Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Tinbergenlezing door minister Vermeend

Datum nieuwsfeit: 18-10-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Zoek soortgelijke berichten

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

www.minszw.nl

SZW: Tinbergenlezing door minister Vermeend DEEL II

Sheet 5

Een tweede onderwerp betreft de sociale cohesie. Een van de hoofdonderwerpen van de EU-top in Lissabon. De beste weg naar 'social inclusion' is, althans voor degenen die qua leeftijd en gezondheid daarvoor in aanmerking komen, arbeidsparticipatie. Sociale cohesie wordt dan bereikt als men èn participeert èn een inkomen geniet dat als adequaat kan worden ervaren.

De armoedeval vormt hierbij echter een obstakel. Ik heb het dan over een fenomeen dat helaas in de afgelopen jaren sterk aan betekenis heeft gewonnen. Een armoedeval beschrijft de situatie dat betaalde arbeid te weinig loont. Dat kan werkenden betreffen, zoals dat met name in de Angelsaksische landen voorkomt. Het gaat dan om de zogenaamde 'working poor'. Maar het kan ook uitkeringsgerechtigden betreffen, namelijk wanneer de overgang van een uitkering naar een betaalde baan niets of weinig extra.s oplevert. Het ligt voor de hand om te denken dat landen met hoge uitkeringen daarom veel last hebben van de armoedeval. Maar dit blijkt niet het geval: het hele OECD-gebied kampt hier met grote problemen. Maar ook in het wat meer egalitaire EU-gebied is armoede een probleem. In de meeste landen neemt, voor de bevolking jonger dan 65 jaar, de armoede toe.

Het bevorderen van sociale cohesie voor inactieven vergt een beleid dat aan twee eisen voldoet: enerzijds betaald werk, anderzijds een loon dat hoog genoeg is om volwaardig maatschappelijk te kunnen participeren. Helaas is het zo dat tussen beide doelstellingen een spanning bestaat. Er is een trade-off tussen de hoeveelheid banen en de loonshoogte: hoe meer van het een, hoe minder van het ander.

Beide aspecten, loonshoogte en kans op een baan, zijn door Edmund Phelps verenigd in wat hij noemt de 'inclusion frontier', zijnde het relatieve loon van de laagstbetaalden gezien in combinatie met de duur die de laagstbetaalden werkloos zijn. Dat wil zeggen dat beide aspecten op deze manier tot uitdrukking worden gebracht. Phelps constateert dat deze 'inclusion frontier' in veel West-Europese landen verslechtert: zowel door toenemende inkomensongelijkheid als oplopende werkloosheid. Deze verslechtering tekent zich extra duidelijk af voor laagopgeleide vrouwen, en dan weer in heviger mate voor de alleenstaanden onder hen.

We kunnen deze uitruil een tijd lang ontgaan door het fiscaal instrumentarium gericht in te zetten. In ons land kennen we enerzijds een werkgeverssubsidie voor laagbetaalden (de specifieke afdrachtskorting) en anderzijds de arbeidskorting die op 1 januari wordt ingevoerd. Om aan het dilemma van de trade-off te ontsnappen, staat uiteindelijk maar één weg open: het verhogen van de verdiencapaciteit van de laagste inkomenscategorieën. Dit vergt een omvangrijke investeringsslag in het onderwijs voor deze groepen. Een lage opleidingsgraad is vaak het gevolg van weinig belangstelling voor onderwijs. Er zal dan ook gezocht moeten worden naar de meest aansprekende opleidingsvormen. Zelfs het welvarende Nederland telt nog vele drop-outs uit het basisonderwijs. In de vier grote steden heeft een kwart van de jongeren geen diploma van het voortgezet onderwijs gehaald.

Voor wat betreft de Nederlandse context is de armoedeval een wezenlijke bottleneck om de 'inclusion frontier', te verbeteren. Ter gelegenheid van Prinsjesdag heeft het Kabinet al een aantal maatregelen aangekondigd. Bovendien loopt dit onderwerp mee in de al genoemde vervolgstudie naar fiscale vernieuwingen.

Sociale cohesie kan dus bereikt worden via participatie. Maar degenen die daarvoor, vanwege leeftijd of fysieke omstandigheden, niet in aanmerking komen, zullen op een andere wijze bereikt moeten worden. Zowel in financiële zin, als wat betreft de maatschappelijke integratie zal voor deze groep 'social inclusion' moeten worden verkregen. Volgens de meest recente inzichten is deze opgave verre van eenvoudig. Niettemin slagen we er in Nederland in deze problematiek te verminderen, zij het met bescheiden stappen.

Individualisering komt ook tot uitdrukking in de arbeidsverhoudingen. Individuele elementen hebben een steeds grotere impact op de arbeidsbeloningen. Dit valt samen met de tendens in het bedrijfsleven om werknemers te belonen op grond van hun individuele marginale product. Enkele decennia geleden was dit meten van persoonlijke prestaties veel minder aan de orde. Als een bedrijf rendabel was, gold dat voor alle werknemers, ook degenen die, zoals portiers en liftboys, een loon ontvingen dat hoger lag dan hun marginale product.

Nu vinden bedrijfseconomische calculaties meer en meer gedecentraliseerd plaats. Men kijkt naar afzonderlijke bedrijfsonderdelen en daarbinnen naar individuele prestaties. De arbeidsmarkt wordt voor individuen hierdoor transparanter, wat samen met de liberalisering van de arbeidsmarkten in veel landen een verhoogde arbeidsmobiliteit heeft teweeggebracht.

Differentiatie en maatwerk in de arbeidsvoorwaarden worden vaak genoemd als antwoord op de vragen die de individualisering op dit terrein vergt. Ook zullen arbeidsverhoudingen veranderen door de sectorale verschuiving van industrie naar diensten. In ons land bevinden, zoals ik al zei, nagenoeg alle deeltijdbanen zich in de dienstensector. Ook is de baanmobiliteit sterk toegenomen, tegelijk met de groei van de dienstensector. Employability is daardoor van toenemend belang.

Maar het belangrijkste kenmerk van de dienstensector is de opleidingsintensiteit. De inschakeling van hogeropgeleiden en academisch gevormden is in de dienstensector aanmerkelijk groter dan in de overige sectoren van de economie. Voor laagopgeleiden zal het dus moeilijker worden om in deze sector aansluiting te vinden dan in de industriële sector. Zeker wanneer de ICT volop zijn intrede doet, zullen de kwaliteitseisen voor potentiële werknemers stijgen.

Baanmobiliteit betekent, zo is althans in de Amerikaanse economie het geval, geenszins baanverbetering. Integendeel, in de VS zijn er per saldo meer mensen slechter af na baanverandering dan beter. En juist de laagopgeleiden ondervinden relatief veel nadelen van baanmobiliteit.

In Nederland zien wij dit verschijnsel niet optreden. Het wisselen van baan gaat hier als regel wel gepaard met beloningsverbetering. Maar als de inschakeling van laagopgeleiden toeneemt en wanneer de technologische eisen die men aan werknemers stelt toenemen, zal dat er toe kunnen leiden dat opwaartse arbeidsmobiliteit minder vanzelfsprekend wordt. We moeten hierop dus wel blijven toezien, willen we ervan verzekerd zijn dat de arbeidsparticipatie van deze groep op een hoger niveau wordt gebracht.

Om beide punten, een inkomensverbeterende mobiliteit en een aansluiting bij de hogere opleidingseisen te verkrijgen, zullen mensen zich beter moeten toerusten met een adequaat pakket van kennis en vaardigheden. Lifelong learning lijkt hierop het passende antwoord. Maar tegelijkertijd kampen we in Europa ook met een fors probleem van vroegtijdige schoolverlaters. Voor deze categorie is lifelong learning nog in hoge mate toekomstmuziek. In de beleidsintensiveringen voor de komende periode moet hier dan ook de nodige ruimte voor worden vrijgemaakt.

Bij de factor tijd doen zich ook opmerkelijke ontwikkelingen voor. We zullen ons er bewust van moeten zijn dat die ontwikkelingen het streven naar meer participatie kunnen belemmeren. Ondanks het feit dat de officiële werktijden voortdurend dalen en we nu in ons land als regel een werkweek zien van 36 uur, blijkt dat de hoeveelheid vrije tijd afneemt. Naarmate werknemers bereid zijn om meer betaalde en onbetaalde arbeidsuren in te zetten, komen ze in aanmerking voor banen met hogere salariëringen. Is men eenmaal met het consumptiepatroon dat daarmee kan worden bereikt vertrouwd geraakt, dan blijkt het zeer moeilijk te zijn zich te onttrekken aan deze zogenaamde 'work-and-spend-cycle'.

Zo zien we dat in Nederland ondanks de werktijdverkorting van veertig naar 36 uur en ondanks de stijging van deeltijdarbeid, werkende mannen in 1995 zo.n 6% meer tijd aan hun baan besteedden dan in 1980 het geval was. Gelijktijdig is mede door de internationale concurrentie de druk op een verhoging van de arbeidsproductiviteit sterk toegenomen. Gevolg hier is dat de stress die men ervaart belangrijk is gestegen, hetgeen een extra belasting vormt: men werkt meer uren gedurende welke men harder moet werken.

Ook zijn er veranderingen in de duur van het arbeidzame leven. De toename van de opleidingsduur leidt ertoe dat men op hogere leeftijd tot de arbeidsmarkt toetreedt, terwijl uittreedmogelijkheden eraan bijdragen dat men die weer op vroegere leeftijd verlaat. Het arbeidzame leven speelt zich dus in een steeds kortere fase af. Een fase waarin men ook nog kinderen krijgt en opvoedt. Het maken van carrière, het opvoeden van kinderen en het verwerven van een oudedagsvoorziening, wordt geconcentreerd in een veel kortere periode dan enkele decennia geleden. De extra belasting die hiermee gepaard gaat, vormt voor een deel een verklaring van de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen.

Het blijkt dus dat, ondanks de stijgende welvaart, de hoeveelheid vrije tijd steeds afneemt. In een steeds korter wordende levensfase belasten we ons met een voortdurend oplopende arbeidstijd per week. Dat kan niet goed blijven gaan. Het feit dat we langere leerwegen afleggen in onze jeugdjaren, leent zich niet voor aanpassing. Maar het vanaf ons 55-ste levensjaar verlaten van de arbeidsmarkt, zoals de meesten doen, wel.

De druk die door de optelsom van arbeids- en zorgtaken nu op mensen komt te staan, leidt er ook toe dat men het arbeidsproces verlaat, of opteert voor korte werktijden. Daarnaast is er ook de druk die we ons laten welgevallen omdat de toenemende werktijd ook gepaard gaat met een hoger inkomen. Het blijkt moeilijk te zijn om de wens tot steeds meer consumptiemogelijkheden een halt toe te roepen. Dit is niet alleen in de VS waargenomen, maar evenzeer in ons land.

Een andere consequentie van de steeds toenemende werkdruk en de wens tot individuele carrières, is de daling van geboortencijfers. Dit komt ook tot uitdrukking in de samenstelling van huishoudens. Terwijl in Zuid-Europese landen het aantal éénpersoonshuishoudens in procenten van de beroepsbevolking nog heel laag is, in Spanje b.v. ca. 4%, beloopt dit in Scandinavische landen al meer dan 20%. Het is problematisch als de combinatie van het vervullen van een kinderwens en het volgen van een carrière als een onrealistische zou worden beschouwd en toch zijn er niet weinigen die menen dat het hier om twee moeilijk verenigbare zaken gaat.

In hoog tempo zijn de afgelopen jaren initiatieven genomen om de combinatie van arbeid en zorg gemakkelijker te maken. Maar er zijn nog vele verbeteringen nodig. Verbeteringen die, zo toont de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid aan, ook bijdragen aan verbetering van de participatie. Dit thema van de tijdsbesteding, de lengte van het arbeidzame leven en de mogelijkheden om arbeids- en zorgtaken te combineren lijkt dus van cruciaal belang voor de participatiegraad.

Ondanks de vele aanzetten die zijn gemaakt om een beleid te voeren om juist op deze terreinen de participatie mogelijk te maken, lijkt het vooralsnog te ontbreken aan een geïntegreerde benadering van deze complexe vraagstukken. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de wijze waarop perioden van langdurig zorgverlof van invloed zijn op de opbouw van pensioenrechten en de aanspraak op sociale zekerheid.

Dan wil ik nu nog enkele opmerkingen maken over de inkomensverdeling. Deze immers vertoont ook wisselwerkingen met het participatiebeleid.

Want bij de inkomensverdeling voltrekt zich een opmerkelijk fenomeen. Na vele decennia van onafgebroken nivellering neemt in de jaren tachtig en negentig de inkomensongelijkheid weer toe. Nederland vormt in dit opzicht geen uitzondering, al is de ontwikkeling hier wel gematigd. Overigens is in recenter jaren een nadrukkelijker plaats voor gerichte armoedebestrijding in het beleid ingeruimd geweest. Dat beleid heeft ook vruchten afgeworpen. In de afgelopen twee jaar is het aantal huishoudens met een laag inkomen met 130.000 gedaald.

Op de inkomensverdeling zijn twee krachten werkzaam. Enerzijds kan de inkomensverdeling veranderen door wijzigingen in de primaire inkomensverdeling. Dan gaat het om de bruto arbeidsinkomens, ofwel de zgn. marktinkomens; inkomens zoals die op de arbeidsmarkt tot stand komen. Anderzijds kan deze wijzigen onder invloed van het overheidsoptreden. Hierbij moet men denken aan belasting- en premie-afdrachten aan de ene kant en inkomensoverdrachten uit hoofde van de sociale zekerheid aan de andere kant.

Van 1950 tot omstreeks 1980 had het overheidsoptreden een fors nivellerend effect, terwijl de primaire ontwikkeling nogal neutraal uitwerkte. In de laatste twee decennia is het eerder andersom; een denivellerende primaire ontwikkeling en een min of meer neutraal overheidsbeleid.

Heeft de ontwikkeling van de marktinkomens een economische achtergrond of een economische ratio?

Economische verklaringen hebben te maken met structurele sectorale verschuivingen en technologische veranderingen, waardoor de vraag naar hoger opgeleiden toeneemt. Maar het is niet zo, zoals wel wordt beweerd, dat inkomensverschillen bijdragen aan de werkgelegenheidsgroei. De toegenomen inkomensongelijkheid in de bruto inkomens kent zowel economische als sociale achtergronden en die laatste hangen simpelweg samen met verschuivende sociale normen.

Het is al weer jaren geleden dat de stelling dat economische groei zou zijn gebaat bij inkomensongelijkheid, instemming ontmoette. Recentelijk wordt veeleer gewezen op de schadelijke effecten van divergerende inkomensontwikkelingen.

Een aantal factoren is daarbij van belang. Ten eerste zijn er empirische studies die duiden op een negatief verband tussen inkomensongelijkheid en economische groei. Voorts blijkt inkomensherverdeling via onderwijs, gezondheidszorg en armoedebestrijding profijtelijk uit te werken op het investeringsklimaat. Duidelijk is ook dat niet-marktconforme inkomensverschillen geen nuttig economisch effect sorteren. En tenslotte levert een inkomensverdeling die tegemoet komt aan de maatschappelijke normen sociale stabiliteit op, met eveneens gunstige economische effecten.

Met name in ons land, waar we een lange traditie hebben van beperkte inkomensverschillen, zouden divergenties schadelijk kunnen uitwerken. Ten eerste vanwege de repercussies op de loonontwikkeling. Ten tweede omdat de mogelijkheden voor opzienbarende uitgaven, voor 'conspicious consumption' in ons dichtbevolkte land niet gemakkelijk realiseerbaar zijn en het nog maar de vraag is hoe wenselijk we dat zouden vinden. Ten derde omdat het de eerder genoemde 'work-and-spend-cycle' stimuleert, met de schadelijke effecten ervan die we reeds aanstipten.

De economische oorzaak is te herleiden tot een kwestie van vraag en aanbod. De sectorale verschuiving vergt, zo hebben we gezien, steeds meer hoger opgeleiden. Als het aanbod achterblijft, zullen de inkomens van de hoger opgeleiden stijgen. We zullen dus de inspanningen op het terrein van onderwijs ook moeten richten op het verbeteren van het aanbod van hoger opgeleiden.

De discrepantie op de arbeidsmarkt tussen vraag- en aanbodverhoudingen voor lager- en hogeropgeleiden kan ook worden afgelezen uit de aantallen openstaande vacatures in vergelijking tot de aantallen werkzoekenden.
Sheet 6

Uit de tabel blijkt dat waar het aantal werkzoekenden met basis-, mavo- en havo- of vwo-onderwijs een veelvoud bedraagt van het aantal vacatures, dit voor hbo en vwo veel minder het geval is. En het relatieve aanbodexcedent, het overschot aan aanbod ten opzichte van de vraag, beloopt voor laagopgeleiden vele procenten, tegenover slechts ongeveer één procent voor hogeropgeleiden.

Ik heb gesproken over de betekenis van arbeidsdeelname voor de bestrijding van de kosten van vergrijzing. Ik heb het belang onder uw aandacht gebracht van goed employabilitybeleid en van een beleid op het gebied van arbeid en zorg om de participatie van laagopgeleide vrouwen te bevoordelen. En ik heb gewezen op de grote bijdrage die activering van mensen in sociale zekerheidsregelingen kan betekenen.

Het is interessant te zien welke effecten er ontstaan als we erin slagen op deze terreinen de participatie via beleidsintensiveringen sterker te verhogen dan bij ongewijzigd beleid verwacht mag worden. De Nederlandse economie heeft de afgelopen jaren al eerder voor verrassingen gezorgd, dus waarom zouden we ook voor de toekomst onze ambities niet hoog houden?

Om duidelijk te maken wat de effecten van hogere participatie zouden kunnen zijn, laat ik u enkele cijfers zien van een rekentechnische variant die aansluit bij de CPB-projectie van ongewijzigd beleid in de jaren 2001 tot 2020.

Sheet 7

Bij de variant is verondersteld dat het aantal inactieven de komende twee decennia minder oploopt. Bij ongewijzigd beleid zou er immers sprake zijn van een forse stijging, wat begrijpelijk is, omdat de participatie toeneemt en dus meer mensen in beginsel een beroep zullen doen op sociale verzekeringsuitkeringen en omdat de beroepsbevolking veroudert. Om deze redenen stijgt het beroep op de sociale zekerheid met 440.000 personen.

Wat zouden de effecten zijn als we deze stijging weten te halveren?

Dat zien we in de volgende sheet.

Sheet 8

Door de hogere participatie zal de economische groei in 2020 uiteindelijk cumulatief 3% hoger uitkomen. Door het geringe beroep op de sociale zekerheid zullen de uitgaven daarvoor dalen. We veronderstellen dat de uitgaven voor onderwijs en de overige uitgaven meegroeien met het BBP. Per saldo zien we dat de publieke sector wat ontvangsten en uitgaven betreft een gunstiger saldo van bijna 1% van het BBP vertoont ten opzichte van ongewijzigd beleid.

Met andere woorden: Als er middelen nodig zijn om verhoogde participatie te bewerkstelligen, zullen er bij succesvol beleid ook baten zijn waardoor die extra middelen geneutraliseerd kunnen worden.

Ik kom tot een afronding van mijn betoog. Op de gebieden van de sociale zekerheid en de volksgezondheid zijn belangrijke beleidsintensiveringen nodig. Hetzelfde geldt voor de sociale cohesie. Het blijkt dat arbeidsparticipatie voor veel van de hierboven genoemde problemen zowel doel als middel is.

Sheet 9
Doel, waar het gaat om het verkrijgen van 'social inclusion'. Middel, als het gaat om versterking van het economisch draagvlak. Naast het beleid gericht op het combineren van arbeid en zorg, lijkt onderwijs een belangrijke positie in te nemen om een hogere participatie te bereiken, met name waar het gaat om het vergroten van de verdiencapaciteit van laagbetaalden. Maar ook om het aanbod van hoogopgeleiden te verbeteren en voor een meer gelijke inkomensverdeling is een extra onderwijsinspanning nodig. Onderwijs vervult dus een belangrijke rol omdat het aangrijpt op een drietal cruciale terreinen: de sociale cohesie, de participatie en de inkomensverdeling.

De relatie tussen onderwijs en inkomensverdeling lijkt inmiddels heel vanzelfsprekend, maar de helderheid van dit mechanisme hebben we op de eerste plaats te danken aan Jan Tinbergen die dit fenomeen, in relatie tot de technologische vooruitgang, zo helder heeft uiteengezet. Jan Tinbergen was een eminent geleerde maar ook een praktische geest die heel goed begreep dat theoretici slechts betekenis hebben wanneer hun onderzoeksresultaten vertaald kunnen worden naar de dagelijkse politiek.

Het is in zijn geest dat de Tinbergen-lezingen worden verzorgd door zowel academici als politici hiervoor uit te nodigen. Het was me een groot genoegen in deze laatste hoedanigheid het woord te mogen voeren.
Een dialoog tussen de wetenschap en de politiek is wederzijds profijtelijk.


- LET OP EMBARGO -

18 okt 00 18:00

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie