Ministerie van Financiën
Titel: Nota Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001
Directie Wetgeving Directe Belastingen
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Uw brief van/kenmerk
Ons kenmerk
Den Haag
WDB 2000-709 M
5 oktober 2000
Onderwerp
Nota van wijziging inzake het wetsvoorstel voor de Aanpassingswet Wet
inkomstenbelasting 2001 (Kamerstuk 27 184)
Hierbij bied ik u, mede namens de Minister van Financiën en de
Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid, de nota van wijziging
bij bovengemelde wetsvoorstel aan.
De Staatssecretaris van Financiën,
27 184 Aanpassingswet Wet Inkomstenbelasting 2001
NOTA VAN WIJZIGING
A. Hoofdstuk 1, afdeling A, artikel I. Pensioen- en spaarfondsenwet
wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel B wordt artikel I, onderdeel I vervangen door: artikel
I, onderdeel M.
2. In onderdeel C wordt onderdeel F telkens vervangen door onderdeel K
en wordt Artikel I, onderdeel I vervangen door: artikel I, onderdeel
M.
B. In Hoofdstuk 1, afdeling A, artikel II. Coördinatiewet Sociale
Verzekering , onderdeel A, onder 11, worden aan het voorgestelde
artikel 6, twaalfde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
twee zinnen toegevoegd, luidende:
Ingeval het gespaarde bedrag door de werknemer is opgenomen bij
beëindiging van zijn dienstbetrekking, mag voor elke maand dat het
gespaarde bedrag niet is opgenomen een evenredig deel van de
spaarpremie worden toegekend. Bij ministeriële regeling kunnen nadere
regels worden gesteld.
C. Hoofdstuk 1, afdeling A, artikel IX. Algemene bijstandswet,
onderdeel D, wordt vervangen door:
D. Artikel 43, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder verlettering van de onderdelen c tot en met o tot d tot en
met p, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
c. de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting, bedoeld in
Hoofdstuk 8 van de Wet Inkomstenbelasting 2001;.
2. Het tot f verletterde onderdeel e wordt vervangen door:
f. vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen als bedoeld in Hoofdstuk
IIA van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij voor deze vergoedingen
en verstrekkingen bijstand wordt verleend;.
D. In hoofdstuk I, afdeling B, artikel I. Wet financieel statuut van
het Koninklijk Huis vervalt vermeerderd met wettelijke loontoeslagen
en.
E. Hoofdstuk I, afdeling F, artikel I. Wet op het voortgezet onderwijs
wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 124a, eerste lid, onderdeel a, wordt f 3518 vervangen
door:
f 2987.
2. Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 124a, eerste
lid, onderdeel b, onder 2°, door een puntkomma, worden vijf nieuwe
onderdelen ingevoegd, die komen te luiden:
c. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
kosten van woon-werkverkeer (reiskostenforfait), maar niet meer dan f
2070;
d. indien in het kalenderjaar 2000 loon uit dienstbetrekking wordt
genoten: het bedrag van de in dat jaar in aanmerking genomen
aftrekbare kosten terzake van inkomsten uit arbeid andere dan kosten
van woon-werkverkeer, na toepassing van artikel 37, tweede lid, van de
Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met 12% van het loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking in dat jaar, maar met niet minder dan f
263 en met niet meer dan f 3538;
e. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen,
bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964;
f. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
premies voor lijfrenten, maar niet meer dan f 6179, verminderd met f
2283, maar niet verder dan tot nihil; indien bij de echtgenoot van
degene van wie het gecorrigeerd verzamelinkomen wordt berekend geen
premies voor lijfrenten in aanmerking genomen zijn, worden de bedragen
van f 6179 en f 2283 verhoogd tot f 12 358 respectievelijk f 4566;
g. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en
pleegkinderen van 27 jaar en ouder, alsmede andere bloed- en
aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn,
bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964.
3. Artikel 124a, derde lid, wordt vervangen door:
3. In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt onder het
gecorrigeerde belastbare loon verstaan: het belastbare loon, bedoeld
in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met:
a. het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen
voortvloeiende bedragen:
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon,
maar niet minder dan f 263 en niet meer dan f 3538;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: f 1073;
b. de bedragen bedoeld in het eerste lid, onderdelen c tot en met g.
4. Onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde
tot en met zevende lid, wordt in artikel 124a een nieuw lid ingevoegd,
dat komt te luiden:
4. De in het eerste lid, onderdelen c tot en met g, en derde lid,
onderdeel b, bedoelde correctieposten worden over het kalenderjaar
2001 voor het geheel in aanmerking genomen, over het kalenderjaar 2002
voor 2/3 deel en over het kalenderjaar 2003 voor 1/3 deel. Over het
kalenderjaar 2004 en volgende kalenderjaren worden deze
correctieposten niet meer in aanmerking genomen.
5. In het tot zevende lid vernummerde zesde lid van artikel 124a wordt
vijfde lid telkens vervangen door: zesde lid.
2. Onderdeel C, subonderdeel AA, wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, wordt f 3518 vervangen
door: f 2987.
2. Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 1a, eerste
lid, onderdeel b, onder 2°, door een puntkomma, worden vijf nieuwe
onderdelen ingevoegd, die komen te luiden:
c. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
kosten van woon-werkverkeer (reiskostenforfait), maar niet meer dan f
2070;
d. indien in het kalenderjaar 2000 loon uit dienstbetrekking wordt
genoten: het bedrag van de in dat jaar in aanmerking genomen
aftrekbare kosten terzake van inkomsten uit arbeid andere dan kosten
van woon-werkverkeer, na toepassing van artikel 37, tweede lid, van de
Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met 12% van het loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking in dat jaar, maar met niet minder dan f
263 en met niet meer dan f 3538;
e. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen,
bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964;
f. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
premies voor lijfrenten, maar niet meer dan f 6179, verminderd met f
2283, maar niet verder dan tot nihil; indien bij de echtgenoot van
degene van wie het gecorrigeerd verzamelinkomen wordt berekend geen
premies voor lijfrenten in aanmerking genomen zijn, worden de bedragen
van f 6179 en f 2283 verhoogd tot f 12 358 respectievelijk f 4566;
g. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en
pleegkinderen van 27 jaar en ouder, alsmede andere bloed- en
aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn,
bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964.
3. Artikel 1a, derde lid, wordt vervangen door:
3. In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt onder het
gecorrigeerde belastbare loon verstaan: het belastbare loon, bedoeld
in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met:
a. het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen
voortvloeiende bedragen:
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon,
maar niet minder dan f 263 en niet meer dan f 3538;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: f 1073;
b. de bedragen bedoeld in het eerste lid, onderdelen c tot en met g.
4. Onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde
tot en met zevende lid, wordt in artikel 1a een nieuw lid ingevoegd,
dat komt te luiden:
4. De in het eerste lid, onderdelen c tot en met g, en derde lid,
onderdeel b, bedoelde correctieposten worden over het kalenderjaar
2001 voor het geheel in aanmerking genomen, over het kalenderjaar 2002
voor 2/3 deel en over het kalenderjaar 2003 voor 1/3 deel. Over het
kalenderjaar 2004 en volgende kalenderjaren worden deze
correctieposten niet meer in aanmerking genomen.
5. In het tot zevende lid vernummerde zesde lid van artikel 1a wordt
vijfde lid telkens vervangen door: zesde lid.
F. Hoofdstuk I, afdeling F, artikel II. Wet op het primair onderwijs,
onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, wordt f 3518 vervangen
door: f 2987.
2. Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 1a, eerste
lid, onderdeel b, onder 2°, door een puntkomma, worden vijf nieuwe
onderdelen ingevoegd, die komen te luiden:
c. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
kosten van woon-werkverkeer (reiskostenforfait), maar niet meer dan f
2070;
d. indien in het kalenderjaar 2000 loon uit dienstbetrekking wordt
genoten: het bedrag van de in dat jaar in aanmerking genomen
aftrekbare kosten terzake van inkomsten uit arbeid andere dan kosten
van woon-werkverkeer, na toepassing van artikel 37, tweede lid, van de
Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met 12% van het loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking in dat jaar, maar met niet minder dan f
263 en met niet meer dan f 3538;
e. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen,
bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964;
f. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
premies voor lijfrenten, maar niet meer dan f 6179, verminderd met f
2283, maar niet verder dan tot nihil; indien bij de echtgenoot van
degene van wie het gecorrigeerd verzamelinkomen wordt berekend geen
premies voor lijfrenten in aanmerking genomen zijn, worden de bedragen
van f 6179 en f 2283 verhoogd tot f 12 358 respectievelijk f 4566;
g. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en
pleegkinderen van 27 jaar en ouder, alsmede andere bloed- en
aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn,
bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964.
3. Artikel 1a, derde lid, wordt vervangen door:
3. In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt onder het
gecorrigeerde belastbare loon verstaan: het belastbare loon, bedoeld
in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met:
a. het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen
voortvloeiende bedragen:
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon,
maar niet minder dan f 263 en niet meer dan f 3538;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: f 1073;
b. de bedragen bedoeld in het eerste lid, onderdelen c tot en met g.
4. Onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde
tot en met zevende lid, wordt in artikel 1a een nieuw lid ingevoegd,
dat komt te luiden:
4. De in het eerste lid, onderdelen c tot en met g, en derde lid,
onderdeel b, bedoelde correctieposten worden over het kalenderjaar
2001 voor het geheel in aanmerking genomen, over het kalenderjaar 2002
voor 2/3 deel en over het kalenderjaar 2003 voor 1/3 deel. Over het
kalenderjaar 2004 en volgende kalenderjaren worden deze
correctieposten niet meer in aanmerking genomen.
5. In het tot zevende lid vernummerde zesde lid van artikel 1a wordt
vijfde lid telkens vervangen door: zesde lid.
G. Onder vernummering van de artikelen IV en V tot III en IV vervalt
Hoofdstuk I, afdeling F, artikel III. Wet op de studiefinanciering.
H. Hoofdstuk I, afdeling F, artikel III (nieuw). Wet tegemoetkoming
studiekosten, onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, wordt kalenderjaar
vervangen door: kalenderjaar waarover het gecorrigeerde
verzamelinkomen berekend wordt. Voorts wordt f 3518 vervangen door: f
2987.
2. In artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, wordt kalenderjaar
vervangen door: kalenderjaar waarover het gecorrigeerde
verzamelinkomen berekend wordt.
3. Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 1a, eerste
lid, onderdeel b, onder 2°, door een puntkomma, worden vijf nieuwe
onderdelen ingevoegd, die komen te luiden:
c. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
kosten van woon-werkverkeer (reiskostenforfait), maar niet meer dan f
2070;
d. indien in het kalenderjaar 2000 loon uit dienstbetrekking wordt
genoten: het bedrag van de in dat jaar in aanmerking genomen
aftrekbare kosten terzake van inkomsten uit arbeid andere dan kosten
van woon-werkverkeer, na toepassing van artikel 37, tweede lid, van de
Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met 12% van het loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking in dat jaar, maar met niet minder dan f
263 en met niet meer dan f 3538;
e. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen,
bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964;
f. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
premies voor lijfrenten, maar niet meer dan f 6179, verminderd met f
2283, maar niet verder dan tot nihil; indien bij de echtgenoot van
degene van wie het gecorrigeerd verzamelinkomen wordt berekend geen
premies voor lijfrenten in aanmerking genomen zijn, worden de bedragen
van f 6179 en f 2283 verhoogd tot f 12 358 respectievelijk f 4566;
g. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en
pleegkinderen van 27 jaar en ouder, alsmede andere bloed- en
aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn,
bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964.
4. Artikel 1a, derde lid, wordt vervangen door:
3. In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt onder het
gecorrigeerde belastbare loon verstaan: het belastbare loon, bedoeld
in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met:
a. het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen
voortvloeiende bedragen:
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon,
maar niet minder dan f 263 en niet meer dan f 3538;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: f 1073;
b. de bedragen bedoeld in het eerste lid, onderdelen c tot en met g.
5. Onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde
tot en met zevende lid, wordt in artikel 1a een nieuw lid ingevoegd,
dat komt te luiden:
4. De in het eerste lid, onderdelen c tot en met g, en derde lid,
onderdeel b, bedoelde correctieposten worden indien het gecorrigeerde
verzamelinkomen over het kalenderjaar 2001 wordt berekend, voor het
geheel in aanmerking genomen, indien het gecorrigeerde verzamelinkomen
over het kalenderjaar 2002 wordt berekend, voor 2/3 deel in aanmerking
genomen en indien het gecorrigeerde verzamelinkomen over het
kalenderjaar 2003 wordt berekend, voor 1/3 deel in aanmerking genomen.
Indien het gecorrigeerde verzamelinkomen over het kalenderjaar 2004 en
volgende kalenderjaren berekend wordt, worden deze correctieposten
niet meer in aanmerking genomen.
6. In het tot zevende lid vernummerde zesde lid van artikel 1a wordt
vijfde lid vervangen door: zesde lid.
I. Hoofdstuk I, afdeling F, artikel IV (nieuw). Wet studiefinanciering
2000 wordt als volgt gewijzigd:
1. De aanhef wordt vervangen door:
De Wet studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd:.
2. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 1.1a, eerste lid, onderdeel a, wordt kalenderjaar
vervangen door: kalenderjaar waarover het gecorrigeerde
verzamelinkomen berekend wordt. Voorts wordt f 3518 vervangen door:
1119.
2. In artikel 1.1a, eerste lid, onderdeel b, wordt kalenderjaar
vervangen door kalenderjaar waarover het gecorrigeerde verzamelinkomen
berekend wordt, wordt
f 263 vervangen door 119, wordt f 3538 vervangen door 1605 en wordt
f 1073 vervangen door: 487.
3. Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 1.1a, eerste
lid, onderdeel b, onder 2°, door een puntkomma, worden vijf nieuwe
onderdelen ingevoegd, die komen te luiden:
c. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
kosten van woon-werkverkeer (reiskostenforfait), maar niet meer dan
939;
d. indien in het kalenderjaar 2000 loon uit dienstbetrekking wordt
genoten: het bedrag van de in dat jaar in aanmerking genomen
aftrekbare kosten terzake van inkomsten uit arbeid andere dan kosten
van woon-werkverkeer, na toepassing van artikel 37, tweede lid, van de
Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met 12% van het loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking in dat jaar, maar met niet minder dan
119 en met niet meer dan 1605;
e. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen,
bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964;
f. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
premies voor lijfrenten, maar niet meer dan 2804, verminderd met 1036,
maar niet verder dan tot nihil; indien bij de echtgenoot van degene
van wie het gecorrigeerd verzamelinkomen wordt berekend geen premies
voor lijfrenten in aanmerking genomen zijn, worden de bedragen van
2804 en 1036 verhoogd tot 5608 respectievelijk 2072;
g. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en
pleegkinderen van 27 jaar en ouder, alsmede andere bloed- en
aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn,
bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964.
4. Artikel 1.1a, derde lid, wordt vervangen door:
3. In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt onder het
gecorrigeerde belastbare loon verstaan: het belastbare loon, bedoeld
in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met:
a. het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen
voortvloeiende bedragen:
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon,
maar niet minder dan 119 en niet meer dan 1605;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: 487;
b. de bedragen bedoeld in het eerste lid, onderdelen c tot en met g.
5. Onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde
tot en met zevende lid, wordt in artikel 1.1a een nieuw lid ingevoegd,
dat komt te luiden:
4. De in het eerste lid, onderdelen c tot en met g, en derde lid,
onderdeel b, bedoelde correctieposten worden indien het gecorrigeerde
verzamelinkomen over het kalenderjaar 2001 wordt berekend, voor het
geheel in aanmerking genomen, indien het gecorrigeerde verzamelinkomen
over het kalenderjaar 2002 wordt berekend, voor 2/3 deel in aanmerking
genomen en indien het gecorrigeerde verzamelinkomen over het
kalenderjaar 2003 wordt berekend, voor 1/3 deel in aanmerking genomen.
Indien het gecorrigeerde verzamelinkomen over het kalenderjaar 2004 en
volgende kalenderjaren berekend wordt, worden deze correctieposten
niet meer in aanmerking genomen.
6. In het tot zevende lid vernummerde zesde lid van artikel 1.1a wordt
vijfde lid vervangen door: zesde lid.
3. Na onderdeel J wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, dat komt te
luiden:
Ja. Na artikel 12.1 wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat komt te
luiden:
Artikel 12.1a Afwijking van artikel 1.1a
1. In afwijking van artikel 1.1a, eerste lid, onderdeel a, geldt tot 1
januari 2002 in plaats van 1119: f 2987.
2. In afwijking van artikel 1.1.a, eerste lid, onderdeel b, geldt tot
1 januari 2002 in plaats van 119: f 263, in plaats van 1605: f 3538 en
in plaats van 487:
f 1073.
3. In afwijking van artikel 1.1.a, eerste lid, onderdeel c, geldt tot
1 januari 2002 in plaats van 939: f 2070.
4. In afwijking van artikel 1.1.a, eerste lid, onderdeel d, geldt tot
1 januari 2002 in plaats van 119: f 263 en in plaats van 1605: f 3538.
5. In afwijking van artikel 1.1.a, eerste lid, onderdeel f, geldt tot
1 januari 2002 in plaats van 2804: f 6179, in plaats van 1036: f 2283,
in plaats van 5608:
f 12358 en in plaats van 2072: f 4566.
6. In afwijking van artikel 1.1.a, derde lid, onderdeel a, geldt tot 1
januari 2002 in plaats van 119: f 263, in plaats van 1605: f 3538 en
in plaats van 487:
f 1073.
J. Hoofdstuk I, afdeling H, artikel I. Huursubsidiewet wordt als volgt
gewijzigd:
1. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, wordt kalenderjaar
vervangen door: peiljaar. Voorts wordt f 3518 vervangen door: f 2987.
2. In artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, wordt kalenderjaar
vervangen door: peiljaar.
3. Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 1a, eerste
lid, onderdeel b, onder 2°, door een puntkomma, worden vijf nieuwe
onderdelen ingevoegd, die komen te luiden:
c. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
kosten van woon-werkverkeer (reiskostenforfait), maar niet meer dan f
2070;
d. indien in het kalenderjaar 2000 loon uit dienstbetrekking wordt
genoten: het bedrag van de in dat jaar in aanmerking genomen
aftrekbare kosten terzake van inkomsten uit arbeid andere dan kosten
van woon-werkverkeer, na toepassing van artikel 37, tweede lid, van de
Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met 12% van het loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking in dat jaar, maar met niet minder dan f
263 en met niet meer dan f 3538;
e. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen,
bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964;
f. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
premies voor lijfrenten, maar niet meer dan f 6179, verminderd met f
2283, maar niet verder dan tot nihil; indien bij de echtgenoot van
degene van wie het gecorrigeerd verzamelinkomen wordt berekend geen
premies voor lijfrenten in aanmerking genomen zijn, worden de bedragen
van f 6179 en f 2283 verhoogd tot f 12 358 respectievelijk f 4566;
g. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en
pleegkinderen van 27 jaar en ouder, alsmede andere bloed- en
aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn,
bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964.
4. Artikel 1a, derde lid, wordt vervangen door:
3. In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt onder het
gecorrigeerde belastbare loon verstaan: het belastbare loon, bedoeld
in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met:
a. het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen
voortvloeiende bedragen:
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon,
maar niet minder dan f 263 en niet meer dan f 3538;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: f 1073;
b. de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c tot en met g.
5. Onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde
tot en met zevende lid, wordt in artikel 1a een nieuw lid ingevoegd,
dat komt te luiden:
4. De in het eerste lid, onderdelen c tot en met g, en derde lid,
onderdeel b, bedoelde correctieposten worden over het peiljaar 2001
voor het geheel in aanmerking genomen, over het peiljaar 2002 voor 2/3
deel en over het peiljaar 2003 voor 1/3 deel. Over het peiljaar 2004
en volgende peiljaren worden deze correctieposten niet meer in
aanmerking genomen.
6. In het tot zevende lid vernummerde zesde lid van artikel 1a wordt
vijfde lid vervangen door: zesde lid.
2. Onderdeel C wordt vervangen door:
C. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan
onder rekenvermogen: het gezamenlijk vermogen van de huurder en de
medebewoners.
2. Het derde lid komt te luiden:
3. Onder vermogen wordt verstaan: de gemiddelde rendementsgrondslag,
bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien
verstande dat die grondslag wordt bepaald zonder rekening te houden
met de vrijstelling kapitaalverzekeringen voor kinderen, bedoeld in
artikel 5.12 van die wet, de vrijstelling maatschappelijke
beleggingen, bedoeld in afdeling 5.3 van die wet en de vrijstelling
beleggingen in durfkapitaal, bedoeld in afdeling 5.3a van die wet.
3. In onderdeel D wordt f 74 926 vervangen door: f 77 571.
4. Onder verlettering van de onderdelen H tot en met J tot I tot en
met K wordt een onderdeel ingevoegd, dat komt te luiden:
H. In artikel 30a, eerste lid, onder c, wordt Wet op de
inkomstenbelasting 1964 vervangen door: Wet inkomstenbelasting 2001.
5. In onderdeel K (nieuw) komt het voorgestelde artikel 56a te
luiden:
Artikel 56a
Voorzover de aanvraag om toekenning van huursubsidie betrekking heeft
op een subsidiejaar dat eindigt voor 1 juli 2002, wordt:
a. voor de toepassing van artikel 3, derde lid, onderdeel a, onder het
gecorrigeerde verzamelinkomen verstaan het belastbare inkomen, bedoeld
in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, over het peiljaar;
b. voor de toepassing van artikel 3, derde lid, onderdeel b, onder het
aldaar genoemde loon verstaan het loon, bedoeld in de Wet op de
loonbelasting 1964, over het peiljaar, verminderd met het krachtens
artikel 17, eerste lid, van die wet, aftrekbare percentage of bedrag;
c. voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, onder rekenvermogen
verstaan het gezamenlijk vermogen van de huurder en de medebewoners op
1 januari 2000;
d. voor de toepassing van artikel 4, derde lid, onder vermogen
verstaan het vermogen, bedoeld in hoofdstuk II, met uitzondering van
artikel 5, van de Wet op de vermogensbelasting 1964, met dien
verstande dat bij algemene maatregel van bestuur:
1°. waarderingsgrondslagen kunnen worden vastgesteld met betrekking
tot motorrijtuigen, en
2°. regels kunnen worden vastgesteld met betrekking tot de waardering
van een aandeel in een vermogen waarover huurder of medebewoners
konden beschikken;
e. voor de toepassing van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, voor f
77 571 gelezen: f 59 700, welk laatste bedrag met ingang van 1 juli
2001 bij ministeriële regeling wordt aangepast aan de ontwikkeling van
de consumentenprijzen (alle huishoudens) in het jaar 2000, als in
januari 2001 in de Staatscourant bekendgemaakt;
f. voor de toepassing van artikel 26a, eerste lid, onderdeel a, onder
een gecorrigeerd verzamelinkomen verstaan: een belastbaar inkomen;
g. voor de toepassing van artikel 27, derde lid, onder inkomens
verstaan belastbare inkomens, en
h. voor de toepassing van artikel 27, vijfde lid, onder jaarinkomens
en onder inkomens verstaan belastbare inkomens.
6. Aan hoofdstuk I, afdeling H, wordt een artikel toegevoegd, dat komt
te luiden:
ARTIKEL II. WET BEVORDERING EIGENWONINGBEZIT
Indien het bij geleidende brief van 16 april 1997 ingediende voorstel
van wet van de leden Duivesteijn, Biesheuvel, Hofstra en Van t Riet
houdende nieuwe regels over het toekennen van bijdragen aan lagere
inkomensgroepen ten behoeve van het verkrijgen en kunnen blijven
bewonen van een eigen woning (Wet bevordering eigenwoningbezit)
(kamerstukken I 1999/2000, 25 309, nr. 142), alsmede het bij
geleidende brief van 5 april 2000 ingediende voorstel van wet van de
leden Duivesteijn, Biesheuvel, Hofstra en Van t Riet houdende
wijziging van het voorstel van wet van de leden Duivesteijn,
Biesheuvel, Hofstra en Van t Riet houdende nieuwe regels over het
toekennen van bijdragen aan lagere inkomensgroepen ten behoeve van het
verkrijgen en kunnen blijven bewonen van een eigen woning (Wet
bevordering eigenwoningbezit) (kamerstukken I 1999/2000, 27 071, nr.
274) tot wet worden verheven, wordt eerstgenoemde wet als gewijzigd
door laatstgenoemde wet gewijzigd als volgt:
a. Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, dat komt te luiden:
Artikel 1a. Inkomens- en loonbegrippen
1. In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt onder het
gecorrigeerde verzamelinkomen verstaan: het verzamelinkomen, bedoeld
in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met:
a. indien in het peiljaar de zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel
3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001, is toegepast: f 2987;
b. indien in het peiljaar loon wordt genoten: het hoogste van de uit
de toepassing van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen:
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon,
maar niet minder dan f 263 en niet meer dan f 3538;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: f 1073;
c. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
kosten van woon-werkverkeer (reiskostenforfait), maar niet meer dan f
2070;
d. indien in het kalenderjaar 2000 loon uit dienstbetrekking wordt
genoten: het bedrag van de in dat jaar in aanmerking genomen
aftrekbare kosten terzake van inkomsten uit arbeid andere dan kosten
van woon-werkverkeer, na toepassing van artikel 37, tweede lid, van de
Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met 12% van het loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking in dat jaar, maar met niet minder dan f
263 en met niet meer dan f 3538;
e. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen,
bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964;
f. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
premies voor lijfrenten, maar niet meer dan f 6179, verminderd met f
2283, maar niet verder dan tot nihil; indien bij de echtgenoot van
degene van wie het gecorrigeerd verzamelinkomen wordt berekend geen
premies voor lijfrenten in aanmerking genomen zijn, worden de bedragen
van f 6179 en f 2283 verhoogd tot f 12 358 respectievelijk f 4566;
g. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en
pleegkinderen van 27 jaar en ouder, alsmede andere bloed- en
aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn,
bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964.
2. In het eerste lid wordt onder loon verstaan loon in de zin van de
Wet inkomstenbelasting 2001.
3. In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt onder het
gecorrigeerde belastbare loon verstaan: het belastbare loon, bedoeld
in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met:
a. het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen
voortvloeiende bedragen:
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon,
maar niet minder dan f 263 en niet meer dan f 3538;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: f 1073;
b. de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c tot en met g.
4. De in het eerste lid, onderdelen c tot en met g, en derde lid,
onderdeel b, bedoelde correctieposten worden over het peiljaar 2001
voor het geheel in aanmerking genomen, over het peiljaar 2002 voor 2/3
deel en over het peiljaar 2003 voor 1/3 deel. Over het peiljaar 2004
en volgende peiljaren worden deze correctieposten niet meer in
aanmerking genomen.
5. Met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking wordt gelijkgesteld:
a. loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid, anders dan
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen behoudens uitkeringen
in verband met bevalling, en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten;
b. loon in de vorm van uitkeringen ingevolge de Wet financiering
loopbaanonderbreking en aanvullingen daarop door degene tot wie de
belastingplichtige in dienstbetrekking staat.
6. De inspecteur die ingevolge artikel 3 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen bevoegd is tot heffing van belastingen van de
eigenaar-bewoner of van degene die tot diens huishouden behoort,
bepaalt op verzoek van Onze Minister het gecorrigeerde verzamelinkomen
of het gecorrigeerde belastbare loon in het peiljaar van de
desbetreffende eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden
behoort.
7. De in het zesde lid bedoelde inspecteur verstrekt de gegevens
inzake het gecorrigeerde verzamelinkomen aan Onze Minister volgens bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
b. Artikel 3, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. De aanhef wordt vervangen door: In deze wet en de bepalingen die
daarop berusten wordt onder inkomen verstaan:.
2. In onderdeel a wordt het belastbaar inkomen, bedoeld in de Wet op
de inkomstenbelasting 1964 vervangen door: het gecorrigeerde
verzamelinkomen.
3. In onderdeel b wordt het loon, bedoeld in de Wet op de
loonbelasting 1964, verminderd met het krachtens artikel 17, eerste
lid, van die wet, aftrekbare percentage of bedrag vervangen door: het
gecorrigeerde belastbare loon.
c. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste en tweede lid komen als volgt te luiden:
1. Het rekenvermogen, bedoeld in deze wet en de bepalingen die daarop
berusten, is het gezamenlijk vermogen van degenen die behoren tot het
huishouden van de eigenaar-bewoner.
2. Onder vermogen wordt verstaan: de gemiddelde rendementsgrondslag,
bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien
verstande dat die grondslag wordt bepaald zonder rekening te houden
met de vrijstelling kapitaalverzekeringen voor kinderen, bedoeld in
artikel 5.12 van die wet, de vrijstelling maatschappelijke
beleggingen, bedoeld in afdeling 5.3 van die wet en de vrijstelling
beleggingen in durfkapitaal, bedoeld in afdeling 5.3a van die wet.
2. Het derde en vierde lid vervallen.
d. In artikel 9, eerste lid, onderdeel b, wordt f 58 400 vervangen
door:
f 77 571.
e. In artikel 11, eerste lid, onderdeel b, en artikel 28, aanhef,
wordt een belastbaar jaarbedrag telkens vervangen door: een
jaarinkomen.
f. In artikel 31, eerste lid, wordt f 301 vervangen door: f 320.
g. In artikel 33, eerste lid, onderdeel a, wordt een belastbaar
inkomen vervangen door: een gecorrigeerd verzamelinkomen.
h. Artikel 41 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt belastbare inkomens vervangen door:
inkomens.
2. In het tweede lid wordt artikel 4, derde lid vervangen door:
artikel 63a, onderdeel e, onder 1°.
i. In artikel 48, tweede lid, wordt tussen 52, en 54 ingevoegd: 53,
tweede en derde lid,.
j. In het opschrift van en in artikel 54 wordt sociaal-fiscaal nummer
telkens vervangen door: sociaal-fiscaalnummer.
k. Na artikel 63 wordt een artikel ingevoegd, dat komt te luiden:
Artikel 63a. Overgangsrecht met betrekking tot inkomen en vermogen
Voorzover de peildatum is gelegen voor 1 juli 2002, wordt:
a. voor de toepassing van artikel 3, derde lid, onderdeel a, onder het
gecorrigeerde verzamelinkomen verstaan het belastbare inkomen, bedoeld
in de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
b. voor de toepassing van artikel 3, derde lid, onderdeel b, onder het
aldaar genoemde loon verstaan het loon, bedoeld in de Wet op de
loonbelasting 1964, verminderd met het krachtens artikel 17, eerste
lid, van die wet, aftrekbare percentage of bedrag;
c. voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, en van onderdeel e
van dit artikel onder rekenvermogen verstaan het gezamenlijk vermogen
op 1 januari 2000 van degenen die behoren tot het huishouden van de
eigenaar-bewoner;
d. voor de toepassing van artikel 4, tweede lid, en van onderdeel e
van dit artikel onder vermogen verstaan het vermogen, bedoeld in
hoofdstuk II, met uitzondering van artikel 5, van de Wet op de
vermogensbelasting 1964, met dien verstande dat bij algemene maatregel
van bestuur:
1°. waarderingsgrondslagen kunnen worden vastgesteld met betrekking
tot motorrijtuigen, en
2°. regels kunnen worden vastgesteld met betrekking tot de waardering
van een aandeel in een vermogen waarover de eigenaar-bewoner of degene
die tot diens huishouden behoort kon beschikken;
e. voor de bepaling van het rekenvermogen, naast toepassing van
artikel 4:
1°. in afwijking van artikel 4, tweede lid, de waarde, verminderd met
de daarop rustende hypothecaire schuld, van een eigen woning als
bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de Wet op de vermogensbelasting
1964, ten behoeve waarvan een eigenwoningbijdrage of een bijzondere
bijdrage als bedoeld in artikel 34, is of wordt toegekend, slechts
onder vermogen verstaan voorzover die aldus verminderde waarde hoger
is dan f 49 500, en
2°. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 16, eerste lid, in de
in dat artikellid bedoelde algemene maatregel van bestuur tevens
bepaald welk bedrag in plaats van het onder 1° genoemde bedrag in de
betrokken provincies zal gelden, en bepaald op welke wijze
eerstbedoeld bedrag wordt of kan worden aangepast;
f. voor de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, voor f
77 571 gelezen: f 59 700, welk laatste bedrag met ingang van 1 juli
2001 bij ministeriële regeling wordt aangepast aan de ontwikkeling van
de consumentenprijzen (alle huishoudens) in het jaar 2000, als in
januari 2001 in de Staatscourant bekendgemaakt;
g. voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, onder
een gecorrigeerd verzamelinkomen verstaan: een belastbaar inkomen, en
h. voor de toepassing van artikel 41, eerste lid, onder inkomens
verstaan belastbare inkomens.
l. Artikel 65, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt na 9, eerste lid ingevoegd: ,onderdelen a, c
en d.
2. In onderdeel b wordt de artikelen 4, derde lid, 15, eerste lid, 29,
eerste lid, formule, en 31, eerste lid vervangen door: de artikelen
15, eerste lid, 29, eerste lid, formule, 31, eerste lid, en 63a,
onderdeel e, onder 1°.
K. Hoofdstuk I, afdeling I, artikel III. Ziekenfondswet wordt als
volgt gewijzigd:
1. Onderdeel A komt te luiden als volgt:
A. Artikel 3c wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden als volgt:
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomen verstaan
het gecorrigeerde verzamelinkomen, onderscheidenlijk het gecorrigeerde
belastbare loon. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld welk
tijdvak voor de bepaling van het inkomen in aanmerking wordt genomen
en worden regels gesteld ter uitvoering van de tweede volzin van het
eerste lid.
2. Aan het artikel worden tien leden toegevoegd, die komen te luiden:
6. Het gecorrigeerde verzamelinkomen is het verzamelinkomen, bedoeld
in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met:
a. indien in het tijdvak de zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel
3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001, is toegepast: f 2987;
b. indien in het tijdvak loon wordt genoten: het hoogste van de uit de
toepassing van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen:
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon,
maar niet minder dan f 263 en niet meer dan f 3538;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: f 1073;
c. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
kosten van woon-werkverkeer (reiskostenforfait), maar niet meer dan f
2070;
d. indien in het kalenderjaar 2000 loon uit dienstbetrekking wordt
genoten: het bedrag van de in dat jaar in aanmerking genomen
aftrekbare kosten terzake van inkomsten uit arbeid andere dan kosten
van woon-werkverkeer, na toepassing van artikel 37, tweede lid, van de
Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met 12% van het loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking in dat jaar, maar met niet minder dan f
263 en met niet meer dan f 3538;
e. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen,
bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964;
f. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
premies voor lijfrenten, maar niet meer dan f 6179, verminderd met f
2283, maar niet verder dan tot nihil; indien bij de echtgenoot van
degene van wie het gecorrigeerd verzamelinkomen wordt berekend geen
premies voor lijfrenten in aanmerking genomen zijn, worden de bedragen
van f 6179 en f 2283 verhoogd tot f 12 358 respectievelijk f 4566;
g. het bedrag van de in het kalenderjaar 2000 in aanmerking genomen
uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en
pleegkinderen van 27 jaar en ouder, alsmede andere bloed- en
aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn,
bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964.
7. In het zesde lid wordt onder loon verstaan loon in de zin van de
Wet inkomstenbelasting 2001.
8. Het gecorrigeerde belastbare loon is het belastbare loon, bedoed in
artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met:
a. het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen
voortvloeiende bedragen:
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon,
maar niet minder dan f 263 en niet meer dan f 3538;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: f 1073;
b. de bedragen, bedoeld in het zesde lid, onderdelen c tot en met g.
9. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het inkomen voorts
verminderd met f 695.
10. De in het zesde lid, onderdelen c tot en met g, en achtste lid,
onderdeel b, bedoelde correctieposten, worden over het tijdvak 2001
voor het geheel in aanmerking genomen, over het tijdvak 2002 voor 2/3
deel en over het tijdvak 2003 voor 1/3 deel.
11. Met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking wordt gelijkgesteld:
a. loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid, anders dan
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen behoudens uitkeringen
in verband met bevalling, en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten;
b. loon in de vorm van uitkeringen ingevolge de Wet financiering
loopbaanonderbreking en aanvullingen daarop door degene tot wie de
belastingplichtige in dienstbetrekking staat.
12. Onverminderd het bepaalde in het negende lid wordt over het
tijdvak 2004 en volgende tijdvakken, in afwijking van het derde lid,
onder inkomen verstaan het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18
van de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met f 1073.
13. De inspecteur die ingevolge artikel 3 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen bevoegd is tot heffing van belastingen van de
verzekerde of zijn eventuele echtgenoot, bepaalt op verzoek van de
Sociale Verzekeringsbank het inkomen, bedoeld in het derde lid, over
de tijdvakken 2001, 2002 of 2003 van de desbetreffende verzekerde of
zijn eventuele echtgenoot.
14. De in het dertiende lid bedoelde inspecteur verstrekt de gegevens
inzake het inkomen bedoeld in het derde lid over de tijdvakken 2001,
2002 of 2003 aan de Sociale Verzekeringsbank. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen hiervoor nadere regels worden
gesteld.
15. Indien het inkomen moet worden bepaald over een aan het
kalenderjaar 2001 voorafgaand tijdvak, wordt in afwijking van het
derde lid uitgegaan van alle inkomsten waarover ingevolge de artikelen
3 en 48 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 inkomstenbelasting
verschuldigd is.
2. Onderdeel B komt te luiden als volgt:
B. Artikel 3d wordt als volgt gewijzigd:
1. Het vierde lid, eerste volzin, kom te luiden:
4. Voor de toepassing van het eerste en het derde lid wordt onder
inkomen verstaan de som van het belastbare inkomen uit werk en woning,
het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare
inkomen uit sparen en beleggen, verminderd met de correctieposten
bedoeld in artikel 3c, zesde lid, onderdelen a tot en met g, met dien
verstande dat indien de berekening van het belastbare inkomen uit werk
en woning of het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang tot een
negatief bedrag leidt, dat inkomen op nul wordt gesteld.
2. Aan het artikel worden drie leden toegevoegd, die komen te luiden:
7. Artikel 3c, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
8. Over het tijdvak 2004 en volgende tijdvakken wordt, in afwijking
van het vierde lid, onder inkomen verstaan de som van het belastbare
inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk
belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, verminderd
voor de tijdvakken 2004 en 2005 met f 2987; met dien verstande dat
indien de berekening van het belastbare inkomen uit werk en woning of
het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang tot een negatief bedrag
leidt, dat inkomen op nul wordt gesteld.
9. Indien het inkomen moet worden bepaald over een aan het
kalenderjaar 2001 voorafgaand kalenderjaar, wordt, in afwijking van
het vierde lid, onder inkomen verstaan: voor binnenlands
belastingplichtigen, het inkomen bedoeld in artikel 3, eerste lid, van
de Wet op de inkomensbelasting 1964 en voor buitenlands
belastingplichtigen het binnenlandse inkomen bedoeld in artikel 48,
eerste lid, van die wet met dien verstande dat indien de berekening
van het inkomen tot een negatief bedrag leidt, dat inkomen op nul
wordt gesteld.
3. Onderdeel C komt te luiden als volgt:
C. Artikel 15a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt het inkomen, bedoeld in artikel 3d, vierde
lid vervangen door: het inkomen, bedoeld in artikel 3d, vierde,
zevende en achtste lid.
2. In het derde lid wordt de artikelen 64, 65 en 66a van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 vervangen door: de artikelen 3.154 en 9.4 van
de Wet inkomstenbelasting 2001.
L. Hoofdstuk I, afdeling K, artikel I. Wet op het notarisambt wordt
als volgt gewijzigd:
Onderdeel 1 komt te luiden:
1. Het vierde lid, tweede volzin, wordt vervangen door:
Dit laatste maximum geldt niet indien het eigen vermogen van een
partij bij de akte of van partijen tezamen meer bedraagt dan f 500
000. Dit bedrag kan bij ministeriële regeling worden gewijzigd
voorzover het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie daartoe
aanleiding geeft.
M. In hoofdstuk I, afdeling K, wordt een nieuw artikel toegevoegd, dat
komt te luiden:
ARTIKEL II WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING
Onder verlettering van de onderdelen b tot en met h tot c tot en met i
wordt in artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
een nieuw onderdeel ingevoegd, dat komt te luiden:
b. inkomstenbelasting begrepen in een voorlopige teruggaaf als bedoeld
in artikel 13, tweede lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen,.
Toelichting
I. Algemeen
In het Algemeen deel van de memorie van toelichting is aangekondigd
dat de effecten van het vervallen van de niet-standaardaftrekposten in
de Wet inkomstenbelasting 2001 binnen de inkomensafhankelijke
regelingen zullen worden opgevangen door een systematiek waarbij de
Belastingdienst een gecorrigeerd verzamelinkomen levert. Het
verzamelinkomen zal, behalve met de standaardaftrekposten, ook op
individueel niveau voor de jaren 2001, 2002 en 2003 worden
gecorrigeerd met de niet-standaardaftrekposten over het belastingjaar
2000.
Bij het nader uitwerken van de gekozen systematiek komt allereerst de
vraag aan de orde met welke niet-standaardeffecten rekening moet
worden gehouden en tot welke omvang.
Daarbij moet worden vooropgesteld dat de belastingherziening een forse
wijziging van aftrekposten met zich brengt. Een enkele aftrekpost
wordt geheel afgeschaft, sommige worden fors gewijzigd en bij andere
is sprake van kleine wijzigingen, bijvoorbeeld in de
berekeningssystematiek van de drempel.
Tevens hebben wij bij de regeling ten aanzien van de
niet-standaardaftrekposten de bij Belastingdienst beschikbare gegevens
over het kalenderjaar 2000 als uitgangspunt genomen. Dat betekent dat
een zekere ruwheid moet worden aanvaard.
Deze ruwheid kan in feite alleen voorkomen worden, indien iedere
Nederlander die een beroep doet op inkomensafhankelijke regelingen
voor de toetsjaren 2001, 2002 en 2003 een schaduwaangifte over de
desbetreffende jaren indient, uitgaande van de fictie dat de mutaties
in de aftrekposten als gevolg van de belastingherziening niet zouden
zijn ingevoerd. Een dergelijke operatie zou gepaard gaan met
omvangrijke administratieve lasten. Daarom hebben wij een dergelijke
regeling niet voorgesteld, maar hebben wij ervoor gekozen dat door de
Belastingdienst met behulp van de gegevens die uit de aangiften over
het belastingjaar 2000 zijn te halen een niet-standaardcorrectie wordt
berekend. Op deze wijze worden de uitvoeringslasten voor de burgers en
de Belastingdienst beheerst.
Bij de niet-standaardaftrekposten met een budgettaire opbrengst die in
de belastingherziening 2001 komen te vervallen of worden beperkt en
wat effect betreft herleidbaar zijn uit de aangifte 2000 gaat het met
name om de volgende maatregelen:
- beperking van het reiskostenforfait;
- het vervallen van de aftrek werkelijke kosten ;
- beperking van de rente-aftrek voor consumptief krediet;
- maatregelen in de sfeer van de oudedagsvoorzieningen en het
lijfrenteregime;
- beperking van de aftrek buitengewone lasten.
Deze vijf maatregelen zijn verwerkt in deze Nota van wijziging en
worden hierna afzonderlijk besproken.
Correctie voor de vijf niet-standaardaftrekposten vindt alleen plaats
voorzover die voor de belanghebbende in 2000 golden. Voor een
belanghebbende die in het jaar 2000 niet-standaardaftrekposten heeft
en in het jaar 2003 voor het eerst een beroep doet op een
inkomensafhankelijke regeling, wordt het verzamelinkomen gecorrigeerd
met de niet-standaardaftrekposten.
Wat betreft de correcties in verband met de standaardaftrekposten is
reeds in de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel
aangegeven hoe de bekendmaking van de standaardaftrekposten aan de
burgers geschiedt. Aangegeven is dat de Belastingdienst de
desbetreffende uitvoeringsinstellingen van de inkomensafhankelijke
regelingen naast het gewone verzamelinkomen het gecorrigeerde
verzamelinkomen levert. De afnemende uitvoeringsinstellingen delen aan
de betrokken burgers de hoogte van het relevante inkomen mee als
bestanddeel van de beschikking waarin hun rechten worden vastgesteld.
Voorgesteld wordt deze lijn door te trekken naar de
niet-standaardaftrekposten. Het is namelijk niet logisch en wenselijk
om voor de bekendmaking van deze correcties een andere methode te
kiezen dan die voor de bekendmaking van de correcties in verband met
de standaardeffecten is gekozen.
Een goede algemene voorlichting, bijvoorbeeld door middel van een bij
de beschikking omtrent de rechten op de voorziening te voegen folder,
kan de belanghebbende inzicht geven in de wijze waarop het
gecorrigeerd verzamelinkomen is samengesteld. De eenheden van de
Belastingdienst zullen bovendien op aanvraag inzicht geven in alle
elementen van het gecorrigeerd verzamelinkomen. Daarnaast zal de
Belastingdienst in gevallen waarin bij de uitvoerende instantie een
bezwaarschrift is ingediend dat betrekking heeft op deze materie, de
betrokken uitvoerende instantie voorzien van informatie ter zake.
Beperking van het reiskostenforfait
Onder de Wet inkomstenbelasting 2001 vervalt als aftrekpost het
reiskostenforfait bij reizen per eigen vervoer en wordt het
reiskostenforfait voor reizen per openbaar vervoer verlaagd.
De Belastingdienst kan in zijn geautomatiseerde systemen niet
terugvinden hoe het bedrag van het in 2000 in aftrek gebrachte
reiskostenforfait is opgebouwd. Dit betekent dat niet valt vast te
stellen welk bedrag in 2001 wegvalt. Gekozen is daarom voor een
regeling waarin wordt gecorrigeerd voor alle in 2000 afgetrokken
kosten tot maximaal het forfait bij gebruik van de auto (f 2070). Dit
kan leiden tot overcompensatie indien in 2001 het OV-forfait wordt
genoten.
Het vervallen van de aftrek werkelijke kosten
Onder het regime van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn werkelijke
kosten in verband met een dienstbetrekking niet meer aftrekbaar,
terwijl de kosten die samenhangen met niet in dienstbetrekking
verrichte werkzaamheden (belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden) nog wel aftrekbaar zijn. Onder het regime van de Wet op
de inkomstenbelasting 1964 wordt op het punt van de aftrek van kosten
echter geen onderscheid gemaakt tussen kosten die verband houden met
in en buiten dienstbetrekking verrichte arbeid. De Belastingdienst
maakt dit onderscheid dus ook niet. Daarom is in de wettekst uitgegaan
van het gezamenlijke bedrag aan werkelijke arbeidskosten over het jaar
2000, mits (in 2000) sprake is van een dienstbetrekking. Bij samenloop
van dienstbetrekking en andere inkomsten uit arbeid, wordt het
gezamenlijke bedrag van de aftrekbare kosten in aanmerking genomen.
Omdat de werkelijke kostenaftrek voor niet in dienstbetrekking
verrichte arbeid gehandhaafd blijft, vindt in deze situaties
overcompensatie plaats, maar een splitsing valt niet te maken.
Voorts is tevens rekening gehouden met de samenloop met het
arbeidskostenforfait, dat al als standaaraftrekpost wordt
gecorrigeerd. Onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting
1964 zijn de werkelijke kosten van de inkomsten uit tegenwoordige
arbeid aftrekbaar, indien deze meer bedragen dan 12% van deze
inkomsten (met een minimumdrempel van f 263 en een maximumdrempel van
f 3538). De aftrekbare werkelijke kosten worden verhoogd met 12% van
de inkomsten uit tegenwoordige arbeid voorzover zij meer bedragen dan
f 26 900 (met een maximum van f 310).
Voorgesteld wordt uit te gaan van de in het kalenderjaar 2000 in
aanmerking genomen aftrekbare kosten in verband met inkomsten uit
tegenwoordige arbeid ná toepassing van de verhoging van maximaal f
310, verminderd met 12% van het loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking in dat jaar, maar niet minder dan f 263 en niet meer
dan f 3538. Op deze wijze is rekening gehouden met de samenloop met
het arbeidskostenforfait.
In onderstaand voorbeeld wordt de werking van deze regeling uitgelegd.
Voorbeeld
Een belanghebbende die in dienstbetrekking werkzaam is, heeft een loon
uit tegenwoordige dienstbetrekking van f 40 000. Over het kalenderjaar
2000 bedroegen zijn werkelijke aftrekbare kosten in verband met zijn
dienstbetrekking f 5000. Op grond van artikel 37, tweede lid, van de
Wet op de inkomstenbelasting 1964, wordt de werkelijke kostenaftrek
verhoogd met 12% van f 13 100, doch maximaal f 310. In 2000 is
derhalve f 5310 in aanmerking genomen als werkelijke kostenaftrek. De
niet-standaardaftrekpost bedraagt f 5310, verminderd met 12% van f 40
000, doch maximaal f 3538, is f 1772. Het bedrag ad f 3538 wordt als
standaardaftrekpost meegenomen.
Beperking van de rente-aftrek voor consumptief krediet
Onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is de aftrek
van consumptieve rente in beginsel gemaximeerd op f 5291. Dit bedrag
kan worden verhoogd met f 1059 bij aanwezigheid van specifieke
schulden (zoals studieschulden). Bij gehuwden worden deze bedragen
verdubbeld. Maximaal kan bij gehuwden dus
f 12 700 aan rente van consumptief krediet in aanmerking worden
genomen.
Onder het regime van de Wet inkomstenbelasting 2001 bestaat geen
specifieke aftrek voor rente van consumptief krediet. Wel kunnen
consumptieve schulden de rendementsgrondslag voor het inkomen uit
sparen en beleggen verminderen.
Als niet-standaardeffect wordt in rekening gehouden met de rente van
consumptief krediet zoals die in aanmerking is genomen bij de aanslag
inkomstenbelasting over het kalenderjaar 2000. Er wordt niet
gecorrigeerd voor eventuele effecten van de consumptieve schulden op
de rendementsgrondslag (in box III). De effecten in box III treden
namelijk alleen op bij de aanwezigheid van een vermogen van meer dan
f 38 785 bij alleenstaanden en f 77 571 bij partners.
Maatregelen in de sfeer van de oudedagsvoorzieningen en het
lijfrenteregime
Onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kan f 6179
als basisaftrek in aanmerking worden genomen. Bij gehuwden kan de
basisaftrek worden overgedragen, zodat een basisaftrek van f 12 358 in
aanmerking kan worden genomen. Onder de Wet inkomstenbelasting 2001
geldt een individuele (niet overdraagbare) basisaftrek van f 2283.
In de aangiften 2000 staat alleen vermeld tot welk bedrag
lijfrente-aftrek is geclaimd. Een specificatie naar soort lijfrente is
niet opgenomen in de aangifte. De Belastingdienst kan dus geen
onderscheid maken tussen een lijfrente waarvoor slechts de basisaftrek
is gebruikt en zogenoemde tweede tranche-, derde tranche-, vierde
tranche- of vijfde tranche-lijfrenten. Ook de overgedragen basisaftrek
is in het geautomatiseerde systeem niet als zodanig herkenbaar.
Als niet-standaardeffect wordt in aanmerking genomen het bedrag van de
individueel over 2000 toegepaste lijfrente-aftrek, met een maximum van
f 6179. Als bij de echtgenoot van de belanghebbende die aanspraak
maakt op een inkomensafhankelijke regeling geen premies voor
lijfrenten in aanmerking genomen zijn, wordt dit maximum verhoogd tot
f 12 358. In dat geval kan immers de basisaftrek zijn overgedragen. De
aldus in aanmerking te nemen premies lijfrenten wordt verminderd met f
2283. Als bij de echtgenoot van de belanghebbende die aanspraak maakt
op een inkomensafhankelijke regeling geen premies voor lijfrenten in
aanmerking genomen zijn, bedraagt de vermindering f 4566.
Met de andere wijzigingen binnen de oudedagsvoorzieningen en het
lijfrenteregime wordt geen rekening gehouden. De mogelijkheden van
aanvullende lijfrente-aftrek zijn onder het nieuwe stelsel namelijk
veelal ruimer dan onder het huidige regime.
In onderstaande drie voorbeelden wordt de werking van de regeling
uiteengezet.
Voorbeeld 1
Bij de belanghebbende is in het kalenderjaar 2000 als lijfrentepremie
f 15 000 in aanmerking genomen, te weten f 6179 als basisaftrek en het
restant als derde tranchelijfrente-aftrek. Bij de echtgenoot van de
belanghebbende is f 6179 (basisaftrek) als lijfrentepremie in
aanmerking genomen. De niet-standaardaftrekpost voor de belanghebbende
bedraagt f 6179 verminderd met f 2283 is f 3896. De
niet-standaardaftrekpost voor de echtgenoot van de belanghebbende
bedraagt eveneens
f 3896.
Voorbeeld 2
Bij de belanghebbende is in het kalenderjaar 2000 f 12 358 als
lijfrentepremie in aanmerking genomen. Bij de echtgenoot van de
belanghebbende is niets als lijfrentepremie in aftrek gekomen. De
niet-standaardaftrekpost bedraagt dan f 12 358 verminderd met f 4566
is f 7792.
Voorbeeld 3
Bij de belanghebbende is in het kalenderjaar 2000 f 5000 als
lijfrentepremie in aanmerking genomen. Bij de echtgenoot van de
belanghebbende is f 3000 als lijfrentepremie in aanmerking genomen. De
niet-standaardaftrekpost bedraagt dan voor de belanghebbende f 5000
verminderd met f 2283 is f 2717 en voor de echtgenoot van de
belanghebbende f 3000 verminderd met f 2283 is f 717.
Voorbeeld 4
Bij de belanghebbende is in het kalenderjaar 2000 f 2000 als
lijfrentepremie in aanmerking genomen. Bij de echtgenoot van de
belanghebbende is niets als lijfrentepremie in aftrek gekomen. De
niet-standaardaftrekpost bedraagt dan nihil, te weten f 2000
verminderd met f 2283, maar niet verder dan tot nihil.
Beperking van de aftrek buitengewone lasten
Bij de beperking van de aftrek van buitengewone lasten is de
belangrijkste post het vervallen van de aftrek van de kosten van
levensonderhoud voor kinderen van 27 jaar en ouder en andere
verwanten.
Het in het kalenderjaar 2000 in aftrek gebrachte bedrag aan kosten van
levensonderhoud voor kinderen van 27 jaar en ouder en andere verwanten
wordt in aanmerking genomen als niet-standaardeffect.
De wijziging met betrekking tot het gecorrigeerd belastbare loon is
aangebracht met het oog op belanghebbenden ten aanzien waarvan over
het kalenderjaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld,
waarbij rekening is gehouden met niet-standaardaftrekposten. Indien
ten aanzien van deze belanghebbende over de kalenderjaren 2001 en
volgende - om wat voor reden dan ook - geen aanslag inkomstenbelasting
wordt vastgesteld, wordt in veel inkomensafhankelijke regelingen
verwezen naar het gecorrigeerd belastbare loon, als toetsinkomen. Het
ligt dan voor de hand bij het bepalen van het gecorrigeerde belastbare
loon - evenals dat bij het bepalen van het gecorrigeerde
verzamelinkomen zou zijn gebeurd indien wel een aanslag
inkomstenbelasting zou zijn vastgesteld - rekening te houden met de
niet-standaardaftrekposten, zoals die uit de aangifte
inkomstenbelasting over kalenderjaar 2000 blijken.
Zoals in de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel
al is aangegeven wordt voorgesteld het corrigeren van het
verzamelinkomen voor de niet-standaardaftrekposten in drie jaar af te
bouwen. Voorgesteld wordt deze afbouw als volgt te laten verlopen. Als
het toetsjaar het jaar 2001 is, worden de niet-standaardaftrekposten
voor het geheel in aanmerking genomen, over het toetsjaar 2002 worden
deze posten nog slechts voor 2/3 meegenomen en over het toetsjaar 2003
nog voor slechts 1/3. Over het toetsjaar 2004 en volgende toetsjaren
worden geen niet-standaardaftrekposten meer in aanmerking genomen.
Bij de correctie voor de standaardeffecten wordt het bedrag voor de
zelfstandigenaftrek aangepast. Deze wordt gewijzigd van f 3518 in f
2987. De correctie ad f 3518 zoals genoemd in het wetsvoorstel was
gebaseerd op geïndexeerde cijfers 1999. Het bedrag van f 2987 is
gebaseerd op de werkelijke cijfers 2000.
II. Artikelsgewijs
A. Hoofdstuk 1, afdeling A, artikel I. Pensioen- en spaarfondsenwet
De onderdelen van artikel I van het bij Koninklijke Boodschap van 3
september 1999 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de
Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze
voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke
behandeling van mannen en vrouwen), zijn na de behandeling in de
Tweede Kamer opnieuw geletterd (kamerstukken I 1999/2000, 26 711, nr.
271). De nota van wijziging brengt de tekst van het onderhavige
wetsvoorstel met de nieuwe lettering in overeenstemming.
B. Hoofdstuk 1, afdeling A, artikel II. Coördinatiewet Sociale
Verzekering
Met het wetsvoorstel wordt in artikel 6 van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering een nieuw twaalfde lid opgenomen, waarin het begrip
spaarloonregeling wordt omschreven conform de regeling ter zake van
spaarloon in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting
1964. De regeling in artikel 32, eerste lid, laatste zin, waarin wordt
bepaald dat bij beëindiging van de dienstbetrekking, voor elke maand
gedurende welke het spaarloon voortijdig is opgenomen belasting wordt
geheven van de werknemer ter zake van een evenredig deel van het
spaarloon, is in het twaalfde lid niet overgenomen. Als reden daarvoor
is aangegeven dat er ten aanzien van een werknemer in de sfeer van de
premieheffing werknemersverzekeringen geen premie kan worden geheven
over verstreken tijdvakken. Dit laatste dient evenwel te worden
genuanceerd. Over loon dat wordt genoten over verstreken tijdvakken
kan geen premie worden geheven indien in het premiebetalingstijdvak
(het kalenderjaar) geen dagen zijn gelegen waarover loon is genoten.
Indien in het premiebetalingstijdvak wel dergelijke dagen zijn gelegen
kan evenwel wel premie worden geheven. Dat is bijvoorbeeld het geval
als de dienstbetrekking eindigt op 1 september van enig jaar en in
december van datzelfde jaar nog een nabetaling volgt van loon over de
periode van januari tot september van dat jaar. Om deze reden wordt
hierbij het voorgestelde twaalfde lid van artikel 6 van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering aangevuld zodat deze in zijn geheel
overeenkomt met artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting
1964. Voorts wordt de mogelijkheid opgenomen om bij ministeriële
regeling nadere regels te treffen. Dit is conform de mogelijkheid om
op grond van artikel 32, vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting
1964 bij ministeriële regeling nadere regels te treffen met betrekking
tot dat artikel.
C. Hoofdstuk 1, afdeling A, artikel IX. Algemene bijstandswet
De kinderkorting en de aanvullende kinderkorting hebben een dusdanige
gelijkenis met de kinderbijslag dat zij - net als de kinderbijslag -
niet in mindering dienen te worden gebracht op de bijstand. Het
hierbij voorgestelde nieuwe onderdeel c van artikel 43, tweede lid,
van de Algemene bijstandswet voorziet daarin. Overigens beraadt het
kabinet zich thans nog over een eventuele vrijlating van de
arbeidskorting, die op basis van het voorliggende wetsvoorstel wel
wordt gekort op de bijstand.
D. Hoofdstuk I, afdeling B, artikel I. Wet financieel statuut van het
Koninklijk Huis
Deze aanpassing houdt verband met het vervallen van de
overhevelingstoeslag per 1 januari 2001.
E. Hoofdstuk I, afdeling F, artikel I. Wet op het voortgezet onderwijs
1., 2.
Voor een toelichting op de wijzigingen in het tweede tot en met vierde
lid van de onderdelen 1 en 2 verwijzen wij naar het onderdeel Algemeen
van deze toelichting.
De wijziging in het eerste lid betreft de standaardcorrectie voor
degenen bij wie de zelfstandigenaftrek is toegepast. Deze wordt, zoals
is toegelicht in het algemeen gedeelte van deze toelichting, gewijzigd
van f 3518 in f 2987.
De wijziging in het vijfde lid betreft een redactionele aanpassing.
Naar aanleiding van de wijziging in de Wet studiefinanciering 2000 en
in de Wet tegemoetkoming studiekosten kan de vraag opkomen of
kalenderjaar in artikel 124a, eerste lid, respectievelijk artikel 1a,
eerste lid, moet worden vervangen door toetsjaar. In artikel 127,
zesde lid, respectievelijk artikel 4, zesde lid, wordt uitgegaan van
het inkomen in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het
kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor een vergoeding wordt
gevraagd, begint. Nu de term kalenderjaar hier goed bij aansluit kan
de wijziging in toetsjaar in de Wet op het voortgezet onderwijs
achterwege blijven.
F. Hoofdstuk I, afdeling F, artikel II. Wet op het primair onderwijs
Voor een toelichting op de wijzigingen in het tweede tot en met vierde
lid van dit onderdeel verwijzen wij naar het onderdeel Algemeen van
deze toelichting.
De wijziging in het eerste lid betreft de standaardcorrectie voor
degenen bij wie de zelfstandigenaftrek is toegepast. Deze wordt, zoals
is toegelicht in het algemeen gedeelte van deze toelichting, gewijzigd
van f 3518 in f 2987.
De wijziging in het vijfde lid betreft een redactionele aanpassing.
Naar aanleiding van de wijziging in de Wet studiefinanciering 2000 en
in de Wet tegemoetkoming studiekosten kan de vraag opkomen of
kalenderjaar in artikel 1a, eerste lid, moet worden vervangen door
toetsjaar. In artikel 4, zevende lid, wordt uitgegaan van het inkomen
in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het
schooljaar waarvoor een vergoeding wordt gevraagd, begint. Nu de term
kalenderjaar hier goed bij aansluit kan de wijziging in toetsjaar in
de Wet op het primair onderwijs achterwege blijven.
G. Hoofdstuk I, Afdeling F, artikel III. Wet op de studiefinanciering
In verband met de inwerkingtreding per 1 september 2000 van de Wet
studiefinanciering 2000 is de Wet op de studiefinanciering met ingang
van die datum ingetrokken.
H. Hoofdstuk I, afdeling F, artikel III (nieuw). Wet tegemoetkoming
studiekosten
Voor een toelichting op de wijzigingen in het derde tot en met vijfde
lid van dit onderdeel verwijzen wij naar het onderdeel Algemeen van
deze toelichting.
De wijziging in het eerste lid betreft de standaardcorrectie voor
degenen bij wie de zelfstandigenaftrek is toegepast. Deze wordt, zoals
is toegelicht in het algemeen gedeelte van deze toelichting, gewijzigd
van f 3518 in f 2987.
In artikel 1a, eerste lid is de term kalenderjaar vervangen door het
kalenderjaar waarover het gecorrigeerde verzamelinkomen berekend
wordt. De Wet tegemoetkoming studiekosten kent verschillende
toetsjaren:
- het peiljaar (artikel 12);
- het jaar na het peiljaar (artikel 13);
- het tweede jaar na het peiljaar (artikel 13);
- het derde jaar na het peiljaar (artikel 13).
Vanwege de leesbaarheid van de wettekst is gekozen voor de
samenvattende term het kalenderjaar waarover het gecorrigeerde
verzamelinkomen berekend wordt.
De wijziging in het zesde lid betreft een redactionele aanpassing.
I. Hoofdstuk I, afdeling F, artikel IV (nieuw). Wet studiefinanciering
2000
1.
In verband met de inwerkingtreding op 1 september 2000 van de Wet
studiefinanciering 2000 is de aanhef van dit artikel aangepast.
2.
Voor een toelichting op het derde tot en met vijfde lid van dit
onderdeel verwijzen wij naar het onderdeel Algemeen van deze
toelichting.
De wijziging in het eerste lid betreft de standaardcorrectie voor
degenen bij wie de zelfstandigenaftrek is toegepast. Deze wordt, zoals
is toegelicht in het algemeen gedeelte van deze toelichting, gewijzigd
van f 3518 in f 2987.
In artikel 1a, eerste lid is de term kalenderjaar vervangen door het
kalenderjaar waarover het gecorrigeerde verzamelinkomen berekend
wordt. De Wet tegemoetkoming studiekosten kent verschillende
toetsjaren:
- het peiljaar (artikel 3.9);
- het eerste jaar na het peiljaar (artikel 3.10);
- het tweede jaar na het peiljaar (artikel 3.10);
- het derde jaar na het peiljaar (artikel 12.3);
- het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld (artikel 6.12);
- het het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt
vastgesteld (artikel 6.12);
- het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht
wordt vastgesteld (artikel 6.11).
Vanwege de leesbaarheid van de wettekst is gekozen voor de
samenvattende term het kalenderjaar waarover het gecorrigeerde
verzamelinkomen berekend wordt.
De wijziging in het zesde lid betreft een redactionele aanpassing.
3. De Wet studiefinanciering 2000 luidt in euros. Tot de invoering van
de euro op 1 januari 2002 worden de eurobedragen in artikel 1.1a
vervangen door guldenbedragen. Dit is geregeld in het voorgestelde
artikel 12.1a.
J. Hoofdstuk I, afdeling H, artikel I. Huursubsidiewet
1.
Voor een toelichting op het derde tot en met vijfde lid van onderdeel
1 verwijzen wij naar het onderdeel Algemeen van deze toelichting.
De wijziging in het eerste lid betreft de standaardcorrectie voor
degenen bij wie de zelfstandigenaftrek is toegepast. Deze wordt, zoals
is toegelicht in het algemeen gedeelte van deze toelichting, gewijzigd
van f 3518 in f 2987.
In artikel 1a, eerste lid, is de term kalenderjaar vervangen door
peiljaar, waardoor een betere aansluiting met de Huursubsidiewet wordt
verkregen.
De wijziging in het zesde lid betreft een redactionele aanpassing.
2.
De Wet inkomstenbelasting 2001 gaat uit van de gemiddelde
rendementsgrondslag, waarbij gekeken wordt naar het gemiddelde van de
rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (begindatum) en
de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar (einddatum).
Daarmee wordt in het eerste lid van artikel 4 de systematiek van de
beoordeling van het gezamenlijke vermogen per 1 januari die direct
volgt op het peiljaar verlaten. Tevens is in artikel 4, derde lid,
aangegeven dat eveneens geen rekening wordt gehouden met de
vrijstelling voor kapitaalverzekeringen voor kinderen en de
vrijstelling voor beleggingen in durfkapitaal zoals die met een eigen
maximum vrijstelling worden voorgesteld in het Belastingplan 2001.
3.
Deze wijziging vloeit voort uit het wetsvoorstel tot wijziging van
enkele belastingwetten c.a. (Tariefwet 2001). Als gevolg van
indexering is het heffingvrij vermogen voor partners verhoogd van f 74
926 tot f 77 571.
4.
Artikel 30a zal in de Huursubsidiewet worden ingevoerd als het
voorstel van wet tot wijziging van de Huursubsidiewet en de
Huurprijzenwet woonruimte (vervallen van het vervolgaanvraagformulier
voor bepaalde huurders) (Kamerstukken II 1999-2000, 27 230) wet wordt.
Voomeld wetsvoorstel zal met terugwerkende kracht tot en met 1 juli
2000 in werking zal treden.
5.
Blijkens artikel 1, onderdeel k, van de Huursubsidiewet wordt onder
peiljaar verstaan het kalenderjaar dat voorafgaat aan het
subsidiejaar. Voor het subsidiejaar dat loopt van 1 juli 2000 tot en
met 30 juni 2001 is derhalve het inkomen in het jaar 1999 relevant.
Voor het subsidiejaar 2001/2002 is het inkomen in 2000 relevant. Voor
deze situaties blijven ingevolge het nieuwe artikel 56a, onderdelen a,
b, f, g en h, van de Huursubsidiewet de begrippen in stand die golden
voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B, F en G.
Blijkens artikel 4, eerste lid, van de Huursubsidiewet, zoals dat
thans luidt, wordt onder rekenvermogen verstaan het gezamenlijk
vermogen van de huurder en de medebewoners op de datum van 1 januari
die voorafgaat aan het subsidiejaar. Voor het subsidiejaar dat loopt
van 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2001 is derhalve het rekenvermogen
op de datum 1 januari 2000 relevant. Voor het subsidiejaar dat loopt
van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 is het rekenvermogen op de
datum 1 januari 2001 relevant. Voor deze situaties blijven ingevolge
het nieuwe artikel 56a, onderdelen c, d en e, van de Huursubsidiewet
de begrippen, bedoeld in artikel 4, eerste en derde lid, van die wet,
en het bedrag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van die
wet, in stand die golden vóór de inwerkingtreding van artikel I,
onderdelen C en D. Hierbij merken wij op dat het vermogen op 1 januari
2001 niet kan worden vastgesteld, omdat de Wet op de
vermogensbelasting 1964 met ingang van die datum is ingetrokken.
Daarom zal het vermogen op 1 januari 2000 nogmaals als toetsvermogen
worden gebruikt op de toetsdatum 1 januari 2001.
6.
De wijzigingen van dit onderdeel betreffen de aanpassing van het
wetsvoorstel voor de Wet bevordering eigenwoningbezit aan de
belastingherziening 2001. De wijzigingen zijn in lijn met de
voorgestelde wijzigingen in de Huursubsidiewet.
a. en b. Zoals in het Algemeen deel van de memorie van toelichting is
aangegeven zal - om de inkomenseffecten van de belastingherziening te
neutraliseren - voor inkomensafhankelijke regelingen een gecorrigeerd
verzamelinkomen gelden. Voor een toelichting verwijzen wij naar de
memorie van toelichting, met name naar de toelichting op hoofdstuk 1,
afdeling H, artikel I (Huursubsidiewet), onderdelen A en B. Voorts
verwijzen wij naar het onderdeel Algemeen en naar onderdeel I
(Huursubsidiewet) van deze toelichting.
c. De Wet inkomstenbelasting 2001 gaat uit van de gemiddelde
rendementsgrondslag, waarbij gekeken wordt naar het gemiddelde van de
rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (begindatum) en
de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar (einddatum).
Daarmee wordt in het eerste lid van artikel 4 de systematiek van de
beoordeling van het gezamenlijke vermogen per 1 januari die direct
volgt op het peiljaar verlaten. Voorts kan door het vervallen van de
Wet op de vermogensbelasting 1964 per 1 januari 2001 de verwijzing in
artikel 4, tweede lid, naar het begrip vermogen volgens die wet niet
in stand blijven. In het nieuwe tweede lid is het vermogensbegrip
geënt op en wordt vastgesteld op grond van artikel 5.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001. Bij het bepalen van de gemiddelde
rendementsgrondslag wordt echter geen rekening gehouden met de
vrijstelling maatschappelijk beleggen. Tevens is aangegeven dat
eveneens geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling voor
kapitaalverzekeringen voor kinderen en de vrijstelling voor
beleggingen in durfkapitaal zoals die met een eigen maximum
vrijstelling worden voorgesteld in het Belastingplan 2001. Met de
overige vrijstellingen wordt derhalve wel rekening gehouden. Met het
heffingvrije vermogen wordt geen rekening gehouden. Uitgangspunt zijn
de in artikel 9 van de Wet bevordering eigenwoningbezit opgenomen
vermogensgrenzen.
d. Voor een toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar de
toelichting op hoofdstuk 1, afdeling H, artikel I (Huursubsidiewet),
onderdeel D. Hierbij is - als gevolg van indexering - het heffingvrij
vermogen voor partners verhoogd van f 74 926 tot
f 77 571.
e., g. en h. Voor een toelichting op deze onderdelen wordt verwezen
naar de toelichting op hoofdstuk 1, afdeling H, artikel I
(Huursubsidiewet), onderdelen E. F. en G.
f. In artikel 31, eerste lid, van het wetsvoorstel Wet bevordering
eigenwoningbezit is bepaald dat voor een primaire toekenning is
vereist dat het bedrag van de eigenwoningbijdrage voor het eerste
driejaarstijdvak, als berekend met toepassing van artikel 30, tweede
lid, van voormeld wetsvoorstel, ten hoogste f 301 is.
Bij de berekening van deze eigenwoningbijdrage is het fiscaal effect,
zijnde de hypotheekrenteaftrek enerzijds en het huurwaardeforfait
anderzijds, meegenomen. De neerwaartse wijziging van de tarieven in
het kader van de nieuwe Wet inkomstenbelasting 2001 heeft per saldo
een verhoging van de netto financieringslasten voor een huishouden tot
gevolg. Om het bereik van artikel 31, eerste lid, gelijk te houden,
wordt de grens van f 301 als gevolg van deze neerwaartse wijziging van
de tarieven naar boven bijgesteld, te weten naar f 320.
i. en j. Voor een toelichting op deze onderdelen wordt verwezen naar
de toelichting op hoofdstuk 1, afdeling H, artikel I
(Huursubsidiewet), onderdelen H. en I.
k. Blijkens artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van het wetsvoorstel
Wet bevordering eigenwoningbezit wordt onder peiljaar verstaan het
kalenderjaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar, of, als dat
kalenderjaar minder dan een half jaar voor het bijdragejaar eindigt,
het kalenderjaar dat voorafgaat aan dat kalenderjaar. Voor elk
driejaarstijdvak dat begint in de eerste helft van 2001 is derhalve
het inkomen over het jaar 1999 relevant. Voor elk driejaarstijdvak dat
begint in de tweede helft van 2001 en de eerste helft van 2002 is het
inkomen over het jaar 2000 relevant. Voor deze situaties worden
ingevolge het nieuwe artikel 63a, onderdelen a, b, g en h, van het
wetsvoorstel Wet bevordering eigenwoningbezit de begrippen gehanteerd
die passen bij het systeem van de Wet op de inkomstenbelasting 1964
dat in aan het kalenderjaar 2001 voorafgaande kalenderjaren van
toepassing was.
Blijkens artikel 4, eerste lid, van het wetsvoorstel Wet bevordering
eigenwoningbezit, zoals dat thans luidt, wordt onder rekenvermogen
verstaan het gezamenlijk vermogen van degenen die behoren tot het
huishouden van de eigenaar-bewoner op de datum van 1 januari die
direct volgt op het peiljaar. Voor elk driejaarstijdvak dat begint in
de eerste helft van 2001 is derhalve het rekenvermogen op de datum 1
januari 2000 relevant. Voor elk driejaarstijdvak dat begint in de
tweede helft van 2001 en de eerste helft van 2002 is het rekenvermogen
op de datum 1 januari 2001 relevant. Voor deze situaties worden
ingevolge het nieuwe artikel 63a, onderdelen c, d, e en f van het
wetsvoorstel Wet bevordering eigenwoningbezit de begrippen gehanteerd
die passen bij het systeem van de Wet op de vermogensbelasting 1964
dat in aan het kalenderjaar 2001 voorafgaande kalenderjaren van
toepassing was. Hierbij merken wij op dat het vermogen op 1 januari
2001 niet kan worden vastgesteld, omdat de Wet op de
vermogensbelasting 1964 met ingang van die datum is ingetrokken.
Daarom zal het vermogen op 1 januari 2000 nogmaals als toetsvermogen
worden gebruikt op de toetsdatum 1 januari 2001.
l. Nu het in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Wet
bevordering eigenwoningbezit genoemde bedrag (het maximaal toegestane
vermogen bij een tweepersoonshuishouden) van f 58 400 reeds bij wet
wordt opgehoogd naar een bedrag van f 77 571, behoeft dit bedrag niet
meer - zoals artikel 65, tweede lid, onderdeel a, van de Wet
bevordering eigenwoningbezit voorschrijft - te worden aangepast
overeenkomstig de aanpassingen die op 1 juli 2000 en nadien hebben
plaatsgevonden of plaatsvinden ingevolge artikel 27 van de
Huursubsidiewet.
K. Hoofdstuk 1, afdeling I, artikel III. Ziekenfondswet
A.
Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven komt de
oorspronkelijk voorgestelde delegatiebepaling in artikel 3c te
vervallen. In de plaats daarvan worden de overgangsregeling opgenomen
in de wettekst. Voorts wordt het toetsinkomen in artikel 3c, derde
lid, aangepast voor de niet-standaardaftrekposten, zoals beschreven in
het algemeen deel van deze toelichting.
In het voorgestelde derde lid worden daartoe de begrippen gecorrigeerd
verzamelinkomen en gecorrigeerd belastbaar loon geïntroduceerd. Dit
wordt verder uitgewerkt in het zesde, zevende, achtste en elfde lid.
Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het algemeen deel van
deze toelichting. Tevens wordt in het negende lid vastgelegd dat het
gezamenlijke inkomen van de verzekerde en zijn eventuele echtgenoot
wordt verminderd met f 695. Deze correctie houdt verband met de
verandering van het inkomen van AOW-gerechtigden als gevolg van de
netto-nettokoppeling.
In het voorgestelde tiende lid wordt de afbouw van de correctie voor
de niet-standaardaftrekposten geregeld. In het twaalfde lid wordt het
inkomensbegrip voor de tijdvakken vanaf 2004 vastgelegd. Daarbij wordt
alleen nog gecorrigeerd voor het niet-activenforfait, zoals dat ook in
het oorspronkelijke wetsvoorstel was geregeld. De correctie als gevolg
van de netto-nettokoppeling zoals uitgewerkt in het negende lid,
blijft ook voor tijdvakken vanaf 2004 in stand.
Het dertiende en veertiende lid regelen de formele aspecten van de
verstrekking van de gegevens met betrekking tot het gecorrigeerde
verzamelinkomen door de inspecteur aan de Sociale Verzekeringsbank.
In het voorgestelde vijftiende lid wordt de overgangsregeling voor aan
het kalenderjaar 2001 voorafgaande tijdvakken geregeld. Voor die
tijdvakken blijft het inkomensbegrip gelden, zoals dat gold tot 1
januari 2001.
B.
Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven komt de
oorspronkelijk voorgestelde delegatiebepaling in artikel 3d te
vervallen. In de plaats daarvan worden de overgangsregeling opgenomen
in de wettekst. Voorts wordt het toetsinkomen in artikel 3d, vierde
lid, aangepast voor de niet-standaardaftrekposten, zoals beschreven in
het algemeen deel van deze toelichting. Daarvoor wordt aangesloten bij
de systematiek van artikel 3c.
In het voorgestelde zevende lid wordt de afbouw van de correctie voor
de niet-standaardaftrekposten geregeld. In het achtste lid wordt het
inkomensbegrip voor de tijdvakken vanaf 2004 vastgelegd. Daarbij wordt
voor de jaren 2004 en 2005 alleen nog gecorrigeerd voor de verlaging
van het zelfstandigenaftrek, zoals dat ook in het oorspronkelijke
wetsvoorstel was geregeld. Vanaf 2006 wordt ook de correctie voor de
zelfstandigenaftrek niet meer toegepast. Vanaf dat jaar bestaat
daaraan ook niet langer behoefte, omdat de overgangsproblematiek zich
dan niet langer voordoet. Bij de premieheffing over 2006 zijn
inkomensgegevens over de jaren voor 2001 namelijk niet langer
relevant; er wordt niet verder teruggegrepen dan tot vijf jaren
voorafgaand aan het verzekeringsjaar (T-5). Overigens kan met ingang
van 2006 de inkomensgrens worden aangepast teneinde te bewerkstelligen
dat de omvang van de groep verzekerde zelfstandigen niet wijzigt. Dit
zal in een later stadium worden bezien.
In het voorgestelde negende lid wordt de overgangsregeling voor aan
het kalenderjaar 2001 voorafgaande tijdvakken geregeld. Voor die
tijdvakken blijft het inkomensbegrip gelden, zoals dat gold tot 1
januari 2001.
Aan een regeling overeenkomstig artikel 3c, dertiende en veertiende
lid, bestaat geen behoefte aangezien de inspecteur die bevoegd is met
betrekking tot de belastingheffing van de verzekerde ook bevoegd is
met betrekking tot de premieheffing van de verzekerde.
C.
Met de voorgestelde wijziging van artikel 15a, eerste lid, wordt tot
uitdrukking gebracht dat het premie-inkomen blijft aansluiten bij het
toetsinkomen omschreven in artikel 3d.
Consequentie hiervan is dat vanaf 2006 ook het premie-inkomen voor
zelfstandigen in de Ziekenfondswet niet meer gecorrigeerd voor
standaardeffecten. Deze keuze houdt verband met de omstandigheid dat
de belastingdienst uitvoerder is van de premieheffing van de
Ziekenfondswet voor zelfstandigen. Verschil met de
inkomensafhankelijke regelingen, waar zonder tijdshorizon een
gecorrigeerd verzamelinkomen wordt opgeleverd, is dat de
Belastingdienst anders blijvend over een grondslag zou gaan heffen die
afwijkt van de fiscale grondslag voor de inkomstenbelasting. In
praktische zin betekent dit discoördinatie. Bij de invoering van de
wet zelfstandigen in de Ziekenfondswet is er juist bewust voor gekozen
om voor de heffingsgrondslag Zfw aan te sluiten bij de maatstaf voor
de inkomstenbelastingheffing. Een uniforme grondslag is in de
uitvoering eenvoudig en zonder extra gegevensvraag toe te passen. Ook
wordt de aansluiting tussen toetsinkomen en premie-inkomen binnen de
Ziekenfondswet gehandhaafd. Kortom: aantrekkelijk voor de
belanghebbenden en de Belastingdienst.
Het voorstel om ook bij de premiegrondslag vanaf 2006 geen rekening te
houden met de standaardeffecten (in casu met name zelfstandigenaftrek)
zou zonder nadere maatregelen kunnen leiden tot negatieve
inkomenseffecten voor zelfstandigen die verzekerd zijn voor de
ziekenfondswet. Een wijziging van de inkomensgrens is niet voldoende
om deze inkomenseffecten op te vangen, omdat ook onder die
inkomensgrens de premiegrondslag zal stijgen. Deze inkomenseffecten
zouden kunnen worden opgevangen door premie-aanpassing of door een
aanpassing van de zelfstandigenaftrek, waardoor de premieverhoging
wordt gecompenseerd door een belastingverlaging. Dit zal in een later
stadium nog worden bezien.
L. Hoofdstuk I, afdeling K, artikel I. Wet op het notarisambt
In de artikelsgewijze toelichting wordt gesteld dat het in het vierde
lid genoemde bedrag globaal overeenkomt met de huidige vermogensgrens
en dat dit bedrag in de eerste plaats is afgeleid uit de
tariefgroepvrijstelling in de vermogensbelasting voor gehuwden ad f
250 000. In de vermogensbelasting is het gezamenlijk vermogen van
gehuwden uitgangspunt. De voorgestelde wijziging voorziet erin ook in
de tekst tot uitdrukking te brengen dat als het gaat om één akte
(bijvoorbeeld huwelijksvoorwaarden of een samenlevingsovereenkomst)
het gezamenlijk vermogen van de partijen bij de akte beslissend is
voor de vraag of een beroep kan worden gedaan op het gemaximeerde
notaristarief. Als van een echtpaar slechts één van de echtgenoten een
testament maakt is uitsluitend de hoogte van diens (eigen) vermogen
van belang voor de vraag of dit tarief van toepassing is.
M. Hoofdstuk 1, afdeling H, artikel II. Wetboek van Burgerlijke
rechtsvordering
De wijziging houdt in dat bij de berekening van de beslagvrije voet
ook de vordering op grond van artikel 9, zesde of zevende lid, van de
Invorderingswet 1990 van de belastingschuldige op de Belastingdienst
tot periodieke betaling van inkomstenbelasting begrepen in een
voorlopige teruggaaf als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, in aanmerking wordt genomen.
De huidige regeling van de beslagvrije voet geldt niet voor de
voorlopige teruggaven, zodat deze thans volledig voor beslag vatbaar
zijn.
Met ingang van 1 januari 2001 zal het aantal voorlopige teruggaven
aanzienlijk toenemen. Meer dan nu zullen mensen met een laag inkomen
in aanmerking komen voor een voorlopige teruggaaf, zoals personen met
een minimum inkomen en een weinig of niet verdienende partner en
personen met een bijstandsuitkering. Zou, zoals thans, volledig beslag
mogelijk zijn op de voorlopige teruggaaf, dan kan dit ertoe leiden dat
die personen met hun inkomen onder het bestaansminimum komen. De
wijziging van artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering strekt ertoe dit te voorkomen. Beslag op de voorlopige
teruggaaf blijft echter mogelijk als sprake is van inkomen dat hoger
is dan de beslagvrije voet.
In het kader van de beslagvrije voet staat centraal het periodieke
uitkeringskarakter van de vordering. Voor de voorlopige teruggaaf
betekent dit dat deze bij de berekening van de beslagvrije voet in
aanmerking wordt genomen als uitbetaling geschiedt in twee of meer
termijnen.
Indien voor de berekening van de beslagvrije voet rekening wordt
gehouden met een voorlopige teruggaaf, zal de Belastingdienst daarmee
in geval van verrekening eveneens rekening houden. De Leidraad
Invordering 1990 zal op dit punt worden aangepast.
De Staatssecretaris van Financiën,