn houdbaar te maken.

Vraag 42

Zijn de marginale kosten van alle soorten van vervoermiddelen weergegeven? Zo neen, kunnen de kosten uitgesplitst worden naar soort vervoermiddel? (tabel 2.3.1)

Antwoord

De gepresenteerde marginale kosten betreffen gemiddelden per voertuigkilometer voor een personen auto met benzine motor. De marginale kosten van emissies zijn voor Diesel en LPG respectievelijk
2,2 en 1,4 Eurocent. De overige marginale kosten (onderhoud/beheer infra, geluid en veiligheid) zijn voor benzine-, LPG- en Diesel personenauto's gelijk.
Vraag 43

Kan de opbouw van de 4,6 cent variabele heffing worden verklaard? Kan dit bedrag ook worden uitgesplitst naar soort vervoermiddel? (tabel 2.3.1)

Antwoord

De 4,6 eurocent betreft de gemiddelde variabele heffing per voertuigkilometer voor een personen auto met benzine motor. Voor Diesel en LPG zijn deze lager, respectievelijk 1,8 en 0,3 Eurocent per kilometer.

Het onderzoek waar de gegevens uit tabel 2.3.1 op zijn gebaseerd gaat uit van alle bestaande heffingen behalve BPM, MRB en Eurovignet. Een opbouw van de variabele heffingen is in dit onderzoek niet gegeven.

Vraag 44

In hoeverre wordt het recente SER-advies over verhandelbare emissierechten bij de totstandkoming van het vierde Nationaal Milieuplan betrokken ? In hoeverre zal de raad worden betrokken bij de verdere uitwerking in Europees perspectief ?

Antwoord

De recent ingestelde Commissie Vogtländer (CO2 plafonnering) verkent de mogelijkheden van verhandelbare emissies. Daarbij zal, zoals de minister van VROM in zijn brief aan de voorzitter van de SER aangeeft, de SER advisering een rol spelen. In het NMP4 zal aandacht worden geschonken aan marktconforme instrumenten voor het milieubeleid.

Vraag 45

Kan de minister aangeven hoe de extra uitgaven van bijna 8 miljard over de diverse begrotingsposten zijn verdeeld, inclusief de extra uitgaven naar aanleiding van de moties bij de algemene beschouwingen, en dit vergelijken met de afgesproken bedragen uit het regeerakkoord? Kan dit tevens worden gedaan voor de lastenverlichting 2001?

Antwoord

De additionele intensiveringen bedragen in 2001 7¼ miljard. Over de verwerking van de additionele intensiveringen naar aanleiding van de Algemene Politieke Beschouwingen 2001 wordt u binnenkort nader geïnformeerd. In onderstaande tabellen wordt een overzicht over een aantal onderscheiden beleidsclusters gegeven van de besteding van het intensiveringspakket en vergeleken met de bedragen uit het Regeerakkoord. In de afzonderlijke begrotingen en de Verticale Toelichting bij de Miljoenennota worden deze bedragen nader uitgesplitst naar de verschillende begrotingsposten.

Tabel 1: Intensiveringen 2001 (x 1mln)

Regeerakkoord

Nader beleid

Totaal

Zorg


1,7


1,6

3,3

Onderwijs


1,4


1,5


2,8
Infrastructuur


1,7

0,7


2,4
Natuur en Milieu

0,3

0,5

0,8

Veiligheid en leefbaarheid

0,6

0,6


1,2

Internationaal en Defensie


-0,3
0,6

0,3

Werkgelegenheid en inkomensbeleid


1,3

0,8


2,1
Overig

0,5


1,4


2,0
Totaal

7,1

7,7

14,8

Lastenverlichting

Vraag 46

Bij de reële uitgavenvergroting is als deflator de prijs BBP gebruikt. Betekent dit dat een loonstijging die in een sector hierboven uit gaat wordt genoteerd als volumestijging, en zo ja is het dan niet wenselijker om in het vervolg te defleren met een mix van de pBBP en de gemiddelde loonontwikkeling in de markt?

Antwoord

Er wordt in de loonontwikkeling een onderscheid gemaakt tussen de reële loonontwikkeling en de nominale loonontwikkeling. Het nominale deel betreft de aanpassing van de loongevoelige uitgaven aan de hogere prijsontwikkeling van het BBP. Dit deel van de uitgavenontwikkeling is voor de toetsing aan het uitgavenkader niet van belang omdat het uitgavenkader is opgesteld in reële termen. De reële loonontwikkeling geeft de loonstijging in de collectieve sector weer die boven de inflatie uitgaat.

Als er sprake is van een sterker dan verwachte stijging van de reële loonontwikkeling zal dit in de huidige systematiek in het uitgavenkader moeten worden ingepast. In de huidige systematiek met aanpassing van het uitgavenkader aan de pBBP is het een bewuste keuze om de uitgavendiscipline ook bij de reële lonen zijn werk te laten doen. Door het gebruik van de pBBP ademt de begroting mee met de algemene prijsontwikkeling. Het aanpassen van de deflator door in plaats van de pBBP een gewogen gemiddelde van de contractloonstijging en de pBBP te gebruiken heeft als bezwaar dat de lonen minder stabiliserend werken. De lonen zijn gerelateerd aan de economische ontwikkeling. Bij een hogere groei zullen tegenover hogere loonuitgaven al snel lagere uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen en lagere rente-uitgaven staan: tegenover een uitgavenmeevaller staat een uitgaventegenvaller. Evengoed geldt het omgekeerde bij lagere groei. Het weghalen van deze stabiliserende functie door het aanpassen van de deflator kan daarom tot meer budgettaire onrust leiden. Vraag 47

Zijn de gelden voor arbeidsmarktknelpunten (blz 59) ook verwerkt in de algemene tabel van hogere uitgaven?

Antwoord

De extra gelden voor arbeidsmarktknelpunten komen bovenop de compensatie voor de contractloonontwikkeling in de marktsector. Deze intensivering van 529 miljoen in 2000, 716 miljoen in 2001 en 687 miljoen in 2002 is onderdeel van het totale intensiveringspakket en dus verwerkt in de tabel van hogere uitgaven.

Vraag 48

Hoeveel is de werkgelegenheidsgroei in de sectoren onderwijs en zorg sinds 1994? Hoeveel vacatures zijn er? Wat is het niveau van het ziekteverzuim?

Antwoord

Onderwijs

Zorg

werkgelegenheidsgroei (ftess) 1994-1999

7,2%

10,4%

vacatures (begin 2000)

5800

15400

niveau ziekteverzuim (1998)

7,7%

7,8%

Vraag 49

Kan tabel 3.2.1. worden aangevuld met de jaren 1999, 2000 en 2001?

Antwoord

Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van de uitgaven weer van 1998 naar 2002.

1998

1999

2000

2001

2002

Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid

97,2

97,6

97,5

99,2

100,0

Gezondheidszorg

60,7

63,5

66,5

68,6

70,0

Onderwijs

36,7

37,9

40,2

40,7

41,7

Infrastructuur

10,8

11,5

13,7

13,3

13,6

Natuur en milieu

4,5

5,1

5,7

5,7

5,7

Veiligheid en leefbaarheid

14,9

16,2

17,5

17,3

17,4

Internationaal

33,1

33,9

34,6

35,7

36,0

Rente

29,0

28,6

26,2

24,0

23,9

GFPF

24,1

25,4

26,3

26,4

26,6

Overig

16,3

15,7

17,1

17,6

15,9

Totaal

327,3

335,5

345,4

348,7

350,9

Vraag 50

Kan de minister weergeven waar de ruimte onder het uitgavenkader is ontstaan?

Antwoord

De ruimte onder het uitgavenkader is vooral het gevolg van de sterke aanhoudende groei van de economie. Hierdoor is het mogelijk gebleken het begrotingssaldo te verbeteren. In combinatie met een lager dan verwachte rentevoet zijn de rente-uitgaven hierdoor gedaald. Daarnaast zijn vooral de uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen gedaald.

Vraag 51

Was niet de afspraak dat de A4 Midden Delfland geheel met private gelden zou kunnen worden aangelegd?

Antwoord

In het Bereikbaarheidsoffensief Randstad is de A4 Midden Delfland opgenomen als onderdeel van de doorstroomroute die door middel van PPS-arrangementen zal worden uitgevoerd. In de begroting van het Infrafonds is voor deze gehele route een rijksbijdrage gereserveerd van circa 2,7 miljard.

Vraag 52

Welke meevallers mogen worden verwacht als de dollarkoers in 2001/2002 uitkomt op f 2.25 en de olieprijs op $25? Welke veronderstellingen gelden voor 2003-2010 en wat is de extra ruimte bij een $ 5 hogere olieprijs en een f 0,20 hogere dollarkoers?

Antwoord

Indien voor 2001/2002 wordt uitgegaan van een olieprijs van 25$ en een dollarkoers van 2,25 dan wordt een FES meevaller verwacht van gecumuleerd circa 1,5 miljard. Voor de periode 2003-2010 is in de ramingen uitgegaan van een olieprijs van 17,5$ en een dollarkoers van 2,05. Indien wordt uitgegaan van een olieprijs van 22,5$ en een dollarkoers van 2,25 dan ontstaat hierdoor een extra FES ruimte in de periode 2003-2010 van gecumuleerd circa 7 miljard.

Vraag 53

Uit bijlage 6, noch uit de passage op blz. 69, noch uit de FES-begroting valt op te maken hoe de structurele voeding door (veronderstelde) renteopbrengst van verkoop van staatsdeelnemingen over de ramingsperiode van het FES tot 2010 is verdeeld. Is hiervan een opstelling te geven en kan worden toegelicht of deze samenvalt met de categorie "incidentele baten" in de FES-begroting (die dan derhalve beter "structurele" baten kan heten?

Antwoord

De structurele voeding van het FES uit bespaarde rentelasten valt inderdaad samen met de categorie "Incidentele baten" in de tabel van paragraaf 4 van de algemene toelichting bij de FES-begroting. De naamgeving "Incidentele baten" hangt samen met het feit dat de structureel bespaarde rentelasten het gevolg zijn van incidentele baten uit veilingen en verkopen die ten gunste van de staatsschuld worden gebracht.

Vraag 54

Welke staatsdeelnemingen zullen worden verkocht om de benodigde 29 mld voor het FES binnen te halen, en wat is de huidige beurswaarde daarvan?

Antwoord

De portefeuille van staatsdeelnemingen bestaat uit circa veertig ondernemingen.Het is vooraf niet opportuun om precies aan te geven welke deelnemingen uit de portefeuille zullen worden vervreemd. Dit hangt onder meer af van de marktomstandigheden en de positie van het bedrijf.

De marktwaarde van het aandeel van de Staat in beursgenoteerde ondernemingen (KPN, PinkRoccade en TPG) bedraagt op 28 september 2000 ongeveer 36 miljard gulden. Ik wijs er met nadruk op dat dit een momentopname betreft. Het spreekt voor zich dat beurskoersen aan fluctuatie onderhevig zijn.

Overigens is het niet zo dat uitsluitend beursgenoteerde ondernemingen in aanmerking kunnen komen voor verkoop. Ten aanzien van niet-beursgenoteerde deelnemingen is het evenwel usance om geen uitspraken te doen over de waarde daarvan, aangezien dit de onderhandelingspositie van de Staat zou kunnen schaden.

Vraag 55

Hoe kan er dat over het rondje randstad als over een investering van na 2010 wordt gesproken, terwijl in het regeerakkoord is vastgelegd dat daarvoor nog deze kabinetsperiode geld moet worden vrijgemaakt.

Antwoord

In het regeerakkoord is aangegeven dat in deze kabinetsperiode een besluit zal worden genomen over de dekking van investeringen voor de realisatie van een snelle treinverbinding tussen de vier grote steden. Technische voorbereidingen en planologische procedures, om tot de realisatie te komen, brengen met zich dat na 2010 middelen nodig zullen zijn.

Vraag 56

Kunnen alle aangepaste veronderstellingen ten opzichte van het regeerakkoord voor de jaren 2000 tot en met 2010, die invloed hebben op de FES-ontvangst(ramingen), worden weergegeven en toegelicht (olie, dollar,rente, opbrengst aardgasbaten en verkoop staatsdeelnemingen)? Kan hierbij worden gemeld welke ramingen afkomstig zijn van het CPB en welke van het ministerie van Financiën zelf zijn?

Antwoord

In de onderstaande tabel worden de verschillen in de macroveronderstellingen dollarkoers en olieprijs tussen het Regeerakkoord en de miljoenennota 2001 weergegeven voor de jaren 2000
- 2002. In het Regeerakkoord is geen raming opgenomen voor de jaren na 2002. Tevens wordt de ontwikkeling van de aardgasbaten FES tussen het Regeerakkoord en de Miljoenennota 2001 in beeld gebracht.

2000

2001

2002

Olieprijs regeerakkoord ($)

14,5

14,5

14

Olieprijs Miljoenennota 2001 ($)

26,5

24

17,5

Dollarkoers regeerakkoord

2,00

2,03

2,05

Dollarkoers Miljoenennota 2001

2,30

2,20

2,05

Voeding FES regeerakkoord (in mln)

1555

1524

1453

Voeding FES Miljoenennota 2001 (in mln)

2532

2864

2615

In het Regeerakkoord is uitgegaan van 8 miljard aan verkopen staatsdeelnemingen in de periode 1999-2002. Ter dekking van het totale uitgavenpakket uit het FES dat in de Miljoenennota 2001 is aangekondigd, zal tot 2010 een additionele voeding benodigd zijn van 20 miljard. 13,5 miljard hiervan zal naar verwachting gerealiseerd worden door rente-opbrengsten van de verkoop van staatsdeelnemingen. Hiervoor is een totale verkoopopbrengst van 35 miljard benodigd (opbrengst UMTS plus overige verkopen staatsdeelnemingen).

In de miljoenennota 2001 zijn de macro-veronderstellingen olieprijs in 2000 en 2001 van het CPB afkomstig. In latere jaren van Financiën.

Vraag 57

In de MEV 2001 wordt een jaarlijkse bijdrage van het FES via het bruggetje van 0,35 miljard genoemd (p. 27). In de Miljoenennota wordt een bedrag van 3,9 miljard in de periode 2000-2010 genoemd, hoe is dit verschil te verklaren?

Antwoord

De periode 2000-2010 beslaat 11 jaar. De jaarlijkse bijdrage van het FES via het bruggetje bedraagt 0,35 miljard. De totale bijdrage over de genoemde periode bedraagt derhalve 11 maal 0,35 miljard oftewel 3,9 miljard.

Vraag 58

Kan per begrotingspost worden weergegeven of de intensiveringen naar aanleiding van de Voorjaarsnota 2000 volledig tot besteding zullen komen?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 12

Vraag 59

Hoe is de jaarlijkse FES-voeding van 4,5 mld na 2010 opgebouwd ?

Antwoord

Dit bedrag betreft de doortrekking van de voeding FES in 2010 naar latere jaren. Het betreft de structurele rentevrijval als gevolg van de verkoop staatsdeelnemingen van bijna 2 miljard per jaar en ruim 2½ mld gasbaten.

Vraag 60

Kan indicatief worden weergegeven wat het EMU-saldo in 2000 zou hebben bedragen indien de opzet van de UMTS-veiling zodanig was geweest dat er een maximale opbrengst was gegenereerd?

Antwoord

Er is geen andere opbrengst bekend dan de 5,9 miljard gulden (0,7%-BBP).

Vraag 61

Kan een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van de exploitatiesaldi en vermogensposities (zowel feitelijk als ten opzichte van de vermogensnorm) van de verschillende sociale fondsen in de periode 1999-2002? Kan in dit overzicht per jaar en per fonds het percentage lastendekkendheid van de premies worden weergegeven? Kan tevens de invloed van de Bijdrage in de kosten van de kortingen (BIKK) op de fondsen voor de volksverzekeringen worden gekwantificeerd?

Vraag 127

Waarom neemt het exploitatiesaldo van de sociale fondsen zo fors af (namelijk van f 12,6 miljard naar f 0,9 miljard)? Wat zijn daarvan de consequenties?

Antwoord

In de onderstaande tabellen wordt een overzicht gegeven van de (verwachte) exploitatie- en vermogenssaldi voor 1999 tot en met 2001 ten tijde van het Regeerakkoord en de stand Miljoenennota 2001 (in miljarden guldens). Bij het Centraal Economisch Plan 2001 komen voor het eerst ramingen voor 2002 van de sociale fondsen beschikbaar op basis van de dan geldende inzichten in de economische ontwikkeling voor 2002.

Ook wordt in deze tabellen de lastendekkendheid van de premies weergegeven. Bij het berekenen van de lastendekkendheid van de premies is het aandeel van de premieopbrengsten ten opzichte van de totale uitgaven minus de overige ontvangsten (rente, onderlinge betalingen en Rijksbijdrage) berekend gecorrigeerd voor de mutatie van de vermogensnormen. Hierbij zij opgemerkt dat als gevolg van wijzigingen in de systematiek van de berekening van de vermogensnormen bij de AWF en Wgf bij beide fondsen relatief grote mutaties optreden in de vermogensnormen in 2001. Als gevolg hiervan is bij de Wgf een eenmalige grote stijging van de lastendekkendheid te zien en bij de AWF een daling.

Regeerakkoord

MN 2001

lastendekkend-heid premies

1999

expl. saldo

vermogen

verm. norm

verm. saldo

expl. saldo

vermogen

verm. norm

verm. saldo

in %

Socialezekerheidsfondsen

AOW


1,1


5,9

3,7


2,2

2,6

7,1


3,0


4,1

106

ANW

0,0

0,0

0,1


-0,1

0,2

0,5

0,2

0,4

106

WAO/AAW/WAZ

0,3

2,4

2,0

0,3


1,3



1,8



1,2


0,7

105

AWF


1,5



-0,8

0,7


-1,5

3,2


1,0


0,0


1,0


141

WGF


-0,5


2,9

2,0


1,0



-0,5


2,8

2,3

0,5

72

Zorgfondsen

AWBZ


1,0



-0,4

0,7


-1,1


2,0


1,5



1,2


0,2

106

ZFW-centraal


1,0



-1,9


-0,8


-1,1


1,0



-2,7


-0,9


-1,7

109

ZFW-individueel

0,3


1,7



1,3


0,4

0,6


2,1


1,3


0,9

n.b.

Totaal sociale fondsen

4,6

9,1

9,6


-0,4

10,4

14,1

8,3

6,1

Regeerakkoord

MN 2001

lastendekkend-heid premies

2000

expl. saldo

vermogen

verm. norm

verm. saldo

expl. saldo

vermogen

verm. norm

verm. saldo

in %

Socialezekerheidsfondsen

AOW


2,2

8,1


3,8


4,3

2,5

9,6

3,1

6,5

106

ANW

0,1

0,1

0,1

0,0

0,1

0,7

0,2

0,5

104

WAO/AAW/WAZ

0,4

2,8

2,1

0,7


1,8


3,6


1,3



2,5

108

AWF


1,7



1,0


0,7

0,3

4,5

5,6

0,0

5,6

163

WGF

0,1


2,8


1,8



1,0



-0,2


2,7

2,8

0,1

81

Zorgfondsen

AWBZ


1,2


0,8

0,7

0,1


1,8


3,3


1,3



1,9


106

ZFW-centraal


1,2



-0,7


-0,7

0,1


2,0


-0,7


-1,1

0,5

113

ZFW-individueel

0,2


1,9



1,9


0,6

0,0


2,1


1,3


0,8

n.b.

Totaal sociale fondsen

7,1

16,0

10,3

6,5

12,6

26,9

8,7

18,2

Regeerakkoord

MN 2001

lastendekkend-heid premies

2001

expl. saldo

vermogen

verm. norm

verm. saldo

expl. saldo

vermogen

verm. norm

verm. saldo

in %

Socialezekerheidsfondsen

AOW


2,2

10,2


3,9

6,4


-5,7

3,9

3,3

0,6

87

ANW

0,0

0,1

0,1

0,0


-0,4

0,2

0,2

0,1

88

WAO/AAW/WAZ


1,5


4,3


2,2

2,1


3,0

6,6


1,3


5,4

112

AWF


1,5



2,4

0,7


1,7


4,5

10,0

3,0

7,0

115

WGF


-0,1


2,7


1,6



1,1



-0,6


2,1

0,9


1,2


238

Zorgfondsen

AWBZ


-1,5


-0,7

0,7


-1,4


-1,9


1,4



1,4


0,0

93

ZFW-centraal


-1,7


-2,4


-0,8


-1,6


1,3


0,6


-1,3


1,9


108

ZFW-individueel

0,2


2,1


1,4


0,7

0,8


2,9


1,4



1,6


n.b.

Totaal sociale fondsen


2,0

17,9

9,6

8,4

0,9

27,8

10,2

17,7

Ten tijde van het Regeerakkoord was er sprake van verwachte vermogenstekorten bij diverse sociale fondsen. Bij de ramingen van de sociale fondsen voor de periode 1999-2002 is toen uitgegaan van behoedzame ramingen van de economische groei en een ontwikkeling van de sociale fondsen waarbij de vermogens ultimo 2000 op orde gebracht werden gebracht. Een uitzondering vormde de AOW-premie, die vanaf het pakket "Inkomensmaatregelen 1998" (loonstrookjesproblematiek) boven lastendekkend niveau werd vastgesteld en dit is ook in het Regeerakkoord gehandhaafd. Daar ontstond dus een vermogensoverschot. De zorgfondsen laten in het Regeerakkoordbeeld een vermogenstekort zien en de WAO, AWF en WGF een vermogensoverschot. Dit is veroorzaakt doordat de effecten van de maatregelen in het Regeerakkoord destijds niet meer zijn vertaald in hogere en lagere premies. Deze ramingen ten tijde van het Regeerakkoord voor 1999-2002 hebben een sterk technisch karakter; de feitelijke jaarlijkse ontwikkeling van de sociale fondsen is mede afhankelijk van de jaarlijkse besluitvorming van het kabinet omtrent het uitgaven- en lastenbeeld.

In de afgelopen jaren zijn de vermogensoverschotten met name bij de AOW, ANW, WAO, AWF en AWBZ fors toegenomen. Voor alle fondsen geldt dat de inkomsten zijn gestegen. Dit is veroorzaakt door een hogere economische groei dan verwacht waardoor de premieontvangsten harder zijn gestegen dan geraamd en de werkloosheiduitgaven (AWF en WGF) verder zijn gedaald. Bij bijvoorbeeld de AWBZ en de WAO zijn de uitgaven harder gestegen maar dit is meer dan gecompenseerd door hogere inkomsten. Hierdoor zijn de exploitatieoverschotten bij deze fondsen toegenomen.

De forse toename in 2000 van het exploitatie- en vermogensoverschot bij de AWF wordt veroorzaakt doordat de AWF voor 2000 bij Miljoenennota 2000 boven lastendekkenniveau is vastgesteld als onderdeel van het lastenverlichtingspakket uit de Miljoenennota 2000.

Uit de bovenstaande tabellen blijkt tevens dat bij de volksverzekeringsfondsen (AOW, ANW, AWBZ) de lastendekkendheid in 2001 daalt. De exploitatieoverschotten van 12,6 miljard in 2000 dalen naar 0,9 in 2001. Dit komt met name voort uit exploitatietekorten bij de AOW, ANW en AWBZ. Deze exploitatietekorten worden veroorzaakt doordat de Bijdrage in de kosten van de kortingen (BIKK) lager is vastgesteld om de exploitatie- en vermogensoverschotten bij deze fondsen af te bouwen. De BIKK wordt in 2001 ingevoerd omdat door de belastingherziening een verschuiving van volksverzekeringen (AOW, ANW, AWBZ) naar belastingen ontstaat. Met name door de omzetting van de belastingvrije som en het arbeidskostenforfait in de heffingskorting en de arbeidskorting nemen de belastingopbrengsten toe en de premieontvangsten bij de volksverzekeringen evenredig af. Om de volksverzekeringen hiervoor te compenseren wordt de Bijdrage in de kosten van de kortingen (BIKK) ingevoerd.

De BIKK is structureel lager vastgesteld om de
exploitatie-overschotten bij de volksverzekeringen af te bouwen. Daarnaast wordt de BIKK in 2001 eenmalig lager vastgesteld om ook de vermogensoverschotten bij de volksverzekeringen af te bouwen. Vooral vanwege deze lagere vaststelling van de BIKK dalen de exploitatiesaldi van de sociale fondsen ten opzichte van 2000 (met 10,6 miljard). Bij de AOW en de ANW resteert in 2001 nog een klein vermogensoverschot dat in 2002 afgebouwd kan worden door de BIKK ook in 2002 incidenteel lager vast te stellen. In de onderstaande tabel wordt de hoogte van de structurele BIKK (bij afbouw exploitatiesaldi) en de incidentele BIKK in 2001 (met ook afbouw vermogensoverschotten) weergegeven.

Tabel: Afbouw van exploitatie- en vermogensoverschotten AOW, ANW en AWBZ d.m.v. de BIKK (in mln)

AOW

ANW

AWBZ

BIKK

8.725

650

4.915

Structurele verlaging BIKK i.v.m. afbouw exploitatie-overschotten


-3045


-203

0

BIKK structureel

5.680

447

4.915

Eenmalige verlaging BIKK i.v.m. afbouw vermogensoverschotten in 2001


-5.680


-447


-1.230

BIKK 2001 incidenteel

0

0

3.685

Vraag 62

Welk BBP wordt voor 2002 verondersteld in tabel 3.4.1 en tabel 3.4.2 en wat is de verwachte schuld in guldens.

Antwoord

Voor 2002 wordt een BBP verondersteld van circa 994 miljard. De verwachte schuld in guldens bedraagt circa 499 miljard.

Vraag 63

Volgens de MN zal de afbouw van de exploitatie- en vermogensoverschotten bij de werknemersverzekeringen een rol spelen bij de vormgeving van de lastenontwikkeling in latere jaren. Kan dit zowel kwalitatief als kwantitatief worden toegelicht?

Antwoord

In het regeerakkoord wordt een integrale benadering toegepast voor de belasting- en premieontwikkeling. Zo worden in de ijklatten en in de mee- en tegenvallerformule belasting- en premie-inkomsten op dezelfde wijze behandeld en is de lastenverlichting van 4½ miljard een saldo van belasting- en premiemutaties. Ook door het geïntegreerd middelenbeheer (bankieren in de schatkist) is het verschil tussen belastingontvangsten en premieontvangsten budgettair gezien verdwenen. Ten slotte wordt ook het EMU-saldo (cf. Europese definities) bepaald door het saldo bij het Rijk, de mede-overheden en de sociale fondsen.

De premies bij de sociale fondsen zijn bedoeld om de uitgaven aan de sociale fondsen te financieren en worden daarom in principe lastendekkend vastgesteld. De opmerking in de Miljoenennota over de afbouw van de exploitatie- en vermogensoverschotten bij de werknemersverzekeringen dient tegen deze achtergrond te worden geïnterpreteerd. Omdat besluitvorming over het lastenbeeld 2002 bij de opstelling van de Miljoenennota 2002 zal plaatsvinden, kan thans geen nadere kwantitatieve toelichting worden gegeven.

Vraag 64

Kan het EMU-saldo voor het jaar 2002 worden gegeven indien de scheiding van de inkomsten en uitgaven gehandhaafd blijft, maar er geen lastenverlichting plaatsvindt in 2002? Kan bij deze exercitie de economische groeiveronderstellingen van het CPB-werkdocument 123 voor het jaar 2002 worden overgenomen (twee varianten)?

Antwoord

Op basis van de behoedzame uitgangspunten van het Regeerakkoord en exclusief lastenverlichting in 2002 bedraagt het EMU-saldo 2002 1,2% BBP. In de update van het stabiliteitsprogramma van Nederland is naast een behoedzaam scenario, ook een gunstig scenario gepresenteerd. Op basis van dat gunstig scenario bedraagt het EMU-saldo 2002, exclusief lastenverlichtingen in 2002, ongeveer 1 ½ % BBP.

Vraag 65

Kan met argumenten worden gemeld of het waarschijnlijk is dat het EMU-saldo voor het jaar 2001 hoger danwel lager ligt dan het trendmatige of structurele saldo? Is het zo dat de incidenteel hogere lastenverlichting dan de structurele die met de Belastingherziening gepaard gaat een reden is waarom het EMU-saldo in 2001 wellicht lager is dan het structurele saldo? Hoe worden de argumenten van Sweder van Wijnbergen (ESB van 22 september 2000) beoordeeld, die stelt dat het incidentele EMU-saldo hoger ligt dan het structurele?

Antwoord

Er spelen twee zaken, de conjuncturele component en de invloed van de belastingherziening. Het CPB stelt in de MEV 2001 dat de omvang van de conjuncturele component in het begrotingssaldo voor recente jaren moeilijk vast te stellen is. Meer in het algemeen geldt dat het CPB op reguliere basis geen cijfers publiceert ten aanzien van het structurele saldo, met name vanwege de grote onzekerheid omtrent de vaststelling van de conjuncturele component van het BPP. Wel mag worden aangenomen dat in de huidige economische situatie het feitelijke EMU-overschot hoger is dan het onderliggende structurele saldo. Los daarvan kan gesteld worden dat de afgelopen jaren een aanzienlijke verbetering van het begrotingssaldo heeft plaatsgevonden.
Vraag 66

Waarom is de uitgavenruimte onder het kader bij het CPB (MEV blz. 27) ½ mld hoger dan die in de Miljoenennota?

Antwoord

Zoals blijkt uit de Miljoenennota 2001 voorziet de regering voor 2000 en 2001 een sluitend kader. De verschillen tussen de MEV en de Miljoenennota 2001 kunnen gelokaliseerd worden bij het kader Rijksbegroting in enge zin. Dit is het gevolg van de verwachting van het CPB dat er onderuitputting zal optreden bij het voorgestelde intensiveringspakket. De regering gaat daar niet van uit. Daarnaast zijn er nog enkele geringe ramingstechnische verschillen. Bovendien nam het CPB bij de opstelling van de MEV de nog niet bestede uitgavenreserve tranche 2001 nog mee in de uitgaventoetsing.

Voor de uitgavenkaders Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt en Zorg sluiten de MEV-cijfers nagenoeg aan bij de cijfers uit de Miljoenennota.
Vraag 67

In de Miljoenennota wordt in tabel 3.5.1 gemeld dat sprake is van een onderschrijding van het uitgavenkader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt. Deze onderschrijding wordt met name veroorzaakt door een daling van de werkloosheid. In het Nader Rapport geeft de Regering aan dat de daling van de werkloosheid een conjuncturele component kan hebben. Kan de regering mededelen welk deel van de onderschrijding van uitgavenkader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt conjunctureel is en welk deel structureel?

Antwoord

Het gevraagde kwantitatieve onderscheid kan thans niet worden verschaft. Hierin kan meer inzicht worden verkregen en gegeven als er concrete ramingen 2002 voorhanden zijn.
Vraag 68

Kan worden bericht in welke mate de overschrijdingen van de uitgavenkaders Rijksbegroting in enge zin en Zorg structureel danwel conjunctureel van aard zijn?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 67.

Vraag 69

In hoeverre acht de regering het reëel dat de verwachte overschrijding van het uitgavenkader niet zal plaatsvinden gezien de opmerking dat het beeld voor 2002 minder risicos met zich meedraagt dan de vorige Miljoenennota?

Antwoord

Door aanpassing van de aannames rond de contractloonontwikkeling in 2002 zijn de budgettaire risicos voor 2002 verminderd. Hierbij moet worden aangetekend dat de veronderstelde loonontwikkeling voor 2002 (en ook nog voor 2001) nog niet zonder risicos is. Hiertegenover staan overigens gunstige kansen bij werkloosheidslasten en rente-uitgaven alsmede de uitgavenreserve 2002.

Vraag 70

Kan helder worden uiteengezet wat het nut is van het huidige onderscheid tussen de drie budgetdisciplinesectoren, indien deze sectoren toch niet langer hun uitgavenverhogingen binnen dezelfde sector hoeven op te vangen? Indien het antwoord vergelijkbaar is met dat bij de schriftelijke beantwoording bij de Voorjaarsnota (vraag 36) kan dan wellicht een aanpassing op basis van nieuwe inzichten worden overwogen?

Antwoord

Binnen de regels budgetdiscipline is het uitgangspunt dat uitgavenverhogingen in principe binnen dezelfde budgetdisciplinesector worden opgevangen. Bij mee- en tegenvallers van macro-economische aard en wanneer de Ministerraad daartoe besluit kan er echter compensatie tussen de budgetdisciplinesectoren plaatsvinden.

Wanneer er sprake is van hoger dan verwachte economische groei zal er een lagere volume-ontwikkeling in de sociale zekerheid verwacht mogen worden alsook meevallende rente-uitgaven bij de Rijksbegroting in enge zin. Dit is echter niet het geval bij de zorg. De extra ruimte die aldus ontstaat kan mede ingezet worden om te komen tot een sluitend beeld van het totaal van de uitgavenkaders. De uitgavenkaders worden, behoudens enkele statistische correcties, niet gewijzigd. Hierdoor blijft het zicht op de verschillen tussen oorspronkelijk doel en realisatie helder. De regering ziet dan ook geen aanleiding voor een aanpassing van de systematiek.

Vraag 71

Kan een overzicht worden gegeven van de nieuwe uitgaven in 2001 ten opzichte van de Voorjaarsnota 2000 zoals dat voor 2000 op blz. 73 van de Miljoenennota 2001 is weergegeven?

Antwoord

In de Voorjaarsnota 2000 is voor het jaar 2000 een totaal intensiveringspakket van 5,6 miljard gepresenteerd. Ten opzichte van de Voorjaarsnota heeft het kabinet besloten tot additionele intensiveringen ten bedrage van 1,1 miljard. In de Voorjaarsnota is alleen de structurele doorwerking van de intensiveringen 2000 opgenomen, en geen nieuw beleid dat aanvangt in 2001. Een vergelijkbare tabel als te vinden is op pagina 73 van de Miljoenennota voor het jaar 2001 is dan ook niet te geven.

Vraag 72

Is het logisch om voor 2002 de loonstijging met 0.8% opwaarts bij te stellen terwijl de macrovariabelen gelijk blijven en de inflatie zelfs 0.2% lager wordt gezet? Deelt het CPB deze aanpassingen en wordt hiermee erkend dat de ramingen in het regeerakkoord onrealistisch laag waren?

Antwoord

In het Regeerakkoord is uitgegaan van een reële contractloondaling van 0,8% (1,4% loonstijging bij 2,2% prijsstijging) in 2002. Het CPB meent dat de loonraming van destijds (in een behoedzaam scenario, bij lastenverlichting en bij een verschuiving van directe naar indirecte belastingen) realistisch was (zie CPB Werkdocument 105, p. 17). Bij een economische ontwikkeling die gunstiger verloopt past een hogere loonraming (zie Werkdocument 123, p. 16).

De reële loondaling uit het Regeerakkoord vormde, naar het oordeel van het kabinet, een fors budgettair risico. Daarom is, in lijn met het behoedzame begrotingsbeleid, besloten om dit risico te beperken. In de MN 2001 is daartoe de loonraming uit het Regeerakkoord opwaarts bijgesteld met 0,8%-punt tot 2%. Bij een even grote prijsstijging resulteert een reële loonontwikkeling in 2002 van 0%.

Vraag 73

De doorkijkjes 2002 betekenen een nominale beperking van het uitgavenkader, terwijl de (reële) uitgaven wel worden verhoogd. Mag hieruit worden afgeleid dat het Kabinet voor 2002 geen uitgavenmeevallers meer verwacht?

Antwoord

Alles wat op dit moment, met betrekking tot 2002, bekend is, is verwerkt in de Miljoenennota. Dit neemt niet weg dat er uitgavenmee- of tegenvallers op kunnen treden.

Vraag 74

Waarom wordt - nu voor het eerst - onderscheid gemaakt tussen nominale ontwikkeling en reële ontwikkeling?

Antwoord

Door een onderscheid te maken tussen de nominale ontwikkeling en de reële ontwikkeling van de lonen kan duidelijk gemaakt worden wat er in de collectieve sector in financiële zin wordt gedaan om de arbeidsmarktknelpunten op te lossen. Immers, de stijging van de loonuitgaven die uitgaat boven de pBBP is een reële verbetering van de beloning voor werk dat in de collectieve sector plaatsvindt.

Vraag 75

Kan een gevoeligheidsanalyse worden gegeven voor de geraamde contractloonstijging van 2% in 2002?

Antwoord

Van belang is niet zo zeer de nominale contractloonontwikkeling, doch de algemene contractloonontwikkeling in verhouding tot de prijsstijging. In het algemeen kan worden gesteld dat een 1% hogere contractloonontwikkeling een beslag van 2 mld legt op de ruimte; en een 1% snellere prijsontwikkeling van het BBP 3 ½ mld meer ruimte geeft. .

Vraag 76

Kan het kabinet een doorkijkje geven voor de budgettaire situatie in 2001 en 2002 indien de contractloonontwikkeling in deze twee jaren 4% bedraagt? Kan eveneens worden weergegeven waarom de ophoging van de contractloonontwikkeling in 2002 slechts beperkt is tot 2%? Ligt het op basis van reeds afgesloten CAO's niet veel meer voor de hand uit te gaan van een hoger percentage

Antwoord

Van belang is niet zo zeer de nominale contractloonontwikkeling, doch de algemene contractloonontwikkeling in verhouding tot de prijsstijging. In het algemeen kan worden gesteld dat een 1% hogere contractloonontwikkeling een beslag van 2 mld legt op de ruimte; en een 1% snellere prijsontwikkeling van het BBP 3 ½ mld meer ruimte geeft.

Het CPB heeft momenteel nog geen raming voor 2002. Uitgangspunt voor 2002 was dan ook de loonraming uit het Regeerakkoord. Deze loonraming, die een reële contractloondaling van 0,8% (1,4% loonstijging bij 2,2% prijsstijging) voor 2002 impliceerde, vormde, bij de huidige economische vooruitzichten, een fors budgettair risico. Daarom is, in lijn met het behoedzame begrotingsbeleid, besloten om dit risico te beperken. In de MN 2001 is daartoe de loonraming uit het Regeerakkoord opwaarts bijgesteld met 0,8%-punt tot 2%. Bij een even grote prijsstijging resulteert een reële loonontwikkeling in 2002 van 0%.

Voor 2002 zijn nog nauwelijks CAOs afgesloten. Voor 2002 wordt in de meerjarencijfers geprobeerd een zo consistent mogelijk behoedzaam beeld te hanteren.

Vraag 77

Kan, overeenkomstig in de Miljoenennota 2000, een samenvattend overzicht van de ruilvoetontwikkeling per budgetdisciplinesector worden gemaakt voor de jaren 2000, 2001 en 2002 en kan deze standaard in de komende Miljoenennotas worden opgenomen? Kan hierbij gebruik worden gemaakt van de meest recente ramingen van het CPB over 2000 ?

Antwoord

In de onderstaande tabel is per budgetdisciplinesector aangegeven wat de budgettaire effecten zijn van de loonontwikkeling en de overige nominale ontwikkelingen enerzijds, en de aanpassing als gevolg van de prijsaanpassing BBP anderzijds. De ruilvoetontwikkeling is het verschil tussen deze aanpassingen. De hier gepresenteerde informatie is reeds opgenomen hoofdstuk 3, paragraaf 5 van de Miljoenennota waar de uitgaventoetsing wordt gepresenteerd.

Tabel: effecten loonontwikkeling, nominale ontwikkeling en pBBP per budgetdisciplinesector, in miljarden

2000

2001

2002

Kader Rijksbegroting in enge zin

macro: reële loonontwikkeling

0,0


1,5


2,2
macro: nominale ontwikkeling

0,5


1,7


1,8

Aanpassing prijs BBP


1,0

3,6

3,4

Kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

macro: reële koppeling

0,0


1,5


2,6
macro: nominale ontwikkelingen

0,1

0,6

0,5

aanpassing prijs BBP

0,6

2,1

2,0

Kader Zorg

macro: reële loonontwikkeling

0,0

0,7


1,0

macro: nominale ontwikkelingen

0,2

0,6

0,5

aanpassing prijs BBP

0,3


1,2


1,1



Vraag 78

Kan het verschil in overschrijding van de Rijksbegroting in enge zin tussen de Miljoenennota en de Macro-economische Verkenning toegelicht worden? En zo ook voor de onderschrijding bij Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt en de overschrijding bij de ijklijn Zorg?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 66.

Vraag 79

Hoe verhoudt het cijfer van f 21,4 mld (Hoofdpunten van het Regeringsbeleid, p. 5) zich tot het bedrag van f 20,7 mld inkomstenmeevallers?

Antwoord

In de Hoofdpunten uit het Regeringsbeleid is per abuis een verouderd cijfer opgenomen. Het juiste cijfer voor de geraamde inkomstenmeevaller in 2001 is het cijfer uit de Miljoenennota 2001; 20,7 miljard.

Vraag 80

Betekent de keuze van de regering om voor het jaar 2001 alle inkomstenmeevallers in te zetten voor de aflossing van de staatsschuld dat er, op basis van de afspraken in het regeerakkoord voor het jaar 2002, opnieuw een aanzienlijke lastenverlichting is te verwachten?

Antwoord

Het is niet zo dat alle inkomstenmeevallers zijn aangewend ten gunste van het begrotingssaldo. De lastenverlichting in de periode 1999-2001 beloopt thans 7¾ miljard (inclusief het aanvullende fiscale pakket naar aanleiding van de Algemene Politieke Beschouwingen en het akkoord met de vervoerders- en verladerssector), terwijl eerder voor de gehele regeerperiode 4½ werd voorzien.

Zoals aangegeven op pag. 81 van de Miljoenennota bedraagt de resterende ruimte voor lastenverlichting 8¼ mld bij toepassing van 50/50 verdeling van de inkomstenmeevaller over schuldreductie en lastenverlichting. Rekening houdend met het aanvullende fiscale pakket naar aanleiding van de Algemene Politieke Beschouwingen en het akkoord met de vervoeders- en verladerssector, resteert een ruimte voor lastenverlichting van 7¾ mld in 2002, wederom uitgaande van de 50/50 verdeling. Volgend jaar zal over de maatvoering en vormgeving van de lastenontwikkeling 2002 worden besloten, mede in het licht van dan actuele inzichten in de ontwikkeling van de economie en de overheidsfinanciën.

Vraag 81

Hoeveel bedraagt de ruimte voor lastenverlichting als de groei in 2002 niet 2,25% maar 3%, respectievelijk 4% zou zijn?

Antwoord:

Bij de berekening van de ruimte voor lastenverlichting wordt nu rekening gehouden met de gerealiseerde en geraamde inkomstenmeevallers in de periode 1999-2001. Eventuele meevallers over 2002 worden feitelijk pas bij de bepaling van de ruimte in de Miljoenennota 2002 relevant. Pas op dat moment is een actuele raming voor het economisch beeld in 2002 beschikbaar en kan een verantwoorde inschatting worden gegeven van eventuele additionele mee- of tegenvallers. Daarbij kan dan ook rekening worden gehouden met geactualiseerde inzichten over de inkomstenontwikkeling in 2001.

Wel kan op basis van de in de vraag genoemde groeipercentages een zeer indicatieve inschatting worden gegeven van eventuele additionele inkomstenmeevallers die optreden indien de economische groei hoger uitvalt dan in het behoedzame scenario werd verwacht. In het behoedzame scenario is uitgegaan van een gemiddelde groei van 2¼% in deze kabinetsperiode en van 2% in 2002. Uitgaande van een progressiefactor van 1 (d.w.z. dat bij een 1%-punt hogere groei de inkomsten ook 1% hoger uitkomen), zou de inkomstenmeevaller in 2002 bij een groei van 3% respectievelijk 4% in 2002 met circa 3¾ miljard respectievelijk 7¼ miljard toenemen ten opzichte van de nu geraamde meevaller voor 2001 (uitgaande van een ongewijzigd beeld voor 2001). De ruimte voor lastenverlichting zou dan (uitgaande van een 50/50-verdeling) 1¾ miljard respectievelijk 3¾ miljard hoger uitkomen.

Vraag 82

Wordt in het aangepaste referentiekader ingegaan op het gebruik van evaluaties als verantwoordingsintrument en krijgt het aangepaste referentiekader de status van regelgeving, of worden het aanbevelingen van de Minister van Financiën aan de overige Ministers ?

Antwoord:

In het aan te passen referentiekader is - naast de beschikbaarheid en benutting van prestatiegegevens- de kwaliteit van de in de begroting en verantwoording op te nemen beleidsinformatie hét centrale thema. In het concept van de 9e wijziging van de Comptabiliteitswet is de mogelijkheid gecreerd om het referentiekader de status van regelgeving te geven. Dit omdat prestatiegegevens in het algemeen en evaluatieonderzoek in het bijzonder in het VBTB-tijdperk een meer prominente plaats in zullen gaan nemen dan voorheen. Het ministerie van Financien werkt momenteel - in interdepartentaal verband - een dergelijke regeling uit. Het streven is de besluitvorming hierover begin december af te ronden opdat de Kamer hierover kan worden geinformeerd in de tussenrapportage VBTB.

Vraag 83

Wat wordt de positie van het FES-fonds indien een integraal baten-lastenstelsel wordt ingevoerd?

Antwoord

De vormgeving van een aantal aspecten van het baten-lastenstelsel voor het Rijk zoals de gevolgen voor de begrotingsindeling en daarmee samenhangend de relatie tot VBTB, de positie van het FES zullen de komende tijd nadere studie vergen.

Vraag 84

Opgemerkt wordt dat in sommige gevallen afspraken zijn gemaakt om idicatoren te ontwikkelen die de resultaten van het beleid in beeld moeten brengen. Kan een overzicht worden gegeven van de indicatoren voor de beleidsresultaten 2001, zodat de Kamer op de 3e woensdag in mei 2002 de regering op de resultaten van beleid in 2001 kan aanspreken?

Antwoord

Een dergelijk integraal overzicht is thans niet voorhanden. In het kader van de operatie Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording wordt hard gewerkt aan het verbeteren van doelformuleringen en prestatiegegevens die inzicht geven in de nagestreefde effecten van beleid, de kosten en kwaliteit van de door de overheid te leveren producten en/of diensten en de volume- en prijsgegevens van de (programma)uitgaven. De begroting nieuwe stijl zal - als het aan de regering ligt - op 1 januari 2002 worden ingevoerd. In de periode tussen nu en 1 januari 2002 (en daarna) zal nog veel werk worden verzet om de begroting nieuwe stijl VBTB-proof te krijgen. Daarbij zij bedacht dat het soms niet mogelijk is de beoogde effecten van beleid te kwantificeren, dat tussen het treffen van beleidsmaatregelen en nagestreefde effect vaak redelijk veel tijd verstrijkt en dat de invloed van beleid op maatschappelijke ontwikkelingen zich vaak moeilijk isoleren laat. In die situaties dient (aanvullend aan jaarlijkse, reguliere prestatiegegevens) het instrument van periodiek
- al dan niet kwalitatief - evaluatieonderzoek te worden ingezet en/of te worden gewerkt met intermediaire effecten of effect-indicatoren. In de afzonderlijke jaarverslagen over het jaar 2001 zal worden teruggeblikt op de beoogde beleidsresultaten in dat jaar, zoals opgenomen in de ontwerpbegroting 2001. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandacht uitgaan naar de door de Kamer in het kader van de werkgroep Financiële Verantwoordingen (de werkgroep Van Zijl/Van Walsum) voor 1999 en 2000 aangemerkte beleidsprioriteiten.

Vraag 85

Kan de regering weergeven welke maatregelen genomen worden, en welk tijdpad wordt gehanteerd om de afstemming van informatiestromen van derden (gericht op het verkrijgen van informatie van prestatiegegevens ten behoeve van de verantwoording aan de Kamer) beter af te stemmen op de begrotings- en verantwoordingsprocessen van het Rijk ?

Antwoord:

In het kader van de verdere uitwerking van de voorbeeldbegrotingen VBTB, brengt ieder ministerie momenteel in kaart waar sprake is van afhankelijkheid van derdengegevens. Daarbij wordt in het bijzonder bezien waar het nodig is aanvullende maatregelen te treffen om de tijdigheid daarvan alsmede de betrouwbaarheid te kunnen waarborgen. Zoals aangegeven in de antwoorden op de Kamervragen naar aanleiding van de voortgangsrapportage VBTB, zal het kabinet daarover een nadere beschouwing wijden in de tussenrapportage VBTB, die de Kamer voor de Kerst zal ontvangen.

Vraag 86

In de nota naar aanleiding van het verslag bij de zevende wijziging Comptabiliteitswet (15 juli jl.) stelt het kabinet dat het niet in alle gevallen noodzakelijk is een resultaat gericht besturingsmodel te combineren met het administreren in baten en lasten. Nu wordt in de Miljoenennota dat juist als argument gebruikt. Kan aangegeven waarom het kabinet binnen 3 maanden van positie is gewijzigd?

Antwoord

De VBTB-operatie vormt een belangrijke impuls voor het gebruik van prestatiegegevens en biedt de mogelijkheid om de interne sturing meer resultaatgericht vorm te geven. Voor bepaalde delen van de rijksdienst biedt het baten-lastenstelsel daar een grotere meerwaarde, dan voor andere delen. Dat is nog steeds het geval. Sinds het moment van adviesaanvraag bij de Algemene Rekenkamer van het wetsvoorstel tot zevende wijziging van de Comptabiliteitswet (januari 1999) is een lange periode verstreken. Gedurende deze periode zijn nieuwe feiten ontstaan: de grote belangstelling van enkele grote diensten als de Belastingdienst en Domeinen om baten-lastendienst te worden en het inmiddels positieve EMU-saldo. Daarnaast is de vormgeving van VBTB steeds concreter geworden, waarbij naar voren is gekomen dat inzicht in kosten van beleidsprestaties een grotere informatiewaarde geeft dan inzicht in de uitgaven van beleidsprestaties. In de Miljoenennota 2001 heeft dit inmiddels tot het geven van een nieuw eindperspectief geleid.

Vraag 87

Welke procedure en tijdpad heeft het kabinet in gedachten bij de overstap van het kas-verplichtingenstelsel op het baten-lastenstelsel?

Antwoord

Vanwege een aantal ontwikkelingen in het financieel management van de rijksoverheid zoals de toename van het aantal onderdelen van het Rijk dat een baten-lastenstelsel voert, de toename van de samenwerkingsverbanden tussen overheid en bedrijfsleven en de toename van het belang van een resultaatgeorienteerde overheid (VBTB) en de ontwikkeling van het EMU-saldo is de keuze gemaakt om voor de gehele rijksbegroting op termijn over te gaan op een integraal baten-lastenstelsel. De hier genoemde argumenten zijn uitgebreid toegelicht in hoofdstuk 4 van de Miljoenennota 2001.

De komende jaren zal deze principiele keuze verder ingevuld moeten worden, waarbij over een groot aantal aspecten nog keuzes gemaakt zullen moeten worden. Vanwege de complexiteit van het proces is daarom op dit moment ook nog niet aan te geven op welk moment de rijksoverheid daadwerkelijk gereed zal zijn om de overstap te gaan maken, mede omdat nog niet aangegeven kan worden of er sprake zal van een overstap ineens of een fasegewijze invoering.

Bij de vormgeving van het baten-lastenstelsel voor de rijksoverheid zal gebruik gemaakt gaan worden van de ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan bij overheden in andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, Nieuw Zeeland en Australie, decentrale overheden in Nederland die al enkele jaren verplicht zijn een baten-lastenstelsel te voeren en de ervaringen van de onderdelen van de rijksoverheid die op dit moment al een baten-lastenstelsel voeren.

Een belangrijk aspect bij de invoering van het baten-lastenstelsel is de wijze waarop het begrotingsbeleid van het kabinet aagepast zal moeten worden. Hierover zal een nadere studie volgen, voorafgaande aan de komende Kamerverkiezingen.

Ook de vormgeving van een aantal andere aspecten van het baten-lastenstelsel voor het Rijk zoals de gevolgen voor de begrotingsindeling en daarmee samenhangend de relatie tot VBTB, de positie van het FES zullen de komende tijd nadere studie vergen.

Vraag 88

Worden in het baten-lastenstelsel de kosten toegerekend aan producten of aan beleidsprestaties. Of zijn producten en beleidsprestaties identiek? Wat zijn de ervaringen van de gemeenten met productbegrotingen? Wat zijn in algemene zin de ervaringen van decentrale overheden met het baten-lastenstelsel?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 87. Over de ervaringen van decentrale overheden zal ik de Kamer op een later tijdstip informeren.

Vraag 89

Welke gevolgen zou het nu invoeren van een baten-lastenstelsel hebben voor de Zalmnorm? Zouden de uitgavenkaders verdwijnen en plaats moeten maken voor kostenijklijnen? Is er nog een mechanisme nodig om de uitgaven in enig jaar binnen de perken te houden? Wat zijn de gevolgen voor de inkomstenkant van de begroting en voor de inkomstenijklatten?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 87.

Vraag 90

In welk jaar wil het kabinet het baten-lastenstelsel invoeren? In welke mate zijn de ambtelijke diensten hier inmiddels op voorbereid?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 87.

Vraag 91

Kan de regering binnen afzienbare tijd de Kamer een evaluatie doen toekomen over de invoering van het baten-lastenstelsel in Engeland, Australië en Nieuw Zeeland?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 87.

Vraag 92

Kan de regering aangegeven welk onderdeel van de rijksdienst reeds wordt geadministreerd op basis van het baten-lastenstelsel?

Antwoord

Ja, zie het onderstaande overzicht.

Agentschappen per 1 januari 2000 (*)

naam agentschap

ministerie

datum instelling

aantal ftes

baten

Immigratie en Naturalisatiedienst (IND)

Justitie

1994

2.896

497

Plantenziektenkundige Dienst (PD)

LNV

1994

314

40

Senter

EZ

1994

225

81

Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)

Justitie

1995

16.460

2443

Dienst Informatievoorziening Overheidspersoneel (IVOP)

BZK

1995

48

21

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)

V&W

1995

440

93

College Beoordeling Geneesmiddelen (CBG)

VWS

1996

82

28

Dienst Centrale Financiën Instellingen (CFI)

OcenW

1996

392

108

Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB)

Justitie

1996

453

71

Dienst Gebouwen Werken en Terreinen (DGW&T)

Defensie

1996

1.007

175

Rijksarchiefdienst (RAD)

OCenW

1996

335

54

Rijksdienst voor de Radiocommunicatie (RDR)

V&W

1996

338

62

Centrale Archief Selectiedienst (CAS)

BZK

1997

110

14

Bureau Heffingen

LNV

1998

246

52

Centrum tot Bevordering van Import uit Ontwikkelingslanden (CBI)

BuiZa

1998

17

19

Defensie Telematica Organisatie (DTO)

Defensie

1998 (***)

1.284

533

Organisatie informatie- en communicatietechnologie voor de openbare orde en veiligheid (ITO)

BZK

1998

368

161

Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD) (**)

BZK

1998

2.855

504

Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR)

BZK

1999

51

64

Rijksgebouwendienst (RGD)

VROM

1999

915

1862

Laser

LNV

1999

470

145

Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken (IW&V)

VWS

2000

874

n.b.


* De cijfers in deze tabel zijn ontleend aan de financiële verantwoordingen 1999 (eigen vermogen per 31-12-1999 en gerealiseerde baten over 1999; bedragen in miljoenen guldens), aantallen ftes in 1998.


** Het agentschap DTO is ontstaan door een samenvoeging van het agentschap DCC (Duyverman Computer Centrum, agentschap sinds 1994) en enkele andere telematica-onderdelen van het Ministerie van Defensie.

Vraag 93

Een van de argumenten van het kabinet om over te stappen op een baten-lastenstelsel is de overtuiging dat het baten-lastenstelsel een hulpmiddel is op micro-niveau de doelmatigheid te bevorderen. Het kabinet geeft aan dat inmiddels 22 diensten het baten-lastenstelsel hanteren. Kan aangegeven worden tot welke concrete doelmatigheidsoverwegingen de introductie van het baten-lastenstelsel bij deze diensten heeft geleid ?

Antwoord

In de tussenrapportage over het financieel beheer die in januari jongstleden naar de Tweede Kamer is gestuurd, is nader aandacht besteed aan de bevordering van de doelmatigheid bij baten-lastendiensten. Deze doelmatigheid betreft enerzijds financiële voordelen en anderzijds voordelen in betere kwaliteit van producten en van sturing en beheersing. Individuele evaluaties bieden zicht op de aard van de gerealiseerde voordelen. Van een groot aantal baten-lastendiensten is nog geen evaluatie uitgevoerd; ze bestaan nog te kort. Om de effecten te kunnen meten, is enige operationele functioneringstijd nodig: drie tot vier jaar. Daarnaast speelt mee dat er tevens een methodologisch vraagstuk aan de orde is. De prestatiegegevens voor de start als baten-lastendienst en na de start wijken nogal eens af. Dit komt omdat het echt proefdraaien tot voor kort pas na de start plaats vond. In de instellingseisen voor baten-lastendiensten is thans een verplichte periode van proefdraaien opgenomen, die moet bijdragen aan het vermijden van de methodologische problemen.

Vraag 94

Is het kabinet voornemens om gelijktijdig met het invoeren van het baten-lastenstelsel productbegrotingen te hanteren? Zo ja, wat betekent dit voor de huidige indeling van beleidsbegrotingen?

Antwoord

Het baten-lastenstelsel zal in de huidige voornemens van de regering gekoppeld worden aan beleidsprestaties zoals die in de nieuwe beleidsbegroting vorm zullen krijgen; beleidsbegrotingen zullen dus niet (zondermeer) worden omgevormd tot produktbegrotingen.

Vraag 95

Welke gedachten heeft de regering bij de "onafhankelijke vorm van toezicht op de toepassing van het begrip kapitaalgoed en het toegepaste afschrijvingsregime"?

Antwoord

In het baten-lastenstelsel speelt de afbakening van ivesteringsuitgaven en de wijze van afschrijving daarvan een belangrijke rol. Om er voor te zorgen dat de afspraken die daar bij de invoering over gemaakt worden nageleefd worden, is het van belang het toezicht daarop neer te leggen bij een onafhankelijk orgaan. De vormgeving van dit toezicht zal onderdeel zijn van de uitwerking van het baten-lastenstelsel zoals dit de komende jaren zal plaatsvinden.

Vraag 96

Hoe zal de regering er zorg voor dragen dat bij de invoering van een baten-lastenstelsel geen vervaging zal optreden tussen investerings- en consumptieve uitgaven (anders gesteld dat niet wordt geconsumeerd onder de noemer van investeringsuitgaven)? Hoe zal de regering er zorg voor dragen dat er realistische afschrijvingingstermijnen worden gehanteerd (met andere woorden dat niet op papier de afschrijvingtermijnen worden verlaagd om ruimte te creëren voor andere uitgaven)? Kan de regering een nadere omschrijving geven van de positionering, taken, bevoegdheden en omvang van een onafhankelijke toezicht? Op welke termijn kan de Kamer een nadere studie over het baten-lastenstelsel tegemoet zien?

Antwoord

Zie voor het eerste deel van de vraag het antwoord op de vragen 87 en 94. Het is het voornemen om in de Miljoenennota 2002 nadere voorstellen op te nemen over de meer concrete vormgeving van het baten-lastenstelsel.

Vraag 97

Wordt het ESR ook toegepast bij decentrale overheden? Welke ervaringen (positief zowel als negatief) zijn hiermee opgedaan? Is met het ESR als uitgangspunt nemen een groot deel van de complexiteit en het mogelijk geknoei met afschrijvingstermijnen verdwenen? Kan dit helder worden toegelicht?

Antwoord

Het ESR bevat de registratieregels die moeten worden toegepast om een onderling samenhangende, betrouwbare en vergelijkbare beschrijving van de economieën van de Europese lidstaten te verkrijgen. Het ESR bevat onder andere richtlijnen ten aanzien van de afbakening van de overheidsinvesteringen, die op zich bruikbaar zouden kunnen zijn voor de afbakening binnen het baten-lastenstelsel. Het ESR bevat evenwel geen richtlijnen over te hanteren afschrijvingstermijnen. Voor zover bekend wordt het investeringsbegrip uit het ESR nergens gebruikt in de toepassing van het baten-lastenstelsel bij decentrale overheden.

Vraag 98

Wordt de macro-allocatie-functie van de begroting ondergeschikt gemaakt aan het kosteninzicht op micro-niveau?

Antwoord

Het voorstel tot de invoering van het baten-lastenstelsel is gebaseerd op 2 pijlers: verbetering van de allocatie op macro-niveau (wegnemen van de relatieve achterstelling van investeringsuitgaven in het kasstelsel) en verbetering van het kosteninzicht op microniveau ter ondersteuning van resultaatgerichte sturing en vergroting van de doelmatigheid.

Vraag 99

Hoe is de relatie tussen de hele VBTB-operatie die bedoeld is om goed inzicht te krijgen in de kosten van prestaties en de eventuele noodzaak om over te gaan op een baten-lastenstelsel om een goed inzicht te krijgen in de kosten van beleid?

Antwoord

VBTB en het invoeren van een integraal baten-lastenstelsel kunnen elkaar versterken. de VBTB-operatie betekent een belangrijke impuls voor het benoemen van prestatiegegevens bij algemene en strategische doelen. De realisatie van beleid wordt daardoor beter meetbaar. Bij de prestatiegegevens gaat het om zowel inzicht in de doeltreffendheid van beleid als de doelmatigheid. Bij de doelmatigheid wordt gerefereerd aan de kosten van beleid. Door het invoeren van een baten-lastenstelsel worden uitgaven aan perioden toegerekend en aan prestaties. Dat vormt de kern van VBTB. Het voeren van een baten-lastenstelsel kan deze kosten rechtstreeks uit de administratie afleiden.

Vraag 100

Het argument hulpmiddel om de doelmatigheid op micro-niveau te bevorderen kan bij de huidige agentschappen tot op heden nog niet worden aangetoond. Op welke wijze gaat de regering de begrotingspresentatie verbeteren, zodat een begroting op basis van het baten-lastenstelsel beter inzichtelijk is dan de huidige agentschapsbegrotingen? Op grond waarvan gaat het kabinet ervan uit dat in de toekomst wel kan worden aangetoond dat het hanteren van een baten-lastenstelsel leidt tot een grotere doelmatigheid van beleidsuitvoering?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 99.

Vraag 101

Op bladzijde 88 wordt gemeld dat door het bereikte EMU-overschot er geen budgettaire belemmering meer is voor de invoering van een integraal baten-lastenstelsel. Kan worden medegedeeld hoe groot het overschot van het EMU-saldo minimaal moet bedragen om veilig over te stappen op een baten-lastenstelsel?

Antwoord

Een structureel positief teken lijkt hiervoor voldoende gelet op de omvang van de kapitaaluitgaven van het Rijk en daarmee mogelijk gepaard gaande incidentele fluctuaties.

Vraag 102

Kan meer duidelijkheid worden verschaft over de exacte daling van de EMU-staatsschuld? Bedraagt deze daling inderdaad maar 1,9 miljard? Hoe verhoudt zich dat dan met de inkomstenmeevaller van 20,7 miljard?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 34.

Vraag 103

Kan het verschil in de inkomstenmeevaller voor het jaar 2000 tussen de MEV (16,5 mld) en de Miljoenennota worden verklaard?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 17.

Vraag 104

Hoe hoog is in concreto de economische groeiraming voor 2002 die is gebaseerd op het behoedzame scenario?

Antwoord


2,1%.

Vraag 105

Kan worden medegedeeld waardoor het verschil in de overschrijding van de ijklat van de belastingopbrengsten in de Miljoenennota (f 13,8 mld) en de MEV (f 17 mld) wordt veroorzaakt?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 17.

Vraag 106

Kan helder worden uitgelegd waneer een bepaalde fiscale regeling als belastinguitgave wordt aangemerkt en dus niet tot de primaire heffingsstructuur van de wet wordt gerekend?

Antwoord

Nee. Een algemeen aanvaarde definitie van het begrip belastinguitgave (tax expenditure) ontbreekt. Ook in OESO-verband is het niet mogelijk gebleken om overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke definitie voor dit begrip. In het in 1996 gepubliceerde rapport Tax expenditures, recent experiences is er om die reden uiteindelijk voor gekozen om de aan dat rapport meewerkende landen volgens hun eigen definitie over belastinguitgaven te laten rapporteren. Voor de Nederlandse belastinguitgaven wordt uitgegaan van de definitie die geformuleerd is in het rapport Belastinguitgaven in de Nederlandse inkomstenbelasting en de loonbelasting (Ministerie van Financiën, 1987). Deze definitie luidt als volgt: Een belastinguitgave is een overheidsuitgave in de vorm van een derving of een uitstel van belastingontvangsten die voortvloeit uit een voorziening in de wet voor zover die voorziening niet in overeenstemming is met de primaire heffingsstructuur van de wet. Op bladzijde 130 van de Miljoennota 2001 wordt een overzicht gegeven van de elementen die onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 respectievelijk de nieuwe Wet inkomstenbelasting 2001 tot de primaire heffingsstructuur kunnen worden gerekend. Daarbij moet echter worden opgemerkt dat het begrip primaire heffingsstructuur op verschillende manieren kan worden ingevuld en dat het een begip is dat zich in de loop van de tijd voortdurend ontwikkelt. Als gevolg daarvan zal er altijd een grijs gebied blijven bestaan van regelingen die door sommigen wel en door anderen niet als belastinguitgaven worden gezien.

Vraag 107

De nieuwe Wet inkomstenbelasting 2001 kent een andere primaire heffingsstructuur dan de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Kan aangegeven worden wat deze wijziging betekent voor wat onder belastinguitgaven moet worden verstaan? Er wordt gesteld dat - gelet op het grijze gebied - hierbij keuzes moeten worden gemaakt. Kan hiertoe nu of op korte termijn een eerste aanzet gemaakt worden. Kunnen argumenten voor een brede dan wel enge definitie van het begrip belastinguitgaven worden gegeven? Kan de keuze van het kabinet naast andere varianten, waarbij de definitie iets breder wordt toegepast, worden gelegd waarna de Kamer hierover kan discussiëren?

Antwoord

Onder meer als gevolg van de introductie van de analytische boxenstructuur, de heffingskortingen en de forfaitaire vermogensrendementsheffing en het vervallen van de bijzondere tarieven, kent de Wet inkomstenbelasting 2001 een andere primaire heffingsstructuur dan de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dit heeft tot gevolg dat er belastinguitgaven zullen verdwijnen dan wel van karakter zullen verandern en dat er nieuwe belastinguitgaven bij zullen komen. Zo behoren onder de huidige Wet op de inkomstenbelasting 1964 bijvoorbeeld de tariefgroepindelingen met bijbehorende belastingvrije sommen tot de primaire heffingsstructuur, terwijl dat onder de Wet inkomstenblasting 2001 de tariefgroepindelingen met bijbehorende heffingskortingen zullen zijn. Evenals voor de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geldt ook voor de Wet inkomstenbelasting 2001 het uitgangspunt dat het begrip primaire heffingsstructuur op verschillende manieren kan worden ingevuld en dat het zich in de loop van de tijd voortdurend ontwikkelt. Uit tabel 4.4.1 van de Miljoenennota 2001, waarin onder meer een overzicht is opgenomen van belastinguitgaven die als gevolg van de Belastingherziening 2001 zullen verdwijnen en belastinguitgaven die als gevolg van de Belastingherziening 2001zullen worden geïntroduceerd, blijkt welke afwegingen de regering naar huidige inzichten heeft gemaakt. Het spreekt daarbij vanzelf dat het hanteren van een engere definitie ertoe zou leiden dat bepaalde maatregelen niet langer als belastinguitgave zullen kwalificeren (bijvoorbeeld het algemeen heffingsvrij vermogen in de forfaitaire vermogensrendementsheffing) en dat omgekeerd een ruimere definitie ertoe zou leiden dat bepaalde maatregelen de kwalificatie van belastinguitgave zullen verwerven (bijvoorbeeld de aftrek van hypotheekrente ter zake van de eigen woning in box I). Een open en brede discussie over belastinguitgaven zal moeten uitwijzen welke afwegingen hierover in de toekomst gemaakt zullen worden. Gegeven de in paragraaf 4.8 van bijlage 4 van de Miljoenennota 2001 (Toetsingskader fiscale instrumenten) gesignaleerde verwevenheid van de begippen belastinguitgave en fiscale stimuleringsregeling zou een denkrichting kunnen zijn om de definitie van belastinguitgave meer toe te spitsen op de definitie voor fiscale stimuleringsregeling.

Vraag 108

Is het mogelijk om aan te geven voor welke regelingen goede ramingen van derving wel mogelijk zijn en voor welke niet of minder. Welke activiteiten worden momenteel ondernomen om de beheersbaarheid van de belastinguitgaven te verhogen? Van welke belastinguitgaven kan informatie over operationele beleidsdoelen worden geleverd?

Antwoord

Uitgangspunt is dat voor alle belastinguitgaven een raming van de budgettaire derving kan worden gemaakt. Het verschil in nauwkeurigheid waarmee dat kan gebeuren hangt samen met de mate waarin en de termijn waarop informatie kan worden verkregen over de mate waarin daadwerkelijk van regelingen gebruik wordt gemaakt. Grosso modo komt dit erop neer dat belastinguitgaven die de vorm hebben van een afdrachtsvermindering in de loonbelasting nauwkeurig kunnen worden geraamd, aangezien de daarmee gemoeide belastingderving rechtstreeks valt af te leiden uit de maandelijks te verstrekken loonbelastinggegevens. Voor belastinguitgaven in de vorm van een aftrekpost of vrijstelling in de sfeer van de inkomstenbelasting geldt dat veronderstellingen gemaakt zullen moeten worden over het marginale tarief waartegen de desbetreffende aftrekpost of vrijstelling in aanmerking wordt genomen. In veel gevallen kan dit vrij nauwkeurig geschieden, omdat gebruik kan worden gemaakt van een representatieve steekproef van belastingplichtigen, waarbij door middel van microsimulatie de totale budgettaire opbrengst zonder het bestaan van een bepaalde belastinguitgave kan worden vergeleken met de totale budgettaire opbrengst inclusief de desbetreffende belastinguitgave. Het duurt echter gemiddeld 2 à 3 jaar voordat het gegevensbestand voor een bepaald belastingjaar volledig gevuld is. Voor belastinguitgaven in de inkomstenbelasting waarvoor de budgettaire derving niet met behulp van dergelijke microsimulaties kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld omdat het gebruik van de regeling niet rechtstreeks valt af te leiden uit de aangiftegegevens of omdat het gebruik van de regeling beperkt is tot een relatief klein aantal gevallen, zal de budgettaire derving aan de hand van nader onderzoek moeten worden vastgesteld. Door het gebruik van een regeling te koppelen aan een aanmeldingsprocedure is het mogelijk om ook ex ante een goed inzicht in de met een regeling gemoeide budgettaire derving te verkrijgen. Op de bladzijden 151 tot en met 153 van de Miljoenennota 2001 is aangegeven welke budgetteringstechnieken daarbij mogelijk zijn en in welke mate daar thans ook al gebruik van gemaakt wordt. Door middel van evaluatieonderzoek kan worden nagegaan of (nadere) budgettering van regelingen wenselijk is.

Voor een beschrijving van de operationele doeleinden van belastinguitgaven verwijzen wij naar de desbetreffende onderdelen van de respectievelijke memories van toelichting bij de wetsvoorstellen waarin deze belastinguitgaven zijn geïntroduceerd of gewijzigd. Wel moet daarbij worden bedacht dat, zoals ook wordt gesteld in het in bijlage 4 van de Miljoenennota 2001 opgenomen toetsingskader, het denkbaar is om in gevallen waarin maatregelen tevens deel uitmaken van meer algemeen inkomensbeleid minder stringente eisen te stellen aan de (toetsbaarheid van de) specifieke instrumentele doelstellingen, dan wanneer sprake is van regelingen die uitsluitend op dergelijke specifieke instrumentele doelstellingen zijn gefundeerd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan maatregelen die mede of primair lastenverlichting, inkomensondersteuning of terugsluizing van belastingopbrengsten tot doel hebben. In dergelijke gevallen zal in eerste instantie kunnen worden volstaan met een kwalitatieve inschatting van de meer specifieke instrumentele doelstellingen, aangezien het vooraf formuleren van kwantitatieve targets met betrekking tot dergelijke doelstellingen weinig reële betekenis zou hebben.

Vraag 109

Kan bij de belastinguitgaven die te zien zijn als fiscale stimuleringsregelingen (zoals de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen, de investeringsaftrek, de Tante Agaathregeling en de SPAK) aangegeven worden welke operationele doelen worden nagestreefd? Kunnen de (operationele) doelstellingen voortaan standaard in de bijlage over belastinguitgaven worden aangegeven?

Antwoord

Voor de meer specifieke (operationele) doelstellingen van de als fiscale stimuleringsregeling aan te merken belastinguitgaven verwijzen wij naar de desbetreffende onderdelen van de respectievelijke memories van toelichting bij de wetsvoorstellen waarin deze belastinguitgaven zijn geïntroduceerd of gewijzigd. Voor een samenvattend overzicht van doelstellingen van fiscale stimuleringsregelingen die in de periode 1988-1998 zijn ingesteld of gewijzigd (waaronder de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen, de investeringsaftrek, de Tante Agaathregeling en de SPAK) verwijzen wij voorts naar bijlage II.1 van het rapport Belastingen als beleidsinstrument van de Algemene Rekenkamer (kamerstukken II, 1998/99, 26 452, nrs. 1-2). Bij de totstandkoming van de bijlage over belastinguitgaven, die nu voor het derde achtereenvolgende jaar in de miljoenennota is opgenomen, wordt elk jaar opnieuw bezien of het wenselijk is elementen toe te voegen. In dat kader zal volgend jaar worden bezien op welke wijze de bijlage kan worden uitgebreid met een overzicht van (operationele) doelstellingen van belastinguitgaven.

Vraag 110

Waarom wordt de doorstroom-SPAK afgeschaft? Waarop is het bedrag aan verminderde derving van f 350 miljoen gebaseerd? Valt uit de geraamde 'opbrengst' van 350 miljoen niet af te leiden dat het gebruik van deze maatregel vergeleken met vorige jaar sterk is toegenomen? Zijn er verwachtingen over de omvang van eventuele negatieve neveneffecten bekend en worden deze gecompenseerd? Hoe luidt de evaluatie van de doorstroomSPAK? Zijn er actuele gegevens bekend over de overschrijdingskans van reguliere SPAK-ers?

Antwoord

De afschaffing van de D-SPAK hangt samen met de wens van het kabinet om in 2001 met het zogeheten armoedevalpakket een betekenisvolle eerste stap te zetten gericht op een verlaging van de armoedeval. Zoals in de Miljoenennota 2001 is aangegeven is dit mede gewenst met het oog op de arbeidsmarktsituatie die de afgelopen jaren een structurele verandering heeft ondergaan. Een belangrijk element in dit pakket betreft de additionele verhoging van de arbeidskorting met fl. 85,=. Hiermee is een lastenverlichting gemoeid van 450 mln. Met het oog op een verantwoorde lastenontwikkeling in 2001 acht het Kabinet het niet wenselijk de 450 mln geheel te laten neerslaan in het algemene beeld. Derhalve is voor 350 mln dekking gezocht via het afschaffen van de D-Spak. Dit sluit aan bij een beleid waarbij de nadruk meer ligt op stimulering van het arbeidsaanbod en minder op stimulering van de vraag.

Afschaffing van de D-SPAK acht het Kabinet verantwoord omdat bij overgang naar een beter betaalde baan per saldo geen oploop van de loonkosten hoeft op te treden: bij het invullen van de ontstane vacature kan immers weer een beroep worden gedaan op de SPAK. Bij een overgang naar een andere werkgever is er al helemaal geen probleem. Dit betreft het merendeel van de gevallen. De D-SPAK heeft met andere woorden een betrekkelijke betekenis. Voorts zij opgemerkt dat bij de gesubsidieerde arbeidsregelingen (I/D-banen, WSW) compensatie worden geboden voor het wegvallen van de D-SPAK, omdat deze regelingen deels door de D-SPAK worden gefinancierd. Deze compensatie bedraagt 30 mln. Ten slotte geldt dat het eventuele negatieve effect van het vervallen van de D-SPAK geringer zal zijn in een arbeidsmarkt die wordt gekenmerkt door een groot aantal openstaande vacatures dan in een arbeidsmarkt die wordt gekenmerkt door een groot aanbodoverschot van arbeid.

De raming van het bedrag van de D-SPAK is gebaseerd op realisatiegegevens van de Belastingdienst over 1999 (zowel de reguliere SPAK als de D-SPAK) alsmede een doorstroom-rekenprogramma van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het bedrag van de D-SPAK wordt daarbij geraamd aan de hand van een bedrijvensteekproef (administratiegegevens) en feitelijke doorstroomcijfers. Voorts heeft indexering plaatsgevonden voor de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon.
Vraag 111

Bestaan er voornemens om ook de reguliere SPAK af te schaffen en eventueel om te zetten in een EITC? Hoe ziet het kabinet de mogelijke omzetting van de reguliere SPAK in een EITC als reactie op de veranderde situatie op de arbeidsmarkt (van arbeidsvraagtekort naar arbeidsaanbodtekort)?

Antwoord

Alle concrete kabinetsvoornemens staan in de Miljoenennota.

In het kader van de belastingherziening 2001 zijn de voor- en nadelen van een EITC uitgebreid aan de orde geweest. Zie hiervoor onder andere de analyse in paragraaf 8.3 en box 8.11 van de Belastingen in de 21e Eeuw (Kamerstukken 1997/1998, 25 810, nr. 2). Op basis van de argumenten die destijds ook uitgebreid met de Kamer zijn besproken is de voorkeur gegeven aan de invoering van een arbeidskorting. In het kader van het interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) Toekomst van het arbeidsmarktbeleid zal het arbeidsmarktbeleid en het arbeidsmarktinstrumentarium aan een integrale analyse worden onderworpen.

Vraag 112

Welke veronderstellingen liggen ten grondslag aan de meerjarenraming voor de belastinguitgaven?.

Antwoord

Voor de meerjarenramingen van de belastinguitgaven zijn de ramingen voor 2001 opgehoogd aan de hand van een aantal macro-economische factoren zoals deze ook worden gebruikt bij de meerjarenramingen van de belasting- en premieontvangsten. Zo is bij de meerjarenramingen van de afdrachtvermindering lage lonen rekening gehouden met een toename uit hoofde van een endogene stijging van de opbrengst van de loonbelasting. De ramingen zijn bijgesteld voor een aantal autonome (wets-)wijzigingen.

Vraag 113

Hoe komt het dat in de Miljoenennota 2001 staat dat de rentebetalingen over de schuld ruim f 28 miljard in 2000 (4% BBP, p.53) zijn en in de MEV 2001 f 34 miljard wordt genoemd? (3,5%BBP)

Antwoord

Het bedrag van 28 miljard uit de Miljoenennota betreft de rentebetalingen van het Rijk in 2000. Het bedrag van 34 miljard uit de MEV betreft echter de rentebetalingen van de gehele sector overheid in het jaar 2001.

Vraag 114

Het kabinet presenteert op pagina 142 een aantal nieuwe belastinguitgaven. Kunnen per belastinguitgave de drie zogeheten WWW-vragen beantwoord worden ?

Op basis van welke criteria is bij deze 11 regelingen gekozen voor belastinguitgaven en niet voor subsidies ? Is er, en zo ja hoe groot, belastingderving als gevolg van deze maatregelen ? Kan een meerjarenraming worden verstrekt ?

Antwoord

Zoals te doen gebruikelijk worden nieuwe fiscale maatregelen toegelicht in de desbetreffende wetsvoorstellen. Hieronder wordt derhalve aangegeven van welk wetsvoorstel de afzonderlijke maatregelen onderdeel uitmaken:

Duurzame ondernemersaftrek Belastingplan 2000

Doorschuiving stakingswinst overheidsingrijpen Ondernemerspakket

Algemeen heffingvrij vermogen Wet inkomstenbelasting 2001

Vrijstelling bos- en natuurterreinen en landgoederen Wet inkomstenbelasting 2001

Vrijstellingen voorwerpen van kunst en wetenschap Wet inkomstenbelasting 2001

Vrijstelling vermogen premiespaarregeling en

spaarloonregeling Wet inkomstenbelasting 2001

Persoonsgebonden aftrekposten groen beleggen en

durfkapitaal Ondernemerspakket /


c.q.Belastingplan 2001

Defiscalisering werkaanvaardingspremies Belastingplan 2001

Verhoogde scholingsaftrek / afdrachtvermindering

laaggeschoolden Belastingplan 2001

Afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof Belastingplan 2001

Afdrachtvermindering arbo-bedrijfsmiddelen

non-profitsector Belastingplan 2001

Een meerjarenraming van de belastingderving deze belastinguitgaven wordt gegeven in het overzicht op de paginas 131 en 132 van de Miljoenennota.
Hierbij wordt opgemerkt dat in deze meerjarenraming het budgettaire belang van de post doorschuiving stakingswinst overheidsingrijpen samen met andere regelingen voor het doorschuiven van stakingswinst is opgenomen onder de post Doorschuiving stakingswinst. Daarnaast is nog geen meerjarenraming opgenomen voor de duurzame ondernemersaftrek, aangezien deze pas zal worden ingevoerd nadat daarvoor toestemming wordt verkregen van de Europese Commissie.

Vraag 115

Wanneer kan het tijdens het Algemeen Overleg over het Rekenkameronderzoek Belastingen als beleidsinstrument (Kamerstuk 26 452, nr. 2) toegezegde toetsingskader fiscale instrumenten worden verwacht? Is de Algemene Rekenkamer betrokken (geweest) bij de totstandkoming van dit toetsingskader? Zijn de 11 nieuwe belastinguitgaven aan de hand van het toetsingskader beoordeeld? Zo ja, wat was hiervan de uitkomst?

Antwoord

Het toegezegde toetsingskader voor fiscale instrumenten is opgenomen in paragraaf 4.8 van bijlage 4 van de Miljoenennota 2001. Dit neemt echter niet weg dat - zoals wordt opgemerkt op bladzijde 145 - sprake is van een eerste aanzet, zodat in de toekomst nog nadere uitbreidingen en aanpassingen van dit toetsingskader zullen plaatsvinden. Van deze ontwikkelingen zal jaarlijks verslag worden gedaan in de miljoenennotabijlage over belastinguitgaven. Bij het opstellen van het toetsingskader is rekening gehouden met de aanbevelingen die de Algemene Rekenkamer in het rapport Belastingen als beleidsinstrument (kamerstukken II, 1998/99, 26 452, nrs. 1-2) heeft gedaan. De Algemene Rekenkamer is evenwel niet rechtstreeks betrokken geweest bij het opstellen van het toetsingskader.

Vooropgesteld moet worden dat niet alle 11 vermelde nieuwe belastinguitgaven zijn aan te merken als fiscale stimuleringsregeling. Zoals ook op bladzijde 146 van de Miljoenennota 2001 is aangegeven, valt het heffingsvrije bedrag van de forfaitaire vermogensrendementsheffing bijvoorbeeld naar huidige inzichten wel als een belastinguitgave, maar niet als een fiscale stimuleringsregeling aan te merken. Dit neemt echter niet weg dat - met uitzondering van het element van de specifieke instrumentele doeleinden - de beoordelingscriteria voor fiscale stimuleringsregelingen, zoals geschetst in het toetsingskader, in de meeste gevallen samenvallen met die voor belastinguitgaven. Tegen deze achtergrond kan worden gesteld dat de afweging om de bedoelde nieuwe maatregelen in de fiscale sfeer te treffen voor zover relevant heeft plaatsgevonden op basis van de beoordelingscriteria zoals deze zijn opgenomen in het toetsingskader. Hierbij moet overigens worden bedacht dat deze beoordelingscriteria op zich ook niet nieuw zijn, aangezien met het toetsingskader wordt voortgebouwd op de al bestaande toetsingskaders voor fiscale instrumenten.

Vraag 116

Is het vanuit het oogpunt van doelmatigheid niet ongewenst dat, indien een subsidie geschikter is dan een fiscale faciliteit, toch niet zonder meer voor een subsidie wordt gekozen?

Antwoord

Zoals aangegeven op bladzijde 145 van de Miljoenennota 2001 mag het enkele feit dat in onderscheiden gevallen een subsidie ingevolge een op basis van het toetsingskader gemaakte afweging geschikter is dan een fiscale faciliteit er niet toe leiden dat zonder meer voor een subsidie wordt gekozen, aangezien voor die afweging mede de beschikbare ruimte binnen het uitgavenkader van belang is. Dit neemt overigens niet weg dat indien een op basis van het toetsingskader gemaakte afweging zou uitvallen in het voordeel van een fiscale maatregel, daarbij tevens de inpasbaarheid van die maatregel binnen de relevante budgettaire kaders in de afweging is betrokken, aangezien deze mede een onderdeel vormt van het toetsingskader.

Vraag 117

Kan een overzicht gegeven worden van de rijksbrede kosten ten behoeve van asielzoekers in de jaren 2000, 2001 en 2002?

Antwoord

Bijgevoegd wordt een overzicht gegeven van de rijksbrede kosten t.b.v. asielzoekers in de jaren 2000, 2001 en 2002. In dit overzicht wordt alleen ingegaan op de kosten van het asielbeleid tot het moment van statusverlening.

Kosten asiel 2000 t/m 2002 (x 1.000)

2000

2001

2002

Justitie

Bijdrage IND

403700

372000

368000

Opvang asielzoekers

2016000

2102000

1722000

Ama's

375900

237700

237700

Tolken

38000

35000

35000

Vreemdelingenkamers

80000

79000

66000

Rechtsbijstand

109000

101000

121000

BZK

Politie (azc's)

157000

164100

136800

Raad van State

Bezwaar en beroep

10000

25000

25000

OCW

Onderwijs asielopvang

132000

132000

110000

Defensie

KMAR

218900

219800

219600

Totaal

3540500

3467600

3041100

Vraag 118

Waarom wordt, in tegenstelling tot alle andere begrotingen, het EZ-beleid het best weerspiegeld in verplichtingenbedragen?

Antwoord

De beleidsuitgaven van EZ kenmerken zich door het vaak sterk uiteenlopen van het moment waarop de verplichting tot het betalen van de subsidie of bijdrage wordt aangegaan, en het moment waarop dan wel de periode waarin de subsidie of bijdrage voor vaak meerjarige projecten daadwerkelijk wordt opgevraagd en betaald.

Omdat met het aangaan van de verplichting invulling wordt gegeven aan het te voeren beleid, en daarmee dan tevens de omvang van de daaruit voortvloeiende kasuitgaven (vaak in latere jaren) wordt vastgelegd, geven de verplichtingenbedragen het beste inzicht in het EZ-beleid.

Vraag 119

Kunnen de verkoopstop bij de landbouwgronden en de gevolgen daarvan voor de ramingen worden toegelicht?

Antwoord

Over de achtergrond van de verkoopstop bij de agrarische landbouwgronden is de Kamer in een eerder stadium middels een brief geïnformeerd (Kamerstukken II 1999/00, 24 490, nr. 14). Tevens is de verkoopstop aan de orde gekomen tijdens een Algemeen Overleg met de vaste Kamercommissies van Financiën en Landbouw op 31 mei j.l. Daarbij is toegezegd de Kamer voor 1 april 2001 te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de verkoopstop.

De budgettaire gevolgen van de verkoopstop zijn verwerkt op de Financiën-begroting (IXB, ontvangstenartikel 01.06 Ontvangsten uit verkoop Domeinen). Wanneer duidelijkheid bestaat over het moment en voorwaarden waaronder de verkopen worden hervat, zullen de ramingen worden aangepast aan deze nieuwe uitgangspunten.

Vraag 120

Uit welke onderdelen bestaat de loonbijstelling voor de Rijksbegroting, en kan de opbouw daarvan worden toegelicht?

Antwoord

Op de aanvullende post arbeidsvoorwaarden worden de middelen gereserveerd die nodig zijn om de loongevoelige uitgaven op de verschillende begrotingen te indexeren. De omvang van deze middelen wordt bepaald door de ruimte die ontstaat uit het referentiemodel.

In dit referentiemodel is geregeld dat de loonontwikkeling zoals deze zich in de markt voordoet in principe wordt doorvertaald naar de overheidssectoren. Deze loonontwikkeling bestaat uit de mutatie in de markt van de contractloonontwikkeling, adv en sociale lasten van de werkgever zoals deze door het CPB wordt berekend.

Ieder jaar bij Voorjaarsnota wordt een loonbijstellingstranche naar de verschillende begrotingen overgeboekt, zodat deze op het loonniveau van het desbetreffende jaar wordt gebracht.

Vraag 121

Hoe verhouden de in de Miljoenennota begrote kosten voor de invoering van VBTB in de periode 2002-2004 van in totaal f 75 miljoen zich tot de voorlopige taxatie van f 200 miljoen in de voortgangsrapportage VBTB van 8 mei 2000?

Antwoord

In de periode 2000-2005 heeft het kabinet in totaal f 200 miljoen uitgetrokken voor de invoering van VBTB; 50 miljoen in 2000 en 2001 en 25 miljoen van 2002 tot en met 2005. De bedragen voor 2000 en 2001 zijn reeds van de aanvullende post overgeboekt naar de verschillende departementen. De bedragen voor na 2001 staan vooralsnog geparkeerd op de aanvullende post Algemeen. Aangezien 2005 in de Verticale Toelichting nog niet apart wordt gepresenteerd zit dit bedrag in de totaalreeks extrapolatie. In totaal dus 200 miljoen.

Vraag 122

Waar zijn de amendementen op de eerste suppletoire begrotingen voor wat betreft de aanvullende post Algemeen terug te vinden? En hoeveel is er nu nog voor publiek-private samenwerking gereserveerd op deze begrotingspost.

Antwoord

De amendementen op de eerste suppletoire begrotingen raken voor wat betreft de aanvullende post de dekking ten aanzien van publiek-private samenwerking en SUWI. Van de 100 miljoen PPS is 62,5 miljoen ingezet voor de dekking van de door de Tweede Kamer ingediende amendementen. Derhalve resteert voor PPS in 2000 nog een bedrag van 37,5 miljoen. Daarnaast is voor de dekking van de amendementen het resterende bedrag voor SUWI op de aanvullende post voor 2000 van 100 miljoen ingezet en resteert daarvoor nog 14 miljoen.

Vraag 123

Zijn de verplichtingen- en uitgavenbedragen voor de algemene uitkering aan gemeenten en provincies vanaf 2000 structureel verhoogd op grond van de amendementen 27121 nr. 7 en 27122 nr. 5? Zo neen, waarom niet?

Hoe kan worden geregeld dat dit geld daadwerkelijk wordt besteed aan lokale en regionale omroepen?

Antwoord

Voor zowel het gemeentefonds als het provinciefonds zijn de extra middelen vanwege de amendementen voor het begrotingsjaar 2000 toegevoegd aan de algemene uitkering.

De extra middelen voor 2000 zijn niet structureel doorgetrokken naar de jaren na 2000.

Over de hoogte van de structurele compensatie voor gemeenten en provincies is eerder overeenstemming bereikt met de besturen van de VNG en het IPO. De fondsbeheerders zullen in een brief aan de Tweede Kamer, zoals aangekondigd in de memories van toelichting bij de begroting van het gemeentefonds en het provinciefonds voor 2001, hun voornemen om de effecten van de amendementen niet structureel door te trekken naar de jaren na 2000 nader toelichten.

Voor wat betreft de daadwerkelijke besteding van de middelen aan de lokale en regionale omroepen wordt het volgende opgemerkt. De middelen die zijn opgenomen in het gemeentefonds en het provinciefonds zijn algemene middelen; ze zijn vrij aanwendbaar. De middelen kunnen niet worden geoormerkt. Er is dus geen garantie dat de gemeenten en provincies de middelen besteden aan lokale en regionale omroepen.

De staatssecretaris van OCW, de heer van der Ploeg, heeft op 14 juni jl. overleg gevoerd met de VNG en het IPO. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de Tweede Kamer duidelijk het signaal heeft afgegeven dat voorkomen moet worden dat de middelen die in verband met de afschaffing van de lokale en regionale opslagen op de omroepbijdrage naar het gemeentefonds en het provinciefonds zijn overgeheveld, aan andere zaken worden besteed.

Met het IPO en de VNG is afgesproken dat het IPO en de VNG activiteiten zullen ontplooien om het belang van het onderwerp indringend onder de aandacht van de provincies en de gemeenten te brengen.

Vraag 124

Uit het oogpunt van realistisch ramen is het zeer onbevredigend dat het kabinet geen concreter inzicht geeft in de te verwachten ontvangsten de komende jaren. Welke maatregelen overweegt het kabinet om daar in de toekomst in te kunnen voorzien?

Antwoord

De Nederlandse ontvangsten uit de EU-beleidsuitgaven komen terecht bij het Rijk, decentrale overheden, bedrijven en particulieren. Deze spreiding van de ontvangsten bemoeilijkt het ramen ervan. Ook kan de uitvoering van diverse EU-programmas niet altijd goed worden ingeschat. De Nederlandse ontvangsten hebben daarnaast deels een incidenteel karakter dat niet kan worden geraamd. Een voorbeeld hiervan zijn de compensaties die Nederland in 1997 ontving als bijdrage in de bestrijding van de varkenspest. Vanwege deze belemmeringen bij het ramen van de ontvangsten, worden de ontvangsten globaal geschat door middel van de verwachte Nederlandse aandelen in de EU-landbouwuitgaven, -structuuruitgaven en -intern beleiduitgaven. Dit zijn dus schattingen op een hoog aggregatieniveau, die met de nodige onzekerheden zijn omgeven. Op basis hiervan is de inschatting dat de Nederlandse ontvangsten van de EU de komende jaren rond de E 2 miljard zullen liggen.

Vraag 125

Hoe verhoudt zich de geringe daling van het cijfer van de staatsschuld van 2000 op 2001 tot de mededeling (Hoofdpunten van het Regeringsbeleid, p. 5) dat de staatsschuld in 2001 met 21,4 miljard wordt afgelost?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 34

Vraag 126

Op welke wijze wordt het vermogen van het AOW-spaarfonds verwerkt in de cijferopstelling over de EMU-schuld?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 39.

Vraag 127

Waarom neemt het exploitatiesaldo van de sociale fondsen zo fors af (namelijk van f 12,6 miljard naar f 0,9 miljard)? Wat zijn daarvan de consequenties?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 61.

Vraag 128

Op welke wijze zal het kabinet gevolg geven aan de analyses uit de bijlage omtrent de fiscale aspecten van het eigenwoningbezit ?

Antwoord

Zoals uit bijlage 13 naar voren komt ziet het kabinet thans geen aanleiding om de fiscale regelgeving met betrekking tot het eigenwoningbezit aan te passen.

Vraag 129

Kan een cijfermatige onderbouwing gegeven worden van de bijstelling van het huurwaardepercentage c.q. eigenwoningforfait van 1,25% naar 0,8% ? Kan worden aangegeven waarom deze beleidswijziging (ten aanzien van wat er in de wet stond) niet als lastenverlichting wordt aangemerkt, maar als tegenvaller in de belastinginkomsten?

Antwoord

Het lagere huurwaardepercentage correspondeert enerzijds met een gemiddelde WOZ-waardestijging tussen 1 januari 1995 en 1 januari 1999 die zou kunnen liggen tussen de 51% en 60%, en anderzijds met een indexering voor de huurstijging van 2,6% per 1 juli 2000. Omdat deze aanpassingen per saldo niet leiden tot een lagere belastingopbrengst, zullen eigen woningbezitters als groep dan ook geen lastenverlichting ten opzichte van 2000 ervaren (zie ook het antwoord op vraag 130). Uit onderzoeken van het CBS in samenwerking met de Waarderingskamer, en van de Belastingdienst blijkt dat de gemiddelde stijging van de WOZ-waarden naar verwachting tenminste 50% zal bedragen. Gegeven de onzekerheid omtrent de exacte hoogte van de gemiddelde WOZ-waardestijging en gegeven de neerwaartse afronding die een rol speelt bij de wettelijke vaststelling van het huurwaardepercentage, wordt nu verondersteld dat in 2001 geen additionele belastingopbrengsten noch een derving van belastingopbrengsten zal optreden in samenhang met de voorgestelde aanpassingen. In de raming voor 2001 is dus geen rekening gehouden met een tegenvaller bij de belastinginkomsten.

Vraag 130

Moet het verschil in de totale lastenverlichting voor het jaar 2001 tussen het CPB (7 miljard) en de Miljoenennota (6,6 miljard) grotendeels worden verklaard uit een definitiediscussie over wat onder lastenverlichting moet worden verstaan en dat het specifiek ging om de vraag of de verlaging van het huurwaardeforfait met 400 miljoen meer dan wanneer de wettelijke systematiek was gevolgd wel of niet als lastenverlichting zou moeten worden gekwalificeerd? Kan duidelijkheid worden gegeven wat volgens het Ministerie van Financiën onder lastenverlichting wordt verstaan en wat volgens het CPB onder lastenverlichting wordt verstaan?

Antwoord:

Zowel het Ministerie van Financiën als het CPB raamt op basis van eigen inzichten de micolastenontwikkeling. Daarbij kunnen verschillen van inzicht over het budgettaire effect van bepaalde maatregelen en over het karakter van maatregelen (wel of niet relevant voor de microlastenontwikkeling) niet worden uitgesloten. In de Miljoenennota 2001 werd de lastenverlichting voor 2001 door het kabinet geraamd op 6,6 miljard (dat is exclusief de aanvullende maatregelen voor de vervoersector en de bij de Algemene Politieke Beschouwingen besproken maatregelen). Het CPB gaat in de MEV uit van 7 miljard lastenverlichting.

Het verschil van inzicht over de lastenontwikkeling wordt, zoals ook in de vraag gesuggereerd, inderdaad in grote mate bepaald door een andere verwerking van de indexatie van het huurwaardeforfait. Het CPB is van mening dat het gekozen eigenwoningforfait-percentage neerwaarts afwijkt van de wettelijk bepaalde indexeringssystematiek en daarmee een lastenverlichting impliceert van ca. 0,4 miljard. Het kabinet is echter van mening dat ten opzichte van 2000 er voor huizenbezitters in 2001 geen sprake is van een lastenverlichting. Tegenover het lagere percentage staan hogere huizenprijzen (op basis van gemiddelde WOZ-waardestijging) waardoor de grondslag op macroniveau bezien naar verwachting niet zal dalen. Het voorstel om bij de indexering geen rekening te houden met de huurontwikkeling in de periode 1997-1999 is geen afwijking van hetgeen in de voorgaande jaren is gebeurd. Daarom is er uit hoofde hiervan ook geen sprake van een lastenverlichting. Voor een verdere toelichting op de uitgangspunten die worden gehanteerd bij de berekening van de microlastenontwikkeling kan worden verwezen naar het tiende rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte.

Vraag 131

De raming voor de aardgasbaten is gebaseerd op de volgende veronderstellingen omtrent olieprijs en dollarkoers:

Veronderstellingen 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2 010

Olieprijs
($/vat) 26,50 24,00 17,50 17,50 17,50 17,50 17,50 17,50 17,50 17,50 17,50

Dollarkoers
(/$) 2,30 2,20 2,05 2,05 2,05 2,05 2,05 2,05 2,05 2,05 2,05

Kan een gevoeligheidsanalyse van de aardgasbaten worden gegeven, gezien het feit dat de actuele dollar- en oliekoers een stuk hoger zijn dan de geraamde koersen? Kan hierbij specifiek aandacht worden besteed aan de gevolgen voor het FES?

Antwoord

Een structurele verhoging van de olieprijs met 1 dollar dan wel een structurele verhoging van de dollarkoers met 0,10 dollarcent zal leiden tot een structurele verhoging van de totale aardgasbaten (incl. VPB) van 450-500 mln per jaar. Dit leidt tot een structurele toename van de FES-voeding van 125-140 mln per jaar.

Vragen en antwoorden Macro Economische Verkenning 2001

Vraag 1

Verdient het naar de mening van het CPB geen voorkeur om voortaan de gehele kabinetsperiode te betrekken in zijn voorspellingen? De voorspellingen die verder weg in de toekomst liggen, hebben dan wel een minder zeker karakter, maar zij zullen wel realistischer zijn dan in de huidige situatie, waarin de regeerakkoord veronderstellingen worden gehanteerd.

Antwoord

Het CPB acht het niet zinvol om ramingen op te stellen voor meer dan 1 jaar vooruit. De onzekerheden daarbij zijn veel te groot. Om die reden werkt het CPB voor de middellange en de lange termijn met scenarios welke doorgaans eens in de twee jaar gemaakt worden. In april 2000 heeft het CPB aan de hand van twee varianten de economische ontwikkeling voor de periode 2001-2002 geschetst (Economisch beeld 2001-2002; enkele varianten, Werkdocument 123).

Vraag 2

Wat zijn de nieuwe koopkrachtplaatjes naar aanleiding van de aangenomen moties tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen 2001?

Antwoord

Het koopkrachtbeeld (inclusief niet-standaardeffecten) ziet er inclusief de bij de Algemene Politieke Beschouwingen aangenomen moties voor 2001 als volgt uit. Dit koopkrachtbeeld is ook gepresenteerd in het tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen in de TK verspreide memo (21 september 2000).

MEV 2001

Inkomenseffecten moties APB

MEV 2001

incl. moties APB

Sociaal minimum a.s.




0



Sociaal minimum m.k.




+1




WML a.s. z.k.



0



Modaal a.s. z.k.

4

0

4


2 x Modaal a.s. z.k.



0




3 x Modaal a.s. z.k.

5

0

5

WML av m.k.




+1¼




Modaal av m.k.









2 x Modaal av m.k.









3 x Modaal av m.k.








AOW a.s.



0



AOW a.s. + 30000

2

0

2

AOW gehuwd



0



AOW gehuwd + 30000

2

0

2

Vraag 3

Kan nu reeds worden weergegeven wat de inkomenseffecten zijn van de door de ziektekostenverzekeraars voorgenomen premieverhoging?

Antwoord

Bij de raming van de hoogte van de particuliere ziektekostenpremie voor 2001 is reeds rekening gehouden met de uitgaven intensivering in de Zorg van 3,7 miljard gulden. Op basis van deze uitgaven intensivering is een verhoging van de totale particuliere ziektekostenpremie (inclusief premies WTZ en MOOZ en de eigen betalingen) met 6,7% geraamd. De kale particuliere ziektekostenpremie (exclusief premies WTZ en MOOZ en de eigen betalingen) stijgt met 6,5%. Deze premieverhoging is reeds verwerkt in het koopkrachtbeeld zoals weergegeven in de MEV en de Sociale Nota.

Vraag 4

In hoeverre verschilt de gevoeligheid van de economie voor vertrouwensverlies van internationale beleggers in Nederland van die in de Verenigde Staten?

Antwoord

Op bladzijde 15 van de MEV 2001 wordt geconstateerd: De particuliere spaarquote (van de VS) is sterk gedaald en de lopende rekening kent een zeer omvangrijk tekort; voor 2001 wordt een tekort van 5¼% BBP voorzien. Dat maakt de Amerikaanse economie zeer gevoelig voor vertrouwensverlies van internationale beleggers. Daarmee wordt gewezen op het risico van een afnemende bereidheid van internationale beleggers om de Amerikaanse tekorten te financieren. Dat zou een scherpe dollarval kunnen uitlokken, mogelijk gepaard gaande met een (relatieve) verhoging van de Amerikaanse rente.

Vraag 5

Kunnen de effecten in 2001 van de onzekerheidsvarianten t.a.v. een hogere olieprijs en een hogere dollarkoers becijferd worden voor:


- de over-/onderschrijding van de uitgavenkaders;

- de overschrijding van de inkomstenijklijn;

- de aardgasbaten;


- het FES

Antwoord

Effecten in 2001 (in mrd.) van:

A: hogere olieprijs ($30 per vat);

B: hogere dollarkoers (¦2,40)

A B

Overschrijding ijklijn voor de uitgaven -¼ -¾

Overschrijding ijklat voor de inkomsten ½ 1

Aardgasbaten 1 ¼

FES ½ 0

In dit overzicht is onder aardgasbaten de totale mutatie in de aardgasbaten opgenomen. Deze is deels (58,5%) relevant voor de ijklat aardgasbaten en deels (41,5%) relevant voor de FES-ontvangsten.

Vraag 6

Het CPB verwacht dat de uitgavenverhoging die voor dit jaar is afgesproken, niet meer volledig tot besteding zal komen. Deelt het kabinet deze mening en zo ja, welk bedrag zal volgens het kabinet niet meer tot besteding komen in 2000?

Antwoord

Een volledige zekerheid dat alle middelen in 2000 tot besteding zullen komen kan het kabinet niet geven. Indien niet alle middelen dit jaar tot besteding komen bestaat er de mogelijkheid om (een deel van) die middelen mee te nemen naar het volgende jaar via de eindejaarsmarge.

Vraag 7

Wordt met de uitspraak "Als een aanhoudend krappe arbeidsmarkt opwaartse druk blijft uitoefenen op de reële lonen, impliceert dit navenante risico's voor het beslag van de loongevoelige uitgaven in de collectieve sector" bedoeld dat hoge loonstijgingen de overheid - binnen de bestaande budgettaire afspraken - kunnen dwingen tot bezuinigingen op andere uitgaven?

Antwoord

Met de geciteerde tekst wordt bedoeld te zeggen dat hierdoor de ruimte onder het uitgavenkader minder groot wordt c.q. dat het uitgavenkader door een sterke stijging van de reële lonen kan worden overschreden. Voeg hier overigens aan toe dat tegelijkertijd andere economische variabelen die eveneens van invloed zijn op de uitgaventoetsing ook een verandering kunnen ondergaan. Hoe met eventuele over- of onderschrijdingen omgegaan wordt dient onderwerp te zijn van nadere besluitvorming.

Vraag 8

Waarom is het niet mogelijk om recentere cijfers over ICT te presenteren?

Antwoord 8

De in tabel II.1.3 vermelde cijfers met betrekking tot de ICT in het buitenland zijn ontleend aan een zeer recente OESO-studie (P. Schreyer (2000), zie voetnoot van de tabel). Daarmee vergelijkbare cijfers voor de jaren na 1996 zijn nog niet beschikbaar. De schaarse informatie over recentere jaren waaraan op bladzijde 40 wordt gerefereerd betreft met name de volumegroei van de ICT-investeringen in de genoemde landen in 1997 (F. Daveri (2000), Is growth an information technology play in Europe too?) en gegevens voor Nederland en de Verenigde Staten tot en met 1999, zoals vermeld in CPB Werkdocument 125. Het OESO-secretariaat hoopt eind van dit jaar een aanvullende studie af te ronden, en in december aanstaande zal een praeadvies van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde verschijnen over dit onderwerp. Vraag 9

In hoeverre wordt de (helling van) de yield curve door het CPB gebruikt als conjunctuurindicator, en op welke termijn leiden veranderingen in de helling van de yield curve tot veranderingen in de economische groei?

Antwoord

De yield curve is een van de conjunctuurindicatoren waar het CPB naar kijkt bij het inschatten van de komende economische ontwikkeling. Halverwege dit jaar is de yield curve gaan afvlakken. Empirisch onderzoek van Goodhart en Hoffman (2000) suggereert dat een afvlakking van de helling van de yield spread voor Nederland 4 tot 8 kwartalen later tot een teruggang in de conjunctuur leidt (zie Goodhart, Charles en Boris Hoffman (2000), Asset Prices and the Conduct of Monetary Policy, Mimeo, Financial Markets Group, London School of Economics).

Vraag 10

Het CPB constateert dat het de vraag is of het instrumentarium voldoende zal zijn om de beleidsdoelstellingen voor de woningbouw te halen en dat realisatie van de beleidsdoelstellingen geenszins vanzelfsprekend is. Welke doelstellingen zijn volgens het CPB wel haalbaar met dit instrumentarium? Welk aanvullend instrumentarium is nodig om de beleidsdoelstelling te realiseren?

Antwoord

Het aantal nieuw te bouwen woningen , de sloop, de verkoop van huurwoningen zijn in de Concept- Nota Wonen fors hoger dan de realisaties uit het verleden. Onduidelijk is in dit beleidsdocument hoe deze aantallen kunnen worden gerealiseerd. De bouwopgave omvat een grotere netto productie van woningen dan waar de geactualiseerde VINEX vanuit ging. Er zullen dus nieuwe locaties moeten worden gevonden om aan deze doelstelling te kunnen voldoen.3 Daarnaast gaan de bouwplannen van gemeenten voor stadsgewesten uit van een vrij krappe bouwnorm van 30-33 woningen per ha. In de nog te publiceren Vijfde Nota Ruimtelijke ordening moet dus zowel rekening worden gehouden met meer locaties als met een groter ruimtebeslag per woning dan in de VINEX afspraken en gemeentelijke bouwplannen is aangegeven. Op andere terreinen moeten maatregelen worden genomen om de knelpunten uit het verleden bij het ontwikkelen van locaties te voorkomen. Deze knelpunten hebben ertoe geleid dat de VINEX-afspraken tot 2000 niet werden gehaald. Het gaat hierbij om vertraging bij grondverwerving, vertraging door bezwarenprocedures, milieueffectrapportages, trage besluitvorming over ontsluiting van locaties en vervoers-verbindingen, problemen bij samenwerking tussen gemeenten, gemeentelijke herindelingen en trage contractonderhandelingen.4

Ook de voorgenomen verkoop van 50 000 woningen per jaar lijkt erg ambitieus. Het gevaar dreigt dat woningcorporaties na verkoop van deze aantallen met een minder courante woningvoorraad blijven zitten.5

Vraag 11

In de MEV wordt op pagina 151 een overschrijding van de belasting en aardgasbaten ten opzichte van de inkomstenijklat gepresenteerd van respectievelijk 17 miljard en 2 miljard. In de Miljoenennota (pagina 79) wordt een overschrijding van de belastingopbrengsten en de aardgasbaten ten opzichte van de inkomstenijklat gepresenteerd van respectievelijk 13,8 en 1,4 miljard. Kunnen deze verschillen verklaard worden?

Antwoord

Zie de antwoorden bij de vragen 16, 17, 103 en 105 bij de Miljoenennota 2001.

Vraag 12

Is de verwachte inflatie van 3,5% in 2001 niet aan de lage kant gezien de huidige olie- en dollarprijs die veel hoger is dan waarin de MEV 2001 rekening mee wordt gehouden?

Antwoord 12

In de raming van de MEV 2001 ligt voor de tweede helft van dit jaar een olieprijs van 26 dollar per vat en een dollarkoers van 2,30 besloten. Bovendien wordt een daling van olieprijs en dollarkoers in de loop van volgend jaar verwacht. Op de achtergronden van deze ramingen wordt ingegaan in hoofdstuk II van de MEV 2001. In het kort komt dat er op neer dat een olieprijsdaling wordt verwacht door een verhoging van de productiequota van de OPEC, alsmede van extra aanbod door niet-OPEC-landen, uitgelokt door de huidige hoge prijs (zie pagina 61). Wat betreft de koers van de euro wordt verwacht dat de BBP-groeiverschillen tussen het eurogebied en de Verenigde Staten vanaf het derde kwartaal van dit jaar elkaar niet veel meer ontlopen. Volgend jaar wordt geraamd dat de groei in het eurogebied zelfs hoger is dan in de Verenigde Staten (zie pagina 54). Deze ontwikkelingen zouden de koers van de euro moeten helpen opkrikken t.o.v. het huidige niveau.

Aan de raming voor de olieprijs en de dollarkoers kleven inderdaad opwaartse risicos. Daartoe is een tweetal onzekerheidsvarianten gepresenteerd in de MEV 2001 (pagina 18). De eerste variant betreft de olieprijs. Indien de olieprijs zich zou stabiliseren op 30 dollar per vat (het prijspeil van midden augustus) tot en met het einde van 2001, dan zou de inflatie volgend jaar 0,3 %-punt hoger uitkomen dan in de MEV 2001 is aangegeven. De hogere olieprijs heeft dit jaar al enig effect op de inflatie. Gecumuleerd over de periode vanaf midden augustus 2000 tot en met eind volgend jaar bedraagt het effect 0,4 %-punt.

Wat betreft de tweede variant is berekend wat de gevolgen zouden zijn indien de dollarkoers zich tot eind volgend jaar zou stabiliseren op 2,40 (de koers van midden augustus). Onder deze omstandigheid zou de inflatie volgend jaar 0,5 %-punt hoger uitkomen dan in de MEV 2001 is aangegeven.
Vraag 13

Welke contractloonmutatie verwacht het CPB voor 2002? Kan dit cijfer onderbouwd worden?

Antwoord

Het CPB heeft momenteel geen raming voor 2002.

Vraag 14

De groei van het reële netto nationale inkomen gaat dit jaar voor ongeveer de helft naar gezinnen. Hoe wordt dit berekend?

Antwoord

Het netto nationaal inkomen bedroeg in 1999 710 mld gulden. Daarvan kan 542 mld gulden aan gezinnen worden toegerekend. Dat bedrag bestaat naast het beschikbaar loon- en uitkeringsinkomen van gezinnen (ruim 400 mld gulden) en de collectieve pensioenbesparingen (37 mld gulden) sinds de revisie van de nationale rekeningen in 1999 ook uit de individualiseerbare overheidsconsumptie (ongeveer 100 mld gulden, zie ook pagina 98 van de MEV 2000)

Van de reële NNI-groei (4½% ofwel 32 mld gulden) is dit jaar iets meer dan de helft (17 mld gulden) aan gezinnen toe te rekenen. Dat hangt vooral samen met de verwachte toename van 3% (tabel III.1.1) van het reëel beschikbaar loon- en uitkeringsinkomen (ruim 12 mld gulden). Daarnaast draagt ook de stijging met 4% van de individualiseerbare overheidsconsumptie (ruim 4 mld gulden) bij aan de inkomensgroei van gezinnen.

Vraag 15

De ontwikkeling van de koopkracht is bepaald voor een groep van standaardhuishoudens en voor een representatieve groep van werkelijke huishoudens. Kan bij de werkelijke huishoudens aangegeven worden hoeveel huishoudens Nederland per categorie telt?

Antwoord

Tabel Aantallen huishoudens in Mimos-2 (x1000), 2001

alleenverdiener

tweeverdiener

alleenstaand

totaal

hoofdverdienerwerknemer

3900

0-150% WML

160

{ 390

440

150-250% WML

420

550

>250% WML

290

1370

240

hoofdverdiener uitkeringsgerechtigd

700

<120% WML

110

410

>120% WML

50

{ 100

80

65-plussers

1600

<120% WML

{100

180

800

>120% WML

360

200

Vraag 16

Hoe zijn de inkomenseffecten van de vermogensrendementsheffing in de koopkrachtplaatjes meegenomen?

Antwoord

De effecten van de vermogensrendementsheffing maken onderdeel uit van de niet-standaardeffecten. Naast de effecten van de vermogensrendementsheffing wordt bij de niet-standaardeffecten o.a. ook rekening gehouden met het vervallen van de vermogensbelasting en de belasting op rente- en dividendinkomsten. In de koopkrachtplaatjes zijn gemiddelde niet-standaardeffecten verwerkt. Afhankelijk van de individuele omstandigheden kunnen de niet-standaardeffecten zowel in positieve als in negatieve zin afwijken van het gemiddelde effect.

Vraag 17

AOW'ers met een aanvullend pensioen van circa f 35 000 (alleenstaand) of f 40 000 (gehuwden) ervaren een relatief geringe koopkrachtstijging bij de belastingherziening. Dit komt doordat ze voor de herziening in het lage tarief van de tweede schijf vielen, maar nu voor een deel van hun inkomen in de derde schijf terechtkomen. Hoe groot is deze groep en hoe groot is de koopkrachtstijging van deze groep in 2000 en in 2001?

Antwoord

De groep alleenstaande AOW-ers met een aanvullend pensioen tussen de 30.000 en 40.000 gulden en de groep gehuwde AOW-ers met een aanvullend pensioen tussen de 35.000 en 45.000 gulden omvatten samen ongeveer 2% van het totaal aantal AOW-ers. Voor alleenstaande AOW-ers met een aanvullend pensioen van 35.000 gulden en voor gehuwde AOW-ers met een aanvullend pensioen van 40.000 gulden geldt dat de koopkrachtstijging in 2000 rond de ¼% en in 2001 rond de 2% ligt.

Vraag 18

In het CEP schatte het CPB de onderbesteding op 0,75 miljard. Ook in de MEV verwacht het CPB dat een deel van de investeringen 2000 niet tot besteding zal komen. Om welk bedrag gaat het dan?

Antwoord

Het CPB schat de onderbesteding in 2000 in de MEV op f ¾ mld in. De vraag refereert blijkbaar aan intensiveringen waartoe het kabinet heeft besloten na publicatie van het CEP. Het CPB raamt in de MEV de totale onderschrijding van de uitgaven onder de ijklijn op ¦ ½ mld (zie MEV 2001, p27). De mate waarin dit is toe te schrijven aan afzonderlijke maatregelen is niet in detail aan te geven.

Vraag 19

Welke gevolgen heeft de vertraging in de opbrengst van de vermogensrendementsheffing (¦ 5 mrd beslag op EMU-saldo in 2001) voor de overschrijding van de inkomstenijklat in 2002 en voor het EMU-saldo in 2002?

Antwoord

De vertraging van de belastingopbrengst door het nieuwe stelsel wordt niet geheel, maar wel voor een groot gedeelte, veroorzaakt door de vermogensrendementsheffing. Als gevolg van deze vertraging zal het EMU-saldo ceteris paribus in 2001 incidenteel met ongeveer 0,5% BBP worden belast. In 2002 heeft het hier bedoelde kas/trans-verschil geen effect meer op het EMU-saldo.

Voor de inkomstenijklat 2002 (en 2001) heeft deze vertraging geen gevolgen. Bij de toetsing van de actuele inkomstenraming aan de ijklatten wordt gecorrigeerd voor incidentele factoren, zoals het hier bedoelde tijdelijke kas/trans-verschil. De geraamde overschrijding van de ijklat heeft derhalve betrekking op structurele meevallers. Vraag 20

Kan de snelle toename in de vermogensposities van de sociale fondsen per fonds kwalitatief en kwantitatief worden geanalyseerd, over de periode 1999-2002? Kan hierbij teven de feitelijke ontwikkeling worden afgezet (en verklaard) tegenover de raming behorende bij het Regeerakkoord?

Antwoord

Zie vraag 61 en 127 van de antwoorden bij de vragen Miljoenennota 2001.

Vraag 21

In de MEV 2000 (p.148) wordt aangegeven dat in dit jaar en in het jaar 2001 de collectieve uitgaven naar huidige inzichten f 0,5 miljard onder de ijklijn zullen liggen. Deelt het kabinet deze opvatting van het CPB?

Antwoord

Nee.

Vraag 22

Kan het kabinet ingaan op de kritiek van het CPB dat de fondsen halen bij deze premiestelling 14,5 mld meer binnen dan voor een gezonde bedrijfsvoering noodzakelijk wordt geacht, hetgeen contrasteert met het verzekeringskarakter van deze fondsen?

Antwoord

Allereerst is van belang dat gedurende vele jaren minder premies zijn binnengehaald dan voor een gezonde bedrijfsvoering noodzakelijk was. Thans is dit omgekeerd. Dit vloeit deels voort uit bewuste beleidsbeslissingen. Bij het AWF is bij Miljoenennota 2000 afgesproken dat in het kader van een totaal lastenverlichtingspakket ter verbetering van de koopkracht in 2000, premies hoger werden vastgesteld in verband met de inkomensverdeling. Voor de AOW is in het kader van de oplossing van de loonstrookjesproblematiek van ouderen in 1998 de AOW-premie hoger vastgesteld.

Bij de volksverzekeringen worden de exploitatieoverschotten weggewerkt door de BIKK structureel lager vast te stellen dan op basis van de derving uit hoofde van de heffingskortingen noodzakelijk zou zijn geweest (zie pag. 117, MN 2001). De vermogensoverschotten bij de volksverzekeringen worden grotendeels weggewerkt in 2001 door een incidentele lagere vaststelling van de BIKK. Bij de werknemersverzekeringen zal geen begin worden gemaakt met de afbouw van de vermogensoverschotten via een lagere premievaststelling. Deze keuze vloeit voort uit de aanzienlijke lastenverlichting die in 2001 optreedt in het kader van de stelselherziening. Al met al zal in 2001 een bescheiden stap worden gezet met de afbouw van de vermogenspositie van de centrale sociale fondsen (volksverzekeringen plus werknemersverzekeringen) van fl. 17,4 mld in 2000 tot fl. 14,9 mld in 2001.

Zoals aangegeven in de Miljoenennota 2001 zullen de exploitatie- en vermogensoverschotten in de sociale fondsen een rol spelen bij de vormgeving van de lastenontwikkeling in 2002.

Vraag 23

In hoeverre hebben de belastingmeevallers een structureel, en in hoeverre een incidenteel karakter?

Antwoord

Bij de raming van belastingmeevallers, zoals gepresenteerd in tabel V.4.2 (bladzijde 151) van de MEV, wordt gecorrigeerd voor incidentele factoren. De gepresenteerde meevallers hebben bijgevolg volledig een structureel karakter.

Vraag 24

Waarom wordt de reële rente beschouwd als een structurele, en niet als een conjuncturele determinant van de werkloosheidsvoet? Kan geanalyseerd worden wat het gevolg is voor de werkloosheidsvoet als de reële rente niet alleen beschouwd wordt als 'cost of capital', maar tevens als indicator van te behalen rendement (rekening houdend met risicopremies)?

Antwoord

De reële rente heeft een permanente invloed op het niveau van de werkloosheid en is daarom een determinant van de structurele of evenwichtswerkloosheid, het werkloosheidspercentage waarnaar het economisch systeem tendeert indien de invloeden van buitenaf niet meer wijzigen. De reële rente heeft overigens ook tijdelijke, conjuncturele effecten omdat naast de blijvende verhoging van kapitaalkosten ook effecten op de vraag (consumptie, investeringen) mogen worden verwacht.

De reële rente wordt in de gepresenteerde analyse niet alleen beschouwd als indicator voor de kosten van vreemd vermogen, maar tevens als indicator voor het gewenste, te behalen rendement. Deze rendementseis fluctueert mee met het verloop van de reële rente.

Vraag 25

Volgens de MEV wordt de loonontwikkeling in Nederland de afgelopen dertig jaar verklaard door factoren als de wig, de relatieve uitkeringshoogte en de spanning op de arbeidsmarkt. Met andere woorden, de loonontwikkeling kan worden verklaard uit de conjuncturele situatie en de mate van marktverstoring op de arbeidsmarkt. Mogen we hieruit concluderen dat de causale relatie loopt van conjunctuur naar loonontwikkeling (en niet andersom), en dat het poldermodel dus een mythe is?

Antwoord

Het Akkoord van Wassenaar wordt wel gezien als het begin van een hernieuwde samenwerking tussen vakbonden en werkgeversorganisaties. Deze samenwerking wordt wel aangeduid als het poldermodel. Zoals in voetnoot 10 op blz. 169 reeds is opgemerkt, heeft het Akkoord van Wassenaar niet geleid tot een trendbreuk in het loonvormingsproces. Het akkoord markeerde wel een omslag in de loonkostenontwikkeling, die doorslaggevend was voor het herstel van de werkgelegenheid in de jaren tachtig. Deze gematigde loonkostenontwikkeling werd niet alleen bepaald door de conjuncturele situatie maar tevens door structurele maatregelen die tot stand konden komen dankzij de medewerking van alle betrokken partijen. Deze structurele maatregelen hebben geleid tot een daling van de relatieve uitkeringshoogte en een vermindering van de belasting- en premiedruk en daarmee tot een daling van de structurele werkloosheid.

Vraag 26

Bestaat er empirisch bewijs dat gesubsidieerde werkgelegenheid de onderhandelingspositie van werknemers versterkt en hierdoor een loonopdrijvend effect heeft?

Antwoord

Empirische studies tonen aan dat een stijging van de relatieve uitkeringshoogte een loonopdrijvend effect heeft. Een verbetering van de inkomenspositie van uitkeringsgerechtigden leidt dus tot hogere lonen. De beloning in gesubsidieerde werkgelegenheid is hoger dan de beloning in de werkloosheidssituatie. Een stijging in de deelname in gesubsidieerde werkgelegenheid impliceert derhalve dat de relatieve inkomenspositie van degenen die niet tot de reguliere werkgelegenheid behoren, toeneemt.
Vraag 27

De export van de MOE-landen naar de EU maakt toetreding van de MOE-landen tot de EMU op het eerste gezicht aantrekkelijk. Daar staat tegenover dat het BBP per hoofd van de bevolking in de MOE-landen veel lager is dan in de EU. In hoeverre vormt deze achterstand van de MOE-landen een bezwaar tegen toetreding tot de EMU? Maakt EMU-deelname het economische convergentieproces per saldo moeilijker of makkelijker?

Antwoord

In de MEV-2001 (blz. 188-189) worden diverse voor- en nadelen van toetreding tot de EMU genoemd. Het belangrijkste bezwaar ligt op het terrein van het potentiele asymmetrische conjunctuurverloop tussen de MOE-landen en de euro-zone. Naarmate asymmetrische schokken belangrijker zijn, is het verlies van het wisselkoersinstrument om schokken op te vangen namelijk kostbaarder. Zeker zolang de MOE-landen zich nog in een proces van economische herstructurering bevinden, is het risico op asymmetrische schokken niet denkbeeldig. Dit aspect hangt meer samen met de economische structuur dan met het inkomen per hoofd. De achterstand van het BBP per hoofd in de kandidaat-lidstaten vormt op zichzelf dan ook geen belangrijk bezwaar tegen toetreding tot de EMU.

Het lage BBP per hoofd impliceert wel een probleem voor de kandidaat-lidstaten om te kunnen voldoen aan het inflatie-criterium van de EMU. Immers, zodra MOE-landen convergeren in de richting van het EU-gemiddelde, zal dit waarschijnlijk gepaard gaan met een stijging in de prijs van (niet verhandelbare) diensten. Dit staat bekend als het Balassa-Samuelson effect. De inflatie zal daardoor op een hoger peil liggen in de MOE landen, terwijl de wisselkoers met de euro toch stabiel blijft.

Het is niet op voorhand duidelijk of deelname aan de EMU convergentie bevordert of juist niet. Aan de ene kant kan EMU-deelname de macro-economische stabiliteit in MOE bevorderen en daarmee het investeringsklimaat verbeteren. Dit kan bijdragen aan het convergentieproces. Aan de andere kant kan een asymmetrische schok de werkloosheid sterker doen oplopen indien de flexibiliteit in het wisselkoersinstrument ontbreekt. Dit kan negatief uitpakken voor het convergentie-proces.
Vraag 28

Kan een wat meer doorwrochte analyse worden gegeven van het effect van de toetreding van midden- en oost-Europese landen op de handel, rekening houdend met het fenomeen 'intra industry trade'? In hoeverre zijn de oost-Europese producten geavanceerd genoeg voor de west-Europese markt?

Antwoord

De cijfers laten zien dat het aandeel van de intra-industrie handel tussen MOE en de EU geleidelijk wat toeneemt. Binnen de categorie intra-industrie handel blijken de meeste producten in de MOE-landen evenwel van een lagere kwaliteit. Aturupane e.a. (zie MEV-2001, voetnoot 30, blz. 180) schatten dat dit geldt voor 80 - 90% van de intra-industrie handel. Ondanks het kwaliteitsverschil blijkt er in de EU wel vraag naar de producten uit de MOE-landen. Waarschijnlijk gaat deze vraag ten koste van de import uit derde landen, dat wil zeggen de handel met MOE landen verdringt de handel met landen van buiten Europa.

Vraag 29

Kan de tabel in Bijlage A9 (Collectieve uitgaven naar beleidsmatige clusters) voor de jaren vanaf 1998 ook worden gepresenteerd in miljarden guldens?

Antwoord

Ja, zie hiervoor de onderstaande tabel.

Uitgaven in miljarden guldens, naar beleidsmatige clusters

1998

1999

2000

2001

Defensie



12

13

13

Onderwijs

34

36

39

42

Openbaar bestuur/orde

93



105

110

Infrastructuur

13

13

16

17

Zorg

53

56

62



Sociale zekerheid

97

97



103

Subsidies

18

20



21

Overdrachten buitenland

18

19

20



Rentelasten

37

38

36

34

Coll. uitgaven (excl. kred.)

373

389

411

429

Kredietverlening


4






5
Coll. uitgaven (incl. kred.)

377

393

415

433

Vragen en antwoorden Begroting IX-A 2001

Vraag 1

De aflossing van de gevestigde schuld van het Rijk is gelijk aan de financieringsbehoefte. Per saldo is er dus een financieringsoverschot van nul. De aflossingen in 2001 zijn regulier. Kan de minister aangeven of en zo ja welke vervroegde aflossingsmogelijkheden er zijn en bij welke rentepercentages dit voordelig zou kunnen zijn? (blz.3)

Antwoord

In 2001 is een bedrag van 1,919 miljard euro vervroegd aflosbaar. Op grond van het rente-beeld zal, op het moment dat een lening met vervroegde aflossingsclausule in aanmerking komt voor vervroegde aflossing, worden bepaald of vervroegde aflossing voordelig is. Indien dit het geval is, wordt tot vervroegde aflossing overgegaan. Bij de huidige renteniveaus zou een aanzienlijk deel van het bovengenoemde bedrag voor vervroegde aflossing in aanmerking komen.

Vraag 2

Waarom is het tekort al aangegeven inclusief de opbrengst van de UMTS-veilingen, terwijl in de MN 2001 deze nog niet zijn meegerekend? (blz.4)

Antwoord

Voor de bepaling van de financieringsbehoefte is de kaspositie van de overheid van groot belang. Teneinde een zo goed mogelijke schatting van de kaspositie te maken, worden zoveel mogelijk alle geraamde ontvangsten en uitgaven opgenomen.

In de Miljoenennota is, om het zicht op de structurele ontwikkeling van het feitelijk tekort en het EMU-saldo niet te verstoren, de opbrengst van de veiling van de UMTS-frequenties weergegeven in een voetnoot.

Vraag 3

Hoe verhoudt de al hier genoemde hoogte van de staatsschuld ultimo 2000 (fl. 417.8 miljard) zich tot de in MN 2001 genoemde bedragen (407 miljard) (blz.5)?

Antwoord

Het verschil heeft betrekking op het onderscheid tussen uitstaande schuld en de schuld volgens de EMU definitie. Dit blijkt onder andere uit tabel 10.3 (in de bijlage) van de MN. De uitstaande schuld, zoals in die tabel weergegeven is: 406,5 miljard gevestigde schuld + 11,5 miljard vlottende schuld. Dit totaal, 418 miljard, is gemeld in begroting IXA (tussen de bedragen zit een klein afrondingsverschil). Door in tabel 10.3 (in de bijlage) van de Miljoenennota bij het cijfer van de uitstaande schuld post 3 "overige" op te tellen, wordt de schuld volgens de EMU definitie berekend. Deze is 407 miljard.

Vraag 4

Kan grafiek 4 worden aangevuld met de jaren 1990 tot 2000?(blz. 8)

Antwoord

Voorafgaand aan 1998 werd niet de duration, maar de gemiddelde resterende looptijd berekend en gepresenteerd. Bijgaande tabel bevat de beschikbare gegevens.

Gemiddelde resterende looptijd gevestigde schuld en duration

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

Gem. resterende looptijd

5,6


6,3

6,8

6,9

6,9

6,4

5,9

6,5

6,5

Duration

4,3

4,4

Vraag 5

De overheid streeft naar een iets korter gefinancierde schuldportefeuille. Wat is dan de oorzaak voor de oplopende duration 2001-2002 en licht oplopend na 2003?(blz. 8)

Antwoord

Cruciaal voor het verloop van grafiek 4 zijn de veronderstellingen met betrekking tot de financieringsbehoefte en het uitgiftebeleid (genoemd op pagina 7). In samenspel met de verwachte rente (de duration wordt namelijk mede bepaald door de rente) bepalen deze variabelen de verwachte duration bij ongewijzigd beleid, die in grafiek 4 is weergegeven. Zoals op pagina 7 vermeld, zal met het daadwerkelijk te voeren emissiebeleid worden gestreefd naar een doelportefeuille met een beperkt lagere duration en een iets hogere cash flow at risk dan in het verleden gebruikelijk was.

Vraag 6

Wat is de omvang van de renteswaps bij de in voetnoot 1 genoemde landen? Welk financieel voordeel (absoluut en relatief) is er behaald?(blz.9)

Antwoord

De omvang van het voordeel dat door buitenlandse overheden is behaald met swaps is onbekend. Omwille van de marktgevoeligheid van deze informatie is gedetailleerd inzicht moeilijk te verkrijgen. Het gebruik van swaps zal aan de orde zijn als de financieringsbehoefte minder is dan 20 miljard euro per jaar. Swaps kunnen dan worden ingezet om het risicoprofiel in de gewenste richting te sturen (lagere duration en hogere cash flow at risk). In een voor het einde van het jaar aan de Kamer te zenden nota zal nader worden ingegaan op dit instrument, het gebruik in andere landen, en de ermee samenhangende voordelen voor het financieringsbeleid.

Vraag 7

Kan de regering aangeven in hoeverre er gebruik gemaakt zal gaan worden van renteswaps? Welke omvang en voor welke resterende looptijd wordt er geswapt? Welke invloed is er op het verwachte risicoprofiel?(blz.9)8. Wat is de verwachte omvang van de besparing gegeven het risicoprofiel?(blz.9)

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 6.

Vraag 8

Wat is de verwachte omvang van de besparing gegeven het risicoprofiel?

Antwoord

Ziehet antwoord op vraag 7
Vraag 9

Kan tabel 4 worden aangevuld met gewijzigde aflossingsverplichtingen als gevolg van de omruiloperatie?(blz.10)

Antwoord

Tabel 4 is in de gevraagde gewijzigde vorm opgesteld.

Tabel 4. (gewijzigd) Schuld-, rente- en aflossingseffecten van de omruiloperatie (in miljarden guldens)

Schuld

Rente

Omruil

1999

2000

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005 e.v.

15 juli 1999


1,0




-0,2

-0,4

-0,4
0,1

0,1

16 september 1999

3,0


-0,1

-0,4

-0,4

-0,4

-0,4

-0,4

-0,7
14 oktober 1999

0,2


-0,1

-0,1
11 november 1999

0,6


-0,1

-0,1

-0,1

-0,1

-0,1
0,1

10 februari 2000


1,0














-0,2
16 maart 2000

0,1

Totaal

4,8


1,1


-0,3

-1,0

-1,0

-0,6

-0,4

-0,4

-0,9
Aflossingen

Totaal effect aflossingen


-2,3

4



4.2

Vraag 10

Kan de regering de rente-voordelen en verlaging EMU-schuld als gevolg van het geïntegreerd middelenbeheer kwantificeren, uitgesplitst naar agentschappen; sociale fondsen en ZBOs?(blz.13)

Antwoord

De EMU-schuld is een bruto schuldbegrip. Dat wil zeggen dat voor de bepaling van de EMU-schuld wordt gekeken naar de schuldpositie van de overheid zonder dat hierbij wordt gesaldeerd voor aangehouden spaar- of rekening courant tegoeden. Indien de financiële middelen van agentschappen, sociale fondsen en ZBOs bij het Rijk worden aangehouden, betekent dit dat de financieringsbehoefte van het Rijk daalt en dus dat de schuld omlaag gaat. Het geïntegreerd middelenbeheer leidt dus tot een lagere EMU-schuld. De omvang van dit effect is niet goed te kwantificeren omdat de hoeveelheid aangehouden middelen sterk fluctueert.

Het geïntegreerd middelenbeheer leidt verder tot belangrijke doelmatigheidsvoordelen ten opzichte van de situatie waarin financiële middelen van instellingen niet worden geïntegreerd in het Rijk. Dit voordeel bestaat uit een besparing van rentelasten doordat het Rijk minder lange middelen behoeft aan te trekken als gevolg van de integratie met de schatkist van de veelal kort uitstaande tegoeden van de instellingen. Ten aanzien van de leenfaciliteit waar een deel van de instellingen gebruik van kan maken, geldt dat de Staat goedkoper kan inlenen dan particuliere banken. De omvang van de hier genoemde voordelen hangt af van een aantal factoren, waaronder met name het verschil tussen korte en lange rente, en kan van jaar op jaar belangrijk fluctueren. Het is daarom niet mogelijk om dit voordeel te kwantificeren en nader uit te splitsen.

Vraag 11

Kan de intering op uitzettingen ultimo 1999 van 6.7 mrd nader worden toegelicht?(blz.5 en24)

Antwoord

De genoemde post intering uitzetting 1999 betreft het saldo dat de sociale fondsen aanhouden in de schatkist, alsmede een beperkte overfunding.

Vraag 1

Kan worden toegelicht welke begrotingsartikelen inmiddels vervallen zijn en waar deze posten in de voorliggende begroting zijn ondergebracht? (blz.1)

Antwoord

Ten opzichte van de begroting 2000 zijn in de voorlichtende begroting geen begrotingsartikelen vervallen en samengevoegd met andere artikelen. Wel zijn er in de afgelopen jaren om uiteenlopende redenen diverse artikelen vervallen zoals blijkt uit onderstaande schema.

Vanaf de begroting 2002 zal gewerkt worden met een nieuwe artikelstructuur in het kader van VBTB. De was-wordt tabel naar de artikel-indeling VBTB, wordt separaat aan de voorzitter van de vaste Kamercommissie van Financiën gezonden.

Uitgaven

01.02 Materieel ministerie. Vanaf 1994 samengevoegd met artikel 01.01 (oud) personeel ministerie tot 01.01 personeel en materieel kernministerie.

01.06 Post-actieven. Vanaf 1998 ondergebracht bij artikel 01.01 personeel en materieel kernministerie.

01.07 Aankoop handelsgoederen Rijksinkoopbureau. Vervallen i.v.m. de verzelfstandiging van het Rijksinkoopbureau in 1990.

01.08 Garantie ingevolge artikel 41 van de wet op de kansspelen. Vervallen i.v.m. de overdracht van de verplichting tot voldoening van de pensioenuitkeringen per 1-7-1990 van de stichting pensioenfonds van Collecteurs en Collectrices van de Nederlandse Staatsloterij aan een particuliere verzekeringsmaatschappij.

01.09 Bijdrage aan de Stichting pensioenfonds van Collecteurs en Collectrices van de Nederlandse Staatsloterij en haar rechtsopvolger. Vervallen vanaf 1993 i.v.m. de verzelfstandiging van de Staatsloterij in 1992.

01.15 Rente en aflossing vordering Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij (SENS). Vervallen door vervroegde terugbetaling in 1993.

01.16 Verstrekking risicodragend kapitaal SENS. Vervallen vanaf 1994; eenmalig toegevoegd in 1993 i.v.m. verstrekking van risicodragend kapitaal.

02.02 Nominale waarde ontmunte munten. Vervallen vanaf 1996 i.v.m. andere administratieve systematiek van munten(re)circulatie.

02.06 Portefeuille Staatsschuld. Vanaf 1990 verantwoord op begroting IXA.

03.01 Vergoeding van trustee-werkzaamheden van de FMO. Vervallen in 1990 i.v.m. de overdracht van de trustportefeuille van de Staat aan de FMO.

03.06 Rentesubsidie op leningen van de Europese Investeringsbank aan Griekenland. Vervallen i.v.m. de laatste betaling in 1992.

03.09 Deelneming in het kapitaal van de Europese Investeringsbank. Vanaf 1995 samengevoegd met art.03.13 deelneming in het kapitaal van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling tot het nieuwe artikel 03.13 deelneming in het kapitaal van Europese banken.

03.12 Ondersteuningsprogramma Oost-Europa. In 1991 overgeheveld naar begroting XII Economische Zaken.

03.15 Betalingsbalanssteun Oekraïne. Vervallen in 1996 i.v.m. opheffing incidentele betalingsbalanssteun aan Oekraïne.

04.02 Materieel Belastingdienst. Vanaf 1994 samengevoegd met artikel 04.01 (oud) personeel Belastingdienst tot 04.01 personeel en materieel Belastingdienst.

04.07 Afdracht EGKS-invoerrecht. In 1992 vervallen omdat geen verplichtingen en uitgaven meer werden geraamd en verantwoord.

Ontvangsten

01.01 Ontvangsten uit verrichte werkzaamheden, kernministerie. Vanaf 1995 worden de ontvangsten geraamd en verantwoord op de artikelen 01.10 div.ontvangsten kernministerie en 04.03 ontvangsten uit verrichte werkzaamheden Belastingdienst.

01.02 Ontvangsten uit verkoop-en lease-activiteiten Rijksinkoopbureau. Vervallen i.v.m. de verzelfstandiging van het Rijksinkoopbureau in 1990.

01.03 Diverse ontvangsten Rijksinkoopbureau.Vervallen i.v.m. de verzelfstandiging van het Rijksinkoopbureau in 1990.

01.09 Werkfondsvoorschotten. Vanaf 1993 ondergebracht bij art.01.10 diverse ontvangsten kernministerie.

02.05 Uitkering Postbank N.V. Vanaf 1991 ondergebracht bij 02.08 dividend uit staatsdeelnemingen en 02.12 rente en aflossingen diverse leningen.

02.06 Portefeuille Staatsschuld. Vanaf 1990 verantwoord op begroting IXA.

02.09 Lening Nationale Investeringsbank N.V. Vanaf 1991 ondergebracht bij 02.12 rente en aflossingen diverse leningen.

03.01 Ontvangsten uit ontwikkelingsbanken. Vervallen in 1990 i.v.m. de overdracht van de trustportefeuille van de Staat aan de FMO.

04.17 Suikeraccijns. In 1993 afgeschaft. Artikel in 1997vervallen.

Vraag 2

Wanneer zal de uitwerking van de aanbevelingen inzake Activabeheer gereed zijn? Wanneer kan de Kamer deze tegemoet zien? Is de reservering voor het doen van anticiperende aankopen gebaseerd op de (concept) aanbevelingen van de interdepartementale stuurgroep of op die van de ambtelijke werkgroep van Financiën? (blz 5)

Antwoord

De interdepartementale stuurgroep, die door de Staatssecretaris van Financiën is ingesteld, streeft ernaar om in het voorjaar van 2001 met een uitgewerkt voorstel te komen voor de oplossing van gesignaleerde knelpunten en de aanbevelingen daarover. De Kamer wordt hierover geïnformeerd.

In de Nota Grondbeleid zal ook aandacht worden besteed aan het project Activabeheer.

Het doen van anticiperende aankopen en het in portefeuille houden van vastgoed is een aanbeveling van de ambtelijke werkgroep van Financiën. De reservering is een eerste uitvloeisel van de uitwerking van de aanbevelingen. Dit heeft als doel ervaring op te doen met anticiperende aankopen of het in portefeuille houden van vastgoed.

Vraag 3

Is het juist dat de volatiliteit van de winst van De Nederlandse Bank (DNB)

(en door de winstafdracht) aanzienlijk is toegenomen vanwege de invoering van de

boekhoudkundige pricipes van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB)? Wat zijn

de voor- en nadelen van de nieuwe boekhoudkundige principes? (blz.11)

Antwoord

De volatiliteit van de winst van DNB en ook die van de winstafdracht is aanzienlijk toegenomen door de invoering van de boekhoudkundige principes van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB). Ten gevolge hiervan worden de balansposten gewaardeerd tegen marktprijzen, waardoor grotere waarderingswinsten en -verliezen dan voorheen kunnen optreden. De voordelen van de nieuwe boekhoudkundige principes zijn een realistischer waardering van de balansposten tegen marktprijzen en een realistischer beeld van de winst. Het nadeel van de boekhoudkundige principes is dat de volatiliteit van de winst is toegenomen.

Vraag 4

Kan worden aangegeven wat er voor de Tweede Kamer de komende maanden op de agenda staat met betrekking tot het traject van de Publiek Private Samenwerking (PPS)? (blz. 18)

Antwoord

Rond de jaarwisseling zal de derde Voortgangsrapportage PPS aan de Tweede Kamer worden gezonden. Daarin zal, naast de beschrijving van de in 2000 geboekte voortgang op beleidsmatig terrein en in de verschillende projecten, onder meer worden ingegaan op de rol van lokale overheden bij pps en op de activiteiten op het terrein van pps in 2001. Daarnaast zal de Tweede Kamer over de voortgang bij een aantal concrete pps-projecten, zoals de HSL separaat geïnformeerd worden door de verantwoordelijke ministers.

Vraag 5

Wanneer zal de nota over de aanscherping van het beleid inzake de staatsdeelnemingen de Tweede Kamer bereiken? In welke opzichten zal het beleid worden aangescherpt? (blz.19)

Antwoord

Bedoelde nota zal in het vroege voorjaar aan de Kamer worden aangeboden. Het beleid inzake staatsdeelnemingen raakt alle departementen en kent vele aspecten. Formulering van het herijkte, aangescherpte, beleid luistert derhalve nauw. Het is nu dan ook te vroeg om vooruit te lopen op de inhoud van de nota.

Vraag 6

Een wetsvoorstel over corporate governance wordt voorbereid. Wanneer zal deze de Tweede Kamer bereiken en wat zullen de springende punten hierin zijn?(blz.22)

Antwoord

Het aangekondigde wetsvoorstel betreft de transparantie over de bezoldiging van bestuurders (en commissarissen) en zal in het eerste kwartaal van volgend jaar bij de Tweede Kamer worden ingediend. In de huidige jaarrekening kan worden volstaan met één totaalbedrag voor de bezoldiging van alle bestuurders. Met het wetsvoorstel zal de transparantie worden versterkt. Daarnaast zijn er in de sfeer van corporate governance diverse - deels in de kabinetsreactie op Peters II aangekondigde - beleidsmatige en wetgevingstrajecten. Te noemen zijn het wetsvoorstel beschermingsconstructies (schriftelijke behandeling Tweede Kamer), de invoering van de registratiedatum die het mogelijk maakt per volmacht te stemmen (Staatsblad), het wetsvoorstel Openbare biedingen op effecten (schriftelijke behandeling Tweede Kamer) en het wetsvoorstel certificering in vredestijd (ambtelijke voorbereiding).

Vraag 7

Wat staat op de agenda van de regering de komende maanden met betrekking tot de

internationale consolidatie effectenverkeer (beurzenfusie)? Kan de Tweede kamer nog

stukken van regeringszijde verwachten? Wat zal de inhoud daarvan zijn?(blz.22)

Antwoord

In de brief aan de Kamer van 22 september j.l. is de Tweede Kamer ingelicht over de verlening van een beurserkenning aan Euronext. In de komende periode zal de integratie van de beurzen zelf en de afwikkelingssystemen verder vorm krijgen. Naarmate de verdere integratie van beurzen en afwikkelingssystemen concreter worden, zal duidelijker worden op welke wijze beleid, regelgeving en toezicht op de ontwikkelingen in moeten spelen. In de reeds gestarte overleggen van de betrokken ministeries van Financiën en toezichthouders zullen de nodige wijzigingen tijdig voorbereid worden. Zoals in de eerder genoemde brief is toegezegd, zal de Tweede Kamer van alle ontwikkelingen op de hoogte worden gehouden.

Vraag 8

Wat betreft het kasbeheer is de doelstelling voor 2001 om de doelmatigheid verder te vergroten. Waaraan denkt de regering, behalve aan de ontwikkeling van het gebruik van elektronische vormen van betalen en ontvangen?(blz.23)

Antwoord

Bij het streven naar een doelmatig kasbeheer van de Rijksoverheid wordt beoogd het gebruik van kostenefficiënte en veilige betaalproducten te stimuleren, waarbij tevens een adequate informatievoorziening plaats kan vinden die nodig is om de kasstromen van en naar de schatkist tijdig te kunnen ramen. Dit laatste is nodig voor een doelmatig cashmanagement, waarbij gestreefd wordt naar minimalisatie van de rentelasten voor het Rijk.

De volgende activiteiten worden ondernomen:

* Het stimuleren van betaalproducten zoals machtigingen en prima-cheques bij de Belastingdienst, zodat administratieve lasten worden beperkt en sprake is van gegarandeerde betalingen, waardoor de belastingbetaler en de Belastingdienst meer zekerheid krijgen over het moment van betalen.

* Het breder introduceren van het gebruik van datacommunicatie in het betalingsverkeer van het Rijk in plaats van fysieke informatiedragers zoals diskettes.

* Het bevorderen van een doelmatig betaalgedrag door de overheid, waarbij de overheid niet te vroeg en niet te laat aan zijn betalingsverplichtingen voldoet.

* Het stimuleren van innovaties bij het bankwezen door het aangaan van pilots. Thans loopt de proef Aangeven en betalen LB/OB via internet bij de Belastingdienst.

Zie overigens antwoord op vraag 9 over het uitbouwen van geïntegreerd middelenbeheer.

Vraag 9

De regering zal met nadere voorstellen komen inzake het uitbouwen van het geïntegreerd middelenbeheer, hetgeen betekent dat de middelen van de genoemde instellingen geïntegreerd worden aangehouden in Rijks Schatkist. Kan deze passage nader worden uitgelegd?(blz.23)

Antwoord

Met het geïntegreerd middelenbeheer wordt bedoeld dat instellingen die wel tot de centrale overheid maar niet tot het Rijk behoren, hun liquide middelen aanhouden bij het Rijk. Zoals ook toegelicht in de betreffende box in de Miljoenennota, is het kabinet voornemens om dit geïntegreerd middelenbeheer verplicht te stellen voor instellingen op afstand van het Rijk met een publieke taak. Hierbij krijgen instellingen eveneens de mogelijkheid om tegen gunstige voorwaarden, dat wil zeggen marktconform staatsniveau, te lenen bij het Rijk, mits zij daartoe bevoegd zijn.

Ten aanzien van dit verplichte geïntegreerd middelenbeheer zullen wel uitzonderingen mogelijk zijn, bijvoorbeeld daar waar het gaat om instellingen met een evident marktkarakter of instellingen met een geringe omvang aan publiek geld.

De reden voor invoering van het geïntegreerd middelenbeheer is dat dit leidt tot belangrijke doelmatigheidsvoordelen, die zowel neerslaan bij het Rijk als bij de deelnemende instellingen. Voor het rijk bestaat het voordeel uit een besparing van rentelasten doordat het Rijk minder lange middelen behoeft aan te trekken als gevolg van de integratie met de schatkist van de veelal kort uitstaande tegoeden van de instellingen. Ten aanzien van de leenfaciliteit geldt dat de Staat goedkoper kan inlenen dan particuliere banken; dit voordeel kan worden doorgegeven aan de instellingen die gebruik maken van de leenfaciliteit.

Het geïntegreerd middelenbeheer brengt voor de deelnemende instellingen zo min mogelijk praktische bezwaren met zich mee, omdat gebruik kan blijven worden gemaakt van bestaande betaalrekeningen bij hun huisbankier. Deze worden zonder verdere consequenties voor het betalingsverkeer geïntegreerd in het Rijk. De beschikkingsmacht van de instellingen over hun kasmiddelen wordt op geen enkele wijze aangetast.

Vraag 10

Kan de regering toelichten in hoeverre milieu-effecten doorslaggevend zullen zijn bij het verstrekken van exportkredietverzekeringen? Wanneer zal de Kamer over de nadere uitwerking worden geïnformeerd?(blz.27)

Antwoord

Het voornemen is om geen exportkredietverzekering te verstrekken, indien de daarmee verbonden activiteiten een duidelijk negatief milieu-effect hebben. Over dit uitgangspunt alsmede over de uitwerking van de manier waarop milieuaspecten mede betrokken worden bij de besluitvorming over de verstrekking van
exportkredietverzekeringsdekking voor rekening en risico van de Staat, wordt momenteel overleg gevoerd met het Ministerie van Economische Zaken, waarvan de Staatssecretaris mede-verantwoordelijk is voor de exportkredietverzekering, het Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en andere direct betrokkenen. De uitwerking moet uiteraard passen binnen het internationale kader, in concreto het Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)-kader en zal worden bekend gemaakt zodra het overleg is afgerond.

Vraag 11

Kan de regering toelichten wat wordt bedoeld met sommige zeer specifieke gevallen in het kader van poverty reduction strategy papers (PRSP)?(blz.32)

Antwoord

Een land dat in aanmerking wil komen voor schuldverlichting onder het uitgebreide Heavily Indebted Poor Countries (HIPC) Initiatief van het IMF en de Wereldbank Groep wordt hiervoor ontvankelijk verklaard wanneer het in aanmerking komt voor IDA-leningen en wanneer de schuld van het land als onhoudbaar wordt gekwalificeerd. Een land bereikt vervolgens het beslispunt wanneer het onder programmas van het IMF (de Poverty Reduction and Growth Facility, PRGF, de opvolger van ESAF) en IDA gedurende (in beginsel) drie jaar een bevredigend beleid heeft gevoerd. Tegelijkertijd dient het land een armoedestrategie te ontwikkelen in samenspraak met het maatschappelijk middenveld. Dit moet uitmonden in een Poverty Reduction Strategy Paper (PRSP).

De regering is van mening dat er een goede balans moet zijn tussen enerzijds voortvarendheid in het HIPC-initiatief, en anderzijds de garantie dat vrijkomende middelen effectief voor armoedebestrijding worden aangewend, onder gelijktijdige totstandkoming c.q. handhaving van de macro-economische en structurele voorwaarden voor duurzame groei. Een zorgvuldige proces van opbouw van een armoedebestrijdingsstrategie, in overleg met maatschappelijke groeperingen, vergt de nodige tijd. De kwaliteit van dit proces dient voorop te staan, maar tegelijkertijd is het zaak dat middelen voor armoedebestrijding snel ter beschikking komen.

Met betrekking tot HIPC-schuldverlichting is de regering derhalve van mening dat WB en IMF flexibel om dienen te gaan met PRSP-vereisten voor die landen die onder het originele HIPC-initiatief reeds het daarvoor geldende eindpunt hadden bereikt, danwel daar al zeer dichtbij waren (de zogenaamde retro-actieve landen). Voor retro-actieve landen plus andere landen die op korte termijn (in beginsel in de loop van 2000) het beslispunt bereiken, kan als vereiste voor het bereiken van het HIPC-2 beslispunt met een interim-PRSP worden volstaan, mits er sprake is van een substantieel armoedebestrijdingsbeleid en mits er duidelijke afspraken bestaan over het tijdpad waarlangs op termijn een volwaardig PRSP zal verschijnen.

Vraag 12

Welke bijdrage van de multilaterale ontwikkelingsbanken verwacht de regering in het kader van het Heavily Indebted Poor Countries (HIPC)-raamwerk?(blz.32)

Antwoord

Door de aanpassingen van het HIPC-initiatief stijgen de geschatte kosten in netto contante waarde termen van $ 12,5 mrd naar $ 28,6 mrd. Hiervan komt de helft ten laste van multilaterale crediteuren (zie bijgevoegde tabel).

Hoewel de multilaterale ontwikkelingsbanken zich hebben gecommitteerd aan het leveren van een eerlijke bijdrage aan het HIPC-initiatief, zijn hun mogelijkheden om deze uit eigen middelen te financieren, beperkt. Zo heeft de AfDB slechts voldoende middelen kunnen vinden om ongeveer een-zesde van haar totale schuldkwijtschelding zelf te kunnen financieren. Zij heeft echter de politieke toezegging van de donoren dat deze de AfDB voor haar kosten zullen compenseren.

De IDB en de Wereldbank hebben tot nu toe voldoende interne middelen kunnen vinden voor de financiering van ongeveer de helft c.q. een-vierde van hun totale schuldkwijtschelding. Voor de benodigde financiering voor de schuldkwijtschelding van de IDB hebben de lidstaten recentelijk een principeakkoord gesloten, dat naar verwachting binnenkort volledig zal zijn uitgewerkt. Hierbij is het zaak dat met name de VS zijn toezeggingen gestand doet. De Wereldbank en de overige multilaterale ontwikkelingsbanken dienen verder gecompenseerd te worden vanuit het zogenaamde HIPC Trust Fund bij de Wereldbank, waaraan donoren bijdragen leveren. Hier resteert nog een belangrijk financieringsgat.

De regering wil zich derhalve blijven inzetten voor additionele toezeggingen van donoren aan het HIPC Trust Fund, alsmede voor daadwerkelijke betaling van de toezeggingen die reeds zijn gedaan. Uitgangspunt hierbij is dat bijdragen aan het HIPC-initiatief additioneel dienen te zijn, d.w.z. dat de concessionele loketten van de multilaterale banken niet lijden onder het HIPC-initiatief. Zo dienen donoren en marge van de middelenaanvullingen van IDA, aanvullende bijdragen te leveren, om te voorkomen dat de HIPC-schuldkwijtschelding ten koste gaat van de uitleencapaciteit van dit concessionele loket van de Wereldbank.

Als randvoorwaarde geldt bovendien dat ondermijning van de financiële status van de multilaterale banken dient te worden voorkomen. Daartoe zullen niet slechts toezeggingen, maar met name concrete financiële bijdragen van de donorlanden ten grondslag moeten liggen aan de onherroepelijke HIPC-schuldkwijtscheldingen op het eindpunt.

Op basis van de tot nu toe beschikbare middelen zijn die landen die het beslis- en eindpunt bereikt hebben van interim-kwijtschelding, respectievelijk onherroepelijke schuldkwijtschelding voorzien, en kan het besluitvormingsproces over beslispunten voorlopig tot eind 2000 verdergaan. Aanvullende financiële afspraken zullen echter dienen te worden gemaakt om ook vanaf 2001 kwalificaties voor beslispunten mogelijk te maken. Bovendien kunnen zich problemen voordoen, zodra meer landen het HIPC-eindpunt bereiken.

HIPC Initiative - Estimates of Potential Costs by Creditor

(In billions of U.S. dollars, in end-1999 NPV terms, potentially qualifing HIPCs)

December Costing Exercise (32 countries)

Updated Costing Exercise (32 countries)

In percent of Total Costs

Total costs 1/

28.2

28.6

100.0

Bilateral and commercial creditors

14.1

14.6

51.0

Paris Clus

11.4

11.0

38.5

Other official bilateral

1.7

2.5

8.7

Commercial

0.9

1.1

3.8

Multilateral creditors

14.1

14.0

49.0

World Bank

of which: IDA

IBRD

6.3

5.7

0.6

6.2

5.6

0.6

21.7

19.6

2.1

IMF

2.3

2.2

7.7

AfDB/AfDF

2.2

2.3

8.0

IDB

1.1

1.1

3.8

Others

2.2

2.2

7.7

Memorandum item:

Total costs including Liberia, Somalia and Sudan

36.6

37.3

Sources: HIPC Initiative-Update on Costing the Enhanced HIPC Initiative (EBS/99/220 and IDA/SecM99-679); country authorities; and IMF and World Bank staff estimates.


1/ Excluding Liberia, Somalia and Sudan, as well as Ghana and Lao P.D.R.

Vraag 13

Welke extra middelen is Nederland bereid ter beschikking te stellen voor de formulering van Poverty Reduction Strategy Papers en onder welke voorwaarden vindt dit plaats?(blz.34)

Antwoord

Om te stimuleren dat meer multilaterale instellingen dan alleen de Wereldbank en het IMF in staat zijn assistentie bij de formulering van nationale armoedestrategieën te verlenen, worden trust funds bij twee regionale ontwikkelingsbanken opgezet. Nederland is bereid om voor de periode 2000-2003 in totaal f 25 mln aan de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en f 20 mln aan de Aziatische Ontwikkelingsbank ter beschikking te stellen, ter facilitering van de implementatie van het PRSP -proces in de landen van de regio (zie ook hoofdstuk V: Buitenlandse Zaken). De voorwaarden waaronder deze fondsen zullen worden verstrekt worden momenteel uitgewerkt.

Vraag 14

Kan meer informatie worden gegeven over het groot onderhoudsprogramma voor de fiscale

wetgeving. Welke belastingwetten staan er behalve Inkomstenbelasting (IB) en de

Successiewet nog meer op de rol en op welke termijn?(blz.37)

Antwoord

Zoals aangegeven in het fiscaal beleids- en wetgevend programma zal naast de modernisering van de Successiewet ook voor de vennootschapsbelasting, een onderhoudsprogramma worden uitgewerkt, mede in het lichte van de internationale ontwikkelingen.

Vraag 15

Met betrekking tot de BTW heeft de Europese Commissie een nieuwe strategie bekend gemaakt. Kan hier nader op worden ingegaan? Wordt deze strategie nog behandeld in de Tweede Kamer en wat is de regering voornemens te doen met deze nieuwe strategie? (blz.38)

Antwoord

De nieuw strategie van de Europese Commissie met betrekking tot de BTW houdt in dat BTW-heffing in de lidstaat van oorsprong voor de Commissie niet meer het doel voor de korte termijn is.

Voor de korte termijn heeft de Commissie nu vier hoofddoelstellingen: vereenvoudiging en modernisering van de bestaande regels, een uniforme toepassing van de huidige bepalingen en een versterking van de administratieve samenwerking tussen de lidstaten.

De Nederlandse regering beoordeelt deze nieuwe strategie, evenals de andere lidstaten, positief.

Aan een systeem van BTW-heffing in de lidstaat van oorsprong zijn namelijk bezwaren verbonden als de noodzaak van vergaande harmonisatie van de belastingheffingsmechanismen en van de hoogte van de BTW-tarieven, en de noodzaak van een verrekeningssysteem tussen de lidstaten (clearing).

De Kamer is over de nieuwe strategie en de Nederlandse positie geïnformeerd in het kader van de vergaderingen van de Ecofinvergadering van 8 mei 2000 (vergaderjaar 1999-2000, 21 501-07, nrs. 280 en 283) terwijl hierover ook is gesproken tijdens het algemeen overleg op 20 april 2000.
Vragen 16 en 17

Wanneer zal de aanpassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk naar verwachting gereedkomen? (blz.39)

In welke opzichten zal de BRK worden aangepast? (blz.39)

Antwoord

Zoals in de brief aan de Vaste Commissie voor de Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 augustus 2000, nr. IFZ2000/786 is aangegeven heeft fiscaal overleg tussen Nederland en de Nederlandse Antillen, dat in februari van dit jaar heeft plaatsgevonden, een aantal belangrijke onderwerpen nog niet kunnen afronden. Als nieuwe ontwikkeling is van belang het feit dat de Nederlandse Antillen door de OESO op een lijst van tax havens is geplaatst. De dialoog zal mede in het licht van de internationale discussie inzake toelaatbare en schadelijke belastingconcurrentie op korte termijn worden voortgezet. Voor het eind van dit jaar wordt gestreefd naar politieke besluitvorming. De aanpassing van de BRK zal aan de hand van de uitkomst van het overleg plaatsvinden.

Vraag 18

Hoe zal de OESO het vervolgtraject opzetten om de schadelijke belastingconcurrentie te beteugelen? Welke rol speelt Nederland daarbij? (blz.40)

Antwoord

Parallel aan de EU discussie over schadelijke belastingconcurrentie heeft het OESO Forum on harmful tax competition in juni 2000 haar voortgangsrapportage aan de OESO Ministerial aangeboden (Towards global tax co-operation; www.oecd.org). In het rapport komt tot uitdrukking dat de OESO, mede naar aanleiding van de Brusselse discussie, al eerder langzaam is afgestapt van de oorspronkelijke condemnatory approach naar een, de OESO beter passende, benadering van samenwerking en peer pressure om te komen tot gezamenlijke normen (standards/application notes) om het probleem van schadelijke belastingconcurrentie aan te pakken. Nederland heeft een afzwakking van de veroordelende benadering naar een meer constructieve benadering waarbij een kader moet worden ontwikkeld waarbinnen concurrentie is toegestaan, actief gesteund. Het rapport bevat een lijst van potentially harmful regimes van de OESO-landen zelf en een lijst van tax havens. Deze tax havens krijgen een jaar de tijd (juni 2001) om zich te committeren aan het OESO werk (en in dat kader met name mee zouden moeten gaan doen aan gegevensuitwisseling). Anders worden zij op een nieuwe lijst van unco-operative tax havens gezet waartegen de OESO een range van al dan niet gezamenlijke, maar in elk geval naar Nederlands inzicht (te) forse, defensive measures zal gaan toepassen. In het komende jaar gaat de OESO werken aan standaard application notes voor: rulings, holdings en informatie uitwisseling (met tax havens).

Tenslotte zoekt de OESO ook een dialoog over belastingconcurrentie met Non-Member Economies die niet tax haven zijn, maar wellicht toch relevante preferentiële regimes hebben. De OESO heeft hier een begin mee gemaakt met een aantal regionale seminars georganiseerd samen met andere internationale organisaties en met een high level meeting in juni van dit jaar in Parijs.

Vraag 19

Kan reeds worden aangegeven of alle betrokkenen die in aanmerking komen voor voorlopige teruggaaf van de heffingskorting tijdig kunnen worden bereikt? (blz. 41 en 43)

Antwoord

Alle belastingplichtigen die het afgelopen jaar een voorlopige teruggaaf (VT) hebben ingevuld zijn inmiddels door de Belastingdienst benaderd. Voorts heeft de Belastingdienst op basis van een aantal criteria die gelden voor het recht op een VT uit haar bestanden de nieuwe groepen belastingplichtigen geselecteerd die vanaf 1 januari 2001 voor de VT in aanmerking komen. Aangezien de Belastingdienst niet over de meest recente gegevens van alle betrokken belastingplichtigen beschikt, blijft er naar verwachting een beperkte groep over die zelf een formulier moet aanvragen bij de Belastingdienst. Deze groep zal door middel van een intensieve communicatiecampagne worden opgeroepen zich te melden.

Vraag 20

Wat zijn de uitkomsten van de commissie de Thunnissen/De Waard? (blz.43)

Antwoord

De commissie Thunnissen/De Waard komt vanaf november 1999 regulier bijeen om de invoerings- en uitvoeringsaspecten van het nieuwe belastingstelsel te bespreken. Op dit moment zijn vanuit de ondernemers- en werknemersorganisaties en de organisaties van belastingadviseurs ongeveer 100 inhoudelijke vragen aan de commissie voorgelegd. Bij de beantwoording hiervan zijn onduidelijkheden weggenomen en is op onderdelen een nadere toelichting gegeven. In enkele gevallen zijn suggesties voor verbeteringen van de wetteksten overgenomen. Ook worden voorgestelde uitvoeringsregelingen binnen de commissie besproken; een heldere en eenduidige uitvoeringsregeling kan veel problemen in de praktijk oplossen of voorkomen. Daarnaast is in de commissie inmiddels uitvoerig aandacht besteed aan de communicatie over de belastingherziening 2001. Zo heeft in de commissie afstemming plaats gevonden over de belastingkranten die de Belastingdienst in juni van dit jaar landelijk heeft uitgebracht. De Belastingdienst heeft tevens een beroep gedaan op de werkgeversorganisaties binnen de commissie om werkgevers eenmalig in mei 2000 de tariefgroepindeling van hun werknemers te laten aangeven, met het oog op het aanschrijven van belastingplichtigen in verband met de uitbreiding van de voorlopige teruggaaf. Vrijwel alle inhoudingsplichtigen hebben de gevraagde gegevens over de maand mei inderdaad geleverd. Het ligt in het voornemen de bijeenkomsten van de commissie in ieder geval nog tot medio 2001 te continueren.
Vraag 21

In welke opzichten zal het opleidingsbeleid verder worden vormgegeven en uitgebouwd?(blz.52)

Antwoord

In 2001 zal het opleidingsaanbod worden uitgebreid. Hierbij is te denken aan het verder uitdiepen van coachende vaardigheden voor leidinggevenden, het starten met een experiment omtrent electronic learning, het aanbieden van nieuwe opleidingsmodules, zoals debatvaardigheden en de werking van de Europese Unie. Vraag 22

Hoe is berekend dat er in het totaal 3.3 miljard munten nodig zijn, waarvan 2.8 miljard op E- day. Wordt er ook gewerkt met een marge?(blz.75)

25. Kan worden gespecificeerd hoeveel van de verschillende soorten eurobiljetten er op 1 januari 2002 in Nederland in omloop worden gebracht? Hoe verhoudt het totaal aan in omloop te brengen euromunten en eurobiljetten zich tot de hoeveelheid in omloop zijnde guldens?(blz.75)

Antwoord

Hoeveelheid euromunten

Het aantal te vervaardigen euromunten is in overleg met de Nederlandsche Bank (DNB) en de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) bepaald. Het uitgangspunt hierbij is geweest dat er voldoende munten zijn om het chartale betalingsverkeer te waarborgen.

Op basis van een door DNB uitgevoerd onderzoek is het aantal bepaald. In dit onderzoek is de in omloop zijnde hoeveelheid guldenmunten als uitgangspunt gebruikt. Daarnaast hebben de factoren, die ervoor kunnen zorgen dat de vraag naar euromunten afwijkt van het aantal in omloop zijnde guldenmunten, aandacht in het DNB-onderzoek gekregen. Het aantal euromunten dat in omloop wordt gebracht is ongeveer gelijk aan het aantal guldenmunten dat in 2001 bestaat.

Eurobankbiljetten

In totaal zullen op 1 januari 2002 naar verwachting 400 miljoen eurobankbiljetten in omloop worden gebracht, verdeeld over zeven verschillende soorten, namelijk: het 5-, 10-, 20-, 50-, 100-, 200- en 500- eurobankbiljet. Het aantal guldenbankbiljetten dat wordt onttrokken wordt geschat op 380 miljoen. De bepaling van het aantal uit te geven eurobankbiljetten is een verantwoordelijkheid van de ECB en het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB). Net als bij de bepaling van de hoeveelheid uit te geven euromunten (waarvoor de lidstaten verantwoordelijk zijn) ligt aan de bepaling van de hoeveelheid in Nederland uit te geven eurobankbiljetten onderzoek van DNB ten grondslag. De opbouw van dit onderzoek is grotendeels gelijk aan het bovengenoemde onderzoek naar de euromuntbehoefte. De invulling daarvan verschilt. Factoren als het verzamelen van geld en het versterf spelen bij de bepaling van het aantal uit te geven bankbiljetten een andere rol dan bij munten. Voor een verdeling van het aantal eurobankbiljetten, dat naar verwachting in 2002 in omloop zal worden gebracht, wordt verwezen naar de onderstaande tabel:

aantallen in miljoenen

5 euro

10 euro

20 euro

50 euro

100 euro

200 euro

500 euro

totaal

65

70

68

158

20

7

12

400

Vraag 23

Waarom zijn de achterstanden ontstaan bij de productie van euromunten? Waarom heeft dit financiële consequentie? Waarom is hiervoor de eindejaarsmarge ingezet als dekking? Zijn er nog meer tegenvallers te verwachten?(blz.75)

Antwoord

De achterstanden zijn te zien in samenhang met de omstandigheid dat de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) zich de productietechniek van euromunten eigen moest maken. Het gaat daarbij met name om de bicolor muntstukken die qua samenstelling (ring en kern) sterk afwijken van de munten die KNM tot nu toe heeft vervaardigd. In dit verband is tevens relevant dat de 2-euro voorzien is van een randschrift. Dit randschrift wordt op een rondel (dit is een blanco muntstuk) aangebracht waaruit KNM de ring stanst. Deze ring moet vervolgens worden samengevoegd met de door een rondellenleverancier geleverde kern. Na verloop van tijd moest KNM vaststellen dat dit productieproces meer tijd vergde. Om de achterstand in te lopen heeft KNM gebruik gemaakt van de mogelijkheid een deel van de productie van de 2-euro uit te besteden. Opgemerkt zij dat ook andere munthuizen in andere lidstaten (o.a. Frankrijk, Duitsland en België) soortgelijke problemen hebben ondervonden en tot uitbesteding zijn overgegaan.

KNM zal dit jaar, vanwege de in 1999 opgetreden achterstand, meer munten moeten leveren dan aanvankelijk was voorzien. Aangezien de aan KNM te verstrekken vergoeding gekoppeld is aan het aantal geleverde munten, bleef er in 1999 geld over dat ingezet wordt om in dit jaar de inhaalslag te betalen (eindejaarsmarge).

Een groot deel van de euromunten wordt onder regie van De Nederlandsche Bank (DNB) verpakt. DNB heeft daarvoor een tijdschema opgesteld. KNM heeft onlangs laten weten dat additionele maatregelen nodig zijn om aan dit leveringsschema te kunnen voldoen. Na afronding van het overleg hierover tussen DNB en KNM kan er een uitspraak gedaan worden over de financiële gevolgen. Het voornemen is om in de loop van het najaar hierop terug te komen.

Vraag 24

Waaruit bestonden de promotiekosten ad 500 miljoen?(blz.75)

Antwoord

* In 2001 wordt ten behoeve van de expositie in Rotterdam f 500.000,- (en dus niet f 500 mln) gereserveerd, zoals ook aangegeven is in de begroting.

* Het thema van de tentoonstelling is Afscheid van de nationale munt. Het jaar 2001 is het laatste jaar van de gulden als nationale munt en ter gelegenheid daarvan wordt een tentoonstelling georganiseerd. De tentoonstelling zal het Nederlandse geld vanuit iconografisch, sociaal-cultureel en esthetische invalshoek belichten.

De tentoonstelling vindt plaats in Rotterdam, de Europese culturele hoofdstad in 2001.

Vraag 25

Kan worden gespecificeerd hoeveel van de verschillende soorten eurobiljetten er op 1 januari 2002 in Nederland in omloop worden gebracht? Hoe verhoudt het totaal aan in omloop te brengen euromunten en eurobiljetten zich tot de hoeveelheid in omloop zijnde guldens?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 22.
Vraag 26

Wat houdt EURO-expositie in? Waarom kost die maar liefst 500 miljoen?(blz.76)

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 24.
Vraag 27

Waarom is het garantieplafond niet van toepassing?(blz.81)

Antwoord

De wettelijke regelingen waarop in de vraag wordt gedoeld bevatten geen absoluut maximum aan de te verlenen garantie. Dit vloeit voort uit de aard van de verleende garantie of uit Verdragsverplichtingen.

In de WAKO is een garantieplafond per kerninstallatie van f 5 miljard opgenomen. De op grond van de WAKO verleende garantie geldt voor elke kerninstallatie in NL die onder de wettelijke omschrijving valt. De wet kent geen beperking voor het aantal installaties, maar het ziet er niet naar uit dat het aantal snel toeneemt.

De garantie van de verplichtingen van het Waarborgfonds Motorverkeer vloeit voort uit de tweede EU-richtlijn motorijtuigenverzekering. Deze garantie is het product van het aantal rijksmotorrijtuigen (0,4% van het totaal aantal motorrijtuigen in Nederland) en de nog te financieren verplichtingen van het fonds (optredende schadegevallen). Daarom kan aan de garantie geen plafond worden gesteld.

Op grond van de Zee- en luchtvaartverzekeringswet 1939 worden alleen garanties verleend indien daartoe een noodzaak bestaat. Van geval tot geval wordt de maximale hoogte van een dergelijke garantie bepaald.

Aan de Verzekeringskamer en aan de Stichting Toezicht Effectenverkeer zijn vrijwaringen verleend ter zake van schade als gevolg van uit de toezichtstaak voortvloeiende aansprakelijkheidsclaims, voorzover door deze claims bepaalde limieten worden overschreden. Hiermee wordt, rekening houdend met de draagkracht van de toezichthouders, voorzien in financiële middelen in geval van aansprakelijkheid.

Vraag 28

Is het mogelijk een aparte notitie te ontvangen over het garantiebeleid van de

overheid?(blz.82)

Antwoord

In het algemeen kan onderscheid gemaakt worden tussen twee soorten overheidsgaranties, te weten marktgaranties aan bedrijfsleven (tijdelijk steuntje in de rug voor op langere termijn renderende marktactiviteiten) en (semi-)collectieve garanties (voor activiteiten die in belangrijke mate langs collectieve weg woreen gefinancierd; in feite zijn dat debudgetteringen).

Bij de beoordeling van de rechtmatigheid, de (administratieve) doelmatigheid en de budgettaire inpasbaarheid (risicobeheersing) speelt het Rijksgarantiekader een rol. Dit kader is opgenomen in het Handboek HAFIR (onderdeel A3.10) dat geraadpleegd kan worden op de Internetsite van het Ministerie van Financiën
(www.minfin.nl/Finextranet/).

Vraag 29

Waarom is de post garanties aan de Nederlandse Financierings Maatschappij Voor Ontwikkelingslanden nog steeds in de begroting opgenomen, terwijl er sinds 1-1-93 geen nieuwe garanties meer verleend zijn?(blz.93)

Antwoord

Zoals in de betreffende artikelsgewijze toelichting (uitgavenartikel 03.02) is vermeld, kunnen nog steeds, als gevolg van de garantieverlening tot 1-1-1993, uitgaven plaatsvinden indien de FMO niet aan haar verplichtingen inzake opgenomen leningen kan voldoen. Bovendien staat de Staat (na uitputting van de FMO-reserves) garant voor de niet-normale bedrijfsrisicos van de FMO in verband met reeds verstrekte en nog te verstrekken leningen.

Vraag 30

Waarom nemen de huisvestingskosten almaar toe?(blz.127)

Antwoord

De stijgende huisvestingsuitgaven van de Belastingdienst zijn voornamelijk het gevolg van huurstijgingen en de redesign van de bedrijfsprocessen zoals de Centrale Invoer en gemeenschappelijke klantendiensten.
Vraag 31

Kan de te verwachten hoge winstuitkering van de DNB aan de Staat van 2.4 miljoen in 2001 nader worden toegelicht?(blz.148)32. De winstafdrachtsraming is verhoogd, hoofdzakelijk vanwege de depreciatie van de euro ten opzichte van de dollar en de land euro- en VS-rente. Van welke verhouding tussen de euro en de dollar wordt voor 2001 voor wat betreft de winstafdrachtsraming uitgegaan?(blz.149)

Antwoord

* De volatiliteit van de winst van DNB is aanzienlijk toegenomen door de invoering van de boekhoudkundige principes van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB). Ten gevolge hiervan worden de balansposten gewaardeerd tegen marktprijzen, waardoor grotere waarderingswinsten en -verliezen dan voorheen kunnen optreden. Het grote verschil van de winstafdracht in 2001 ten opzichte van de vorige raming is hier het gevolg van. Gerealiseerde koerswinsten en (on)gerealiseerde koersverliezen komen namelijk alleen in het lopende boekjaar tot uitdrukking in de winst.

* Voor de raming van de winstafdracht in 2001 zijn als exogenen de maandgemiddelden van juni 2000 gebruikt van de lange eurogebied- en VS-rentes, alsmede van de wisselkoers van de dollar uitgedrukt in euros. Voor de lange eurogebied-rente wordt uitgegaan van 5.16% en voor de lange VS-rente van 6.09%. De wisselkoers van de dollar uitgedrukt in euros wordt verondersteld op 1.05.

Bij de vorige raming van de winstafdracht ten behoeve van de Kaderbrief/Voorjaarsnota werd de lange eurogebied- en VS-rente verondersteld op respectievelijk 5.54% en 6.65%. De wisselkoers van de dollar uitgedrukt in euros bedroeg 0.99.

Vraag 32

De winstafdrachtsraming is verhoogd, hoofdzakelijk vanwege de depreciatie van de euro ten opzichte van de dollar en de lange euro- en VS-rente. Van welke verhouding tussen de euro en de dollar wordt voor 2001 voor wat betreft de winstafdrachtsraming uitgegaan?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 31

Vraag 33

Wat is het verschil tussen gewone en autonome maatregelen op fiscaal terrein?

(blz.172 en 175)

Antwoord

Bij de raming van de belastingontvangsten wordt een onderscheid gemaakt naar autonome en endogene mutaties ten opzichte van het voorafgaande jaar. Autonome mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van fiscale maatregelen of wijzigingen in het belastingproces. Endogene mutaties zijn mutaties uit hoofde van economische ontwikkelingen, zoals groei van de bestedingen, lonen, winstontwikkeling en dergelijke. Alleen het effect van fiscale maatregelen wordt meegenomen bij de berekening van de microlastenontwikkeling. Niet fiscale autonome maatregelen betreffen wijziging in inningspatroon als gevolg van procesveranderingen bij de Belastingdienst, fraudebeleid, en nabetalingen tussen belastingen en sociale premies.

Vraag 34

Zijn bij de autonome maatregelen op de belastingontvangsten de tarieven van de in behandeling zijnde tariefwet 2001 als uitgangspunt genomen?(blz.174)

Antwoord

ja.

Vraag 35

Waarom wordt voor de vennootschapsbelasting een lichte terugloop verwacht?(blz.181)

Antwoord

De raming van de vennootschapsbelasting is mede gebaseerd op de door het CPB geraamde ontwikkeling van het winstinkomen van VpB-plichtige ondernemingen, rekening houdend met verliescompensatie. Het CPB raamt een minder sterke stijging van deze grondslag voor 2000 en 2001 dan voor 1999 het geval was. In lijn hiermee wordt verwacht dat ook de groei van kasontvangsten bij de vennootschapsbelasting wat achter blijft bij de groei die in 1999 is gerealiseerd.

Vraag 36

Aangegeven wordt dat de ontvangsten uit hoofde van de omzetbelasting in 2001 naar

verwachting 73.7 mrd bedragen. Dit is een stijging van ruim 10 mrd t.o.v. de vermoedelijke

uitkomst 2000. Kan worden toegelicht worden hoe deze 73.7 mrd is opgebouwd en kan

worden aangegeven waaruit deze 10 mrd bestaat?(blz.204)

Antwoord

De raming van 73,7 miljard voor 2001 is gebaseerd op de raming voor 2000 (63,1 miljard) en de verwachte autonome en endogene mutaties ten opzichte van die raming. De stijging met 10,6 miljard ten opzichte van 2000 is voor 5,3 miljard het gevolg van autonome maatregelen en voor eveneens 5,3 miljard het gevolg van endogene ontwikkelingen.

Bij de autonome maatregelen is de verhoging van het BTW-tarief naar 19% verreweg het meest belangrijk. Verwacht wordt dat deze verhoging, die onderdeel uitmaakt van de belastingherziening 2001, in 2001 leidt tot een extra kasopbrengst van 4,4 miljard. Daarnaast spelen kleinere autonome maatregelen een rol, waarbij de verwachte opbrengst van BTW op de aanleg van infrastructuur voor het openbaar vervoer en de exploitatie het grootst is (0,6 miljard).

De endogene mutatie is met name het gevolg van groei van de met BTW-belaste bestedingen en investeringen. Concreet gaat het daarbij om de particuliere consumptie, de overheidsconsumptie, investeringen in woningen, en overheidsinvesteringen. Voor deze bestedingscategorieën wordt gemiddeld genomen een groei van 8,1% verwacht, hetgeen resulteert in een evenredige stijging van de BTW-ontvangsten.

Vraag 37

Het budgettaire effect van het verlaagd BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten in 2000 is - 229 en in 20001 -21. Kan het verschil worden toegelicht?(blz.204)

Antwoord

Het budgettaire effect van het verlaagd BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten wordt structureel geraamd op 250 miljoen vanaf 2000 op transactiebasis. In begroting IX-B wordt echter de raming van de omzetbelasting op kasbasis weergegeven. Bij de omzetbelasting zit er gemiddeld genomen ongeveer 1 maand vertraging tussen het moment waarop de belaste transactie plaats vindt en het moment waarop de BTW-ontvangsten bij de Belastingdienst worden afgedragen. Dat betekent dat het budgettaire effect van de BTW-verlaging voor ca. 11/12 deel van invloed is op de groei van de belastingontvangsten in 2000 en voor ca. 1/12 deel van invloed is op de groei in 2001. De in de begroting genoemde cijfers weerspiegelen deze verhouding.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie