Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag zitting Ecofin Raad Europese Unie

Datum nieuwsfeit: 17-10-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Europese Unie

2297. Raad - ECOFIN Press Release: Luxembourg (17-10-2000) - Press: 379 - Nr: 12126/00

12126/00 (Presse 379)

(OR. fr)

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2297e zitting van de Raad


- ECOFIN -

Luxemburg, 17 oktober 2000

Voorzitter:

de heer Laurent FABIUS

minister van Economische Zaken, Financiën en Industrie van de Franse Republiek

INHOUD

DEELNEMERS

*

BESPROKEN PUNTEN

BELASTINGVRAAGSTUKKEN *


-
BELASTINGPAKKET *

-
BTW OP ELEKTRONISCHE HANDEL *

ECONOMISCHE VRAAGSTUKKEN

*


-
WERKGELEGENHEIDSPAKKET *

-
HERVORMING VAN HET SYSTEEM VAN HEFFINGEN EN UITKERINGEN TER

BEVORDERING VAN DE WERKGELEGENHEID *

-
MILIEU EN GROEI *

-
VOORBEREIDING VAN DE MINISTERIËLE BIJEENKOMST VAN DE G20

(Montreal, 24-25 oktober 2000) *

FINANCIËLE DIENSTEN

*


-
EERSTE RICHTLIJN BETREFFENDE DE ICBE'S *

ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

ECOFIN

*


-
BTW * *

EXTERNE BETREKKINGEN

*


-
ASEM-Top *

-
Betrekkingen met de LMOE's - autonome maatregelen inzake landbouwproducten *

HANDELSPOLITIEK

*


-
Antidumping - kathodestraalbuizen voor kleurentelevisietoestellen: India, Republiek Korea / Litouwen, Maleisië en de Volksrepubliek China *

-
Antidumping - magnesium: Volksrepubliek China *
-
Antidumping - hulpstukken voor buisleidingen van ijzer of van staal: Taiwan *

-
ACS - Stabex en Sysmin *

MILIEU

*


-
Ozonlaag - Protocol van Montreal *

REKENKAMER

*


-
Speciaal verslag nr. 9/99 van de Rekenkamer met betrekking tot onderzoeksacties op het gebied van landbouw en visserij (FAIR) - conclusies *

Voor meer informatie: tel. 02 285 64 23, 02 285 84 15, 02 285 81 11

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België
:

de heer Frans VAN DAELE

ambassadeur, permanent vertegenwoordiger

Denemarken
:

mevrouw Marianne JELVED

de heer Michael DITHMER

minister van Economische Zaken

staatssecretaris van Economische Zaken

Duitsland:

de heer Hans EICHEL

minister van Financiën

Griekenland
:

de heer Yannos PAPANTONIOU

minister van Economische Zaken en Financiën

Spanje
:

de heer Rodrigo de RATO y FIGAREDO

tweede vice-minister-president en minister van Economische Zaken en Financiën

Frankrijk
:

de heer Laurent FABIUS

minister van Economische Zaken, Financiën en Industrie

Ierland
:

de heer Charlie McCREEVY

minister van Financiën

Italië
:

de heer Vincenzo VISCO

minister van de Schatkist, van Begroting en van Economische Planning

Luxemburg
:

de heer Luc FRIEDEN

minister van de Schatkist en van Begroting

Nederland
:

de heer Gerrit ZALM

minister van Financiën

Oostenrijk
:

de heer Gregor WOSCHNAGG

ambassadeur, permanent vertegenwoordiger

Portugal
:

de heer Joaquim PINA MOURA

minister van Financiën

Finland
:

de heer Sauli NIINISTÖ

minister van Financiën

Zweden
:

de heer Bosse RINGHOLM

de heer Sven HEGELUND

minister van Financiën

staatssecretaris, ministerie van Financiën

Verenigd Koninkrijk
:

mevrouw Dawn PRIMAROLO

thesaurier-generaal


* * *

Commissie
:

de heer Frits BOLKESTEIN

de heer Pedro SOLBES MIRA

lid

lid

Overige deelnemers
:

de heer Philippe MAYSTADT

de heer Mario DRAGHI

de heer Norman GLASS

president van de Europese Investeringsbank

voorzitter van het Economisch en Financieel Comité

voorzitter van het Comité voor Economische Politiek

BELASTINGVRAAGSTUKKEN


- BELASTINGPAKKET

De Raad heeft de stand opgenomen van de besprekingen over de drie onderdelen van het belastingpakket: belasting op rente van spaargelden, rente en royalty's en gedragscode (belastingregeling voor ondernemingen). In dat verband heeft hij de uiteenzettingen gehoord van de heer LE FLOCH, voorzitter van de Groep belastingvraagstukken in de samenstelling op hoog niveau, mevrouw PRIMAROLO, voorzitter van de Groep gedragscode en Commissielid BOLKESTEIN.
Wat de belasting op rente van spaargelden betreft, wordt ingevolge de conclusies van de Europese Raad van Feira de Groep belastingvraagstukken verzocht alle aspecten van de wezenlijke inhoud van de richtlijn te behandelen, waarover nog voor het eind van het jaar overeenstemming moet worden bereikt. Met uitzondering van het percentage van de bronbelasting, zijn al die punten al aan de orde gekomen in de groep.
Er tekende zich een meerderheidsakkoord af op de meeste van de behandelde punten, met name op dat van de werkingssfeer van de richtlijn (definitie van rente), de verdeling van de opbrengsten, en de uitbetalende instantie.

De volgende drie punten moeten uit technisch oogpunt nog nader worden besproken:


· de aard van de te verstrekken informatie en de grondslag van de bronbelasting met betrekking tot couponwassen, nulcouponobligaties en kapitalisatiefondsen;


· de behandeling van organismen als "partnerships", trusts, enz.;

· de procedure voor de identificatie van de uiteindelijke gerechtigde en de aard van de informatie die over deze gerechtigde moet worden verstrekt.

In het kader van een algemeen politiek akkoord over de wezenlijke inhoud van de richtlijn zijn de volgende punten van bijzonder belang:


· de situatie van de statutaire beleggingsfondsen;

· het bevrijdende, dan wel niet-bevrijdende karakter van de bronbelasting;


· het al dan niet wederkerige karakter van de renseignering;
· het percentage van de bronbelasting, alsook de sleutel voor de verdeling van de opbrengsten tussen de staat van de uitbetalende instantie en de fiscale woonstaat van de gerechtigde van de rente;


· de "grandfather clause".

De voorzitter heeft op alle delegaties een dringend beroep gedaan om ernaar te streven zich soepeler op te stellen zodat er een oplossing kan worden gevonden die voor iedereen aanvaardbaar is. In dat verband benadrukte hij dat het voorzitterschap er vastberaden op toeziet dat er overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Feira op alle onderdelen van het belastingpakket evenveel vooruitgang wordt geboekt.

De Raad heeft de Groep belastingvraagstukken opgedragen vastberaden aan het dossier belasting op de rente van spaargelden verder te werken, zodat zij hem voor de zitting op 27 november een alomvattend compromis kan voorleggen.

Ten aanzien van de richtlijn inzake rente en royalty's zou de Groep belastingvraagstukken moeten proberen, gelijktijdig met de twee andere onderdelen van het belastingpakket de nog openstaande vraagstukken op te lossen, waaronder met name het niet toepassen van de richtlijn in bepaalde specifieke gevallen en de overgangsperiode voor Griekenland, Spanje en Portugal.

Ten slotte heeft de Raad het mandaat van de Groep gedragscode bevestigd om vastberaden verder te werken aan een kader voor standstill en terugdraaiing van nationale maatregelen die schadelijk worden bevonden voor de concurrentie, en hem voor de zitting op 27 november verslag uit te brengen over de gemaakte vorderingen.


-
BTW OP ELEKTRONISCHE HANDEL
De Raad heeft nota genomen van de stand van de besprekingen over het Commissievoorstel tot wijziging van de zesde BTW-richtlijn teneinde rekening te houden met de ontwikkeling van de elektronische handel. Hij heeft een verslag van Commissielid BOLKESTEIN gehoord, waarin deze memoreerde dat het Commissievoorstel ten doel heeft de concurrentienadelen van de Europese ondernemingen ten opzichte van handelaren uit derde landen bij te sturen. Volgens de bestaande regels verrichten handelaren uit derde landen namelijk bepaalde handelingen met vrijstelling van belasting ten voordele van hun in de Gemeenschap gevestigde klanten, terwijl handelaren uit de Gemeenschap verplicht zijn de BTW aan hun in derde landen gevestigde klanten aan te rekenen.
Commissielid BOLKESTEIN heeft tevens gewezen op het potentieel van de elektronische handel voor het scheppen van banen. Het belastingstelsel zou dat potentieel derhalve moeten stimuleren, niet afremmen. In dat verband verdedigde hij met name het voorstel van de Commissie voor één plaats van registratie voor handelaren uit derde landen die in de Gemeenschap ten voordele van niet-BTW-plichtigen langs elektronische weg diensten verstrekken. Tijdens een korte gedachtewisseling over dat laatste punt hebben de meeste delegaties zich tegen het Commissievoorstel uitgesproken aangezien dat niet zou leiden tot een doeltreffende belastingheffing in het land van verbruik. Die delegaties steunden een voorstel van het voorzitterschap volgens welk handelaren uit derde landen zich in alle lidstaten waar ze handelingen verrichten moeten laten registreren. Eén delegatie sprak zich voor het Commissievoorstel uit. Een andere delegatie was voorstander van een derde mogelijkheid: centrale registratie in één lidstaat en verdeling op macro-economische basis van de inkomsten over de lidstaten waar het verbruik plaatsvindt.
Het voorzitterschap heeft de delegaties opgeroepen alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de Raad dit dossier in zijn zitting op 27 november definitief kan afronden.

ECONOMISCHE VRAAGSTUKKEN


- WERKGELEGENHEIDSPAKKET
De Raad heeft enkele voorlopige beleidsoriëntaties vastgesteld die moeten worden opgenomen in het gezamenlijk verslag Raad/Commissie dat aan de Europese Raad van Nice zal worden voorgelegd; het betreft met name de volgende:


- het werkgelegenheidspakket vormt een goede basis voor het gezamenlijk verslag Raad/Commissie dat aan de Europese Raad van Nice zal worden voorgelegd;

- hoewel de pogingen om de richtsnoeren operationeler en concreter te maken met instemming worden begroet, moeten die richtsnoeren ook weer niet te zeer worden versnipperd, om te voorkomen dat daarbij de grootste prioriteiten uit het oog worden verloren;
- in de verschillende documenten die door de Commissie worden voorgelegd in het werkgelegenheidspakket, en met name in de richtsnoeren, lijkt het nuttig de efficiëntie van de uitgaven ten behoeve van de werkgelegenheid te analyseren, in plaats van ervoor te pleiten die systematisch te verhogen;

- waar dat relevant is, moet meer rekening worden gehouden met regionale verschillen;

- het lijkt van belang de in bepaalde richtsnoeren geformuleerde gekwantificeerde doelstellingen nauwkeuriger te omschrijven, als men de uitvoering ervan achteraf objectiever wil kunnen beoordelen.

Ten slotte heeft de Raad het CEP verzocht deze beleidsoriëntaties in aanmerking te nemen bij het zoeken naar een akkoord met het Comité voor de werkgelegenheid met het oog op de aanneming van het hele werkgelegenheidspakket.


-

HERVORMING VAN HET SYSTEEM VAN HEFFINGEN EN UITKERINGEN TER

BEVORDERING VAN DE WERKGELEGENHEID

De Raad heeft van gedachten gewisseld over de mogelijkheden tot hervorming van de belasting- en uitkeringsregelingen om met name voor minder gekwalificeerde werknemers het effect van de werkgelegenheidsprikkel te verhogen. De aandacht ging in het bijzonder uit naar de "inactiviteitsval", de demotivatie om een officiële baan te zoeken, en de "armoedeval", het ontbreken van een financieel belang om langer te werken of een hoger gekwalificeerde baan te zoeken. Deze twee verschijnselen kunnen overduidelijk op het conto worden geschreven van de hoge belasting op arbeid en het verlies van het recht op sociale uitkeringen zodra men ergens wordt aangenomen.

De Raad heeft het Comité voor Economische Politiek opgedragen deze vraagstukken grondiger te bestuderen, zodat ze kunnen worden opgenomen in het algemene verslag over de overheidsfinanciën dat het EFC en het CEP in samenwerking met de Commissie tot het voorjaar van 2001 moeten opstellen, en waarvan op 7 november a.s. een eerste overzicht aan de Raad zal worden voorgelegd.


- MILIEU EN GROEI

De Raad heeft zich gebogen over een op verzoek van de Europese Raad van Keulen door het Comité voor Economische Politiek opgesteld verslag over de opneming van milieuvraagstukken en vraagstukken betreffende duurzame groei in het economisch beleid.

In dat verslag worden de verschillende economische instrumenten onder de loep genomen die kunnen worden gebruikt om het milieu te beschermen, en wordt met name in overweging gegeven dat milieubescherming beter geïntegreerd moet worden in het proces van multilateraal toezicht.

De Raad heeft het Comité voor Economische Politiek opgedragen het ontwerp-verslag te voltooien in het licht van de besprekingen van vandaag, met het oog op aanneming ervan in de Raadszitting op 27 november, en in het kader van de voorbereiding van de Europese Raad van Nice.


-

VOORBEREIDING VAN DE MINISTERIËLE BIJEENKOMST VAN DE G20 (Montreal, 24-25 oktober 2000)

De Raad heeft nota genomen van de stand van de voorbereidingen voor de ministeriële bijeenkomst van de G20 op 24 en 25 oktober 2000 in Montreal, Canada, om ervoor te zorgen dat het voorzitterschap namens de Gemeenschap kan spreken tijdens die bijeenkomst, waarin met name de volgende onderwerpen aan de orde zullen komen:


· situatie van de mondiale economie;


· beantwoording van de uitdagingen van de globalisering;

· werkzaamheden van het Forum voor financiële stabiliteit;

· maatregelen ter vermindering van de kwetsbaarheid voor financiële crises.

FINANCIËLE DIENSTEN


- EERSTE RICHTLIJN BETREFFENDE DE ICBE'S
De Raad heeft op basis van een compromis van het voorzitterschap een akkoord bereikt over de inhoud van de eerste richtlijn tot wijziging van de richtlijn van 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten - icbe's. Deze nieuwe richtlijn strekt er met name toe de begrenzing voor de activa die door een icbe belegd kunnen worden, uit te breiden tot andere activa dan effecten, zoals bedoeld in de oorspronkelijke richtlijn, en de voorwaarden daarvoor te bepalen. Die uitbreiding betreft de volgende financiële instrumenten: rechten van deelneming in icbe's waaraan vergunning is verleend en/of andere instellingen voor collectieve belegging in de zin van de richtlijn, deposito's bij kredietinstellingen, financiële derivaten die op een gereglementeerde markt worden verhandeld of buiten de beurs (OTC-derivaten), andere geldmarktinstrumenten. De nieuwe tekst vormt een passend antwoord op de verwachtingen van de uitgevende instellingen en de beleggers, aangezien hij de voor eerstgenoemden vereiste flexibiliteit, en de voor laatstgenoemden noodzakelijke bedrijfseconomische waarborgen biedt, en zodoende een gezonde ontwikkeling van de icbe-markt beoogt. Voor de nieuw in de richtlijn op te nemen instrumenten bevat het ontwerp specifieke voorschriften voor risicobeheer en risicospreiding. Zo mag een icbe niet voor meer dan 5% van de waarde van haar eigen activa beleggen in door een zelfde uitgevende instelling uitgegeven effecten of geldmarktinstrumenten, en niet voor meer dan 20% van de waarde van haar eigen activa in deposito's bij één en dezelfde instelling. Voorts mogen beleggingen in rechten van deelneming in icbe's of andere instellingen voor collectieve belegging in beginsel de 10% niet overschrijden, maar kunnen de lidstaten die limiet verhogen tot 20%.

Beleggingen in rechten van deelneming in andere instellingen voor collectieve belegging dan icbe's mogen in totaal echter niet hoger zijn dan 30% van de waarde van de activa van een icbe.

De Raad is tevens tot een conclusie kunnen komen over de te volgen procedure in verband met de gelijktijdige inwerkingtreding van deze eerste wijzigingsrichtlijn en een tweede, betreffende met name de voorschriften voor de "dienstverrichter", de beheermaatschappijen en het prospectus van icbe's, ten aanzien waarvan de besprekingen minder vergevorderd zijn en de Raad zich ten doel heeft gesteld, uiterlijk op
1 maart 2001 een besluit te nemen. In dat verband heeft de Raad een verklaring goedgekeurd waarbij hij zijn conclusies van 17 juli 2000 bevestigt. Daarin had hij verklaard voorstander te zijn van de inwerkingtreding van de twee richtlijnen. Voorts had hij erin beklemtoond dat het van belang is dat vastgehouden wordt aan de datum van 1 maart 2001, en nota genomen van een voorstel van een aantal delegaties over de gelijktijdige inwerkingtreding, dat eveneens op
1 maart 2001 opnieuw zal worden bezien.


Ten slotte heeft de Raad over het verband van de icbe-richtlijn met de op 8 juni aangenomen richtlijn betreffende de elektronische handel de volgende verklaring goedgekeurd:

"De Raad en de Commissie zijn zich bewust van de kansen en uitdagingen die de elektronische handel biedt op het gebied van de financiële diensten en vinden het van belang dat er snel een duidelijk en coherent beleid wordt uitgewerkt voor de gehele financiële sector, met inbegrip van on-line verkochte icbe's. Dit beleid zal geschetst worden in de aangekondigde Commissiemededeling over elektronische handel en financiële diensten, die alle belanghebbende partijen een mogelijkheid zal bieden een bijdrage te leveren tot de uitstippeling van de optimale weg voorwaarts. De Commissie zal die mededeling voor het eind van dit jaar indienen, zodat zij met het oog op de toetsing van
1 maart 2001 kan worden bestudeerd.".


ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

(Besluiten ten aanzien waarvan verklaringen voor de Raadsnotulen beschikbaar zijn voor het publiek, zijn aangegeven met een asterisk; de tekst van de verklaring is verkrijgbaar bij de Persdienst.)

ECOFIN

BTW *

De Raad heeft een richtlijn aangenomen tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG - zesde BTW-richtlijn - met betrekking tot de bepaling van degene die tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde gehouden is.

Deze richtlijn strekt tot schrapping, met ingang van 1 januari 2002, van de verplichting die door het stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (BTW-stelsel) aan ondernemers wordt opgelegd, om een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen in lidstaten waarin zij niet gevestigd zijn. Deze richtlijn vormt de eerste grote vereenvoudiging waartoe besloten is in het kader van SLIM (Eenvoudiger regelgeving voor de interne markt). Ze is tevens het eerste concrete resultaat van de door de Commissie in juni 2000 voorgestelde nieuwe BTW-strategie.

De richtlijn bepaalt onder meer het volgende:


- de aanwijzing van een fiscaal vertegenwoordiger, fiscaal agent of gemachtigde kan door de lidstaten niet meer worden verlangd voor Europese ondernemers die handelingen verrichten welke in een andere lidstaat belastbaar zijn ( 1), maar voortaan zal die ondernemers de keus worden geboden;

- de lidstaten zullen de mogelijkheid behouden om te bepalen dat, in het kader van de betrekkingen tussen belastingplichtigen, de ontvanger tot voldoening van de BTW is gehouden (stelsel van verlegging van de heffing);

- niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen die onderdaan zijn van landen waarmee geen enkel rechtsinstrument is overeengekomen waarbij wederzijdse bijstand wordt geregeld zoals deze binnen de Gemeenschap is voorzien, kunnen nog steeds door de lidstaten worden verplicht een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen die in hun plaats tot voldoening van de belasting is gehouden, of een gemachtigde.

Fiscale vertegenwoordiging is een complex, star en zeer kostbaar systeem voor de ondernemers gebleken, en daarmee een ernstige belemmering voor het functioneren van de interne markt. Er zijn thans geen redenen meer om deze beperking te handhaven, omdat er een communautair juridisch kader bestaat waarbij wederzijdse bijstand tussen de lidstaten wordt geregeld.

EXTERNE BETREKKINGEN

ASEM-Top

De Raad heeft nota genomen van een verslag over de voorbereiding van de Top van de ASEM 3 (Seoul, 19-21 oktober 2000).

De top zal beginnen met een informeel diner voor uitsluitend de staatshoofden en regeringsleiders op 19 oktober 's avonds. De openingsplechtigheid van de top vindt plaats op 20 oktober 's ochtends, gevolgd door de eerste zitting, die zal gaan over politieke en veiligheidsvraagstukken; tijdens de tweede zitting (middag van 20 oktober) zal gesproken worden over economische en financiële kwesties; de derde zitting (ochtend van 21 oktober) zal gewijd zijn aan sociale, culturele en andere aspecten.

Betrekkingen met de LMOE's - autonome maatregelen inzake landbouwproducten

De Raad heeft vier verordeningen aangenomen tot vaststelling van bepaalde concessies in de vorm van communautaire tariefcontingenten voor bepaalde landbouwproducten en tot aanpassing, via een autonome overgangsmaatregel, van bepaalde landbouwconcessies die zijn opgenomen in de Europa-overeenkomsten met Tsjechië, Letland, Roemenië en Slowakije.

Zoals bekend heeft de Commissie overeenkomstig de door de Raad op 30 maart 1999 aangenomen richtlijnen met de betrokken derde landen de onderhandelingen over een nieuw Aanvullend Protocol bij de Europa-overeenkomsten afgesloten.

De verordeningen voorzien in de aanpassing, als autonome overgangsmaatregel, van de landbouwconcessies die worden vastgesteld bij de nieuwe Protocollen bij de Europa-overeenkomsten met bovengenoemde landen. Parallel daaraan zullen die landen van hun kant snel en gelijktijdig uitvoering geven aan de aanpassing van de bij die Protocollen vastgestelde landbouwconcessies.

HANDELSPOLITIEK

Antidumping - kathodestraalbuizen voor kleurentelevisietoestellen: India, Republiek Korea / Litouwen, Maleisië en de Volksrepubliek China

De Raad heeft de verordening aangenomen tot instelling van definitieve antidumpingrechten en tot definitieve inning van de voorlopige rechten die zijn ingesteld op de invoer van bepaalde kathodestraalbuizen voor kleurentelevisietoestellen van oorsprong uit India en de Republiek Korea en tot beëindiging van de antidumpingprocedure ten aanzien van invoer van oorsprong uit Litouwen, Maleisië en de Volksrepubliek China.

Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van kathodestraalbuizen voor kleurentelevisietoestellen waarvan de diagonaal van het beeldscherm (met andere woorden het zichtbare gebied van de beeldbuis, gemeten in rechte lijn) meer bedraagt dan 33 cm maar niet meer dan 38 cm, waarvan de verhouding breedte/hoogte van het scherm kleiner is dan 1,5 en de steekafstand (met andere woorden de afstand tussen twee lijnen van dezelfde kleur in het centrum van het scherm) minstens 0,4 mm bedraagt, van oorsprong uit India en de Republiek Korea, die momenteel worden ingedeeld onder GN-code ex 8540 11 11 (TARIC-code 8540 11 11 * 94).

Het definitief antidumpingrecht dat wordt toegepast op de nettoprijzen, franco grens-Gemeenschap, vóór inklaring, bedraagt:

Land

Recht

(%)

India

20,5

Republiek Korea

19,7

Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen inzake douanerecht van toepassing.

De procedure met betrekking tot de invoer van kathodestraalbuizen voor kleurentelevisietoestellen, zoals beschreven onder artikel 1, lid 1, van oorsprong uit Litouwen, Maleisië en de Volksrepubliek China wordt beëindigd.

De bedragen waarvoor zekerheid was gesteld uit hoofde van de voorlopige rechten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 837/2000 op de invoer van oorsprong uit India en de Republiek Korea worden geïnd ten belope van het bij deze verordening definitief vastgestelde recht. De als zekerheid gestelde bedragen die het definitief antidumpingrecht overschrijden dienen te worden vrijgegeven.

De bedragen waarvoor zekerheid was gesteld uit hoofde van de voorlopige rechten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 837/2000 op de invoer van oorsprong uit Maleisië en de Volksrepubliek China dienen te worden vrijgegeven.

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Antidumping - magnesium: Volksrepubliek China

De Raad heeft een verordening aangenomen houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2402/98 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van ruw, niet-gelegeerd magnesium uit de Volksrepubliek China.

In november 1998 stelde de Raad bij Verordening (EG) nr. 2402/98 een definitief antidumpingrecht in op de invoer van ruw, niet-gelegeerd magnesium uit de Volksrepubliek China. De maatregelen namen de vorm aan van:

a) hetzij een variabel recht, gelijk aan het verschil tussen de minimuminvoerprijs van 2622 ecu per ton en de prijs cif grens Gemeenschap, in alle gevallen waarin laatstgenoemde prijs minder bedraagt dan de minimuminvoerprijs, en is vastgesteld op basis van een rekening die is opgesteld door een in de VRC gevestigde exporteur en is gericht aan een niet met deze exporteur verbonden partij. Er wordt geen recht geïnd indien de prijs cif grens Gemeenschap per ton ten minste gelijk is aan de minimuminvoerprijs;
b) hetzij een ad valorem recht, gelijk aan 31,7%, in alle andere gevallen die niet onder a) hierboven vallen.

Op 22 juli 1999 ontving de Commissie een verzoek om een nieuw onderzoek ingevolge artikel 12 van Verordening (EG) nr. 384/96 (hierna "de basisverordening" genoemd). Dit verzoek werd ingediend door het Comité de Liaison des Industries de Ferro-Alliages (Euro Alliages) namens de enige bekende producent van de Gemeenschap van ruw, niet-gelegeerd magnesium, Pechiney Electrométallurgie, Frankrijk, die aanvoerde dat het antidumpingrecht geheel of gedeeltelijk was "geabsorbeerd" en dat de bovenvermelde antidumpingmaatregelen de wederverkoopprijzen of latere verkoopprijzen in de Gemeenschap dus niet of onvoldoende hadden gewijzigd.

Uit het onderzoek is eigenlijk gebleken dat de uitvoerprijs die opnieuw werd samengesteld, is gedaald en dat de dumpingmarge in dezelfde verhouding als deze daling is gestegen. Om rekening te houden met deze toegenomen dumping moeten de antidumpingmaatregelen worden gewijzigd.

Daartoe wordt artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2402/98 vervangen door de volgende tekst:

"2. Het antidumpingrecht is gelijk aan:

a) het verschil tussen de minimuminvoerprijs van 2622 euro per ton en de prijs cif grens Gemeenschap in alle gevallen waarin laatstgenoemde prijs:


- minder bedraagt dan de minimuminvoerprijs (aanvullende TARIC-code A 156), en


- is vastgesteld op basis van een rekening opgesteld door een in de Volksrepubliek China gevestigde exporteur en gericht aan een niet met deze exporteur verbonden partij.

Er wordt geen recht geïnd indien de prijs cif grens Gemeenschap per ton gelijk is aan of meer bedraagt dan de minimuminvoerprijs;

b) een ad valorem recht van 63,4% in alle andere gevallen die niet onder a) vallen (aanvullende TARIC-code 8900).".

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Antidumping - hulpstukken voor buisleidingen van ijzer of van staal: Taiwan

De Raad heeft de verordening aangenomen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 763/2000 tot uitbreiding van het definitief antidumpingrecht dat werd ingesteld bij Verordening (EG) nr. 584/96 op de invoer van bepaalde hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van bepaalde hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, verzonden uit Taiwan, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Taiwan en tot beëindiging van het onderzoek ten aanzien van de invoer van drie Taiwanese exporteurs.

Bij Verordening (EG) nr. 763/2000 werd het definitief antidumpingrecht van 58,6% dat was ingesteld bij Verordening (EG) nr. 584/96 uitgebreid tot de invoer van hetzelfde product, verzonden uit Taiwan, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Taiwan, met uitzondering van producten die door de drie medewerkende Taiwanese exporteurs werden vervaardigd en uitgevoerd. Het is een vaste gewoonte van de communautaire instellingen antidumpingmaatregelen individueel toe te passen met betrekking tot goederen die door individuele ondernemingen worden vervaardigd. Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 763/2000 beperkt de vrijstelling van de uitbreiding van de rechten tot producten die door de drie medewerkende Taiwanese exporteurs in kwestie worden vervaardigd en rechtstreeks naar de Gemeenschap worden verkocht. Op basis van de conclusies van het relevante onderzoek lijkt het juist dat de vrijstelling betrekking heeft op alle verkoop voor uitvoer van het product dat door de betrokken exporteurs wordt vervaardigd, ongeacht of deze uitvoer rechtstreeks plaatsvindt of via een derde partij. Artikel 1 van voornoemde verordening dient derhalve te worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat de vrijstelling van toepassing is op producten die worden vervaardigd door de drie medewerkende Taiwanese producenten, ongeacht de identiteit van de handelaar die verantwoordelijk is voor de uitvoer van de goederen naar de Gemeenschap.

Daartoe wordt artikel 1, lid 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 763/2000 vervangen door:

"1. Het bij Verordening (EG) nr. 584/96 ingestelde definitief antidumpingrecht op de invoer van bepaalde hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal ingedeeld onder GN-codes ex 7307 93 11 (TARIC-code 7307 93 11 90), ex 7307 93 19 (TARIC-code 7307 93 19 90), ex 7307 99 30 (TARIC-code 7307 99 30 91) en ex 7307 99 90 (TARIC-code 7307 99 90 91) van oorsprong uit de Volksrepubliek China, wordt hierbij uitgebreid tot de invoer van dezelfde hulpstukken die zijn verzonden uit Taiwan (al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Taiwan) (aanvullende TARIC-code A999), met uitzondering van hulpstukken die zijn geproduceerd door Chup Hsin Enterprise Co. Ltd, Kaohsiung (Taiwan) (TARIC aanvullende code A098), Rigid Industries Co., Ltd, Kaohsiung (Taiwan) (TARIC aanvullende code A099) en Niang Hong Pipe Fittings Co., Ltd, Kaohsiung (Taiwan) (TARIC aanvullende code A100).


2. Het bij lid 1 uitgebreide recht wordt geïnd voor de overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1683/1999 en de artikelen 13, lid
3, en 14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 384/96 geregistreerde invoer, met uitzondering van producten die zijn geproduceerd door de in lid 1 genoemde ondernemingen.".

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Zij is van toepassing met ingang van 15 april 2000.

ACS - Stabex en Sysmin

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan het standpunt dat de Gemeenschap in het kader van het ACS-EG-Comité van Ambassadeurs zal innemen met het oog op een besluit tot vaststelling van een reserve voor de financiering van Stabex- en Sysminbesluiten voor de periode van 2 augustus tot 31 december 2000.

Het eindbedrag van de reserve zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, onder b), van Besluit nr. 1/2000 van de ACS-EG-Raad van Ministers van 27 juli 2000 betreffende overgangsmaatregelen die geldig zijn van 2 augustus 2000 tot de inwerkingtreding van de
ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst, beloopt:

euro

a) STABEX


- mogelijke transfers voor de toepassings-

jaren 1998 en 1999 168.000.000


- mogelijke terugstorting van resterende bedragen
in het kader van het tweede financiële protocol

(artikel 195, onder a), van de overeenkomst) 72.000.000

b) SYSMIN


- bedrag van de uiterlijk op 31 december 2000
vast te leggen verrichtingen waarvoor vóór


1 augustus 2000 een steunaanvraag is ingediend 55.000.000

c) EINDBEDRAG VAN DE RESERVE 295.000.000

MILIEU

Ozonlaag - Protocol van Montreal

De Raad heeft een besluit aangenomen betreffende de sluiting van de wijziging van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken. Dit besluit strekt tot goedkeuring van de derde wijziging van het protocol van Montreal, waartoe werd besloten in 1997 en waarvan de tekst aan het besluit is gehecht.

De Gemeenschap is partij bij het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag en het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken. In het kader van dat Protocol werd in september 1997 te Montreal tot een derde wijziging van het Protocol van Montreal besloten. Deze wijziging is bedoeld om het toezicht op de handel in stoffen die de ozonlaag afbreken aan te scherpen. Daarnaast worden er maatregelen ingesteld voor extra toezicht op en beperking van de handel in die stoffen, met name wat methylbromide betreft.

De Raad had de afronding van de wijziging uitgesteld totdat er overeenstemming zou worden bereikt over de communautaire verordening betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken. Die is op 16 juni 2000 aangenomen en op 29 september 2000 in het Publicatieblad bekendgemaakt. Die verordening zet de voorschriften van de wijziging van het Protocol van Montreal in communautaire wetgeving om en gaat zelfs verder dan deze.

REKENKAMER

Speciaal verslag nr. 9/99 van de Rekenkamer met betrekking tot onderzoeksacties op het gebied van landbouw en visserij (FAIR) - conclusies

Ingevolge de conclusies van de Raad van 8 mei 2000 over de verbetering van de behandeling van de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de kwijtingprocedure, heeft de Raad akte genomen van speciaal verslag nr. 9/99 van de Rekenkamer met betrekking tot onderzoeksacties op het gebied van landbouw en visserij (FAIR) en de volgende conclusies aangenomen:

"De Raad neemt nota van de algemene conclusie van de Rekenkamer dat betere beheersstructuren en -methoden nodig zijn, met name bij de Commissiediensten, wil de belangrijke bijdrage van het specifiek programma FAIR aan het onderzoek op landbouwgebied optimaal renderen. Derhalve spreekt de Raad tegen de achtergrond van deze kritiek van de Rekenkamer zijn voldoening uit over de inspanningen die de Commissie heeft geleverd, voornamelijk bij het 5e kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling en de uitvoering van het programma "kwaliteit van het bestaan" dat het vervolg is op het specifiek programma FAIR, om de transparantie en de doeltreffendheid van de informatiesystemen voor de gebruikers (de contractanten) en de overige actoren die met dit specifieke programma te maken hebben, te vergroten.

Voorts erkent de Raad dat de Commissie, sedert het verschijnen van het speciaal verslag van de Rekenkamer heeft getracht de kwaliteit van de overeenkomsten en andere praktische en administratieve aspecten in verband met de programma's voor wetenschappelijk en technisch onderzoek in het algemeen, te verbeteren. Hij onderstreept met name de inspanningen op het gebied van wetenschappelijk en technisch onderzoek, landbouw en visserij.

De Raad erkent dat de tijdige evaluatie van het onderzoeksprogramma FAIR van groot belang is aangezien de opgedane ervaring nu kan worden verwerkt in de toekomstige programma's.

Voorts wijst de Raad erop dat de coördinatie tussen de drie verschillende directoraten-generaal van de Commissie die belast zijn met de uitvoering van het FAIR-programma, moet worden verbeterd, zoals in het verslag van de Rekenkamer wordt aangegeven. In dit verband erkent hij dat de situatie in de context van het 5e kaderprogramma grotendeels verholpen is, door middel van reorganisatie van de betrokken Commissiediensten en de instelling van een comité van directeuren. De synergie met de directoraten-generaal Landbouw en Visserij moet evenwel gehandhaafd worden, zodat rekening kan worden gehouden met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en het gemeenschappelijk visserijbeleid.

De Raad erkent tevens dat er nu in de eerste plaats een oplossing moet komen voor de problemen in verband met de coördinatie op een meer algemeen niveau, met name de coördinatie met en de uitwisseling van informatie over andere communautaire beleidsterreinen en de programma's van de lidstaten op het gebied van wetenschappelijk en technisch onderzoek. In het kader van de toekomstige besprekingen over de vijfjaarlijkse evaluatie van de onderzoeksactiviteiten, de totstandbrenging van de Europese onderzoeksruimte en het toekomstige kaderprogramma, zal hij deze aspecten alsmede het aspect evaluatie in nauwe samenwerking met de Commissie bestuderen.".

Footnotes:

( 1) Behalve in het bijzondere geval van de facultatieve vereenvoudigde procedures op grond van artikel 16 van de zesde BTW-richtlijn als voorwaarde om voor die procedures in aanmerking te komen.


reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie