Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage PvdA plenair debat begroting algemene zaken

Datum nieuwsfeit: 05-10-2000
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 5 oktober 2000

BIJDRAGE VAN PETER REHWINKEL (PVDA) AAN HET PLENAIRE DEBAT OVER DE BEGROTING 2001 ALGEMENE ZAKEN EN DE BRIEF INZAKE BESCHOUWING OVER HET KONINGSCHAP

'Het denken staat niet stil.' Met die woorden gaf de minister-president vorig jaar bij de behandeling van de begroting Algemene Zaken aan dat hij oog had voor de omgeving van zijn ministerie en ook voor veranderingen in zijn functie van premier. We kruisten er de degens over met onze betreurde collega Philippe Brood, en het werd duidelijk dat naast het denken ook het handelen niet stil zou blijven staan. Bij deze begrotingsbehandeling zien we daar de resultaten van.

Mijn fractie heeft met waardering kennisgenomen van de opstelling van Algemene Zaken bij de discussie rond de sponsoring van televisie- en radioprogramma's. De minister-president legt de volle nadruk op de transparantie van de communicatie van het overheidsbeleid. Dat doet hij terecht. Als er voor de overheid al een noodzaak is om door middel van sponsoring beleid uit te dragen, dan moet dit helder beargumenteerd zijn en voor de kijker goed zichtbaar voor het programma begint. Wanneer blijkt dat voorlichtingsdiensten soms niet eens weten dat het eigen ministerie actief is in de sponsoring van programma's, is het goed dat de minister van Algemene Zaken aan de teugels trekt. Als bijvoorbeeld het ministerie van Economische Zaken honderdduizenden guldens steekt in het 'beïnvloeden van de verhaallijn' van de jeugdserie Fort Alpha voor een groter aantal meisjes in technische opleidingen, dan zou nuchterheid de overhand moeten krijgen boven zulk maakbaarheidsgeloof uit onverwachte hoek.

Het lijkt mijn fractie wezenlijk dat bij de besluitvorming over coproducties vooraf wordt verantwoord waarom deze noodzakelijk zijn en waarom directere vormen van communicatie niet adequaat worden geacht. Mijn vraag aan de minister-president is of hij wil zorgdragen voor een verdere aanscherping in deze zin van de richtlijnen voor de ministeries. Staat U garant - zo vraag ik ook - voor een blijvend toezicht op, en een kritische evaluatie van, coproducties?

De verantwoording van en de communicatie over het regeringsbeleid vraagt ook verder de aandacht. Met de veranderende rol van de premier als woordvoerder van het algemeen regeringsbeleid, wordt steeds vaker aanleiding gezien hem in het debat te betrekken, ook hier in de Kamer. Onlangs nog deed collega Van der Staaij een poging om de premier te laten deelnemen aan het debat over het homohuwelijk en de -adoptie. Zijn fractie vond de wetsvoorstellen zo fundamenteel van aard en het onderwerp maatschappelijk van dergelijk principieel belang, dat deze niet alleen door de staatssecretaris zouden moeten worden verdedigd. Vanuit de opvatting van de SGP is dat een begrijpelijke gedachte.

Zou het kabinet inderdaad gehoor geven aan dergelijke verzoeken, dan is het onvermijdelijk dat de premier bij steeds meer specifieke debatten verschijnt. Immers, veel vaker zullen onderwerpen aan de orde zijn met - zoals Van der Staaij noemde - een 'ingrijpend karakter'. Er moeten effectievere manieren zijn om met de minister-president van gedachten te wisselen over het algemeen regeringsbeleid: regelmatiger, actueler en met hém niet sprekend over allerlei beleidsdetails. Een vast element in het werk van de premier is zijn vrijdagse persconferentie na de ministerraad. Wat opvalt is niet zozeer wat daar vervolgens in de pers mee gebeurt, als wel wat daar níet mee gebeurt: een discussie tussen de minister-president en deze Kamer, een nadere bevraging in het licht van het algemeen regeringsbeleid. Onlangs heeft de minister-president in de pers positief gereageerd op de gedachte van de voorzitter van de Tweede Kamer om tegen deze achtergrond het dinsdags vragenuurtje opnieuw in te richten. Zij stelde voor dat dit 'vooral bestemd zou moeten zijn voor vragen aan de minister-president'. Wil de Kamer met de minister-president vaker en meer spreken over de hoofdlijnen van beleid, dan is naar de mening van mijn fractie het vragenuur een geschikt middel. Hiervoor is echter vereist dat het parlement voortvarender wordt geïnformeerd over besluitvorming in de ministerraad. Nu is eerder regel dan uitzondering dat de ministerraad besluit, daar op de persconferentie mededeling van wordt gedaan, er persberichten worden uitgedeeld en brieven aan de Kamer pas een week tot anderhalve week na dato arriveren. Een parlement dat zichzelf serieus neemt, zou dergelijke informatieachterstand niet moeten accepteren.

Een ander aspect van het beleidsterrein van Algemene Zaken betreft de wereldtentoonstelling Expo 2000 in Hannover. Twee feiten springen daarbij in het oog. Ten eerste de waardering voor het Nederlandse paviljoen op de Expo: dit wordt beschouwd als een artistieke topprestatie. Maar, de Expo trekt tot op dit moment ongeveer een derde van het verwachte aantal bezoekers. En dat ondanks een forse prijsverlaging van de entreekaartjes al snel na de slecht bezochte openingsweken. Die kaartjes zijn met 69 DM nog steeds geen toonbeeld van toegankelijkheid, met name voor gezinnen. De verliezen van de Expo zijn ernstig; zij worden in totaal op 2,4 miljard DM geraamd. Nogmaals, het heeft aan de kwaliteit van de Nederlandse inbreng bepaald niet gelegen. Het kan volgens mij echter geen toeval zijn dat naast de Expo in Hannover ook de Millennium Dome in Londen niet aan de gewekte verwachtingen heeft voldaan. Dit zou zijn oorzaak kunnen hebben in een niet meer eigentijdse opzet van zulke evenementen. De sinds 1994 optredende Stichting Nederlandse Wereldtentoonstellingen heeft een eerste operationele verantwoordelijkheid voor de inbreng van ons land. Ik verzoek de minister-president om deze stichting een evaluatie te vragen van de gang van zaken rond de Expo 2000 en aan dit verzoek een aanvullende vraag toe te voegen. Het lijkt me zinvol te onderzoeken of het verschijnsel van de wereldtentoonstelling nog levensvatbaar is. Bij de Eifeltoren in 1889 of het Atomium in 1958 was nog sprake van vernieuwende ervaringen voor mensen die zelden zelf reizen konden maken en die niet overal informatie en educatie konden ontvangen. Dat is fundamenteel veranderd. Het idee van volksopvoeding via zulke evenementen en van de promotie van afzonderlijke landen zijn misschien overleefde concepten uit het Europa van de 19e eeuw. Het zou goed zijn dit in een evaluatie te betrekken. Tenslotte heeft Nederland 60 miljoen gulden in de Expo 2000 geïnvesteerd, dat is enkele tientjes per bezoeker aan het Nederlandse paviljoen.

Van de wereldtentoonstelling uit de 19e eeuw kom ik bij de monarchie in de 21e eeuw. De kabinetsnotitie en het advies van de Raad van de State sluiten terecht aan bij staatsrechtelijke en politieke lijnen die in het verleden zijn uitgezet en werken deze - even terecht - verder uit. De ministeriële verantwoordelijkheid en de verantwoordelijkheid die politici meer in het algemeen horen te nemen, staan voor mijn fractie centraal alsook de publieke controle die daarop kan worden uitgeoefend. Het kabinet heeft gelijk dat het aan de Tweede Kamer zelf is (en aan afzonderlijke fracties) om direct na verkiezingen initiatief te nemen, voorafgaand aan de kabinetsformatie. Wat de PvdA-fractie betreft wordt dan een verkennend debat gevoerd, dat zo mogelijk uitmondt in de voordracht van een informateur of formateur bij het staatshoofd. Ook zou de Kamer de inhoud en de voortgang van de erna volgende formatie actiever kunnen volgen.

Ik heb in het verleden aandacht gevraagd voor de plaats van de Koning(in) in de regering en dan met name voor de vraag wie in Nederland regeringsleider is. Dit is niet zonder belang: het Europese recht kent immers de Europese Raad van staatshoofden en regeringsleiders, bij velen beter bekend als de Europese Top. Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden lijkt geen twijfel toe te staan: 'De Koning voert de regering van het Koninkrijk en van elk der landen.' Bij de grondwetsherziening van 1983 wilde de regering echter niet verklaren dat de Koningin aan haar hoofd staat. Zij vond bovendien het gebruik van de term 'regeringsleider' onjuist. Deze zou meer tot het terrein van de politieke verhoudingen behoren dan tot dat van het staatsrecht.

Dit standpunt is door de feiten achterhaald. De Europese Akte van 1986 maakt melding van de Europese Raad van staatshoofden en regeringsleiders; zo doen ook de verdragen van Maastricht en Amsterdam. Veel eerder al was het ongemak met de positie van de Nederlandse premier zozeer aanwezig, dat in een communiqué van de Europese Gemeenschappen werd gesproken over de Nederlandse minister-president, terwijl ten aanzien van andere landen de term 'regeringsleider' werd gebruikt.

Met de kabinetsnotitie moet dit ongemak zijn weggenomen: regeringsleider is de politiek verantwoordelijke die het eerst aanspreekbaar is op het algemeen regeringsbeleid en in Nederland is dat de minister-president. De positie van de Koningin binnen de regering is helderder geworden, nu de premier uitdrukkelijk als regeringsleider wordt aangemerkt. Het lijkt mij voor de hand te liggen dit bij gelegenheid in de Grondwet neer te leggen, want daarin staat nu niet meer dan dat de minister-president voorzitter is van de ministerraad. In ieder geval moet het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden worden aangepast. De vlag van artikel 2 dekt namelijk de lading niet: de Koning voert niet meer de regering van het Koninkrijk en van elk der landen. Aan het begin van de jaren negentig is een Proeve van een vernieuwd Statuut verschenen. Er is dus breder en al langer het besef dat een betere formulering voor artikel 2 kan worden gevonden.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie