Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief minister Zalm over vergroening belastingstelsel

Datum nieuwsfeit: 29-09-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Financiën
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financiën

Titel: Werkgroep vergroening van het fiscale stelsel II



Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen

Aan de vaste commissie voor Financiën

uit de Tweede Kamer

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

WV 2000-00629 M

29 september 2000

Onderwerp

Werkgroep vergroening van het fiscale stelsel II

Tijdens het Algemeen overleg met uw commissie op 27 juni 2000 over de Notitie vergroening van het fiscale stelsel is een aantal opmerkingen gemaakt over de vorderingen van de werkgroep vergroening van het fiscale stelsel II. Als eerste heeft de heer Reitsma gevraagd om een tussentijds verslag van de werkgroep. Ook mevrouw Remak heeft benadrukt dat de Tweede Kamer tijdig moet weten aan welke maatregelen de werkgroep denkt en met de regering hierover van gedachten moet kunnen wisselen. De heer Vendrik heeft gevraagd om een nadere indicatie van de onderzoeksagenda en de werkwijze van de werkgroep, zodat de Tweede Kamer er nog invloed op kan hebben. Tot slot vroeg mevrouw Giskes mij volgend voorjaar de Tweede Kamer nader te informeren over de voorstellen van de werkgroep.

Gaarne kom ik tegemoet aan deze vragen uit de commissie door middel van de onderhavige tussenrapportage. Ik verzoek u deze tussenrapportage tevens te beschouwen als antwoord op uw brief van 14 september jl., waarin de commissie aangeeft eraan te hechten tijdig voor de Algemene Financiële Beschouwingen de samenstelling en de agenda van de werkgroep te ontvangen.

Samenstelling van de werkgroep

De Werkgroep vergroening van het fiscale stelsel II heeft als taak te bezien welke nieuwe mogelijkheden, in vervolg op de in de lopende kabinetsperiode gerealiseerde fiscale maatregelen, binnen het fiscale stelsel op milieugebied kunnen worden ingezet. Naast de ambtelijke vertegenwoordigers zijn de leden van de werkgroep afkomstig uit de kringen van werkgevers- en werknemersorganisaties, milieuorganisaties, onderzoeksbureaus op milieugebied of zijn wetenschappelijk werkzaam op het gebied van milieu of economie. Ook oud-kamerleden nemen deel aan de werkgroep. De werkgroep is ingesteld door de Staatssecretaris van Financiën, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij beschikking van 12 mei 2000 (Staatscourant 105 van woensdag 31 mei 2000). In bijlage 1 is een excerpt van de instellingsbeschikking van de werkgroep opgenomen.

Uitgangspunten van het onderzoek

De werkgroep heeft voorafgaande aan de onderzoeken een werkprogramma opgesteld, dat diende als basis voor de verdere werkzaamheden. Kort gezegd komen de uitgangspunten neer op drie zaken: de werkgroep is agendazettend, de werkgroep dient zich breed te oriënteren en de werkgroep rapporteert over de effecten van de milieubelastingen.

De belangrijkste taak van de werkgroep ligt in het ontwikkelen van een mogelijke agenda voor vergroening van het fiscale stelsel in een volgende kabinetsperiode. Deze agenda dient het karakter te hebben van een groslijst van praktisch realiseerbare - door Nederland zelfstandig uit te voeren - opties voor verdere vergroening. Deze opties zullen voldoende uitgewerkt moeten zijn om politiek te kunnen worden beoordeeld. Aangezien het eindrapport van de werkgroep beschikbaar moet zijn op het moment dat de verkiezingsprogrammas van de politieke partijen worden opgesteld, dient het eindrapport medio 2001 te worden uitgebracht.

Te onderzoeken maatregelen

De eerste bijeenkomsten van de werkgroep zijn gebruikt om de leden van de werkgroep de gelegenheid te geven onderwerpen aan te dragen die een onderzoek waard zijn. Daarnaast wordt geput uit verschillende beschikbare inventarisaties en de vele voorstellen en suggesties die in de maatschappelijke en politieke discussie over de vergroening van het fiscale stelsel recentelijk naar voren zijn gekomen. Zo is bij voorbeeld gebruik gemaakt van het onderzoek van het Centrum voor energiebesparing en schone technologie naar milieuschadelijke subsidies.

Dit heeft geleid tot een lijst van te onderzoeken maatregelen. Door de grote hoeveelheid opties is er voor gekozen de te onderzoeken maatregelen in clusters onder te brengen. Hieronder volgt een korte omschrijving van de maatregelen die in elk cluster worden onderzocht. De volledige lijst met te onderzoeken maatregelen is opgenomen als bijlage 2.

Cluster Energie

Vanuit de Kamer is bij verschillende gelegenheden aangedrongen op een verbreding van de REB bij de grotere energieverbruikers. In dat kader wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van een dergelijke verbreding, waarbij met name van belang is welke milieueffecten daarvan mogen worden verwacht en welke effecten verbreding heeft voor de (concurrentie)positie van bedrijven in een zich liberaliserende internationale energiemarkt. Hiertoe is het CPB gevraagd de milieu- en economische effecten van een aantal varianten te onderzoeken. Het CBP is onlangs met dit onderzoek gestart.

In het cluster energie wordt bijzondere aandacht besteed aan de positie van bedrijven die meerjarenafspraken (MJAs) of een benchmark-overeenkomst zijn aangegaan en aan de ontwikkelingen op het Europese vlak.

Daarnaast wordt in het cluster energie onderzocht of het mogelijk is een belasting op het lozen van afvalwarmte in te voeren. Doelstelling van zon belasting is dat nuttig toe te passen (afval)warmte niet geloosd, maar aangewend wordt.

Ook wordt in dit cluster onderzocht hoe hernieuwbare bronnen (biofuels, zonlicht, zonnewarmte, wind, waterstof) fiscaal verder gestimuleerd kunnen worden en of de bestaande positieve prikkels voor energiebesparing en duurzame energie aangepast en uitgebreid kunnen worden.

Tot slot wordt een aantal maatregelen bezien op het gebied van de tuinbouw.

Cluster Mobiliteit

In het cluster mobiliteit wordt onderzocht, onder de veronderstelling dat er in de toekomst een kilometerheffing komt, welke andere mogelijkheden er zijn in de fiscaliteit om het beleid op het gebied van mobiliteit verder vorm te geven. Daarnaast worden de milieu-/natuureffecten van de kilometerheffing bezien, en wordt gekeken naar de optie van (milieu-)differentiaties binnen deze heffing. De te onderzoeken maatregelen kunnen worden onderverdeeld in:


- Maatregelen gericht op schonere/zuinigere mobiliteit;

- Maatregelen gericht op verlaging mobiliteit;

- Maatregelen gericht op verschuiving in vervoersmodaliteit.
Cluster Ruimtegebruik en wonen

Het cluster ruimtegebruik en wonen onderzoekt of de vrijstelling voor landbouwgrond in de onroerende zaakbelasting (OZB) kan worden afgeschaft. Dit voorstel ziet op een gelijke behandeling van landbouwgrond en niet-landbouwgrond voor de OZB. Bezien wordt of het mogelijk en wenselijk is een vrijstelling op te nemen voor landbouwgrond die biologisch wordt gebruikt.

Daarnaast wordt een aantal maatregelen onderzocht op het gebied van fiscale stimulering van bodemsanering en op het gebied van duurzaam bouwen.

In dit kader kan worden gewezen op de vraag vanuit de Tweede Kamer aan de werkgroep om onderzoek te doen naar de mogelijkheid om bij de vaststelling in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) op zodanige wijze rekening te houden met energiebesparende maatregelen en bodemsanering dat deze maatregelen niet worden vertaald in een hogere WOZ-waarde voor de desbetreffende onroerende zaak.

Tot slot wordt in het kader van ruimtebeslag gekeken naar de mogelijkheid voor een belasting op het onttrekken van grond aan een agrarische of natuurbestemming en een belasting op het beslag op de ruimte als zodanig.

Cluster Producten, emissies en processen

In dit cluster wordt in de eerste plaats onderzocht of het mogelijk is om een belasting op (kunststof) verpakkingen te introduceren. Daarnaast worden belastingen op diverse andere stoffen onderzocht. Gedacht kan worden aan een heffing op diffuse emissies, weekmakers, oplosmiddelen, perchloorethyleen als wasmiddel, PVC, vuurwerk en primaire metalen.

Daarnaast wordt gekeken naar maatregelen die een positieve stimulans kunnen geven aan milieuvriendelijke producten, zoals een maatregel die het gebruik bevordert van oplosmiddelarme verf, duurzaam geproduceerd hout of afbreekbare smeerolie. Ook wordt gekeken naar een introductie van een duurzame consumptieaftrek in de vorm van ecospaarpunten (ecomiles).

Deelwerkgroep evaluatiemethoden

Naast de hierboven genoemde clusters, die allen in een deelwerkgroep worden behandeld, houdt een deelwerkgroep zich bezig met het ontwikkelen van nieuwe evaluatiemethoden voor de effectiviteit van milieubelastingen.

Zoals u weet is vanuit de Tweede Kamer tijdens de behandeling van de Voorlopige Rekening 1999 onder meer de vraag gesteld in hoeverre het kabinet in staat is om op basis van recente gegevens een oordeel te vellen over de effectiviteit van belastingen op milieugrondslag.

In het antwoord van het kabinet op deze vragen (Kamerstukken II 1999/2000, 27 031, nr. 4) werd in dit verband opgemerkt dat in 1995 en 1996 onderzoek is verricht naar de grondwater- en afvalstoffenbelasting. Bij de bespreking van dat onderzoek (Kamerstukken II 1997/98, 25 600 IXB, nr. 12) is naar voren gekomen dat de effecten van milieubelastingen wat het bereiken van de milieudoelstellingen betreft, eigenlijk niet of nauwelijks geïsoleerd zijn te meten, omdat zij deel uitmaken van een geheel van maatregelen die alle gericht zijn op hetzelfde doel. Ook externe invloeden, als de autonome ontwikkeling van de energieprijzen, zijn van invloed. Een onderzoek ten behoeve van de jaarrapportage regulerende energiebelasting over 1997 heeft dat voor wat betreft de regulerende energiebelasting nog eens bevestigd. Mede gelet op die problematiek is aan de werkgroep gevraagd onderzoek te doen naar de ontwikkeling van een methode om tot evaluatie van de bestaande milieubelastingen te komen.

Gebleken is dat er op dit moment in Nederland geen goed meetinstrument bestaat om ex post de effecten van vergroening te bepalen en daarmee inzicht te krijgen in de efficiëntie van het beleid. Dit betekent ook dat in de eindrapportage van de werkgroep geen evaluatie van de bestaande milieubelastingen kan worden opgenomen. De werkgroep acht het echter wel van groot belang dat een dergelijk meetinstrument wordt ontwikkeld. Hiermee is ook enige haast geboden, om ervoor te zorgen dat dit meetinstrument volledig operationeel is als maatregelen van de werkgroep worden ingevoerd. Inmiddels heeft deze deelwerkgroep het CBS benaderd om een vooronderzoek te doen naar de haalbaarheid van een zogenoemde milieumonitor, die waarschijnlijk op basis van een permanent panelonderzoek bij huishoudens en bedrijven gestalte moet gaan krijgen. Deze milieumonitor zal in eerste instantie gericht zijn op evaluatie van de REB, de positieve prikkels en een beperkt aantal andere onderwerpen.

In de rapportage van de werkgroep zal worden opgenomen in hoeverre het mogelijk is een dergelijk milieumonitor in te voeren. Hierbij wordt ten eerste een model ontwikkeld. Ten tweede wordt onderzocht of het mogelijk is voldoende informatie te verkrijgen voor het model. Tot slot wordt er een kostenplaatje gemaakt van de milieugedragsmonitor.

Werkwijze van de werkgroep

In de beginfase heeft de werkgroep intensief gewerkt aan het ontwikkelen en vaststellen van een werkprogramma en een toetsingspad. Hierbij is het toetsingspad van de Commissie Van der Vaart als uitgangspunt genomen. Naar aanleiding van de discussies in de eerste vergaderingen van de werkgroep is dit toetsingspad enigszins aangepast.

In het toetsingskader van de Commissie Van der Vaart was een strikte hiërarchie aangegeven, waarbij het milieueffect het belangrijkste criterium was. In het nieuwe toetsingskader wordt daar wat soepeler mee omgegaan. In het nieuwe toetsingskader zijn vier subkaders opgenomen, waarvan één optioneel (subkader vier). De subkaders bevatten telkens een aantal criteria waaraan getoetst moet worden.

In tegenstelling tot het vorige toetsingskader wordt nu voorgesteld om naast de kortetermijneffecten ook te kijken naar de langetermijneffecten. Ook wordt het adagium dat het effect van een maatregel kwantificeerbaar moet zijn losgelaten en vervangen door het criterium dat het effect te beredeneren dient te zijn, waarbij geldt dat er in ieder geval sprake moet zijn van een per saldo redelijkerwijs te verwachten positief milieueffect.

Verder is een aantal criteria in rangorde gewijzigd. Zo is het criterium draagvlak in het schema naar voren gehaald. Bij het criterium technische uitvoerbaarheid wordt onder meer gebruik gemaakt van het fiscale toetsingskader zoals is opgenomen in de Miljoenennota 2001 (bijlage 4, paragraaf 8). Verder zijn de criteria economisch/mobiliteits/werkgelegenheidseffect en inkomenseffect samengevoegd tot het criterium economische effecten. Toegevoegd is in het derde subkader het criterium "overige neveneffecten van een maatregel". Dit criterium heeft zowel betrekking op positieve als op negatieve neveneffecten van een maatregel, bijvoorbeeld het als gevolg van de maatregel stimuleren van knowhow.

De plaats van een criterium in het hierna opgenomen schema heeft geen hiërarchische betekenis. Het schema is opgesteld op basis van een volgorde van analyse en afweging. Elk kader moet met een positief resultaat gepasseerd worden, wil de maatregel leiden tot een aanbeveling.

De criteria binnen een kader wegen in beginsel even zwaar. Als er echter twee of meer criteria conflicteren, dan is de onderlinge positie van de criteria waaraan getoetst wordt van belang. Zo zal het criterium milieueffecten zwaarder wegen dan het criterium belastingopbrengst.

Na elk subkader volgt er een beslismoment: als de uitkomst van een subkader positief is, dan wordt het voorstel aan het volgende subkader getoetst.

Subkaders bij het toetsingsschema

De subkaders die in het toetsingskader zijn opgenomen zijn gebaseerd op een viertal vragen.

Het eerste subkader gaat over de vraag Waarom wordt de maatregel voorgesteld? Hierbij komen de volgende aspecten aan de orde:
* wat zijn de milieueffecten? indien mogelijk moeten de milieueffecten gekwantificeerd worden, maar in ieder geval moeten de effecten beredeneerbaar zijn (kwalitatief);
* wat zijn de milieueffecten op korte en/of lange termijn;
* wat zijn de korte en/ of lange termijn belastingopbrengsten;
* wat is de rechtvaardiging/ welk draagvlak is er?
Het tweede subkader behandelt de vraag Hoe wordt de belasting vorm gegeven? Ook deze vraag valt in een aantal deelvragen uiteen:
* wat zijn de juridische aspecten van de maatregel op nationaal, Europees en internationaal (buiten EU) niveau;
* welke uitvoeringstechnische aspecten draagt deze maatregel met zich mee (uitvoerbaarheid en perceptiekosten);
* hoe groot zijn de administratieve lasten als gevolg van de maatregel?

Het derde subkader betreft de gevolgen van de maatregel:
* de economische effecten zoals allocatie-effecten, inkomenseffecten, werkgelegenheid en concurrentie;
* de neveneffecten, bijvoorbeeld invloed op de know how als gevolg van de stimulering van milieutechnologie, het oplossen van files als gevolg van het terugdringen van het aantal auto's;
* de mogelijkheid tot neutralisatie van negatieve gevolgen (fiscale terugsluismogelijkheden, andere compenserende maatregelen zoals subsidies).

Ten aanzien van flankerend beleid geldt dat voorstellen om bepaalde negatieve effecten weg te nemen, via een iteratief proces weer getoetst moeten worden aan het tweede subkader. Op deze wijze wordt voorkomen dat een voorstel voor flankerend beleid in het implementatiestadium, bijvoorbeeld, niet EU-proof blijkt te zijn.

Indien een maatregel bij één van de subkaders negatief wordt beoordeeld, dan kan er door een aanpassing van de maatregel (tarief, grondslag etc.) of een pakketbenadering er een maatregel worden bedacht die dan wederom in het toetsingskader kan worden ingebracht. Deze mogelijkheid staat in het vierde subkader, waarin de vraag "Hoe kan de maatregel anders worden vormgegeven?" wordt behandeld, bekeken of het oorspronkelijke voorstel dusdanig aangepast kan worden dat het wederom getoetst kan worden aan het toetsingskader. Ook kan bekeken worden of het mogelijk is om maatregelen te clusteren. Op deze wijze kan voorkomen worden dat kleine
voorstellen afvallen terwijl zij in combinatie met andere voorstellen wel effectief zouden kunnen zijn. De nieuwe maatregel wordt weer van voren af door het toetsingskader gehaald. Is de uitkomst van dit subkader ook negatief, dan volgt een afwijzing.

Is uiteindelijk de bevinding van het totale toetsingskader positief, dan volgt een korte- of langetermijnaanbeveling van de Werkgroep.

Ik hoop u voldoende informatie te hebben gegeven voor een eerste kennismaking met de werkzaamheden van de werkgroep. Graag wil ik u er tot slot op wijzen dat het onderzoek ten aanzien van de maatregelen die in deze brief worden beschreven nog gaande is, en dat er geen conclusies over mogelijke aanbevelingen kunnen worden getrokken uit het opnemen van bepaalde maatregelen in de lijst met te onderzoeken onderwerpen.

De staatssecretaris van Financiën,

W. Bos

Instelling werkgroep Vergroening van het fiscale stelsel II

12 mei 2000/WV 2000-7 M

Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen

De Staatssecretaris van Financiën, de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Overwegende dat het wenselijk is een nieuwe werkgroep vergroening van het fiscale stelsel in te stellen;

Besluiten:

§ 1. Instelling en taak

Artikel 1

Er is een werkgroep Vergroening van het fiscale stelsel II.

Artikel 2


1. De werkgroep heeft als taak te bezien welke mogelijkheden in vervolg op de in deze kabinetsperiode gerealiseerde fiscale maatregelen op gebied van milieu, natuur daaronder begrepen, kunnen worden ingezet binnen het fiscale stelsel die het belang van de bescherming van het milieu dienen en een duurzame ontwikkeling van de economie bevorderen. Dit gebeurt mede tip basis van evaluatie van al bestaande groene belastingmaatregelen


2. De werkgroep zal vanuit de in lid 1 genoemde invalshoek onderzoek doen naar milieuschadelijke subsidies in de vorm van belastinguitgaven.


3. De werkgroep rapporteert in één rapportage, zoveel mogelijk in de vorm van concrete voorstellen die nationaal realiseerbaar zijn. Indiende werkgroep dat wenst kan zij tussenrapporten uitbrengen.


4. De verwachte effecten van de voorstellen dienen zo concreet mogelijk zichtbaar te worden gemaakt. 5. De werkgroep fungeert als klankbord voor de implementatie van de voorstellen uit de rapportages van de werkgroep Vergroening van liet fiscale stelsel.

Artikel 3

Bij het doen van voorstellen neemt de werkgroep de volgende voorwaarden in acht


- de te ontwikkelen voorstellen dienen inpasbaar te zijn binnen het fiscale stelsel. Dit betekent onder meer dat de voorstellen zorgvuldig moeten worden afgewogen op hun uitvoeringsaspecten en hun handhaafbaarheid, en op hun inpasbaarheid in de internationale context, waarbij tevens voorstellen kunnen worden gedaan om eventuele knelpunten weg te nemen;


- de te ontwikkelen voorstellen dienen te passen in het Europese beleid inzake de staatssteun;


- de voorstellen moeten naar het mogelijke bijdragen aan de aanvaardbaarheid van de belastingwetgeving.

§ 2. Samenstelling en werkwijze

Artikel 4


1. Tot lid, tevens voorzitter van de werkgroep wordt benoemd: mr. J.C. de Waard.


2. Tot leden, tevens secretarissen, van de werkgroep worden benoemd:
mw. mr. C.M. de Berg en D. Blansjaar.


3. Tot leden van de werkgroep worden benoemd:
ir. A.N. Bleijenberg

mw. drs. A.J.F.M. Deckers

mr. J.H. Enter

prof. dr. C. van Ewijk

prof. H. Folmer

mw. dr. J. de Groene

prof. dr. W.A. Hafkamp

J.H.A Hendriks

dr. J.J.H. Jacobs

prof. dr. J.H. Jans

drs. A.H.M. de Jong

drs. E.W.A. Klerken

prof. dr. H.A. Kogels

mw. dr. A. Kolk

mr. A. Leder

H. Leemreize

drs. F.Fl. von Meijenfeldt

mw. mr. H. Neppérus

prof. dr. P. Rietveld

mw. drs. L. van Rijn-Vellekoop

ir. J.P. van Soest

prof. dr. L.G.M. Stevens

prof. dr. J.W. Velthuijsen

prof. dr. H. Verbruggen

mr. W. Visser

mr. Th. 0. Vreugdenhil

drs. J.L. de Vries

mr. J.G.S. Warmerdam

Artikel 5

Ter uitvoering van haar taak kan de werkgroep zich rechtstreeks wenden tot derden voor het verkrijgen van inlichtingen en hen zo nodig ter vergadering uitnodigen om hen hun mening nader uiteen te laten zetten.

Artikel 6

De werkgroep brengt haar rapportage uiterlijk in juli 2001 aan de Staatssecretaris van Financiën, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en

Milieubeheer, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij uit.

Artikel 7

De werkgroep brengt op verzoek van de Staatssecretaris van Financiën, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Landbouw Natuurbeheer en Visserij tussentijds verslag uit.

§ 3. Overige bepalingen

Artikel 8

De leden van de werkgroep, voor zo, er geen ambtenaar, ontvangen vacatiegelden alsmede een vergoeding voor de reis- en verblijfskosten volgens de bestaande rijksregelingen. voor zover niet uit anderen hoofde een vergoeding van deze kosten wordt verleend uit 's Rijks kas.

Artikel 9

Een ieder die betrokken is bij de werkzaamheden van de werkgroep en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij liet vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoorde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter rake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voorzover wettelijk , voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij deze werkzaamheden de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit,

Artikel 10


1. Dit besluit wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.


2. Afschrift van dit besluit wordt gezonden aan de Algemene Rekenkamer.

s-Gravenhage, 12 mei 2000

De Staatssecretaris van Financiën,

W.J. Bos.

De Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk.

De Minister van Economische Zeiken,

A. Jorritsma-Lebbink.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos.

De Staatssecretaris van

Natuurbeheer en Visserij,

G.H. Faber

Inmiddels heeft de samenstelling van de werkgroep enige wijzigingen ondergaan. De heer Blansjaar is door een verandering van werkkring ontheven van zijn functie als secretaris van de werkgroep. In de ontstane vacature is voorzien door de heer Looijenga. Mw. Kolk heeft door persoonlijke omstandigheden zich moeten terugtrekken als lid van de werkgroep. De heren Jans en Hafkamp hebben zich teruggetrokken als lid van de werkgroep in verband met een sabbatical. Tot slot is de heer Sukkel toegetreden als lid.

Cluster 1: Energie


- Verbreding energiebelasting naar het grootverbruik

- Heffing op fossiele energiedragers die worden gebruikt als grondstof voor kunststoffen e.d.


- Belasting op afvalwarmte


- Fiscaal verder stimuleren van hernieuwbare bronnen (Biofuels, zonlicht, zonnewarmte, wind, waterstof) en vernieuwbare bestanddelen van brandstoffen


- Aanpassen en uitbreiden positieve prikkels voor energiebesparing en duurzame bronnen


- Algemeen BTW-tarief op aardgas en minerale oliën voor verwarming in de tuinbouw


- Afschaffen lage tarief REB voor glastuinbouw
Cluster 2: Mobiliteit

Bestelautos


- Snelheidsbegrenzer en tachograaf bestelwagens fiscaal krachtig bevorderen


- Bestelwagens zonder tachograaf en snelheidsbegrenzer gelijk fiscaal behandelen als personenauto (BPM, MRB)


- BPM voor bestelautos invoeren


- MRB-tarief voor bestelautos gelijk trekken
Openbaar vervoer


- Vervallen vrijstelling BPM en MRB voor taxis

- Heffing op gebruik van het spoor, gedifferentieerd naar geluid.

- Infrastructuurheffing spoorvervoer


- Heffing van de werkgever per werknemer waarvan opbrengst wordt gebruikt voor aanleg nieuwe voorzieningen op terrein openbaar vervoer


- Verplichting werkgever helft abonnement betalen voor woon-werkverkeer

Brandstof


- Afschaffen lagere accijns bij gebruik anders dan voortdrijving motorvoertuigen (mobiele werktuigen)


- Dieselprijsstabilisator


- Lagere accijns diesel en LPG t.o.v. benzine afschaffen

- Gedifferentieerde brandstofaccijns op basis van zwavelgehalte

- Gedifferentieerde kilometerheffing, eerst voor goederenvervoer (bij afschaffing Eurovignet, eventueel ook lagere loonbelasting), later ook voor personenvervoer


- MRB differentiëren naar brandstofgebruik


- Variabilisatie MRB/dieselaccijns goederenwegvervoer

- Bevorderen LPG in huisvuilwagens


- Invoering belasting brandstoffen binnenvaart
Inkomstenbelasting


- Hoogte autokostenfictie


- Reiskostenforfait en belastingvrije vergoeding woon-werkverkeer met de auto afschaffen


- Afschaffen vrijstelling belastingen autokilometervergoeding door werkgevers boven de variabele kosten


- Belasting op gratis gebruik parkeerplaats bij werkgever (bijtelling)

- Belasten parkeerplaatsen op eigen terrein
Luchtvaart


- Heffing op landen en stijgen van vliegtuigen

- Belastingheffing binnenlandse vluchten


- Europese emissieheffing luchtvaart


- BTW op vliegtickets

Geluid


- Geluidheffing


- Fiscale heffing bromfiets en snorfiets

Diversen


- OZB voor verkeersinfrastructuur invoeren


- Overdrachtsbelasting afschaffen of verlagen voor personen die dichter bij hun werk gaan wonen


- Afschaffen apart laag tarief voor autos van 25 jaar en ouder
Cluster 3: Ruimtegebruik en wonen

Onttrekken grond


- Belasten van onttrekken van openbare / open ruimte (Grondexploitatiebelasting)


- Fiscaal belasten omzetten hoogwaardige ruimte (natuur als hoogste stap) in laagwaardiger ruimte, conform Tsjechisch systeem of variant daarvan


- Fiscaal stimuleren ecologische hoofdstructuur

- OZB voor landbouwgrond invoeren


- Rood betaald mee aan groen: aanleg en instandhouding van duurzame en groene woon- en werkomgeving, plantsoenen, groene gebieden en duurzame bedrijvenparken


- Belasting op het ruimtegebruik (ook in de hoogte)
Bodemsanering


- Fiscale stimulering bodemsanering:


- aanpassen WOZ-waarde verontreinigde grond

- aanpassen milieukostenresolutie


- Fiscale tegemoetkoming voor particulieren die hun bodem saneren
Duurzaam bouwen


- Differentiatie huurwaardeforfait voor DuBo-woning

- Differentiatie onroerendezaakbelasting voor DuBo-woning

- Differentiatie overdrachtsbelasting voor DuBo-woning
Cluster 4: Producten, emissies en processen

Producten en emissies


- BTW-differentiatie milieuvriendelijke producten (met keurmerk of tweedehands)


- Alleen duurzame goederen en diensten onder verlaagd BTW-tarief (aanpassing bijlage H Zesde BTW-richtlijn). Op termijn hantering één algemeen BTW-tarief en twee verlaagde BTW-tarieven. Het laagste verlaagde BTW-tarief is voor gelabelde biologische land- en tuinbouwproducten. Het andere verlaagde tarief voor andere aangewezen duurzame goederen en diensten en voor niet-gelabelde voedingswaren


- Productheffingen in de productieketen.


- Duurzame-consumptieaftrek voor producten van biologische land- en tuinbouw met EKO-label;


- Differentiaties en minimumtarieven ten behoeve van duurzame ontwikkeling in bestaande accijnzen


- Heffing op primaire metalen (koper, aluminium, staal)

- Heffing op PVC


- Heffingen op SO2, NOx en VOS voor grote vaste bronnen

- Heffing op niet-duurzaam geproduceerd hout

- Heffing op weekmakers, oplosmiddelen, perchloorethyleen als wasmiddel, eenmalige verpakkingen


- Gedifferentieerde heffingen op verpakkingen, na afloop van Convenant Verpakkingen II, op basis van energie- en restafvalkentallen


- Belasting op vuurwerk


- Heffingsvrije voet bij fosfaat- en stikstofheffingen in de landbouw afschaffen


- Heffing op minerale inputs, inclusief kunstmest

- Accijns op vlees


- Algemeen BTW-tarief op vlees


- Heffing op diffuse emissies (zink-, tin- en koperverbindingen, zware metalen en overige broeikasgassen)

Processen


- Duurzaam inrichten bedrijventerreinen


- Verdere uitbouw van de duurzame ondernemersaftrek

- Opschaling duurzame-ondernemersaftrek in Europees geharmoniseerde vennootschapsbelasting;


- Bevordering maatschappelijk verantwoord ondernemen (oriëntatie op komend SER-advies) en internationaal verantwoord ondernemen in (opgeschaalde) duurzame-ondernemersaftrek;


- Bovenwettelijke standaarden voor voedselzekerheid en voedselveiligheid in opgeschaalde duurzame-ondernemersaftrek


- Themas benchmarking in opgeschaalde duurzame-ondernemersaftrek;

- Spaarzaamheid in gebruik natuurlijke hulpbronnen in productieprocessen in opgeschaalde duurzame-ondernemersaftrek;


- Verlaagd BTW-tarief voor onderhoudsdiensten aan particuliere eigenaren van bos en natuurgebieden;


- Distributie en afzet biologische land- en tuinbouwproducten in duurzame-ondernemersaftrek.


- Afschaffing vooraftrekrecht BTW ten aanzien van ondernemers met schadelijke productieprocessen;

Fiscale prikkels


- Stimuleren verduurzaamd hout, oplosmiddelarme verf, afbreekbare smeerolie, meervoudige verpakkingen


- Introductie duurzame consumptieaftrek (ecomiles)

- Fiscale prikkels verantwoord meststoffengebruik

- Tax credit voor duurzame doelen

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie