Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage Koenders debat rapport tijdelijke uitzendingen

Datum nieuwsfeit: 04-10-2000
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 4 oktober 2000

BIJDRAGE VAN BERT KOENDERS (PVDA) AAN HET PLENAIRE DEBAT OVER HET RAPPORT VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE UITZENDINGEN (DEBAT MET DE COMMISSIE)



Het uitzenden van Nederlandse militairen voor vredesoperaties is een van de zwaarste en moeilijkste beslissingen waarvoor Regering en ook parlement zich gesteld zien. Er is geen operatie die zonder risico is. Er is ook geen operatie waarvan te voren bekend is wat de afloop zal zijn. De mist van oorlog waarover Von Clausewitz al sprak geldt ook voor de meeste crisisbeheersingsoperaties.. Wie beslist over vredesoperaties en het uitzenden van Nederlandse vrouwen en mannen naar moeilijke, vreemde en gevaarlijke gebieden laat dus een zware verantwoordelijkheid op zich. Dat is een verantwoordelijkheid naar de militairen toe, hun familie en vrienden, maar ook naar de mensen elders voor wie bescherming of betere levenskansen gezocht worden. Die verantwoordelijkheid wordt zowel door de regering als het parlement ook deze week intens gevoeld. Zonder de massamoord op 7000 mensen in Srebrenica zou deze onderzoekscommissie er waarschijnlijk niet in deze vorm gekomen zijn. Waarheidsvinding over deze ernstige massamoord gepleegd door de Bosnisch Servische milities is een plicht vooral naar de slachtoffers maar ook naar onze militairen toe. Het moedige rapport van VN Secretaris Generaal Koffi Annan en het Rapport van het NIOD zullen gezamenlijk zoveel mogelijk een antwoord moeten geven op het complexe samenspel van locale, nationale en internationale verantwoordelijkheden dat uiteindelijke leidde tot deze oorlogsmisdaad. Het ultieme antwoord bestaat misschien wel niet en moet deels gevonden worden in wat Van Mierlo in de hoorzittingen de misschatting van de boosaardigheid noemt. Maar volgend jaar en liefst zo spoedig mogelijk zullen de conclusies van het NIOD laten zien of een definitief politiek oordeel vervolgens nog een parlementaire enquête vereist. Zoals gezegd, waarheidsvinding moet daarbij voorop staan. Nu is het het beste dat het NIOD op zekere objectieve afstand het geheel in kaart brengt. De Commissie Besluitvorming Uitzendingen heeft de opdracht gekregen zich te concentreren op de nationale politieke besluitvorming. Uiteraard zijn daarbij de uitzendingen naar voormalig Joegoslavië van primair belang is geweest. Ik kom op die uitzending nog uitgebreid terug maar ik wil aan het begin van dit debat zeggen dat de PvdA-fractie de conclusie deelt dat bij de uitzending van een luchtmobiel bataljon naar Srebrenica los van de inhoud van de beslissing - en ik benadruk dat laatste -zowel regering als parlement soms belangrijke steken heeft laten vallen. We onderschrijven de conclusie dat bij de besluitvorming in onvoldoende mate de internationaal-politieke verhoudingen zijn betrokken - ik kom daar nog uitgebreider op terug - en dat te weinig aandacht besteed werd aan de politiek- en militair- technische praktijk. Er zijn in uw Rapport vele aanknopingspunten voor een kritische beoordeling van de wijze van besluitvorming omtrent deze uitzending. Het was een brokkelig proces waarbij de vraag waar het bataljon precies en onder welke internationale omstandigheden en voorwaarden heengezonden werd naar de achtergrond dreigde te verdwijnen. Een duidelijk beslissingsmoment ontbrak en verschillende verantwoordelijkheden waren verdampt. De hoorzittingen waren hier duidelijk over. Het is denk ik ook politiek van belang dat het Nederlandse parlement hier naar aanleiding van uw rapport ook zelfkritisch oordeelt en dat wij dat publiekelijk uitspreken. Deze mijns inziens terechte en noodzakelijk kritische beoordeling staat overigens volstrekt los van de inhoud van het besluit zelf. Het ultieme moment waarop besloten wordt is altijd een politieke verantwoordelijkheid van dat moment waarbij de dan geldige realiteit en urgentie moet worden ingeschat evenals de dan bekende informatie en inschatting over de juistheid van de gehanteerde filosofie van vredeshandhaving, de situatie ter plekke en de humanitaire noden. Er loopt geen digitale verbindingslijn tussen de uitzending en de val van de enclave. Over de inhoud van het besluit achteraf inhoudelijk oordelen is te makkelijk. De situatie in Bosnië legitimeerde wel degelijk een actieve politiek, dat staat voor ons buiten kijf. Er was alle reden een eind te maken aan een gewelddadige oorlog en de internationale rechtsorde te verdedigen.

Door het kritische en gedegen Rapport van de Commissie is het beeld van de uitzendingen naar Joegoslavië maar ook dat van andere missies zoals die naar Cambodja en Kosovo verhelderd en verbeterd. Ik zou de Commissie dan ook willen danken voor haar uitgebreide, volledige en belangrijke werk. Het stuk is eerlijk, hier en daar dramatisch voor de politieke besluitvorming, maar het laat ook zien hoe in de loop der tijden grote verbeteringen hebben plaatsgevonden in het besluitvormingsproces. De uitzending van IFOR , de daarbij gehanteerde voorwaarden over commando en veiligheid en de hantering van het Toetsingskader bij die uitzending laten de enorme veranderingen zien ten opzichte van het proces bij de uitzending van het luchtmobiele bataljon. Voor mijn fractie is tevens van belang dat dit rapport laat zien hoe een goede commissie met een heldere werkwijze ook zelfkritisch kan kijken naar de Nederlandse besluitvorming met inbegrip van de rol van het parlement. Het parlement is wel degelijk in staat zichzelf te onderzoeken en het is belangrijk dat de bevindingen en aanbevelingen in consensus zijn opgesteld. In die zin is het resultaat ook een antwoord aan de sceptici van het eerste uur en een compliment waard voor de Commissie. Tevens ondersteun ik de werkwijze die er op neer komt dat de conclusies getrokken moeten worden door de Tweede Kamer en niet door de Commissie zelf. Dat zal vandaag gebeuren, maar vooral ook in het debat met de regering. Ik deel daarbij overigens niet de kritiek van sommigen dat het rapport iedereen voor alles verantwoordelijk maakt en daarom verdampt. Zelf heb ik zojuist al iets gezegd over de rol van het parlement, maar ook de regering in zijn onderscheiden verantwoordelijkheden komt nog aan de orde. Wat ik nu juist het voordeel vindt is dat de Commissie op het belangrijke punt van uitzending naar vredesoperaties vooral ook gekeken heeft naar de structuur en de motieven van het gehele Nederlandse besluitvormingsproces in zijn onderlinge samenhang. Juist omdat interne conflicten en crisisbeheersingsoperaties nog lang bij ons zullen blijven is het van groot belang om ook los van personen te praten over de noodzaak en de richting van verbeteringen. UNPROFOR heeft ons geleerd dat een polderachtig model van besluitvorming weinig geëigend is voor de harde realiteit van de internationale politiek en goede democratische controle op vredesoperaties. Verantwoordelijkheden moeten duidelijk gescheiden zijn. Ik kom daar bij de behandeling van de aanbevelingen nog preciezer over te spreken.

Voor ik bij de behandeling van de specifieke bevindingen en aanbevelingen kom wil ik nog enige aandacht besteden aan de eerdere hoofdstukken van het Commissierapport. In Hoofdstuk 3 schetst de Commissie een goed en gedegen raamwerk ten aanzien van vredesoperaties. Graag zou ik van de Commissie vernemen hoe dit raamwerk zich nu verhoudt tot de latere hoofdstukken die vooral uitmonden in aanbevelingen over procedures en informatievoorziening. Daarmee bedoel ik het volgende: als we kijken naar onze ervaringen in Bosnië en Kosovo, maar ook elders in Afrika, dan zijn er een aantal conclusies te trekken over de aard van de conflicten en de diverse vormen van internationale reacties daarop die niet alleen 'gecovered' kunnen worden door betere informatievoorziening of procedures. Laat ik dat verduidelijken De kernkarakteristieken bij de crisissen van deze tijd zijn - en ik som op in willekeurige volgorde:
- ze vinden plaats binnen staten meer dan tussen staten en is veelal sprake van een humanitaire ramp;
- oplossingen zijn altijd een lange termijnzaak en er is nooit sprake van een duidelijke overwinning of van een eenduidig behalen van doelstellingen van de internationale gemeenschap;
- moderne oorlogvoeringstechnieken verhouden zich slecht tot etnische zuivering; locale partijen spelen rugby en de buitenwacht voetbal. Risicomijding en het beperken van collaterale schade verhouden zich slecht tot het snel bereiken van doelstellingen, zoals we in Kosovo zagen;
- de internationale reactie heeft altijd de handicap van coalitiebeleid wat voor Nederland weer eigen problemen schept als het gaat om invloed en bescherming van eigen troepen;
- morele en realistische buitenlandse politiek zijn niet eenvoudig te koppelen en interventie is vaak te weinig te laat. De kansen van conflictpreventie zijn vaak niet gegrepen.
Nederland sinds het debacle in Nieuw-Guinea en later bij de operatie UNIFIL pas in het afgelopen decennium weer te maken met de hardheid en realiteit van dit type crisissen en moet zich meer invechten in internationale organisaties om invloed te behouden en verkrijgen. Onze krijgsmacht is gedwongen de naïviteit voorbij. De discussie over aanvaardbare risico's is evenals elders nog in volle gang. Toch is er ook sprake van duidelijke verbeteringen in de afgelopen jaren. Vindt de Commissie dit alles overziende bijvoorbeeld dat de kennis bij Defensie
- waar nog steeds geen uitgewerkte gevechtsdoctrine bestaat voor de nieuwe conflicten - voldoende verbeterd is ten behoeve van adequate besluitvorming? Is deze ook te verbeteren zoals bijvoorbeeld in het Amerikaanse Congres - overigens niet in alle opzichten mijn voorbeeld - waar samen met universiteiten wordt gewerkt aan kennisvermeerdering van het parlement op dit terrein, nu de Commissie concludeert dat ons vaak militair-operationele kennis ontbeert? Natuurlijk gaat het niet alleen om kennis, het is een mentaliteitskwestie, een aanpassing aan de realiteiten van de situatie na de Koude Oorlog. Meer algemeen is mijn vraag dan ook of de Commissie vindt dat in de voorlichting naar de samenleving , in de beoordeling en het respect voor de militaire professie, in de structuur van de ministeries en hun samenwerking, en in de werkwijze van het parlement voldoende aandacht is voor de nieuwe realiteit van vredesoperaties zoals ik die geschetst heb. Waar is management en informatie het probleem, waar mentaliteit, traditie en de Nederlandse inbedding in internationale structuren is kortom mijn vraag? Ik zou er voor willen pleiten dat het Brahimi-Rapport dat ook harde noten kraakt en de conclusies van de Commissie aan elkaar worden gekoppeld om betere vredesoperaties in de toekomst mogelijk te maken.

Maar, hoeveel informatie ook en welk optimaal toetsingskader ook, de uiteindelijke besluitvorming kan nooit gedepolitiseerd worden. Vredesoperaties zullen bij ons blijven; ze zijn een uitvloeisel van de nieuwe veiligheidsomgeving van deze eeuw en ze zijn enorm belangrijk voor de bescherming van mensenrechten en het voorkomen en indammen van humanitaire rampen. Ik hecht er dan ook aan dat voor de PvdA-fractie vooral ook de conclusie staat dat, zoals de Commissie zeer terecht zelf heeft opgeworpen, het rapport ons in staat moet stellen om meer verantwoorde missies mogelijk te maken. Deelname aan vredesmissies is een van de hoofdtaken van de Nederlandse krijgsmacht en past in artikel 90 van de Grondwet. Er mogen geen nieuwe hindernissen worden opgeworpen. Geen missie is risicoloos,de laatste verfijning in procedures kan niet wegnemen dat deelname aan vredesoperaties een ultiem politiek besluit vergt waar realiteit, effectiviteit en moraliteit nauw samenhangen. Elke crisis is nieuw en altijd anders dan de vorige. We zullen daar op voorbereid moeten zijn en het voorliggende rapport kan daarbij zijn waarde goed bewijzen.

Ik kom nu op de bevindingen en aanbevelingen van de Commissie en zal daarbij ook een aantal van de analyses in de voorgaande hoofdstukken van de Commissie aanroeren. In algemene zin steunen wij de bevindingen en de richting van de aanbevelingen van de Commissie. In het bijzonder het cruciale belang van tijdige en volledige informatie aan het parlement en een eenduidig helder besluitvormingsmoment zijn van groot belang omdat daarna de marges van democratische controle uiteraard minder worden. Bedacht moet wel worden dat een eenduidig beslissingsmoment afhankelijk is van de organisatie waarover gesproken wordt. Bij de NAVO bestaat een spoorboekje, bij de VN is het al schimmiger en bij de EU nieuwe missies zijn er nog geen duidelijke procedures. Hier is dus meer helderheid vereist en ik vraag op dit punt een reactie van de Commissie. We moeten ons tevens hoeden voor 'informatie overkill' omdat dan juist de controletaak verdoezelt wordt en mijn vraag is dan ook welke typen van informatie de Commissie nu eigenlijk absoluut cruciaal vindt voor het parlement. Daarnaast zou ik van de Commissie nog graag vernemen waar zij het zwaartepunt legt bij haar aanbevelingen voor het parlement. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen procedurele invloed voorafgaand, tijdens, vlak voor de rotatie, ad hoc of na afloop van een vredesuitzending uitgesplitst naar vooraf of achteraf meebeslissen of consulteren. In elk geval kunnen wij de eerste twee aanbevelingen die door de Commissie op dit terrein zijn gemaakt steunen.

Dan kom ik op de motieven voor uitzending. De Commissie concludeert dat er bij de meeste uitzendingen sprake is van een mix van motieven. In een land met diverse departementen, krijgsmachtdelen en instituties is dat op zich begrijpelijk. Natuurlijk gaat het er allereerst om een bijdrage te leveren aan de vrede en veiligheid in een bepaald gebied. Het is van belang dat te benadrukken. Maar het is bepaald slecht dat oneigenlijke motieven in sommige gevallen een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming. Ik noem de affaire rondom de helikopters en de uitzending van de luchtmobiele brigade bij Defensie als een slecht onderdeel van dat al bekritiseerde besluitvormingsproces. Hetzelfde geldt de vaak genoemde noodzaak een bepaald krijgsmachtdeel in de etalage te zetten, zoals oud-minister ter Beek het noemde. Het aan de beurt zijn van een krijgsmachtdeel mag nooit motief zijn, net zo min als een vermeend Srebrenica syndroom of een zetel in de Veiligheidsraad.. De vraag die zich stelt of de Commissie in staat is verder te wegen in hoeverre deze motieven in een grote complex ook daadwerkelijk een doorslaggevende rol hebben gespeeld. Er zijn verbeteringen opgetreden en onduidelijk blijft in hoeverre deze motieven ook in de laatste analyse meegespeeld hebben. Tevens is de vraag waarom de commissie in de aanbevelingen niet nader heeft aangegeven welke motieven zij in het besluitvormingsproces eigenlijk vindt. Misschien wil zij dat aan de Tweede Kamer laten. Ik zou er toch primair van uit willen gaan dat vredesoperaties de internationale rechtsorde moet dienen en dat dit samen met de mogelijkheid van een Nederlandse effectieve en verantwoorde bijdrage als doelstelling van het Nederlandse buitenlandse beleid enig motief hoort te zijn. Als dat zo is , hoeft er geen bezwaar te zijn tegen een eigen Nederlands initiatief bij de VN, de NAVO of toekomstig de EU omdat daarmee in een vroeg stadium aan tafel kan worden gezeten. Aanbeveling 3 mag dan ook niet leiden tot een impliciete legitimatie van andere motieven. Overigens betwijfelt de PvdA-fractie in hoeverre ook daadwerkelijk al deze motieven zullen worden beschreven. De Kamer zal gewoon zelf moeten doorvragen. In elk geval steunen we aanbeveling 4 die aangeeft dat de regering duidelijk moet aangeven hoe een initiatief tot stand gekomen is. Ten aanzien van de missies naar Cambodja en Cyprus waar dit voor de Kamer respectievelijk gedeeltelijk onduidelijk en verhullend was had dit in elk geval de besluitvorming kunnen verbeteren. De vraag blijft wat betreft Cyprus waarom verhullend op kamervragen is geantwoord en ik zou toch nog eens helder van de Commissie willen horen waarom juist deze kwalificatie is gekozen. Het is goed hier de relatie te leggen met de bevindingen die de Commissie doet ten aanzien van de samenwerking tussen de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie en de diverse afdelingen op deze ministeries. De analyse van de Commissie maakt duidelijk dat er ondanks aanmerkelijke verbeteringen nog te veel sprake is van verkokering en competentiedrift. Oud-minister Van Mierlo beschreef hoe tussen Defensie en Buitenlandse Zaken steeds een wedstrijd gaande was om haantje de voorste te zijn en hij is nog niet zo lang weg. Ten aanzien van de brieven en codes over de uitzending aan UNPROFOR i.h.b. ook aan de Secretaris Generaal is al veel gesproken. De PvdA-fractie kan instemmen met de aanbevelingen 20 en 21 en de opzet van een gezamenlijk bureau vredesoperaties bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Bij het begin van de Joegoslavië oorlog bleken zich maar liefst negen afdelingen van Buitenlandse Zaken hier mee bezig te houden. Dat is gelukkig niet meer zo. Zou overigens voor het ministerie van Defensie in dit kader niet moeten gelden dat, zoals de PvdA in een plan voor de Krijgsmacht al eerder heeft voorgesteld, de positie van de CDS verder wordt versterkt, de topstructuur daadwerkelijk wordt hervormd en de samenwerking en training tussen de krijgsmachtdelen zodanig wordt verbeterd dat de concurrentie tussen de krijgsmachtdelen daadwerkelijk wordt geminimaliseerd? Ik leg ons Plan voor de Krijgsmacht dan ook graag als aanbeveling voor.

Gezien de kracht van de analyse op dit punt vraag ik de Commissie waarom ze op dit punt met tamelijk bescheiden voorstellen is gekomen. De commissie geeft ook aan hoe de Minister President en het ministerie van Algemene Zaken zich steeds inhoudelijker met vredesoperaties zijn gaan bezighouden. Vergeleken met de klacht van oud-minister ter Beek dat het kabinet als geheel in het begin van de Joegoslavië- crisis eigenlijk nauwelijks discussieerde, is er in de loop der tijden gedurende die crisis en daarna met de door Algemene Zaken ingestelde Interdepartementale Werkgroep Kosovo veel veranderd en verbeterd. Heeft de Commissie in dat verband ook gedacht aan het idee een Onderraad van de Ministerraad voor vredesoperaties voor te stellen? Daaronder zou een kleine permanente task force van de drie ministeries in het leven geroepen kunnen worden bij elk serieus informeel verzoek voor het ter beschikking stellen van Nederlandse troepen. Die task force zou dan klein moeten zijn, coördinerend moeten kunnen optreden op de diverse ministeries en van het begin af aan echt aan procesbegeleiding doen. Dat zou er tevens toe kunnen leiden dat de ministers niet over verschillende concepten praten - ik denk aan de enorme en schadelijke verwarring over het concept van luchtsteun (close air support en air strikes) en de belangentegenstellingen op dit punt tussen de ministers Kooijmans, Ter Beek en Minister President Lubbers. Het zou tevens er voor kunnen zorgen dat de ministers dezelfde informatie hebben en op dezelfde wijze interpreteren - ik denk aan de verwarring over de fasering van de Kosovo-oorlog en de befaamde verwarring van minister De Grave over fase 2a en de onduidelijkheid wanneer het kabinet precies een aanbod heeft gedaan voor uitzending van een luchtmobiel bataljon naar Srebrenica. Zonder zo'n task force wordt ook de eenduidige, tijdige en volledige informatie aan de Kamer belemmerd. Ik wil dit voorstel graag uitgewerkt met het Kabinet bespreken in het debat van volgende week en zou de visie van de Commissie in dat kader van groot belang vinden. Dat geldt ook voor het idee om tot grotere uitwisseling van ambtenaren van Defensie en Buitenlandse Zaken te komen een logisch uitvloeisel van de Herijking van 1995.. Vaak gaat het nog om twee aparte werelden. De een heeft vaak weinig oog voor het belang van bepaalde internationale verhoudingen, de ander voor militair-operationele aspecten. Dat laatste speelde ook een rol bij UNPROFOR. Een vraag over het rapport is hierbij nog van belang. In de besluitvorming komt steeds aan de orde hoe Nederland zich om terechte ethische motieven verzet tegen de verschillende vredesinitiatieven die uitlopen op een accordering van etnische zuiveringen. Als echter blijkt dat de internationale politieke wil ook bij de Amerikanen ontbreekt om de situatie op de grond terug te draaien worden de enclaves meer en meer een probleem. Minister Kooijmans heeft steeds gewezen op het gevaar dat de veilige gebieden politiek alleen zinnig is binnen een vredesregeling en dat anders sprake zou zijn van ghetto's. Heeft de Commissie kunnen achterhalen of minister Kooijmans in het kabinet heeft gewezen op de Amerikaanse vraagtekens over de safe areas? En het belang van de inkapseling van de safe areas in een vredesregeling tijdens het Comité van Politieke Directeuren in December 1993? Ook Maarten van Traa wees toen op de relatie tussen de safe areas en een eventuele bestendiging van de oorlog. Toch hadden deze beide interventies kennelijk geen verdere invloed op de besluitvorming.

Ik kom in dit kader bij aanbeveling nummer 19. De Commissie wil hier zorgvuldig overwegen in hoeverre besluiten in de Ministerraad over deelname aan vredesoperaties kunnen worden gedelegeerd. De Commissie constateert terecht dat in geval van instemming met ACTREQ voor operatie Allied Force van formele delegatie nog geen sprake was. en dat sommige besluiten door een of twee van de meest betrokken bewindslieden wordt genomen. Nu is het zo dat bevoegdheden van de Ministerraad niet kunnen worden overgedragen aan enkele of individuele Ministers. Het besluit tot de inzet of het ter beschikking stellen van troepen kan toch alleen tot de collectieve verantwoordelijkheid van de regering behoren als men artikel 53 van de Grondwet goed interpreteert. Graag enige verheldering hierover.

Een kernelement in de bevindingen en de aanbevelingen van de Commissie is tijdige en volledige informatieverschaffing aan het parlement ten behoeve van een duidelijk en politiek markeerbaar beslissingsmoment. Ik heb hier in algemene zin al een vraag over gesteld en wij delen deze benadering zeer. Ik kom dan nu tot aanbevelingen 11 tot en met 18 na gemeld te hebben dat wij de aanbevelingen 5 tot en met 9 steunen. Nu het nieuwe artikel 100 van de Grondwet van kracht is geworden zijn wij het met de Commissie eens dat er nu formele afspraken moeten komen over het wanneer en het hoe van het vooraf inlichten van de Kamers - zowel eerste als tweede zal bedoeld moeten zijn - bij inzet of het ter beschikking stellen van Nederlandse troepen. Het nieuwe artikel 100 heeft nog geen volledige duidelijkheid verschaft over de te volgen procedures en het is goed dat de Commissie het debat hierover start. Allereerst over wat het ter beschikking stellen is. Geldt daar volgens de Commissie ook al het onder ter beschikking stelling aan UNSAS en toekomstig aan bijvoorbeeld de EU ten behoeve van de Headline Goals? Dan is vervolgens de vraag wat de Commissie bedoelt met formele afspraken. Dat moet niet wollig worden en volstrekt helder en afdwingbaar zijn door de beide Kamers. Ik zou me dan ook voor kunnen stellen dat dit gebeurt middels een organieke wet die een nadere uitwerking biedt van het grondwetsartikel. Helderheid is nodig omdat bij de debatten in eerste en Tweede Kamer over het artikel 100 hierover al onduidelijkheid bestond bijvoorbeeld over het moment van een besluit. Dat mag in de toekomst niet meer zo zijn. Dit betreft vooral ook het moment van inlichtingen. De Commissie beveelt aan dat de Kamer wordt ingelicht over het voornemen tot een uitzending voordat een informeel aanbod wordt overgebracht. Wij hebben hier wel enige vragen bij. Hoe moet dit nu geoperationaliseerd worden? Het schema 2 bij het antwoord op vraag 108 geeft hier geen uitsluitsel. Hoe zou volgens de Commissie dit nu moeten worden geoperationaliseerd worden bij de mogelijke uitzending van troepen naar Ethiopië en Eritrea? Is daar nu al sprake van een informeel aanbod? Daarbij komt bij dat het de onderhandelingspositie van Nederland bemoeilijkt kan worden als vroegtijdig al naar buiten wordt gebracht dat een informeel aanbod zal worden gedaan. Wat voor de Tweede Kamer van groter belang is dat enerzijds een "fuik" wordt voorkomen en anderzijds niet wordt meegeregeerd. De regering moet echter nu bij een aanbod aan een internationale organisatie altijd het voorbehoud maken van parlementaire behandeling. Zou dat ook gebeuren bij een informeel aanbod dan wordt dat in feite al het formele aanbod. De informele sfeer verschuift dan naar een fase eerder. Dat in de praktijk het parlement altijd goedkeuring verleent, heeft meer te maken met de politieke gang van zaken dan met het tijdstip van informeren van de kamer. Procedures kunnen echter niet bepalen of de Kamer al dan niet durft op te treden of slappe knieën heeft als een besluit eenmaal genomen is. Het is nu eenmaal niet in het belang van de Tweede Kamer dat zij gaat meeregeren. Juist de uitzending van het luchtmobiele bataljon naar Joegoslavië heeft laten zien dat gescheiden verantwoordelijkheden beter zijn en kan voorkomen dat de controlerende bevoegdheden van de Kamer worden beperkt en verantwoordelijkheden verdampen. Dit laat onverlet dat elk kamerlid op elk moment inlichtingen kan vragen waarbij de regering volgens artikel 68 van de Grondwet al een antwoordplicht heeft. Graag een reactie van de Commissie hierop.

Met aanbeveling 14 kunnen we instemmen met die verstande dat het eerste gedeelte geen betrekking heeft op artikel 100 aangezien het niet betrekking heeft op ter beschikking stellen van Nederlandse troepen. Wel is tijdige informatie hier voor de Tweede kamer essentieel. We moeten nu constateren dat zowel ACTREQ als ACTORD van groot belang is geweest en dat de ministerraad hierover geraadpleegd moet worden en de kamer bij voorkeur zo spoedig mogelijk ingelicht.. De situatie hierover is toch enigszins onduidelijk gebleven gezien de weerstand van het ministerie van Defensie over een brief aan de Tweede Kamer met betrekking tot de te verwachten uitvaardiging van ACTREQ en de latere mondelinge inlichting in het AO van oktober. Ook moet glashelder zijn wanneer een definitief besluit tot bombarderen valt en onverwijld aan de Kamer verteld worden wanneer de fasering van de bombardementen zich wijzigt evenals de wijze waarop de doelenkeuze totstandkomt. Dat kan eventueel vertrouwelijk gebeuren.

De PvdA-fractie leest aanbeveling 16 als een noodzaak een helderder onderscheid te maken tussen formele en informele overleggen tussen Kamer en regering bij uitzendingen. De bevindingen van de Commissie hierover zijn belangrijk. Het is belangrijk dat informatie-uitwisseling helder en gestructureerder plaatsvindt. De vertrouwelijke briefings mogen niet gebruikt worden voor verkapte sondering van de Kamer en moet daadwerkelijk extra informatie aanleveren. Wat ons betreft is het goed een onderscheid te maken tussen openbare en vertrouwelijke vergaderingen
- in die volgorde zoals in het Amerikaanse Congres - met verslaglegging. Vertrouwelijkheid moet natuurlijk beperkt worden, maar de zinsnede bij hoge uitzondering verdient nadere uitleg. Bij sommige operaties is vertrouwelijkheid geboden en het is van belang dat de Kamer deze informatie zoveel mogelijk wordt gegeven. Vastgelegd zou kunnen worden dat deze overleggen alleen vertrouwelijk zijn als operationele veiligheid van de operatie hiemee in gevaar wordt gebracht. Zo wordt maximale transparantie verzekerd.
Aanbeveling 17 gaat over Hoorzittingen in de Kamer. Die kunnen van groot belang zijn. Wat ons betreft mogen daarbij onder ministeriele verantwoordelijkheid ook militairen gehoord worden. Evenals in het buitenland is het van belang dat hoge militairen beter oog krijgen voor de politieke omgeving en de media en zich verantwoord kunnen uitspreken. Daar hoeft niet spastisch mee omgegaan te worden terwijl het tegelijkertijd en uiteraard de ministeriele verantwoordelijkheid onverlet dient te laten. Vraag blijft of de hoge militairen in het belang van de operaties en het moreel van de troepen veel extra informatie kunnen geven, maar een extra informatiebron is niet onbelangrijk. In dat kader vindt mijn fractie het van groot belang dat ook een aparte risicoanalyse van de Chef Defensiestaf naar de Kamer wordt gestuurd, waarbij zowel wordt ingegaan op de gehele vredesoperatie als de risico's voor de Nederlandse eenheden. Wellicht had de moeizame discussie in de Kamer over OKVM en NKVM en hun onderlinge relatie daarmee enigszins voorkomen kunnen worden. In aanbeveling 26 ontbreekt dat daarbij ook de risico's van de locale bevolking aan de orde moet komen. Daar is het immers vooral ook vooral om begonnen. Alle aanbevelingen 26 tot 31 hebben onze steun inclusief die over het belang van het niveau van bewapening bij een verslechtering van de situatie. De PvdA-fractie zou daarbij willen aantekenen dat naast de risicoanalyse in principe ook de juridische adviezen van het ministerie naar de Kamer wordt gestuurd. In het bijzonder was dit van belang bij de discussie over Resolutie 1199 en de vraag of deze resolutie voldoende rechtsbasis vormde voor Allied Force. Kan de Commissie overigens nadere informatie verschaffen over de inhoud van die adviezen? Daarnaast moeten we er op hameren vooral ook als parlement dat het volgen van vredesoperaties en de rotatie en veranderende omstandigheden een constante aandacht vergen.

Een belangrijk onderwerp in de discussie is de rol van Nederland in internationaal kader. Die rol wordt zowel over- als ondergewaardeerd. De Commissie komt hierbij met vrij forse bevindingen. Die lijken mijn fractie terecht. Vaak heeft Nederland geen proportionele invloed vergeleken bij haar proportionele bijdrage zoals bij UNTAC, de Contactgroep en de Quint bij Kosovo. Tevens worden de internationaal politieke verhoudingen niet altijd goed ingeschat zoals ten aanzien van de al besproken luchtsteun bij UNPROFOR. Ook wordt wel eens teveel waarde gehecht aan formele afspraken. Het gaat erom dat Nederland betere voeling krijgt ten aanzien van zijn eigen machtspositie en noch een te grote noch een te kleine broek aantrekt. Gezien het belang van dit onderwerp ook in het toekomstige Europese vredes- en veiligheidsbeleid komen ons de aanbevelingen 21 tot en met 25 als goed, maar tegelijkertijd onvoldoende over. De aanbeveling om de Nederlandse voorwaarden bij uitzending en de beëindiging daarvan - nu weer een issue bij de mogelijke uitzending naar Ethiopië en Eritrea - in een MoU of een Aide Memoire vast te leggen is van groot belang. Bilaterale afspraken met een of meerdere bondgenoten om gedurende een operatie ingelicht te worden lijken ons echter een zwaktebod. Juist in 1995 bleek het hoe het ontbreken in een vast overlegorgaan of machtsstructuur het voor het Kabinet moeilijk maakte Srebrenica te internationaliseren, een opvolger te vinden of daadwerkelijk over 'intelligence' te beschikken met betrekking tot bijvoorbeeld de motieven van de Bosnische Serviërs ten aanzien van Srebrenica. De fax van Karremans van begin juni komt dan al gauw in het luchtledige te hangen. Vanaf het begin moet men aan tafel kunnen zitten. Het lijkt toch echt onrealistisch om je voor te stellen dat in de Contactgroep Duitsland zou zeggen: sorry jongens, even wachten, want ik moet eerst den Haag nog even bellen. Nederland moet hier gewoon forser optreden. Onze bijdrage moet in principe een plaats aan tafel geven, hetzij in een troepenleverantie-overleg of een contactgroep of anders gaat het niet door. Alleen in hoge uitzondering mag hiervan afgeweken worden. Dit alles betekent een extra inspanning voor een mogelijke task force en een vernieuwing van de Nederlandse diplomatie en een versterkt belang ook van bilaterale contacten hierbij. Het klassieke buitenlandse beleid heeft dus nog zeker toekomst. De eerste uitdaging ligt misschien bij Eritrea. Daar zullen we in dat geval dan bij de vredesonderhandelingen aanwezig moeten zijn.

Tot slot wil ik nog op twee punten de reactie van mijn fractie geven op de goede aanbevelingen en bevindingen van de Commissie. Allereerst ten aanzien van Srebrenica en vervolgens ten aanzien van het Toetsingskader. Al eerder hebben we gesteld dat de Commissie terecht de waarheidsvinding over de val van Srebrenica nu aan het NIOD overlaat. Toch is het van belang om nader te bezien hoe de Commissie gekomen is tot bevinding 59 en 60. De Commissie stelt in de beantwoording op vraag 29 dat de val van Srebrenica alleen binnen de opdracht van de Commissie valt voor zover de gang van zaken en de nasleep vallen te kwalificeren als Haagse politieke besluitvorming. De vraag stelt zich dan of de Commissie vindt dat zij voldoende informatie over dit aspect heeft kunnen vergaren. Het valt op dat relatief veel aandacht besteed is aan de bijeenkomst in Zagreb - waarbij overigens onduidelijk blijft waarom niet harder tegen de heer Couzy werd opgetreden - en veel minder aandacht besteed aan de algehele politieke regie van den Haag gedurende de noodsituatie van de vluchtelingen en Dutchbat in Potocari hoe moeilijk die situatie ook was. Ook zijn hierover geen aanbevelingen opgesteld bijvoorbeeld ten aanzien van de genoemde niet tijdige berichtgeving aan de ministers vanuit het veld met inbegrip van het cruciale punt van de aanwijzingen aangereikt over mogelijk massale executies van moslimmannen. Heeft de Commissie bijvoorbeeld een voldoende duidelijk beeld kunnen vormen van de Haagse regie toen de lijnen van UNPROFOR wegvielen na de val van Srebrenica? Het lijkt er ook op dat de Commissie op deze punten niet verder heeft doorgevraagd maar het kan zijn dat zij vond dat dit buiten het mandaat viel. Graag verheldering hierover. De bevindingen 59 en 60 hoewel juist komen daardoor wel een beetje in het luchtledige te hangen. Ook voor de Kamer maakt dit het moeilijk hierover conclusies te trekken. Overgebleven onduidelijkheden dienen wat ons betreft dan ook direct doorgegeven te worden aan het NIOD inclusief het door de Commissie genoemde aspect van de vervolgacties dat ook in het rapport van de Secretaris Generaal aan de orde komt. Is overigens een handicap geweest dat op Buitenlandse Zaken vanwege vele informele contacten niet alles op schrift staat? Een minister wordt eens aan de jas getrokken en daar bestaat geen schriftstelling van. Hoe is de Commissie met dat probleem omgegaan?

Het is te betreuren dat het Toetsingskader, zoals de Commissie stelt, nauwelijks integraal wordt toegepast en dat er vooral naar wordt verwezen. Het Toetsingskader speelt soms bijna een mythische rol in de verdediging van het ene of andere standpunt. Dat relativeert uiteraard de waarde van het Toetsingskader in de realiteit die altijd uniek is en altijd een eigen politiek besluitvormingsmoment kent. Toch is het goed dat de Commissie met aanbevelingen komt die het relatieve belang van het Toetsingskader voor de diverse ministeries en het parlement kan vergroten. Wij steunen die aanbevelingen met die verstande dat niet voor elke individuele uitzending van bijvoorbeeld verkiezingswaarnemers het toetsingskader hoeft te worden toegepast. Tevens is wel een verduidelijking nodig van het begrip exit-strategie. De opdracht bepaalt wat de exit-strategie is. Dat is heel anders bij een operatie onder hoofdstuk 6 dan bij een vredesafdwingende operatie. Dit bleek op misverstanden te berusten bij het CDA, dat vorige week al enigszins voorbarig om die reden te hoop liep tegen een mogelijke uitzending naar Ethiopië en Eritrea. Bij een artikel 7 operatie is het al heel wat anders. Welke exit-strategie was er bij Kosovo behalve winnen? Vaak gaat het ook om een 'end state' in plaats van een 'end date'. Daarbij mag ook nooit de gevolgen voor de locale bevolking vergeten worden. Wat doe je als er een noodsituatie ontstaat zoals in Kigali of Potocari? Juist de veiligheid en de bescherming van mensen compliceert vaak de exit-strategie. Dat zal dan ook nader benoemd moeten worden.

Deze opmerking brengt mij weer terug naar het begin. Het uitzenden van militairen is een van de meest verantwoorde beslissingen voor een parlement. Het gaat vaak letterlijk om mensenlevens ver weg en om de belangen van onze eigen Nederlandse militairen waar we de verantwoordelijkheid voor dragen. De afwegingen zijn nooit makkelijk. Maar de Tijdelijke Commissie Besluitvorming Uitzendingen heeft een zeer belangrijke bijdrage geleverd om de besluitvorming hierover te verbeteren. Wij zijn de Commissie hiervoor zeer erkentelijk.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie