Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Tweede Kamer aan Ministerie van LNV

Datum nieuwsfeit: 13-10-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Actueel

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
DL. 2000/3971
datum
12-10-2000

onderwerp
Inkomensproblematiek in de landbouw.
doorkiesnummer

bijlagen
1

Geachte Voorzitter,

Op 13 oktober 1999 (Handelingen Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, p. 11-707) en op 8 februari 2000 (Handelingen Eerste Kamer, vergaderjaar 1999-2000, p. 16-667) heb ik een notitie over de inkomensproblematiek in de landbouw aangekondigd. Bijgaand treft u deze notitie aan.

De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

mr. L.J. Brinkhorst

up

datum

kenmerk

bijlage
Beschouwing over de inkomensproblematiek in de landbouw

Beschouwing over de inkomensproblematiek in de landbouw

In de afgelopen periode zijn twee studies naar de inkomensproblematiek in de landbouw afgerond. De ene studie is uitgevoerd door het Landbouw Economisch Instituut (LEI) en geeft aan in welke mate lage inkomens op agrarische bedrijven voor komen. De andere studie is uitgevoerd door de leerstoelgroep sociologie van Wageningen Universiteit (WUR) en geeft inzicht in de beleving van armoede. In de bijlage wordt kort ingegaan op enkele resultaten van de twee studies Deze nota gaat eerst in op de inkomenssituatie in de landbouw. Daarna komt de inzet van het beleid aan de orde.

De inkomenssituatie in de landbouw


* Algemene inkomenssituatie in de landbouw De inkomenssituatie in de landbouw is zeer divers. Het onderzoek van LEI en WUR is gericht op het inzichtelijk maken van de omvang en de beleving van armoede in de agrarische sector. Uit het onderzoek blijkt dat in 23% van de agrarische gezinnen het totale inkomen lager is dan de grens van het minimuminkomen. Voorts geeft 10% van de gezinnen aan niet rond te kunnen komen. Toch mag hierdoor niet de indruk ontstaan dat de inkomenssituatie in de landbouw in zijn algemeenheid ongunstig is. De landbouw kent een breed palet aan bedrijven. Tegenover de groep met een laag inkomen staat ook een groep met een hoog inkomen. De spreiding in het inkomen in de landbouw is bijzonder groot.
Het gemiddelde inkomen per gezin in de landbouw ligt aanmerkelijk boven het gemiddelde inkomen van huishoudens in Nederland. Hierbij dient overigens wel te worden bedacht dat het inkomen in de landbouw niet alleen beschikbaar is voor bestedingsdoeleinden doch ook nodig is voor investeringen om het bedrijf up to date te houden en om risico´s op te vangen.
tabel 1 Gemiddeld bruto inkomen in de landbouw en in Nederland totaal
( duizend guldens)

1994 1995 1996 1997 1998
gemiddeld inkomen per gezin in de landbouw 90,7 81,7 88,5 110,6 86,0 gemiddeld inkomen van huishoudens in Nederland 71,7 72,9 74,1 75,3 77,6
bron: LEI en CBS
In Europees verband hoort de Nederlandse landbouw wat agrarisch inkomen betreft tot de koplopers.
Het is van belang om vast te stellen dat bij de onderzoeken van LEI en WUR geen rekening wordt gehouden met de omvang van het vermogen. Uitgaande van continuïteit van de bedrijfsvoering is dit een juist uitgangspunt, want het vermogen is nodig om in de toekomst inkomen te kunnen blijven genereren. Een deel van de bedrijfshoofden is evenwel voornemens op termijn het bedrijf te stoppen. In deze situatie hoeft een laag inkomen niet te betekenen dat er financiële tekorten zijn. Door geleidelijk in te krimpen komt vermogen vrij en dit kan worden aangewend om in het levensonderhoud te voorzien. Het gaat om een aanmerkelijke groep: van de bedrijfshoofden met een inkomen onder het minimum is bijna 50% ouder dan 50 jaar.
In 1997 had in Nederland 11% van alle huishoudens een inkomen rond of onder het minimum (Armoedemonitor SCP). Bij zelfstandigen ligt dit percentage iets hoger namelijk op 14%. Wordt dit cijfer vergeleken met de resultaten uit het LEI-onderzoek dan blijkt dat het percentage in de landbouw relatief hoog is. Ook uit onderzoek over 1994 was overigens al duidelijk dat dit percentage in de landbouw relatief hoog is (Bosch e.a., 1997). Wordt evenwel uitgegaan van de subjectieve indicator dan blijkt er geen verschil: zowel in als buiten de landbouw geeft 10% van de huishoudens aan moeilijk rond te kunnen komen. De analyse van de inkomensproblematiek brengt in beeld hoe de betrokkenen de problematiek persoonlijk ervaren. De emotionele binding met het bedrijf, het bijzondere van het "boerenleven" en sociale en culturele aspecten vormen belangrijke dimensies die medebepalend zijn voor de keuzes die boeren maken .
* Economische veranderingen en inkomensverdeling De inkomensverdeling komt tot stand in het productie- en arbeidsproces. De druk op het inkomen op een deel van de bedrijven is structureel en inherent aan ontwikkelingen op de markten en de technische en maatschappelijke ontwikkelingen. Grote delen van de landbouw zitten in een marktsegment waarin de concurrentie sterk is. Door innovaties (technisch, organisatorisch) stijgt de productiviteit. De vraag groeit in verhouding tot de toename van het aanbod in zijn algemeenheid slechts traag en dit leidt er toe dat de marges op een deel van de bedrijven klein zijn en onder druk staan. De investeringen blijven achter en het productieapparaat (gebouwen en machines) veroudert. De ondernemers passen de inzet van arbeid en kapitaal niet onmiddellijk aan en krijgen daardoor te maken met een lage beloning. Dit is een proces waarmee de Westerse landbouw reeds tientallen jaren te maken heeft en waardoor het aantal bedrijven fors is verminderd.
Het LEI verwijst in een studie uit 1997 voor de achtergronden van de verschillen in inkomens tussen bedrijven vooral naar de verschillen in het ondernemerschap en management: er is daarbij sprake van persoonlijke opvattingen en meningen van ondernemers, ook wel bedrijfsstijlen genoemd. Deze bedrijfsstijlen zijn cruciaal voor de ontwikkeling van het bedrijf en ook voor het inkomen. Vanuit zo´n bedrijfsstijl reageert men op zaken om het bedrijf heen: op marktveranderingen, op veranderingen in technologie en overheidsbeleid en op veranderingen in de persoonlijke situatie.
De geringe beloning vormt een stimulans voor de ondernemers om te zoeken naar verandering: aanpassing van bedrijfsopzet of bedrijfsvoering, een ander beroep, nevenactiviteiten of bedrijfsbeëindiging. De keuzes die zij maken zijn uiteraard ook afhankelijk van de mogelijkheden die zich voordoen .
* Verwachting voor de komende jaren
In de nota Voedsel en Groen heb ik aangegeven dat de komende jaren valt te verwachten dat met name in de akkerbouw en de veehouderij het inkomensniveau onder druk zal blijven staan. De marktbescherming in het kader van de EU wordt minder. Prijsverlaging wordt niet volledig gecompenseerd door inkomenstoeslagen. Ook liggen in milieu-maatregelen en dierwelzijnsmaatregelen kostenverhogende factoren. Voorts is er een forse concurrentie om grond die leidt tot stijging van de prijs.
In andere sectoren zoals de sierteelt (bloembollen, potplanten, bloemen onder glas) en de boomteelt is sprake van een groeiende vraag en ontwikkelen de inkomens zich relatief gunstig.

Inzet van het beleid

Het onderzoek van LEI en WUR maakt duidelijk dat er sprake is van een aanmerkelijke groep met een laag inkomen in de landbouw. Deze groep is evenwel geenszins eenduidig. Een gedeelte van deze groep accepteert het lage inkomen en kiest voor een sobere levensstijl. Voor deze groep is geen gericht beleid. Een ander deel kan niet of moeilijk rond komen, verkeert serieus in problemen en kan zelf geen oplossing realiseren. Zij kunnen een beroep doen op het sociale stelsel. In zijn algemeenheid streeft de overheid naar een evenwichtige inkomensverdeling en goede randvoorwaarden voor economische ontwikkeling. De problematiek van de lage inkomens krijgt dan ook in het brede kabinetsbeleid grote aandacht en er zijn en worden tal van maatregelen getroffen die er op gericht zijn te voorkomen dat mensen langdurig moeten rondkomen van een laag inkomen. De prioriteit ligt hierbij op bevorderen van arbeidsparticipatie, een verantwoorde ontwikkeling van de laagste inkomens, bevorderen dat mensen kunnen rondkomen door beheersing van de vaste lasten (bijvoorbeeld huursubsidie) en het voorkomen van problematische schulden. Voor zelfstandigen met een laag inkomen zijn met name het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (BBZ) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) van betekenis.
Dit sociale stelsel vormt een adequaat systeem, ook voor ondernemers in de landbouw die serieus in problemen verkeren. Knelpunten om gebruik te maken van deze voorzieningen vormen in eerste instantie de beleidsverantwoordelijkheid van de minister van SZW.

Landbouw is een economische activiteit. Dat betekent dat het inkomen in principe uit de markt moet komen. Men moet erkennen dat het voor ondernemers bijzonder lastig is om de keuze te maken tussen verdere ontwikkeling van het bedrijf of afbouw of stoppen van het bedrijf. Het is daarbij de taak van de overheid om oog te hebben voor de diversiteit van bedrijven en zodanige randvoorwaarden te scheppen dat individuele agrariërs een keuze kunnen maken en een oplossing kunnen vinden.
Het landbouwbeleid volgt hier een drietal sporen: 1. bescherming van de inkomens bij aanpassingen in markt- en prijsbeleid en pachtbeleid;
2. bevordering van veranderingen in bedrijfsvoering en bedrijfsstructuur door kennis en innovatie; 3. overgang naar een ander beroep of beroepsbeëindiging door voorlichting.

ad 1

Een van de belangrijkste motieven voor EU- het markt- en prijsbeleid in de landbouw is gelegen in de onvolkomenheden van een vrije prijsvorming van agrarische producten en de gevolgen die daaruit voortvloeien voor de inkomensontwikkeling in de land- en tuinbouw. De hoge lasten die dit markt- en prijsbeleid met zich meebrengt en de verstoring van de handelsverhoudingen met andere landen nopen tot verandering. Het beleid verkeert in een overgangsfase van prijssteun naar directe inkomenssteun. Vervolgens is een ontkoppeling van de inkomenssteun van de productie nodig. Op deze wijze kan het inkomen een nieuwe basis krijgen: onderhoud van het landschap en behoud biodiversiteit bieden kansen. Agenda 2000 biedt hiertoe mogelijkheden en deze zullen verkend worden.
De veranderingen in het markt- en prijsbeleid zullen leiden tot grotere prijsfluctuaties en daarmee tot fluctuaties in het inkomen. De komende tijd zal worden nagegaan welke vervangende mechanismen er zijn die de inkomens in de landbouw minder kwetsbaar maken voor deze prijsfluctuaties (inkomensstabilisatiefondsen, risicoverzekering).

Met het oog op de bescherming van het inkomen en de bestaansbasis van de pachter kennen we een beheersing van de pachtprijs. Het areaal dat voor verpachting onder dit regiem beschikbaar is, werd de afgelopen tientallen jaren evenwel kleiner. Het kabinet beraadt zich op wijzigingen in dit systeem en zal binnenkort een standpunt voorleggen aan de Kamer.

ad 2

Verbeteringen in de bedrijfsvoering en de bedrijfsstructuur zijn afhankelijk van de beschikbaarheid van nieuwe technieken en productiewijzen. De overheid draagt door middel van ondersteuning van onderzoek en scholing bij aan een goed klimaat voor vernieuwingen. Het stimuleringskader bood mogelijkheden voor financiële ondersteuning van vernieuwingen. De komende tijd zal dit beleid worden bijgesteld. De gedachten hierbij gaan uit naar een innovatiefonds dat deels een revolving karakter krijgt. Eén van de factoren waar in het onderzoek op wordt gewezen is de belemmerende wet- en regelgeving die aanpassing van bedrijven bemoeilijkt. LNV zal de bestaande wet- en regelgeving en de komende wet- en regelgeving screenen op de mate waarin deze het innovatievermogen van de sector in de weg staat. Voorts wordt in het onderzoek gewezen op de mogelijkheden van verbreding, het verwerven van aanvullend inkomen uit natuur, recreatie, onderhoud landschap. Er zijn reeds mogelijkheden voor agrariërs om inkomen te verwerven uit onderhoud van natuur en landschap In de nota Voedsel en Groen is aangegeven dat daar waar de samenleving wensen heeft die verder gaan dan de goede landbouwpraktijk en er geen markt blijkt voor financiering van deze wensen de overheid publieke middelen zal inzetten om deze doelen te bereiken.

ad 3

Bewustwording en voorlichting
Uit het onderzoek blijkt dat gaan werken in loondienst een succesvolle strategie is om het inkomen op een voldoende niveau te brengen. De gunstige economische ontwikkeling en het grote aantal onvervulde vacatures bieden gunstige mogelijkheden voor verandering. Daar waar overheidsmaatregelen nopen tot forse veranderingen op korte termijn die ingrijpen in de bedrijfsvoering maakt LNV daarop gericht flankerend beleid (o.a. SEP varkens/SEP veehouderij).
Vaak is men ook bij een laag inkomen gehecht aan de wijze van leven en werken, slechts een beperkt deel van de agrariërs met een laag inkomen denkt er over om te stoppen. Aan bewustwording en begeleiding van veranderingsprocessen wordt ondersteuning gegeven in het kader van het voorlichtingsprogramma gezin en bedrijf (o.a. steun aan de THDA, steun aan de ZOB, DLV-project "Van crisis tot kans)". De komende tijd zal worden nagegaan of op dit terrein nieuwe initiatieven wenselijk zijn.

Conclusies

* De agrarische sector kent een vrij grote groep ondernemers onder het minimuminkomen. Een gedeelte van deze groep accepteert dit lage inkomen kiest voor een sobere levensstijl. Een ander deel verkeert in problemen en kan zelf geen oplossing realiseren.
* De groep met een laag inkomen die in problemen verkeert en zelf geen oplossing kan realiseren, kan een beroep doen op sociale maatregelen. Deze vormen in zijn algemeenheid een adequaat vangnet, ook voor de agrarische sector.

* Het inkomen dient in principe uit de markt te komen. Voor de groep met een laag inkomen die in principe zelf een oplossing kan realiseren, bestaat is geen overheidsbeleid dat gericht is op inkomensondersteuning. Deze ondernemers dienen te streven naar herstructurering of overgang naar andere activiteiten met een economische basis. De overheid schept goede voorwaarden voor deze veranderingen.

* De overheid erkent dat de keuze voor agrariërs om het bedrijf verder te ontwikkelen of af te bouwen of te stoppen een bijzondere moeilijke is en draagt daarom ook bij aan voorlichting en bewustwording.

Enkele resultaten van de twee studies

* Resultaten studie LEI
Uit de studie van het LEI blijkt dat er een grote spreiding is in inkomen van agrarische gezinnen en dat deze spreiding toe neemt. In 23% van de agrarische gezinnen is het totale inkomen van het gezin structureel lager dan de grens van het minimuminkomen. Het totale inkomen van het gezin betreft het inkomen van de boer en zijn echtgenote uit het bedrijf en van buiten het bedrijf. Voor de bepaling van de grens van het minimuminkomen (de armoede-grens) is uitgegaan van de bijstandsnorm voor een echtpaar zonder kinderen, waarbij er rekening mee is gehouden dat dit echtpaar zich diende te verzekeren voor arbeidsongeschiktheid en ziekte en tevens belasting dient te betalen.
In bovenstaande cijfers is rekening gehouden met het inkomen van buiten het bedrijf. Indien geen rekening zou worden gehouden met het inkomen van buiten het bedrijf zou het percentage gezinnen waar het inkomen structureel lager is dan het minimuminkomen aanmerkelijk hoger zijn, namelijk 44%.
De afhankelijkheid van inkomen van buiten het bedrijf neemt toe. Inmiddels komt bijna een kwart van het inkomen van buiten het bedrijf: voor globaal een derde komt dit inkomen uit loondienst van de boer of zijn vrouw -op bijna de helft van de bedrijven behalen zij inkomen uit arbeid buiten het bedrijf-, voor een derde komt dit inkomen uit uitkeringen (zoals kinderbijslag, arbeidsongeschiktheid, ouderdomswet) en voor een derde uit vermogen.
In bovenstaande cijfers is uitgegaan van meerjarige gemiddelden. De inkomens fluctueren van jaar tot jaar zeer sterk, vooral in de intensieve veehouderij en de glastuinbouw.
Uit het onderzoek blijkt dat de gezinnen met een inkomen onder het minimum vaak over vermogen beschikken: 23% heeft minder dan 400.000 gulden eigen vermogen, 77% heeft een hoger eigen vermogen.
* Resultaten studie WUR
In het onderzoek naar de beleving van armoede is een onderscheid gemaakt in "objectieve armoede" en "subjectieve armoede". Van objectieve armoede is sprake indien het jaarlijkse gezinsinkomen (na aftrek van belastingen) lager is dan 36.500 gulden. Dit is bij 23% van de agrarische gezinnen het geval.
Van subjectieve armoede is sprake indien de respondent aangeeft "niet of nauwelijks te kunnen rondkomen". Dit is bij een lager percentage het geval namelijk bij 10% van de gezinnen. De onderzoekers concluderen dat door zuinig te leven en door lage eisen te stellen er kennelijk veel gezinnen in slagen om met een laag inkomen toch rond te komen. Het verschil kan ook voort komen uit de schroom die veel agrarische gezinnen hebben om met hun problemen naar buiten te treden.
Bij de oorzaken van een laag inkomen kan een onderscheid worden gemaakt in persoons-gebonden factoren en bedrijfsgebonden factoren. De gezinnen die niet rond kunnen komen geven relatief vaak aan dat ze te maken hebben gehad met ziekte van henzelf of van familieleden en dat dit negatieve financiële gevolgen heeft gehad. Voorts geven zij relatief vaak aan dat ze te maken hebben gehad met tegenvallende prijzen of prijs-schommelingen, milieuwetgeving, kwaliteitseisen, wegvallen van subsidies, ziekte van gewas of dieren, wateroverlast of droogte. De groep die niet kan rondkomen bezuinigt op boodschappen en verzekeringen, gaat niet met vakantie en stelt betalingen uit. Naast financiële zorgen heeft men ook psychosociale problemen en lichamelijke klachten. Men ervaart grote psychische druk vanuit wet- en regelgeving, men voelt zich machteloos, er wordt gepiekerd, men kan niet slapen door de financiële zorgen, men ervaart stress en er treden lichamelijke klachten op. Ook neemt men minder deel aan het sociale leven.
In dit onderzoek blijkt dat het gaan werken in loondienst naast het agrarisch bedrijf wordt gezien als een goede strategie voor agrariërs om een inkomensverbetering te realiseren. Andere strategieën zijn: het uitoefenen van een nevenactiviteit op het bedrijf, bedrijfs-uitbreiding (om diverse redenen moeilijk), bezuinigen op persoonlijke en gezinsuitgaven, uitstellen van investeringen en het interen op het eigen vermogen. Men doet relatief weinig een beroep op de Sociale Dienst. De meeste agrariërs die met hun inkomen onder het minimum zitten en die niet rond kunnen komen, denken er niet over om met het bedrijf te stoppen. Zij geven aan niet te weten wat ze anders moeten doen, vrezen er in inkomen nog verder op achteruit te gaan en waarderen het wonen en de wijze van leven en werken. Zij hopen op een betere toekomst . Een ander motief om door te gaan is om het bedrijf over te dragen aan een bedrijfsopvolger. Overigens denkt bijna een kwart van deze groep er wel over om te stoppen. De lage inkomens zijn niet geconcentreerd in duidelijk afgebakende groepen. In de volgende groepen is het risico op een laag inkomen relatief groot:
+ bij oudere bedrijfshoofden zonder opvolger; + bij de bedrijfshoofden met een klein bedrijf zonder neveninkomsten en bij bedrijfshoofden met een middelgroot bedrijf ;
+ bij akkerbouwbedrijven en de opengrondstuinbouwbedrijven; + samenhangend met het daar voorkomende bedrijfstype: in het Zuid Westen van het land;
+ bij bedrijfshoofden met een lage opleiding; + bij bedrijfshoofden met een groot gezin (meer dan 3 kinderen).



reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie