Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

BTW-heffing sportaccommodaties

Datum nieuwsfeit: 05-10-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Financiën
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financiën

Titel: BTW-heffing sportaccommodaties



Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen

de Voorzitter van de vaste Commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

WV 2000-00657 M

5 oktober 2000

Onderwerp

BTW-heffing sportaccommodaties

Tijdens het Algemeen Overleg op 7 september 2000 over de fiscale behandeling van sporters, heb ik uw commissie informatie toegezegd over de BTW-heffing bij het verlenen van het recht om gebruik te maken van sportaccommodaties, met name als dat kwalificeert als vrijgestelde verhuur. Speciale aandacht zou ik daarbij geven aan de reparatiewetgeving van enige jaren geleden op dit gebied en de compensatie voor de sportsector. Met deze brief voldoe ik aan die toezegging.

Bij de BTW-heffing van sportaccommodaties1 moet onderscheid worden gemaakt tussen volgende drie situaties:
I. De verhuur van sportaccommodaties op commerciële basis (vrijgesteld)
Van verhuur is in dit geval sprake wanneer een sporter of een groep van sporters gedurende een bepaalde tijd het exclusieve recht heeft om gebruik te maken van een sportaccommodatie, dat wil zeggen dat anderen gedurende die tijd worden uitgesloten van het gebruik van de sportaccommodatie. Dit is bijvoorbeeld het geval bij tennis- en squashbanen, sporthallen, voetbalvelden en bowlingbanen. De verhuur van sportaccommodaties is in het overgrote deel van de gevallen vrijgesteld van de heffing van omzetbelasting, omdat dan sprake is van vrijgestelde verhuur van onroerend goed.
II. Het verlenen van toegang tot sportaccommodaties op commerciële basis (17,5%)
In gevallen waarin geen sprake is van verhuur, is sprake van toegangsverlening. De tot de sportaccommodatie toegelaten sporters hebben in die gevallen geen recht om daarvan exclusief gebruik te maken, zij moeten de accommodatie delen met anderen. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij het verlenen van toegang tot ijs-, ski-, kart- en golfbanen en fitnesscentra. Hierop is in Nederland het algemene BTW-tarief van toepassing.
III. Het verhuren van of toegang verlenen tot sportaccommodaties op niet-commerciële basis (vrijgesteld)
Voor het op niet-commerciële basis exploiteren van een sportaccommodatie (of dat nu verhuur is of niet, doet niet ter zake) is een vrijstelling van toepassing.

Bij wet van 18 december 1995, de zogenoemde Wet bestrijding constructies met onroerende zaken is een halt toegeroepen aan onbedoeld gebruik dat vrijgestelde ondernemers en overheden maakten van de BTW-wetgeving met betrekking tot onroerende zaken. Die wet zag onder meer op de volgende situaties.

Verhuur van onroerende zaken is in beginsel vrijgesteld van BTW-heffing. Dat betekent dat de verhuurder de aan hem in rekening gebrachte BTW niet in aftrek kan brengen. Om te voorkomen dat dit leidt tot cumulatie van belasting in de belaste bedrijfskolom konden verhuurder en huurder gezamenlijk opteren voor belastingheffing: de verhuurder kan de aan hem in rekening gebrachte BTW - bijvoorbeeld ter zake van de bouw - in aftrek brengen, terwijl de huurder die belaste prestaties verricht de BTW over de huur in aftrek kan brengen. Bij vrijgestelde huurders (en de overheid) brengt de BTW-systematiek mee dat de voordruk bij hen blijft hangen.

De BTW-wetgeving inzake onroerende zaken werd in sterk toenemende mate door vrijgestelde ondernemers en overheden gebruikt op een manier die niet was beoogd. Veelal met behulp van een speciaal voor dit doel opgerichte stichting of vereniging werd gebruik gemaakt van de mogelijkheid te opteren voor belastingheffing naar het algemene BTW-tarief, waardoor zij bereikten dat op de onroerende zaken een belasting drukte die (heel) veel lager was dan de bedoeling was. Daarbij kwam dat in veel gevallen, als dat op grond van de BTW-wetgeving mogelijk was, weer werd teruggekeerd naar vrijgestelde verhuur (het zogenoemde jojo-effect).

In verband hiermee bepaalt de hiervoor genoemde wet dat slechts kan worden geopteerd voor belaste verhuur als de huurder voor tenminste 90% met BTW belaste prestaties verricht.

Voor aankoop van onroerende zaken werd - mutatis mutandis - aan dezelfde vormen van oneigenlijk gebruik een einde gemaakt.

Ook sportverenigingen - met name in situaties als beschreven onder I - maakten gebruik van de constructies. Ook voor hen maakte genoemde wet een einde aan de mogelijkheid daartoe.

De opbrengst van die wet is teruggesluisd in de vorm van specifieke fiscale lastenverlichting. Ook de sportsector heeft hiervan met ingang van 1 januari 1996 in de BTW-sfeer een deel ontvangen:
* het verlenen van toegang tot sportwedstrijden en sportmanifestaties is overgebracht van het algemene naar het verlaagde tarief;

* de zogenoemde fondswervingsvrijstelling voor vrijgestelde (sport-)verenigingen is zowel voor leveringen als voor diensten op jaarbasis met f 25 000 verhoogd;

* de vrijstellingsgrens voor kantine-omzet van sportverenigingen is eveneens op jaarbasis met f 25 000 verhoogd.

Het belast verhuren van commerciële sportaccommodaties is in 1995 nog als oneigenlijk gekwalificeerd en om die reden onmogelijk gemaakt. Nu hetgeen kwalificeert als vrijgestelde verhuur van onroerend goed overbrengen naar het verlaagde BTW-tarief, zou betekenen dat de reparatiewetgeving van 1995 voor deze vormen van verhuur haar belang verliest. Het resultaat van het oneigenlijk gebruik toen en het eventueel overbrengen van de verhuur van sportaccommodaties nu, is immers hetzelfde: de verhuur van onroerende zaken geschiedt belast in plaats van vrijgesteld; waarbij nog komt dat nu geheven zou worden naar het verlaagde tarief (in plaats van het algemene tarief toen). Daarbij past wel de kanttekening dat eerder genoemd jojo-effect in het geval van overbrenging naar het verlaagde BTW-tarief niet mogelijk zal zijn.

Bij het verlenen van toegang tot sportaccommodaties is zoals gezegd niet altijd sprake van verhuur van onroerende zaken, zoals is aangegeven onder II. Voor zover van verhuur geen sprake is, is ook het hiervoor beschrevene inzake de constructiebestrijding niet van toepassing, maar is in voorkomend geval wel geprofiteerd van de beschreven terugsluismaatregelen.

Op het verlenen van toegang tot een sportaccommodatie waarbij van verhuur geen sprake is, is het algemene BTW-tarief van toepassing. Uiteraard zou alleen het verlenen van toegang tot zulke sportaccommodaties zoals kart-, ski-, ijs-, en golfbanen, overgebracht kunnen worden van het algemene naar het verlaagde BTW-tarief; het fiscaal faciliëren van dergelijke accommodaties verdient echter naar mijn mening geen prioriteit.

Een afschrift van deze brief heb ik gezonden aan de Voorzitter van de vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn & Sport uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De staatssecretaris van Financiën,

BosDirectie Wetgeving Verbruiksbelastingen

de Voorzitter van de vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn & Sport uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

WV 2000-00657 M

5 oktober 2000

Onderwerp

BTW-heffing sportaccommodaties

Tijdens het Algemeen Overleg op 7 september 2000 over de fiscale behandeling van sporters, heb ik uw commissie informatie toegezegd over de BTW-heffing bij het verlenen van het recht om gebruik te maken van sportaccommodaties, met name als dat kwalificeert als vrijgestelde verhuur. Speciale aandacht zou ik daarbij geven aan de reparatiewetgeving van enige jaren geleden op dit gebied en de compensatie voor de sportsector. Met deze brief voldoe ik aan die toezegging.

Bij de BTW-heffing van sportaccommodaties2 moet onderscheid worden gemaakt tussen volgende drie situaties:
I. De verhuur van sportaccommodaties op commerciële basis (vrijgesteld)
Van verhuur is in dit geval sprake wanneer een sporter of een groep van sporters gedurende een bepaalde tijd het exclusieve recht heeft om gebruik te maken van een sportaccommodatie, dat wil zeggen dat anderen gedurende die tijd worden uitgesloten van het gebruik van de sportaccommodatie. Dit is bijvoorbeeld het geval bij tennis- en squashbanen, sporthallen, voetbalvelden en bowlingbanen. De verhuur van sportaccommodaties is in het overgrote deel van de gevallen vrijgesteld van de heffing van omzetbelasting, omdat dan sprake is van vrijgestelde verhuur van onroerend goed.
II. Het verlenen van toegang tot sportaccommodaties op commerciële basis (17,5%)
In gevallen waarin geen sprake is van verhuur, is sprake van toegangsverlening. De tot de sportaccommodatie toegelaten sporters hebben in die gevallen geen recht om daarvan exclusief gebruik te maken, zij moeten de accommodatie delen met anderen. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij het verlenen van toegang tot ijs-, ski-, kart- en golfbanen en fitnesscentra. Hierop is in Nederland het algemene BTW-tarief van toepassing.
III. Het verhuren van of toegang verlenen tot sportaccommodaties op niet-commerciële basis (vrijgesteld)
Voor het op niet-commerciële basis exploiteren van een sportaccommodatie (of dat nu verhuur is of niet, doet niet ter zake) is een vrijstelling van toepassing.

Bij wet van 18 december 1995, de zogenoemde Wet bestrijding constructies met onroerende zaken is een halt toegeroepen aan onbedoeld gebruik dat vrijgestelde ondernemers en overheden maakten van de BTW-wetgeving met betrekking tot onroerende zaken. Die wet zag onder meer op de volgende situaties.

Verhuur van onroerende zaken is in beginsel vrijgesteld van BTW-heffing. Dat betekent dat de verhuurder de aan hem in rekening gebrachte BTW niet in aftrek kan brengen. Om te voorkomen dat dit leidt tot cumulatie van belasting in de belaste bedrijfskolom konden verhuurder en huurder gezamenlijk opteren voor belastingheffing: de verhuurder kan de aan hem in rekening gebrachte BTW - bijvoorbeeld ter zake van de bouw - in aftrek brengen, terwijl de huurder die belaste prestaties verricht de BTW over de huur in aftrek kan brengen. Bij vrijgestelde huurders (en de overheid) brengt de BTW-systematiek mee dat de voordruk bij hen blijft hangen.

De BTW-wetgeving inzake onroerende zaken werd in sterk toenemende mate door vrijgestelde ondernemers en overheden gebruikt op een manier die niet was beoogd. Veelal met behulp van een speciaal voor dit doel opgerichte stichting of vereniging werd gebruik gemaakt van de mogelijkheid te opteren voor belastingheffing naar het algemene BTW-tarief, waardoor zij bereikten dat op de onroerende zaken een belasting drukte die (heel) veel lager was dan de bedoeling was. Daarbij kwam dat in veel gevallen, als dat op grond van de BTW-wetgeving mogelijk was, weer werd teruggekeerd naar vrijgestelde verhuur (het zogenoemde jojo-effect).

In verband hiermee bepaalt de hiervoor genoemde wet dat slechts kan worden geopteerd voor belaste verhuur als de huurder voor tenminste 90% met BTW belaste prestaties verricht.

Voor aankoop van onroerende zaken werd - mutatis mutandis - aan dezelfde vormen van oneigenlijk gebruik een einde gemaakt.

Ook sportverenigingen - met name in situaties als beschreven onder I - maakten gebruik van de constructies. Ook voor hen maakte genoemde wet een einde aan de mogelijkheid daartoe.

De opbrengst van die wet is teruggesluisd in de vorm van specifieke fiscale lastenverlichting. Ook de sportsector heeft hiervan met ingang van 1 januari 1996 in de BTW-sfeer een deel ontvangen:
* het verlenen van toegang tot sportwedstrijden en sportmanifestaties is overgebracht van het algemene naar het verlaagde tarief;

* de zogenoemde fondswervingsvrijstelling voor vrijgestelde (sport-)verenigingen is zowel voor leveringen als voor diensten op jaarbasis met f 25 000 verhoogd;

* de vrijstellingsgrens voor kantine-omzet van sportverenigingen is eveneens op jaarbasis met f 25 000 verhoogd.

Het belast verhuren van commerciële sportaccommodaties is in 1995 nog als oneigenlijk gekwalificeerd en om die reden onmogelijk gemaakt. Nu hetgeen kwalificeert als vrijgestelde verhuur van onroerend goed overbrengen naar het verlaagde BTW-tarief, zou betekenen dat de reparatiewetgeving van 1995 voor deze vormen van verhuur haar belang verliest. Het resultaat van het oneigenlijk gebruik toen en het eventueel overbrengen van de verhuur van sportaccommodaties nu, is immers hetzelfde: de verhuur van onroerende zaken geschiedt belast in plaats van vrijgesteld; waarbij nog komt dat nu geheven zou worden naar het verlaagde tarief (in plaats van het algemene tarief toen). Daarbij past wel de kanttekening dat eerder genoemd jojo-effect in het geval van overbrenging naar het verlaagde BTW-tarief niet mogelijk zal zijn.

Bij het verlenen van toegang tot sportaccommodaties is zoals gezegd niet altijd sprake van verhuur van onroerende zaken, zoals is aangegeven onder II. Voor zover van verhuur geen sprake is, is ook het hiervoor beschrevene inzake de constructiebestrijding niet van toepassing, maar is in voorkomend geval wel geprofiteerd van de beschreven terugsluismaatregelen.

Op het verlenen van toegang tot een sportaccommodatie waarbij van verhuur geen sprake is, is het algemene BTW-tarief van toepassing. Uiteraard zou alleen het verlenen van toegang tot zulke sportaccommodaties zoals kart-, ski-, ijs-, en golfbanen, overgebracht kunnen worden van het algemene naar het verlaagde BTW-tarief; het fiscaal faciliëren van dergelijke accommodaties verdient echter naar mijn mening geen prioriteit.

Een afschrift van deze brief heb ik gezonden aan de Voorzitter van de vaste Commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De staatssecretaris van Financiën,
W. Bos

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie