Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Vijfde jaarrapport armoede en sociale uitsluiting

Datum nieuwsfeit: 31-10-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Sociaal en Cultureel Planbureau
Zoek soortgelijke berichten
Sociaal en Cultureel Planbureau


Persbericht

Balans van het armoedebeleid

Vijfde jaarrapport armoede en sociale uitsluiting. Onder redactie van G. Engbersen, J.C. Vrooman en E. Snel. (ISBN 90 5356 468 3)

Dit is geen SCP publicatie, meer informatie bij de Amsterdam University Press

Aangeboden op 31 oktober 2000 aan Minister Vermeend (SZW)

Ondanks het gevoerde armoedebeleid bleef het aantal huishoudens in Nederland met een inkomen onder of rond het sociaal minimum gedurende de jaren negentig min of meer gelijk. Het aantal huishoudens onder de (wat hogere) lage-inkomensgrens daalde echter wel.

De samenstelling van de groep armen is in de jaren negentig gewijzigd: minder ouderen, meer kinderen en jongeren, meer werkenden, meer door vrouwen geleide huishoudens (waaronder eenoudergezinnen) en een sterke oververtegenwoordiging van minderheden.

De Nederlandse overheid besteedde tussen 1995 en 1998 ruim 1 miljard gulden aan armoedebeleid. De effecten van het gevoerde ondersteuningsbeleid stemmen gematigd optimistisch. Het aantal huishoudens met een langdurig laag inkomen daalde licht, de vaste lasten voor huishoudens onder de lage inkomensgrens zijn met 1 procentpunt gedaald, en het niet-gebruik van huursubsidie is wellicht afgenomen.

Het lokale armoedebeleid vertoont grote verschillen per gemeente die niet herleid kunnen worden tot lokale variaties in de ernst van de armoedeprobleem. Geschat wordt dat de bijzondere bijstand en kwijtschelding van lokale lasten tezamen een vermindering van het inkomenstekort van arme huishoudens opleveren met circa 15 procent.

De daling van het percentage lage inkomens heeft in de tweede helft van de jaren negentig geen gelijke tred gehouden met de enorme werkgelegenheidsgroei in Nederland. Dit komt doordat de meeste nieuwe banen niet bij arme huishoudens terechtkwamen, maar bij tweeverdieners en nieuwkomers op de arbeidsmarkt die voordien al niet arm waren.

Ongeveer 40.000 huishoudens konden dankzij het gerichte arbeidsmarktbeleid (sociale werkvoorziening, additionele werkgelegenheid, enz.) aan armoede ontsnappen. De mogelijkheden om door arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid de armoede terug te dringen zijn dus beperkt. Het beleid gericht op verhoging van de arbeidsparticipatie moet ondersteund worden door aanvullend inkomensbeleid.

Uit intensief onderzoek onder arme huishoudens blijkt dat de betekenis van het formele armoedebeleid begrensd is. Arme huishoudens ontwikkelen een specifieke mix aan strategieën, waarbij sommigen vooral profijt hebben van het formele armoedebeleid en anderen van de informele economie of van ondersteunende netwerken. Autochtone huishoudens profiteren meer van het formele armoedebeleid, allochtone huishoudens (waaronder veel eenoudergezinnen) ontlenen veel informele steun aan hun sociale netwerken.


1. Ontwikkeling van armoede


Armoede is een hardnekkig probleem. Ondanks de gunstige economische ontwikkeling en het gevoerde armoedebeleid bleef het aantal huishoudens in Nederland met een inkomen onder of rond het sociaal minimum gedurende de jaren negentig min of meer gelijk (10,6 procent van alle Nederlandse huishoudens). Het aantal huishoudens onder de (wat hogere) lage-inkomensgrens is tussen 1996 en 1998 wel wat afgenomen (van 15,7 procent in 1996 tot 14,3 procent in 1998). Het aantal ouderen met een laag inkomen daalde naar verwachting (vooral dankzij de verhoging van de ouderenaftrek), maar het aantal werkenden met een laag inkomen stijgt. Het aantal uitkeringsgerechtigden met een laag inkomen daalde eveneens, maar dat heeft eerder te maken met de dalende werkloosheid dan met het gevoerde inkomensbeleid.

De samenstelling van de groep armen verandert. Vooral ouderen hebben geprofiteerd van het in de afgelopen jaren gevoerde armoedebeleid. Terwijl het aantal arme ouderen daalde, steeg het aantal kinderen en jongeren in minimumhuishoudens (tussen 1990 en 1998 met 50 duizend, of te wel 15 procent). Verder is sprake van een groeiend aantal werkenden met een laag inkomen. Ook het aantal door vrouwen geleide huishoudens (waaronder eenoudergezinnen) neemt langzaam toe. Minderheden zijn sterk oververtegenwoordigd onder de armoedegrens. De kans op armoede is bij allochtonen driemaal (bij Surinamers) tot meer dan viermaal (bij Marokkanen) zo hoog als bij autochtone Nederlanders. Het aantal minimumhuishoudens van werkenden en van WAO-ers is de laatste jaren licht gestegen.


2. Armoedebeleid en inkomensontwikkeling

De Nederlandse overheid besteedde tussen 1995 en 1998 ruim 1 miljard gulden aan armoedebeleid, waarvan tweederde aan generieke maatregelen (verhoging van de ouderenaftrek en kinderbijslag, wijziging van de individuele huursubsidie) en eenderde voor specifiek armoedebeleid, veelal uitgevoerd door gemeenten (bijzondere bijstand, kwijtschelding lokale heffingen, enzovoort). De generieke maatregelen werden met name ingezet om de koopkracht van bijzondere groepen te verbeteren, de vaste lasten te drukken en het niet-gebruik van huursubsidie te verminderen. Op al deze terreinen zijn positieve ontwikkelingen te melden, die een gematigd optimisme rechtvaardigen over het gevoerde ondersteuningsbeleid. Zo is het aantal huishoudens met een langdurig laag inkomen in de periode 1994-1998 licht gedaald (van 6,8 procent naar 6,2 procent), zijn de vaste lasten voor huishoudens onder de lage inkomensgrens met 1 procentpunt gedaald, en lijkt het niet-gebruik van huursubsidie te zijn afgenomen. Over dit laatste bestaat overigens nog geen zekerheid. De wijziging van de huursubsidiewet in 1997 heeft immers tot een ruimere kring van rechthebbenden geleid, waarvoor nog geen gegevens beschikbaar zijn. De gunstige ontwikkeling van de vaste woonlasten als aandeel van het totale inkomen lijkt verder niet alleen het gevolg van de gematigde huurontwikkeling maar ook van de gunstiger inkomensontwikkeling.


3. Lokaal armoedebeleid

Het lokale armoedebeleid heeft redelijk wortel geschoten, al bestaan er zeer grote verschillen tussen gemeenten die niet tot lokale variaties in de ernst van het armoedeprobleem herleid kunnen worden. De ene gemeente geeft per minimumhuishouden veel meer geld uit aan armoedebeleid dan de andere. Over het effect van deze maatregelen is weinig bekend, vooral omdat weinig bekend is over eventueel niet-gebruik. Dat deze voorzieningen een positief effect op de koopkracht van huishoudens hebben, staat echter buiten kijf. Geschat wordt dat de bijzondere bijstand en kwijtschelding van lokale heffingen tezamen een vermindering van het inkomenstekort van lage-inkomensgroepen opleveren van 15 procent. Dit betekent een koopkrachtverbetering van rond 5 procent.


4. Banengroei en hardnekkige en armoede

Ondanks de record-werkgelegenheid in Nederland in de tweede helft van de jaren negentig is het percentage armen onder de bevolking slechts weinig gedaald. De verklaring voor deze paradox is, dat de meeste nieuwe banen niet terecht zijn gekomen bij arme huishoudens, maar bij tweeverdieners en nieuwkomers op de arbeidsmarkt die voordien al niet arm waren. Verder groeit het aantal werkenden met een laag inkomen. Naast zelfstandigen betreft dit met name jonge alleenstaande werknemers. Veel jonge werklozen hebben inmiddels werk gevonden, maar konden daarmee niet boven de lage inkomensgrens uitklimmen Ook is er een groeiend aantal studenten zonder studiefinanciering, die van betaald werk moeten rondkomen.

Naast het algemene werkgelegenheidsbeleid voert de overheid een gericht arbeidsmarktbeleid. Het gaat hier onder meer om de sociale werkvoorziening (WSW) en het additionele werkgelegenheidsbeleid (WIW-banen, Melkertbanen, enzovoort). Op basis van evaluatiestudies wordt geschat dat dankzij deze maatregelen ongeveer 170.000 langdurig werklozen en arbeidsongeschikten méér aan het werk zijn dan zonder dit beleid het geval zou zijn geweest. Hoewel velen die dankzij dit beleid aan het werk gaan, niet (veel) meer dan het minimumloon verdienen, betekent dit voor een aanzienlijke groep toch een ontsnapping uit armoede. Veel gesubsidieerde banen worden vervuld door alleenstaanden, van wie de uitkering ruim onder het netto minimumloon ligt. Ook een laagbetaalde baan kan voor hen een substantiële inkomensverbetering betekenen. Voor gezinnen levert een gesubsidieerde baan echter vaak niet genoeg op om uit de armoede te komen, tenzij ook de partner erin slaagt werk te vinden. Ongeveer 40.000 huishoudens konden dankzij het gerichte arbeidsmarktbeleid aan armoede ontsnappen (uitgaande van de lage-inkomensgrens). Dit is overigens een zeer ruwe schatting met een ruime onzekerheidsmarge. Hoewel dit geen onbelangrijke effecten zijn, blijkt hieruit dat de mogelijkheden om door middel van arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid de armoede substantieel terug te dringen, beperkt zijn. Het beleid gericht op verhoging van de arbeidsparticipatie moet daarom in sterkere mate ondersteund worden door aanvullend inkomensbeleid.


5. Sociale activering

Voor personen zonder reële kansen op de arbeidsmarkt wordt gepoogd de participatie in maatschappelijk nuttige activiteiten te bevorderen, waardoor het isolement van mensen kan worden doorbroken en zij eventueel op (langere) termijn in staat zijn om betaalde arbeid te verrichten. Medio 1999 rapporteerden gemeenten ruim zesduizend deelnemers aan dergelijke projecten, met name vrijwilligerswerk. De (experimentele) projecten bereiken dus slechts een klein deel van de bijstandspopulatie. Uit evaluaties blijkt dat sociale activering weinig bijdraagt aan de verbetering van de inkomens- en arbeidspositie van arme mensen, maar volgens deelnemers en professionele betrokkenen worden er wel immateriële winsten geboekt (herstel van sociale contacten, meer eigenwaarde en zelfvertrouwen, enzovoort).


6. De armoedeval

Sedert kort staat de 'armoedeval' op de politieke agenda: bij de overstap van een uitkering naar een baan komen veel inkomensafhankelijke subsidies (geheel of gedeeltelijk) te vervallen waardoor deze overstap plotseling veel minder aantrekkelijk wordt. Zo houden inkomensafhankelijke subsidies ter bestrijding van armoede (bijvoorbeeld: huursubsidie, kwijtschelding lokale lasten) mensen in een uitkeringssituatie (lees: armoede) gevangen. Sommige politici menen dat we dit nadeel van dit gerichte armoedebeleid maar moeten accepteren. Derksen geeft in dit Jaarraapport aan dat hier toch veel minder sprake is van een 'onoplosbaar dilemma' dan vaak wordt verondersteld. De inkomensafhankelijke regelingen blijken namelijk ook als instrument ter bestrijding van armoede nogal wat nadelen te hebben. Om die reden pleit hij voor een algemeen inkomensbeleid waarmee zowel de armoede wordt bestreden als de armoedeval wordt voorkomen.


7. "Landschappen van armoede"

Intensief onderzoek onder 260 arme huishoudens uit Amsterdam-Noord, Amsterdam-Oost, Rotterdam-Delfshaven en enkele buurten in Arnhem bevestigt de bevinding dat de betekenis van het formele armoedebeleid begrensd is. Dat blijkt mede uit het feit dat bepaalde groepen (in het bijzonder huishoudens met jonge kinderen) een te laag inkomen hebben waardoor zij additionele inkomsten nodig hebben om rond te komen. Arme huishoudens blijken daarbij een specifieke mix aan strategieën te ontwikkelen, waarbij sommigen vooral profijt hebben van de informele economie of van ondersteunende netwerken, terwijl anderen vooral profijt hebben van het formele, lokale armoedebeleid. We zien dat autochtone huishoudens vooral profiteren van het lokale armoedebeleid, terwijl allochtone huishoudens (waaronder veel eenoudergezinnen) de beschikking hebben over hechte onderlinge netwerken.

Opvallend is de relatief hoge vertegenwoordiging van autochtone en Turkse huishoudens in de informele economie (respectievelijk 24% en 28%). Voor een deel van onze onderzoeksgroep vormt de combinatie van inkomsten uit sociale zekerheid, informele arbeid en andere bronnen, een meer voordelige combinatie in termen van geld, tijd en zekerheid
- dan een formeel arbeidsbestaan.

Ook blijkt dat er een groep jongeren is (waaronder vluchtelingen) met een serieus armoedeprobleem. Bij hen werkt de zogenaamde 'sluitende aanpak' niet. Het betreft jongeren die niet ondersteund worden door ouders en die niet onder een of andere overheidsregeling vallen.


reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie