Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

CDA presenteert stadsmanifest 'Toekomst aan de Stad'

Datum nieuwsfeit: 10-10-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

: Nieuws : CDA presenteert stadsmanifest 'Toekomst aan de stad'

CDA presenteert stadsmanifest 'Toekomst aan de stad' CDA presenteert stadsmanifest 'Toekomst aan de stad'
CDA start de Competitie van Ideeën (start 4 november) CDA start de Competitie van Ideeën (start 4 november)
Mensensmokkel en -Handel Mensensmokkel en -Handel CDA over zwarte en witte scholen CDA over zwarte en witte scholen Rapport Commissie Bakker: debat met de regering (111000) Rapport Commissie Bakker: debat met de regering (111000) Algemene Financiële Beschouwingen / Miljoenennota 2001 (031000) Algemene Financiële Beschouwingen / Miljoenennota 2001 (031000) CDA-Top-economen: Zalmnorm behoeft forse aanpassing CDA-Top-economen: Zalmnorm behoeft forse aanpassing

CDA presenteert stadsmanifest 'Toekomst aan de stad'

Den Haag, 10 oktober 2000

"Geen kant en klaar receptenboek met oplossingen, maar wel een zienswijze op de stad met haar kansen en haar opeenstapeling van problemen."
Dat is volgens initiatiefnemer Theo Rietkerk de inhoud van de grote steden-notitie van de CDA Tweede Kamerfractie "Toekomst aan de stad, een stadsmanifest". Aanleiding voor het stadsmanifest is dat met name de sociale infrastructuur uit het Grote Stedenbeleid van minister van Boxtel volstrekt onvoldoende uit de verf komt. Ook de leefbaarheid en veiligheid in wijken en steden verdienen volgens het CDA een steviger impuls. Om daarvoor oplossingsrichtingen aan te dragen is, na gesprekken met nauw betrokkenen uit de steden, de notitie tot stand gekomen. Het stadsmanifest is op 11 oktober aangeboden aan de Rotterdamse CDA wethouder Sjaak van der Tak en zal voor verdere discussie en invulling aan de CDA afdelingen van alle (middel-)grote steden worden toegezonden.

Woordvoerder: Theo Rietkerk, telefoon 070-3182575. Voor verdere informatie: Hans van der Vlies CDA Voorlichting, 070-3182507.

VOORWOORD.

Voor u ligt De toekomst aan de stad, een stadsmanifest. In deze notitie wordt, vanuit christen-democratisch perspectief, een visie op de stad gevormd. Dat wil zeggen: geen kant-en-klaar receptenboek met oplossingen voor problemen, maar een zienswijze op de stad met haar kansen, drukte, ruimtegebrek, maar ook met haar opeenstapeling van problemen. Bewust hebben wij ervoor gekozen om selectief te zijn met het kiezen van themas

Aanleiding voor dit stadsmanifest is dat met name de sociale infrastructuur in de Grote Steden volstrekt onvoldoende uit de verf komt. Ook de leefbaarheid en de veiligheid in diverse wijken in de steden verdient een steviger impuls. Dit sluit overigens naadloos aan bij publicaties van het Centraal Planbureau, van het Sociaal Cultureel Planbureau en het Jaarboek Grote Steden 1999.

Vanuit het streven naar een betrokken samenleving, waarin de woorden verantwoordelijkheid en respect centraal staan geeft het CDA in dit stadsmanifest antwoord op de kansen en problemen in de steden.

Namens de CDA Tweede Kamerfractie.
Theo Rietkerk.

DE TOEKOMST AAN DE STAD.
Meest opvallende aktiepunten

In twee paginas worden de meest opvallende aktiepunten weergegeven. Uiteraard zijn er meer actiepunten in de notitie opgenomen. Achter de aktiepunten staat het bladzijdenummer dat verwijst naar de toelichting in de notitie.


1. Jonge gezinnen kansen bieden in delen van de stad. (blz 3)
a. Innovatieve woningbouwprojecten stimuleren, waarbij wonen samen kan gaan met werk, zorg of bijv. atelier.

b. Voor de oudere kinderen het lidmaatschap van een sportvereniging zeer laagdrempelig maken. In zeer gevoelige wijken krijgen jongeren een gratis jaarlidmaatschap van een sportclub.

c. Meer ruimte voor kinderen: speel- en sportplaatsen en groenvoorzieningen in het ruimtelijk (o.a. VINAC) en volkshuisvestingsbeleid (AmvB bij stedelijke vernieuwing. ) ( zie ook 4 b )


2. Maatschappelijke opvang voor de zeer kwetsbare groep van de zogenaamde verkommerden en verloederden. (blz 4)
a. Het stimuleren van de 24-uurs opvang in de steden.
b. De samenwerking tussen onder andere de GGD,politie en maatschappelijke hulpverlenings-organisaties via praktische afspraken in een convenant is in 2001 in alle steden een feit.
c. Verbeteren psychiatrische zorg, goede reclassering, verslavingspreventie en intensieve begeleiding van jongeren.
d. Betere en af te dwingen opvang voor daklozen, die psychiatrisch ziek zijn en/of verslaafd.


3. De invloed en participatie van mensen op hun eigen woon en leefomgeving versterken. (blz 5 en 6)

a. Introductie brede buurtscholen, waar mensen elkaar ontmoeten, internet en taalvaardigheden leren, kinder en naschoolse opvang voorklassen en voor een aantrekkelijk zomerschoolprogramma terecht kunnen , de buurtagent en gezinscoach kunnen spreken en in andere sociaal-culturele aktiviteiten kunnen participeren.
b. Voor elke buurt een virtueel buurtprikbord.
c. Het concept vereniging van wijkeigenaren( VvW ) stimuleren. De buurt wordt teruggegeven aan de bewoners zelf doordat de gemeentelijke overheid bepaalde taken met budget overdraagt aan de VvWs. Bewoners zijn verantwoordelijk voor de aansturing van de vereniging.
d. Wijkaandelen en een wijkaandeelhoudersvergadering: een deel van de huur wordt gestort in een fonds voor versterking van de leefbaarheid in de wijk, waar bewoners zelf over beslissen.

e. Het stimuleren van jeugdparticipatie via bijvoorbeeld een jeugdraad per wijk.


4. Investeringen in de fysieke kant van de stad blijven nodig. (blz 6 en 7)

a.Snelle uitvoering van infrastructuurprojecten, massale kwaliteitsverbetering van naoorlogse wijken en een impuls aan de kennisindustrie.

b. Voor het vernieuwen van de ruimte is het ( kwalitatief ) verbeteren van groen en blauw in en rond de steden van groot belang.
c. Inbreng van bewoners is noodzakelijk . De wet stedelijke vernieuwing wordt daartoe aangepast en er komt een overleghandvest voor herstructurering.

d. ISV-gelden zouden ook ingezet moeten worden voor knopen en knooppunten van infrastructurele werken..

e. De minister van Verkeer en Waterstaat moet echt mee gaan doen aan en betrokken raken bij het stedenbeleid en stedelijke vernieuwing.


5. Een intelligent economisch beleid in de steden. (blz 8 en 9)
a. Het bedrijfsleven moet meer en beter betrokken worden bij het uitdenken en uitvoeren van stedelijk beleid. Hiervoor zouden in alle steden brede overlegplatforms gecreëerd moeten worden.
b. Investeren in bedrijfsverzamelgebouwen waar kleine en startende, waaronder etnische, ondernemers en kunstenaars gebruik van (elkaar) kunnen maken.

c. Stimuleren maatschappelijk verantwoord ondernemen door o.a. c1. financiële coaching
c2. afgeschreven computers overdragen aan scholen, buurt en clubhuizen of moskeeën in hun wijk
C3. stimuleren wijkontwikkelingsmaatschappij( WOM ) of wijkgebonden vastgoedfonds

e. Het aktief voeren van een preventief veiligheidsbeleid door het uitkopen van milieuhinderlijke bedrijven.


6. Met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van allochtonen zelf zullen alle nieuwkomers met kracht moten worden ingeburgerd ( blz. 9 )

a. In de beleidsdriehoek inburgering/taal-onderwijs-arbeidsmarkt in relatie tot oudkomers meer drang- en dwangprikkels in te bouwen voor werkgevers en werklozen.

b. Nederlandse taal is een onontbeerlijk element in een samenleving.
c. Een Deltaplan Taal voor oudkomers .


7. Het veiligheidsbeleid baseren op twee sporen : preventie en repressie. (blz 10)

a. De ouderbetrokkenheid stimuleren en de infrastructuur voor de ontwikkeling van kinderen en jeugdigen en de ondersteuning van ouders versterken.

b. De Wet op de Jeugdzorg zal een wettelijke basis moeten geven aan de activiteiten van de gezinscoach.

c. Niet vrijblijvende vormen van opvoedingsondersteuning waar nodig stimuleren

d. Opzetten van justitiehuizen in gevoelige wijken en buurten. In deze justitiehuizen bemiddelen ( gepensioneerde ) rechters en politiemensen tussen slachtoffers en daders van kleine overtredingen en misdrijven.
e. Steden experimenteerruimte geven om het integraal jeugdbeleid handen en voeten te geven.

f. De mogelijkheden voor de gemeenten om de waarden en normen in de publieke ruimte te handhaven dient versterkt te worden.

De toekomst aan de stad
Een stadsmanifest


1. Ter inleiding
Voor u ligt De toekomst aan de stad, een stadsmanifest. In deze notitie wordt, vanuit christen-democratisch perspectief, een visie op de stad gevormd. Dat wil zeggen: geen kant-en-klaar receptenboek met oplossingen voor problemen, maar een zienswijze op de stad met haar kansen, drukte, ruimtegebrek maar ook met haar opeenstapeling van problemen. Bewust hebben wij ervoor gekozen om selectief te zijn met het kiezen van themas. Achtereenvolgens komen de sociale, economische en de fysiekruimtelijke kant van de stad, het integratievraagstuk en de veiligheid in stedelijke context aan de orde. Zeker in de stad hangt weliswaar alles met alles samen, maar met het leggen van duidelijke accenten hebben wij verwatering willen voorkomen.

Nederland is internationaal gezien een dunbebouwde stad met een beperkt open achterland. Anderen spreken van verstedelijkt platteland (overigens zonder veel versnippering). De concentratie van bebouwing en het voorzieningennivo in Nederland zijn over het algemeen hoog te noemen. Bijna overal in Nederland is de invloed en cultuur van steden voelbaar. Het vertrekpunt van deze notitie is daarom dat de toekomst van Nederland in onze ogen in hoge mate wordt bepaald door de staat van de steden. Een land dat steden links laat liggen zal zelf ook verpieteren. In deze notitie proberen wij daarom de stedelijke samenleving en hiermee samenhangende uitdagingen en problemen te benoemen en als CDA hierin positie te kiezen.

Bij de voorbereiding van deze notitie hebben wij met een aantal spelers uit de stad oriënterend gesproken: buurtopbouwwerkers, mkb-ers, bouwondernemers, wethouders etc. Met hun ideeën en inzichten hebben wij ons voordeel gedaan. Dit stadsmanifest zal op 11 oktober as. namens de CDA-Tweede Kamerfractie worden aangeboden aan de voorzitter van de CDA-werkgroep Grote Stedenbeleid, de heer J. van de Tak. Als CDA zouden wij via deze weg graag in gesprek willen komen over stedelijk samenleven met zoveel mogelijk betrokkenen en geïnteresseerden om zo doende een bijdrage te leveren aan het debat over de Nederlandse steden. Op 24 november a.s. zal hierover in Rotterdam een partijseminar worden georganiseerd. Dit eindprodukt zou als drie-trapsraketgezien kunnen worden : leiddraad voor reguliere Kamerdebatten ,bouwsteen voor het nieuwe verkiezingsprogramma en doorwerking naar debatten in de steden zelf.


2. Om het ritme van de stad
De moderne stad is steeds meer een zelfbewuste stad met een eigen identiteit. Elke stad of stedelijke regio staat ergens voor. Dit is meer dan city marketing; er gaat een wereld van geschiedenis en mentaliteit achter schuil. Vitale steden zijn knooppunten van cultuur en economie, waar het gebeurt. In de stad ligt ook de functie van broedplaats besloten: mensen en ideeën komen in de stad met elkaar in contact, waardoor soms met vallen en opstaan nieuwe ideeën ontstaan. De eigen identiteit van de stad uit zich ook in de ruimtelijke ontwikkeling van de steden. Amsterdam heeft t , maar denkt ook verder: aan de IJ-oevers is een interessante ontwikkeling gaande en aan de zuid-as verrijst een prestigieus zakencentrum. Rotterdam werkt, heeft een indrukwekkende skyline, maar biedt ook plaats voor cultuur en stadsgroen. Maar ook buiten de Randstad zijn steden sterk in beweging. Zo vindt rond de stationsgebieden in Arnhem, Den Bosch en Hengelo een veelbelovende ontwikkeling plaats. Ook het gebied rond de Friesland-hal in Leeuwarden is een voorbeeld, waaruit een nieuw zelfbewustzijn spreekt. Een fietstocht van tien minuten door een willekeurige stad levert over het algemeen een veelkleurig beeld op. Mensen aan het werk, studenten en jongeren, culturele activiteiten, (internationaal) voetbal in het stadspark, markten, festivals, muziek etc.: de bruisende stad. Meldenswaardig is ook het feit dat de eigen identiteit van stedelijke regios steeds meer tot uitdrukking komt in de opkomst van visuele media, zoals TV-West in de regio Haaglanden en AT5 in Amsterdam.

Steden zijn dus in veel opzichten sterk bezig: steden als economische en culturele motoren van vernieuwing en multiculturele ontmoetingsplaatsen met een ritme dat vernieuwend en aantrekkelijk klinkt. Het CDA wil er echter voor waken en zich er voor inzetten dat er in dit ritme geen doffe dreunen gaan klinken. Om het scherp neer te zetten: steden mogen geen pretparken worden, waar het recht van de sterkste geldt. Het CDA wil zich inzetten voor een maatschappij met sociale cohesie en een gezonde dosis eigentijds burgerschap: een echte samenleving, juist als voorwaarde voor een stad waarvan zowel het economisch als het culturele hart klopt. Bij het vermijden van doffe dreunen hoort ook het stellen en handhaven van grenzen door de overheid. Dat geldt voor alle vormen van asociaal gedrag. Belangrijk is de aandacht voor respect gebaseerd op waarden en normen. Zo loopt in Rotterdam het project straatetiquette, een publiekscampagne. En het geldt ook voor de positie van de zondag. Christen-democraten streven juist in de stad naar zondagen waar ontmoeting en ontspanning centraal kunnen staan. Steden dragen er in ieder geval zorg voor dat er in substantiële delen van de stad op zondag een ontspannen sfeer heerst. Kort en goed streven wij naar een ritme in de stad waarbij het prettig samenleven is en de meerderheid de minderheid niet overheerst. Hier is volgens het CDA een taak weggelegd voor alle inwoners, werkers, studenten en bezoekers, allen de eigenaren van de stad. Mensen met een eigen verantwoordelijkheid, organisaties met een maatschappelijke missie en de overheid. Centraal staan betrokkenheid, verantwoordelijkheid en respect voor elkaar.


3. Zoektocht naar sociale cohesie in de stad Samenleven in de stad betekent voor ons een stad zonder (stille) armoede, sociale uitsluiting en stress. In steden is niet alleen sprake van veel ongewilde individuele anonimiteit en eenzaamheid, maar is het langs elkaar heen leven vaak een algemene way of life geworden. Buren kennen elkaar vaak nauwelijks en elkaar aanspreken op eigen verantwoordelijkheden is meestal taboe.
Individualisering schiet hier soms door in individualisme, onverschilligheid en vervreemding. Het is zaak volgens het CDA om met alle partners in de stad een antwoord te formuleren op deze trend. Ook hier gaat het om het vinden van het goede ritme in de stad; wat het CDA betreft: het ritme van de menselijke maat. Hoe moet dit ideaal echter concreet gerealiseerd worden? Sociale cohesie, gemeenschapszin, respect voor elkaar en betrokkenheid zijn de (overlappende) kernwoorden. Velen hebben hier weliswaar de mond van vol, maar een consequente vertaling ontbreekt vaak. Daarom doen we in deze aanzet voor een stadsmanifest een serieuze poging hieraan concreet richting te geven. Wij zoeken antwoorden langs drie wegen: ruimte voor kinderen/gezinnen, participatie in het algemeen en de buurtgemeenschap.

3.1 Kind zijn in de stad
Allereerst is het belangrijk jonge gezinnen (ook met smalle beurs) kansen te bieden in delen van de stad ; anders dreigt een eenzijdige en ongezonde bevolkingssamenstelling. Extra aandacht is er nodig voor die kinderen, die nog in de stad wonen. In het verleden is te veel aandacht uitgegaan naar de kleine en goedkope huurwoningen, waardoor gezinnen en (hiermee deels overlappende) koopkrachtige huishoudens de stad uitgingen. De kansrijke balans moet hersteld worden: méér ruime woningen en méér koopwoningen in de stad, of beter: in de eigen wijk. Uitgangspunt moet zijn dat alle generaties in één wijk moeten kunnen wonen1. De mogelijkheid van een wooncarrière in de wijk past hier goed bij. Hoe dan ook, de tijd van de grote politieke belangstelling voor de woningbouwproductie mag dan ver achter ons liggen, maar wat het CDA betreft wordt er meer en meer getoetst op hoeveel gezins- en koopwoningen er jaarlijks in de steden worden weggezet (zie ook onderdeel 4). Daarnaast - juist voor de stad is een effectief en modern beleid voor kinderen nodig. Juist voor kinderen in de stad moet tijd vrijgemaakt worden. Ouders moeten meer mogelijkheden krijgen om hun kinderen zelf op te voeden en te laten verzorgen, bijv. door het recht op deeltijd, stimuleren van informele vormen van kinderopvang en het wegwerken van wachtlijsten voor kinderopvang. Ook kan hierop worden ingespeeld met innovatieve woningbouwprojecten, waarbij wonen samen kan gaan met werk, zorg of bijv. een atelier; flexibele, levensloopbestendige woningen zijn een pré. Een goed voorbeeld van intergenerationeel beleid is een bejaardencentrum met een ruimte voor kinderopvang. Voor de oudere kinderen zou het lidmaatschap van een sportvereniging zéér laagdrempelig moeten worden gemaakt (maak alle straatvoetballers lid van een voetbalclub). Voor allochtone kinderen werkt sport bovendien sterk integrerend. In bepaalde wijken zou een gratis jaarlidmaatschap van een sportclub een goede gedachte kunnen zijn. Het CDA wil randvoorwaarden scheppen, zodat ouders echt keuzevrijheid hebben over hoe de verantwoordelijkheid voor zorg en opvoeding van hun kinderen kan worden vormgegeven. En ook letterlijk meer ruimte voor kinderen: speel- en sportplaatsen en groenvoorzieningen. In het Bouwbesluit en beleid anderszins worden normen in de sfeer van de minimale omvang, spreiding, verkeersveiligheid etc. Opgenomen2. Tevens zou er een recht op betaald zorgverlof moeten komen om zieke familie- of gezinsleden te kunnen verzorgen.

3.2 Meedoen in de stad
De kwaliteit van een stad bepaalt uiteindelijk de spankracht en weerstand van de stad als geheel. De inspanning moet er daarom op gericht zijn dat niemand aan de kant staat en sprake is van sociale cohesie. Een baan is een voertuig voor integratie bij uitstek, maar zelfs in deze tijd van economische opleving is het moeilijk om iedereen aan de slag te krijgen. In elk geval zal de afstand tussen mensen met een uitkering en de uitkeringsverlenende en op arbeidsinschakeling gerichte instanties korter moeten worden. Ons ideaal is dat tussen de gemeentelijke sociale dienst (GSD) en iedere klant een contract wordt opgesteld waarin tegenover de rechten een aantal plichten wordt geformuleerd, zoals bijv. het volgen van om-, bij- of herscholingscursussen (waaronder sociale vaardigheden, Nederlandse taal etc.), het lopen van een stage of het ontplooien van andere nuttige activiteiten. Er is behoefte aan maatwerk. Teneinde een nauwere band tussen GSD en klant te creëren stellen wij voor om successievelijk te komen tot kleinschalige GSD-eenheden in de buurt3. Deze eenheden beschikken over overzichtelijke klantenbestanden die een klantvriendelijker en toegesneden manier van werken mogelijk maken. Het is wel de vraag of binnen de nieuwe struktuur van centra voor werk en inkomen (CWI) dit soort vormen mogelijk blijven. Het CDA vindt dat klantvriendelijkheid en (brede) toegankelijkheid gewaarborgd moeten zijn in de CWI-struktuur. Dit betekent dat naast CWI-centra in de steden er ook CWI-satellieten in de kleinere steden aanwezig moeten zijn.

Het CDA bepleit verder ruim baan voor vrijwilligerswerk: het cement van de samenleving. Juist in steden waar individualisme de overhand krijgt moet de waarde hiervan breder erkend worden, niet alleen in de sfeer van (fiscale) vergoedingen. Maatschappelijke activiteiten kunnen ook in andere opzichten een positieve plaats krijgen. Terecht bestaat er voor mensen met een uitkering een sollicitatieplicht, maar soms neemt deze plicht rituele vormen aan. Werk integreert, maar andere maatschappelijke activiteiten vaak ook. Waarom vullen we in dit licht de sollicitatieplicht niet (partieel) aan met een maatschappelijke participatieplicht? Het zou hier in eerste instantie kunnen gaan om een specifieke groep mensen waarvan de persoonlijke mogelijkheden beperkt zijn. Hoe dan ook mag het geen vrijbrief zijn om betaald werk te weigeren. Discussie hierover is gewenst. Verder verdient maatschappelijke oriëntatie bij jongeren een krachtige impuls. De maatschappelijke oriëntatie in de laatste jaren van de basisvorming kan zinvoller voor en door jongeren worden ingevuld. Een manier is de maatschappelijke stage bij bijvoorbeeld een vrijwilligersorganisatie of zorginstelling voor jongeren, die een bijdrage kan leveren aan sociale cohesie. De stage kan onderdeel vormen van het bestaande blok maatschappelijke oriëntatie, waar studiepunten tegenover staan en is zo een regulier onderdeel van de basisvorming. Bij veel politici en bestuurders heerst hier ten onrechte koudwatervrees.

Problemen aan de stedelijke onderkant zijn zoals eerder geschetst vaak te herleiden tot sociale uitsluiting. In het welvarende Nederland is het nauwelijks voorstelbaar dat het aantal daklozen stijgt. Er is een explosieve groei van het aantal mensen dat een beroep doet op maatschappelijke opvang. Deze groei moet bij de wortel worden aangepakt onder andere door verbetering van psychiatrische zorg, goede reclassering, verslavingspreventie en intensieve begeleiding van jongeren. De zeer kwetsbare groep van de zogenaamde verkommerden en verloederden verdient een maatschappelijke opvang. Tot nu toe worden zij teveel aan hun lot overgelaten en zorgen zij voor de nodige overlast. Het CDA wil de 24-uurs opvang in de steden stimuleren. De steden dienen aparte voorzieningen (kleinschalig) te creeren en te investeren in de maatschappelijke terugkeer van deze groep mensen. Voorwaarde voor een voldoende maatschappelijke opvang is de samenwerking tussen onder andere de GGD, politie en maatschappelijke hulpverlenings-organisaties via praktische afspraken in een convenant. De opvang moet beter toegerust worden op daklozen, die psychiatrisch ziek zijn en/of verslaafd.

Een op participatie gerichte inspanning laat echter onverlet dat ook de portemonnee van niet te onderschatten belang is. Een smalle beurs heeft een rechtstreeks verband met sociale immobiliteit. Voor het CDA is het plan Gericht en rechtvaardig : een christen-democatische oplossing de armoedeval daarom onverminderd actueel4. Omgaan met het probleem van de armoedeval en (stijgende) lastendruk gebeurt over het algemeen per sector of per overheidslaag; een integrale kijk op de huishoudensportemonnee ontbreekt. In het voorstel Gericht en rechtvaardig worden harde plafonds neergelegd voor de toenemende lastendruk, waarop de overheid het zicht kwijt is. Kosten voor wonen, studiefinanciering en gezondheidszorg worden aan een maximum gebonden. Ook wordt extra kinderbijslag en een kindertoeslag voorgesteld. Mensen onder de armoedegrens tot en met de middenkomens (met kinderen) moeten niet meer hoeven te leuren bij een loket; alles wordt via de belastingdienst verrekend. De armoedevallen verdwijnen hierdoor. Vanuit een uitkeringssituatie aan het werk gaan wordt hierdoor aantrekkelijker.

3.3 Op zoek naar de buurt
Een specifieke invalshoek om sociale cohesie te bevorderen is het buurt- (of wijk)niveau. Buurtgenoten blijken elkaar vaak in beperkte mate te kennen: men leeft langs elkaar heen. Toch blijken stedelingen de eigen leefomgeving buitengewoon belangrijk te vinden, maar zij hebben er een machteloos gevoel over. Dominante welzijnsprofessionals drukken vaak de eigenstandigheid van vrijwilligers weg. Inspraakavonden worden door alle betrokken partijen dikwijls als verplichte nummers ervaren. Daarom is een zoektocht nodig naar mogelijkheden om de invloed en participatie van mensen op hun eigen woon- en leefomgeving te versterken. Alleen dan kan een eigen buurtgevoel en identiteit ontstaan. Uit onderzoek blijkt immers dat mensen vaak wel trots zijn op hun stad maar niet op hun buurt. In de laatste zin van het hoofdstuk Openbaar Bestuur uit het Sociaal en Cultureel Rapport 1998 wordt het belang van burgerparticipatie als volgt gekwalificeerd: Lokale experimenten met nieuwe vormen van burgerparticipatie kunnen daarom weleens van belang zijn voor de toekomstige agenda van het openbaar bestuur in het geheel.5. Met specifiek buurtbeleid wordt tevens voorgestorteerd op de trend van tele- en thuiswerken: meer tijd zal worden doorgebracht in de eigen buurt. Hieronder volgen enkele ideeën die bij ons leven:
* Introductie brede buurtscholen (community-schools): waar mensen elkaar ontmoeten, internet- en taalvaardigheden leren, voor kinder- en naschoolse opvang, voorklassen (zie ook onderdeel 6), waar zij voor een aantrekkelijk zomerschoolprogramma terecht kunnen, de buurtagent en gezinscoach kunnen spreken en in andere sociaal-culturele activiteiten kunnen participeren. Ook ligt het voor de hand om hier internet-, fax-, kopieerfaciliteiten aan te bieden voor thuis- en telewerkers. Wellicht is zelfs samenwerking met het voortgezet onderwijs mogelijk6;

* Steden moeten voor elke buurt een virtueel buurtprikbord faciliteren. Hierop kunnen mededelingen worden gedaan. Uiteraard moet een moderator aanwezig zijn om vandalisme op het prikbord te voorkomen. Virtuele en territoriale gemeenschapsvorming kunnen elkaar hier versterken;

* De reeds genoemde buurtagenten moeten er komen. Binnen enkele jaren moet elke Nederlander zijn/haar buurtagent kennen, zoals nu iedereen een huisarts heeft en kent. De overheid houdt het niet bij woorden, maar faciliteert actief bij- en omscholingscursussen buurtgebonden politiezorg. In het verlengde hiervan bestaat er tevens de mogelijkheid om betrokken burgers als vrijwillige politieagent een rol te geven in de veiligheidsketen, bijv. als buursurveillant7;

* In veel wijken en buurten in Nederland kan het beter met de betrokkenheid. Daarom moeten we snel ervaring gaan opdoen met het concept vereniging van wijkeigenaren (VvW). Hiermee kan een impuls gegeven worden aan betrokkenheid door de burger uit zijn tent te lokken. Mensen gaan aan de factor omgeving in de beslissing tot huur of koop steeds meer waarde toekennen en eisen stellen. Dit leidt meer en meer tot een ontwikkeling waarbij woningen en omgeving als één geheel worden benaderd. Een ontwikkeling naar vereniging van wijkeigenaren loopt hierop vooruit:
* In een VvW komt het belang van bewoners voor een leefbare wijk tot uitdrukking in (mede-)eigenaarschap van de wijk;
* De buurt wordt teruggegeven aan de bewoners zelf doordat de gemeentelijke overheid bepaalde taken met budget overdraagt aan de VvWs. Bewoners zijn verantwoordelijk voor de aansturing van de vereniging. Er liggen kansen deze gemeenschap ook virtueel vorm te geven;

* Eén en ander zou overigens ook vorm kunnen worden gegeven via wijkaandelen en een wijkaandeelhoudersvergadering; een deel van de huur wordt gestort in een fonds voor versterking van de leefbaarheid in de wijk, waar de bewoners zelf over beslissen;
* Het buurtopbouwwerk moet een impuls krijgen en zal inspelend op moderne vormen van sociale betrokkenheid buurtbewoners uit hun tent moeten lokken. De opbouwwerker is de stimulator van de buurt;
* 8. Dit vergt echter een brede aanpak en veel tijd.
* Het stimuleren van jeugdparticipatie via bijvoorbeeld jeugdraden op wijkniveau.

4. Vernieuwen met ruimte
Vertrekpunt van deze notitie is zoals eerder aangegeven de notie dat Nederland internationaal bezien een dunbebouwde stad met een beperkt open achterland is. In de vijfde nota ruimtelijke ordening zal antwoord gegeven moeten worden op de vraag hoe met de verschillende ruimteclaims van de komende 25 jaar zal worden omgegaan. In elk geval zullen aantrekkelijke steden de druk op de buitenruimte verminderen. Met een prettig stedelijk woonmilieu zullen stedelingen immers minder (snel) geneigd zijn een huis in het groen of in een dorp te gaan zoeken. Hetzelfde geldt voor de vestiging van bedrijven. Ook het beter benutten van de ruimte onder de grond verdient aandacht. Uitwaaiering van de steden kan zo worden verminderd. Stad en (omme)land zijn dus in belangrijke mate afhankelijk van elkaar. Juist het versterken van de relatie tussen stad en ommeland op het gebied van wonen, werken, en recreeren zal zorgen voor een sterke regio. De provincies zullen met hun ruimtelijk beleid vroegtijdig inspelen op dat van de steden. Ook zullen de provincies een stimulerende rol moeten spelen bij de relatie tussen de steden en hun omgeving. Daarnaast zijn ook de contrasten binnen de Nederlandse ruimtelijke orde zelf een intrinsieke ruimtelijke waarde. Daarom heeft het CDA er een sterke voorkeur voor om steden ook in ruimtelijk-fysieke zin steeds aantrekkelijker te maken, ook door het versterken van blauw en groen in en om de stad: de complete stad9. De open groene (en blauwe) ruimten voor natuur, landbouw en recreatie zijn er ook mee gediend.

Investeringen in de fysieke kant van de stad blijven nodig. Snelle uitvoering van infrastructuurprojecten, massale kwaliteitsverbetering van naoorlogse wijken en een impuls aan de kennisindustrie verdienen aandacht. Bouwactiviteiten zetten de stad vaak letterlijk en figuurlijk in beweging. Er gebeurt iets. Het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) moet daarom slim ingezet worden. De SER contateerde in 1998 dat de samenwerking met bedrijven, sociale partners, woningcorporaties, schoolbesturen en bewonersorganisaties te gering is. Het CDA pleit daarom niet voor gemeentelijke over-regie, maar wil ook ruimte bieden aan de private sector. Met gedurfde woningbouwprojecten op strategische plaatsen kan meer evenwicht in de woningvoorraad en koopkracht in oude wijken worden gerealiseerd (zie ook onderdeel 3.1). Ruimte voor lokale bedrijvigheid is essentieel in dit kader; hierbij past maatwerk met milieunormen. Daarnaast is inbreng van bewoners noodzakelijk. In de ISV-wet wordt daartoe een overleghandvest voor herstructurering opgenomen.. ISV-gelden zouden ook ingezet moeten voor knopenbeleid. Knopen of knooppunten van infrastructurele netwerken worden doorgaans vooral als overstap- en overslagpunten van personen en goederen gezien. Deze knopen zouden ook in termen van ruimtelijke economie en wonen benaderd moeten worden: knopen als nieuwe ontmoetingsplekken met veel stedelijke voorzieningen, al dan niet gecombineerd met wonen op niveau. Daarnaast ontstaan hier kansen om verbindingen te leggen met aangrenzende stadsdelen.

Bereikbaarheid is één van de belangrijkste onderwerpen in de meeste steden. Niet alleen als technisch probleem, maar ook als beïnvloedingsfactor voor de vitaliteit van de steden. Wanneer bewust gedifferentieerd wordt met bereikbaarheid kunnen bepaalde stadsdelen meer of minder aantrekkelijk worden voor stedelijke functies. Het creëren van autoluwe binnensteden of het consequent ontsluiten van een wijk (bijv. door het overkluizen van infrastructuur) kunnen voor nieuwe dynamiek zorgen. Bij de realisatie van woningen en bedrijfsterreinen moet infrastructuur in het algemeen en openbaar vervoer in het bijzonder meer dan in het verleden integraal en gelijktijdig betrokken worden. Belangrijke ambitie voor de komende jaren zou ook moeten zijn de auto zoveel mogelijk van de straat te krijgen, met name in de binnensteden. Ten eerste moeten transferia met aansluitend vervoer naar de stad daadwerkelijk efficiënte verkeersmachines worden. Voorts zouden bouwvergunningen voor woningen en bedrijven in beginsel alleen verleend mogen worden indien de plannen zijn voorzien van parkeerruimtes voor de autos. En ook andere autos in de stad moeten zoveel mogelijk ondergronds. Kort en goed vindt het CDA dat de minister van Verkeer en Waterstaat mee moet doen met het stedenbeleid en de stedelijke vernieuwing. De voorbeelden in de wijk Leidschenrijn (Utrecht) en Vathorst (Amersfoort) geven dit duidelijk aan.

De veiligheidsrisico s in de steden nemen verder op andere terreinen toe. Meer mensen komen in de nabijheid van opslagplaatsen van gevaarlijke stoffen . Waar dat toe kan leiden heeft de vuurwerkramp in Enschede duidelijk gemaakt . Een groeiend probleem is de geluidsoverlast. Het CDA vindt dat het rijk met de steden op basis van inventarisaties aktief preventief veiligheidsbeleid moet voeren door het uitkopen van milieuvriendelijke bedrijven.


5. Ondernemen in de stad
Een krachtige economie is de drager van gezonde steden. Een intelligent economisch beleid in de steden is daarom onontbeerlijk. In de vitaliteit van de steden ligt bijv. de broedplaats functie van de stad besloten: de kiemen voor nieuwe ideeën en producten liggen in de stad. Vooral in steden wordt bijv. op grote schaal gepioneerd met nieuwe informatie- en communicatietechnologie. Met dit type innovatie wordt de basis voor Nederland als kwaliteitsland gelegd. Belangrijk element hierbij is de sociale component. In veel steden is echter sprake van een zekere krampachtigheid bij het geven van ruimte aan bedrijven. Landelijk en stedelijk bestaat bij de overheden soms de neiging alles te willen beheersen. Bureaucratie ligt op de loer: verstikkend voor het bedrijfsleven. Het bedrijfsleven moet in onze ogen daarom meer en beter betrokken worden bij het uitdenken en uitvoeren van stedelijk beleid. Hiervoor zouden in alle steden brede overlegplatforms gecreëerd moeten worden, waarin zoveel mogelijk stedelijk-regionale stakeholders worden samengebracht, zoals werkgevers, werknemers, het midden- en kleinbedrijf, het onderwijs, veiligheidspartners en wijkontwikkelingsmaatschappijen (zie hieronder). Een bondgenootschap met het beroepsonderwijs is in steden bijv. onontbeerlijk. Het zou daarom een goede gedachte zijn om stedelijke SERs breder samen te stellen dan hun landelijke broer.

Het is belangrijk te investeren in bedrijfsverzamelgebouwen waar kleine en startende, waaronder etnische, ondernemers en kunstenaars gebruik van (elkaar) kunnen maken. Ook voor bedrijven is in dit kader een levensloopbeleid van belang. Ten aanzien van bijv. doorstarters: de generatie bedrijven die uit zijn jasje groeit en noodgedwongen moet uitwijken naar buiten de stad omdat er geen adequate ruimte voor handen is. De laatste jaren is er een trend zichtbaar die wijst op vertrek van dit type bedrijvigheid naar rand of omgeving van de grote stad. Bij het maken van ruimtelijk beleid en de uitgifte van kavels dient hiermee rekening te worden gehouden (van starters- naar doorstartersbeleid).

Veel bedrijven kiezen bewust voor de stad als vestigingsplaats. Steden hebben veelal een aantrekkelijk woonmilieu, een breed cultureel aanbod en veel sociaal kapitaal (kenniswerkers) in huis. Voor bedrijven zijn dat zaken die er toe doen. Steeds meer bedrijven kiezen ervoor actief betrokken te zijn bij de stad en/of de wijk, waar zij gevestigd zijn; niet alleen vanuit een eigen belang, maar ook om uitdrukking te geven aan een gevoelde verantwoordelijkheid voor het wel en wee van de stad: maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ook werknemers worden hierdoor aangetrokken: een bedrijf dat hart heeft voor de stad is ook een prettige werkgever. Van maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn aansprekende voorbeelden te noemen, zoals in Rotterdam: Nationale Nederlanden geeft werknemers ruimte om in de baas zijn tijd taalles te geven aan minderheden, Blue Band ondersteunt startende ondernemers en de Rabobank biedt mensen met een smalle beurs speciale faciliteiten om óók een huis te kunnen kopen (financiële coaching). Ook zou het denkbaar zijn dat bedrijven hun bedrijfseconomisch afgeschreven computers overdragen aan scholen, buurt- en clubhuizen of moskeeën in hun wijk. Een andere vorm van betrokkenheid van bedrijven bij de stad is de wijkontwikkelingsmaatschappij (WOM) of wijkgebonden vastgoedfonds: een stichting waarin (lokaal en stedelijk) bedrijfsleven en overheid samenwerken met als doel om de wijk gezond en veilig te maken en te houden, bijv. door strategisch aankopen en opknappen via een winkelfonds, het dekken van de onrendabele top en het garant staan voor lokale ondernemersinitiatieven10. Bestuurders in de stad zullen meer en meer gebruik moeten gaan maken van dit type nieuwe samenwerkingsvormen. Soms getuigt overheidsbeleid in de stad nog te veel van bestuurlijk egocentrisme. Inspelen op de kracht en talenten van het bedrijfsleven zal sneller tot concreet resultaat leiden. Het is voorts het overwegen waard om bij wijze van steun in de rug een fiscale faciliteit voor bepaalde activiteiten van maatschappelijk verantwoord ondernemen te introduceren. Deze faciliteit zou bijv. betrekking kunnen hebben op die activiteiten die worden verricht in het kader van een rechtspersoon met een aantoonbaar maatschappelijke doelstelling, bijv. een wijkontwikkelingsmaatschappij.


6. Integreren in de stad: rechten, plichten en resultaten Er wonen in de (grote) steden veel mensen met wortels die buiten (continentaal) Nederland liggen, zoals bijv. Turken, Marokkanen, Antillianen en Somaliërs. Met grote groepen gaat het goed, maar een aanzienlijk deel ondervindt problemen bij de aansluiting op de Nederlandse samenleving. Met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van allochtonen zelf zullen alle nieuwkomers met kracht moeten worden ingeburgerd. Er wordt nu te veel energie verspild aan bureaucratie. Steden moeten de ruimte krijgen om aan de slag te gaan, maar achteraf ook afgerekend kunnen worden op output. De tijd van inspanningsverplichting is namelijk voorbij; het gaat om de komende jaren om resultaatsverplichting. Voor ons zijn verder de volgende ingrediënten bij het integratiebeleid van groot belang.

Het belang van zelforganisaties is van betekenis. Het CDA is immers sinds jaar en dag voorstander van integratie van culturele minderheden in de Nederlandse samenleving waarin het thuishavengevoel een belangrijke rol inneemt. In zelforganisaties kunnen culturele minderheden voeling houden met wortels en vanuit deze veilige haven voluit in aanraking komen met een dynamische Nederlandse samenleving. Deze component moet wat de CDA-fractie betreft in veel segmenten van het integratiebeleid terugkomen. De sociaal-culturele aspecten raken in het huidige beleid op de achtergrond en een algemeen achterstandenbeleid lijkt de laatste tijd in opkomst. Het CDA vindt dit een ongewenste ontwikkeling en wil uit blijven gaan van de specifieke sociaal-culturele en religieuze achtergronden van veel culturele minderheden in Nederland. Het is echter wél van belang dat zelforganisaties hun luiken open zetten en dus gericht moeten zijn op integratie. Hierop worden zelforganisaties consequent aangesproken. Alleen dan kan sprake zijn van een bondgenootschap bij het realiseren van de integratieopgave. In overleg kan afstemming plaatsvinden, afspraken gemaakt worden, geprikkeld worden, maar kan de overheid in bepaalde opzichten ultimum remedium ook steviger en meer dwingende middelen inzetten, zoals het stopzetten van subsidies.

In het huidige beleid krijgt de balans in rechten en plichten voor minderheden volgens het CDA te weinig aandacht. Taal, taal en nog eens taal moet het parool zijn. Nederlandse taal is een onontbeerlijk bindend element in een samenleving. Behalve dat de uitvoering van inburgeringswet voor nieuwkomers te wensen overlaat, is het beleid voor oudkomers (allochtonen die al langere tijd in Nederland verblijven) te gemakzuchtig. Uit talloze onderzoeken blijkt dat de factor taal dé doorslaggevende factor is bij integratie. Er zijn in Nederland ongeveer 300.000 oudkomers die de Nederlandse taal niet machtig zijn. Dit is niet alleen funest voor hun eigen integratie, maar ook voor opgroeiende (klein)kinderen die hun voorbeeld volgen en met taalachterstand aan school beginnen. De overheid dient de leraren op stedelijke scholen daarom goede stimulansen, waaronder bijscholingsfaciliteiten mee te geven. Ook verdient het bijv. aanbeveling om in zogenaamde voorklassen (zie ook 3.3) bijzondere aandacht te besteden aan taal. Hoe dan ook, een Deltaplan Taal is in onze ogen daarom hard nodig. De hoeveelheid geld die thans wordt uitgetrokken voor oudkomers is bedroevend klein, de bureaucratie te stroperig, de wachtlijsten te hoog, nieuwkomers verdringen oudkomers etc.

In aansluiting op het bovenstaande hebben wij grote zorgen over de werkloosheid onder minderheden. Grote groepen minderheden stoppen zonder diploma met school en in het Jaarboek grote stedenbeleid 1999 kwam naar voren dat deze de afgelopen periode verder is gestegen, terwijl met de huidige hoogconjunctuur het nu of nooit nadrukkelijk geldt. Daarom pleit het CDA er voor om in de beleidsdriehoek inburgering/taal-onderwijs-arbeidsmarkt in relatie tot oudkomers meer drang- en dwangprikkels in te bouwen voor werkgevers en werklozen. Activerend bijstandsbeleid moet ook ergens naartoe activeren. Het CDA wil niemand afschrijven.


7. Veiliger maken van de leefomgeving
Bewoners van grote steden voelen zich steeds vaker onveilig. In het jaarboek Grotestedenbeleid 1999 staat vermeld dat het veiligheidsgevoel van de stedelingen afneemt. Er waren meer misdrijven met geweld, terwijl er minder werd ingebroken. Om de veiligheid te vergroten is het allereerst van belang dat mensen zich thuisvoelen in hun wijk. Het vergroten van de betrokkenheid van mensen biedt de nodige kansen. Naast het bieden van kansen zal de overheid ook heel duidelijk grenzen moeten stellen11. Grenzen die - voor alle duidelijkheid - ook gehandhaafd moeten worden. Ook hier moet het ritme in de stad in harmonie zijn. Het CDA heeft vernieuwende voorstellen, zoals de buurtagent zo snel mogelijk door iedere burger gekend moet worden. En het voorstel voor een ook in de handhaving aanwezige overheid die niet met oogkleppen op alle kleine overtredingen aanpakt, maar gerichte en projectmatige inspanningen verricht om duidelijk te maken dat er grenzen zijn die serieus genomen dienen te worden. De handhaving van waarden en normen in de publieke ruimte is van groot belang voor de leefbaarheid in de steden. De mogelijkheden van de steden om naast de politie invulling te geven aan deze handhaving dient vergroot te worden. De bestuurlijke boete, de stadswachten en de bijzondere opsporingsambtenaren zijn (nieuwe) instrumenten voor de gemeente. Gelet op de arbeidsmarkt doet zich een probleem voor bij de invulling van de handhaving door stadswachten/ concierges vanwege het niet meer ingevuld krijgen van de I/D-banen. Het CDA vindt dat het rijk hier extra middelen voor beschikbaar moet stellen.
In dit kader kunnen justitiehuizen ( in Frankrijk : Maisons de justice ) in zeer gevoelige wijken en buurten een goede rol spelen. In deze justitiehuizen bemiddelen (gepensioneerde) rechters en politiemensen tussen slachtoffers en daders van kleine overtredingen en misdrijven. Het doel is justitie dichter bij de burger/buurt te brengen, voorkomen dat vooral jongeren in een vroeg stadium in het justitiele circuit terecht komen en rechtbanken ontlasten van kleine zaken. Het herstel vindt plaats in de wijk/buurt dichtbij mensen, waardoor er ook sprake is van een sociaal-educatief element. De bemiddeling mondt normaliter uit in excuses van de dader aan het slachtoffer, het betalen van een schadevergoeding en eventueel nadere opdrachten. Indien hieraan wordt voldaan, wordt de zaak geseponeerd. De justitiehuzen zijn aanvullend op justitie in de buurt en moeten vanaf 2001 in alle achterstandsgebieden gesitueerd worden.

Het veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee sporen: preventie en repressie. Vanuit de gedachte dat voorkomen beter is dan genezen en dat repressie het sluitstuk is van het veiligheids- beleid dient in de steden sterk het accent te worden gelegd op de infrastructuur voor de ontwikkeling van kinderen en jeugdigen en de ondersteuning van ouders in dit kader. De te volgen stappen zijn: eerst luisteren, vervolgens helpen en zonodig straffen. Ons motto voorkomen is beter dan genezen kan wel effect hebben voor bepaalde wet- en regelgeving. Zo kan de Wet Bescherming Persoonsgegevens ons voor de voeten lopen om de risico-factoren voor jongeren tijdig in beeld te brengen. Zo zal de Wet op de Jeugdzorg een wettelijke basis moeten geven aan de activiteiten van de gezinscoach. Als ouders of jongeren niet bereid zijn om positief te reageren op de maatschappelijke ondersteuning, dan kan sanctionering niet uitblijven. Niet vrijblijvende vormen van opvoedingsondersteuning komen dan in beeld. De betrokkenheid en de eerste verantwoordelijkheid van de ouders staan hierbij centraal.

De preventieve maatregelen richten zich op het versterken van de consultatiebureaus en de schoolartsfunctie, een wijkgebonden stelsel van het opvangen van kinderen, de
gezinscoach/jeugdcoördinator, het stimuleren van opvoedingsondersteuning en het voorkomen van huiselijk geweld. Ook het stimuleren van sport op straat kan vandalisme en kleine criminaliteit voorkomen. In dit kader is het van belang dat steden experimenteerruimte krijgen om het integraal jeugdbeleid handen en voeten te geven. (Rijks)schotten tussen geld/regels en bureaucratie verlammen een effectief beleid. Jonge mensen verdienen een goede start. Ouders, scholen en leerplichtambtenaren weten zich soms slecht raad met het gedrag van minderjarigen, die in aanraking (dreigen) te komen met criminaliteit. Deze groep minderjarigen veroorzaakt overlast. Het ministerie van Justitie mag geen reclasseringsgeld aanwenden voor minderjarigen en de jeugdbescherming kan pas werken als er een justitieel kader is. Om kansen aan deze groep jongeren te bieden onder het motto voorkomen is beter dan genezen dient hier een oplossing voor te komen. Een goed preventief veiligheidsbeleid is een zaak van betrokkenheid, menselijke maat, respect en verantwoordelijkheid12.


8. Tot slot: investeren in de stad
Diepte-investeringen in de stad zijn blijvend nodig. Hierbij moeten we ons steeds afvragen welk doel we willen bereiken en welke groepen mensen daar wat aan hebben. Investeren in het versterken van de rol van de gemeenteraad hoort hier ook bij. Net zoals het investeren in kennis (neuwe en bestaande) en kenniscentra (ook regionale). Extra Nationale- en Europese financiele ondersteuning blijven gewenst. Investeringen in de fysieke stedelijke ontwikkeling zijn van wezenlijk belang. Niet vanwege een geloof in fysiek-determinisme, maar als voorwaarde voor stedelijke vitaliteit, zoals het aantrekkelijk maken van de stad voor kinderen en hun ouders. Bij een diepte-investering past ook het werken aan een harmonieus ritme in de stad, dat niet doorschiet in jachtigheid, eigenbelang en het recht van de sterkste. Een stedelijke samenleving waarin ook tijd wordt vrijgemaakt voor elkaar. Een cultuur van omzien naar elkaar hoort voor het CDA bij elke stad. Vanuit de landelijke en stedelijke politiek dient hier oog voor te zijn: stimulerend, faciliterend en zonder bureaucratische rimram. Christen-democraten benutten niet alleen de stedelijke kansen en uitdagingen, maar stellen op positieve, opbouwende wijze óók de keerzijden van stedelijke dynamiek aan de kaak, appellerend aan ieders verantwoordelijkheid en betrokkenheid. Sociale cohesie en leefbaarheid in de stad maken we immers samen.



Overzicht van de gevoerde gesprekken. 1.- Over : Wonen in de stad/leefbare stad : de heren R.E.F.A. Crasse ( Ahold Vastgoed), F.de Zeeuw (Bouwfonds) en J.Zwart ( CDA-wethouder van Utrecht ) .

2.- Over : Sociale infrastructuur, armoedeproblematiek, zorg en opvang : Mevrouw M.J.Visser ( Fraktievoorzitter CDA-gemeenteraad Groningen ) en de heren R.J.M.van Broekhoven ( CDA wethouder Almelo ) en H.Hoogerwerf ( CDA-wijkwethouder Amsterdam )

3.- Over : Maatschappelijk verantwoord ondernemen, stadseconomie , lokale SER : de heren R.J.J.Spaan ( VNO/NCW ) , H.Oderkerk (BZW) en J.Bras (Brabocon b.v. )

4.- Over : Maatschappelijk verantwoord ondernemen,stadseconomie, lokale SER : de heren N.H.van Buren ( HWV ), M.J.M.Smulders ( Rabobank Rotterdam ) , Sj.van der Tak ( CDA-wethouder Rotterdam ) en L.J.Visser ( MKB-Nederland )

5.- Over : Wijkontwikkeling : de heer J.P.van Iersel ( Kamer van Koophandel Haaglanden )

6.- Over :Wijkontwikkeling : de heer H.Cornelissen ( LSA ) .

7.- Over : Ontwikkeling van oude wijken : de heren A.Schippers en H.van Dord ( Arcadis Heidemij )

8.- Over : Bouwnijverheid : de heer L.C.Brinkman ( AVBB )


9. De heer M. Kromwijk (Wooncirkel/SEV)

10.- Overleg met de CDA-bestuurders uit gemeenten groter dan 100.000 inwoners.

Het stadsmanifest is tot stand gekomen in goede samenwerking met de leden van CDA-fractiecommissie Binnenlandse Zaken. Tot 1 september 2000 heeft beleidsmedewerker de heer D.J. Bolderheij een belangrijke bijdrage geleverd aan dit stadsmanifest.



Noten


1 Zie verder over generatiebeleid: Ruimte voor elkaar, CDA, maart 2000

2 Zie ook: Kiezen voor kinderen, CDA, september 1999
3 Op dit punt wordt tevens verwezen naar de paragraaf 3.3 (op zoek naar de buurt).

4 Zie: CDA, Gericht en rechtvaardig, september 2000.
5 Sociaal Cultureel Planbureau, Sociaal Cultureel Rapport 1998, p. 209.

6 Zie ook: CDA, Kansen bieden, grenzen stellen, april 1998
7 Idem

8 Het strekt te ver om hier in extenso op in te gaan. Deze filosofie is neergelegd in: Naar meer menselijke maat (in de zorg), CDA, september 1999

9 Zie ook voor de complete stad: Samenleven doe je niet alleen, CDA-verkiezingsprogram, 1998, paragraaf 4.5
10 Zo nodig moet hier tegemoet worden gekomen aan knelpunten in de Wet Voorkeursrecht Gemeenten.

11 Zie ook reeds eerder genoemd verkiezingsmanifest Kansen bieden, grenzen stellen

12 Zie ook: Samen Nederland veiliger maken, CDA, maart 1999

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie