Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

CDA over palliatieve en stervensbegeleidende zorg

Datum nieuwsfeit: 31-10-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

Palliatieve zorg (311000)

Den Haag, 31 oktober 2000

Algemene informatie:

Algemeen:
Sinds de jaren tachtig is in de Kamer met zekere regelmaat gesproken over palliatieve zorg en stervensbegeleidende zorg in de zogenaamde hospices die buiten de reguliere gezondheidszorg vallen. Dit houdt verband met twee kwesties:

In het felle debat over de toelaatbaarheid en wenselijkheid van euthanasie wijzen met name de tegenstanders van een verdere liberalisering -het CDA voorop- op de mogelijkheid om de doodswens van mensen te verminderen, of zelfs weg te nemen, door hen liefdevolle stervensbegeleidende zorg en een op pijnbestrijding gerichte behandeling te geven. Zowel voor- als tegenstanders van de liberalisering van de euthanasiewetgeving zijn het inmiddels met elkaar eens dat de vraag naar euthanasie waarschijnlijk afneemt wanneer een goede palliatieve zorg beschikbaar en toegankelijk is, alleen in de prioriteit- en belangstelling verschillen zij. Het CDA is in 1998 nadrukkelijk de verkiezingen ingegaan als een warm pleitbezorger van de palliatieve zorg.

Met name als gevolg van de vergrijzing en de stand van de medische techniek verkeren steeds meer Nederlanders in een fase tussen "gezond zijn" en sterven.
In toenemende mate komen mensen derhalve in situaties terecht waarin genezing niet meer mogelijk is, de dood weliswaar nadert, maar er toch nog tijd over is om het leven af te sluiten. Het liefst willen mensen dit doen in een vertrouwde omgeving, d.w.z. thuis of een situatie die zoveel mogelijk de thuissituatie benaderd. Bovendien is de hulp die zijn primair behoeven niet meer van curatieve maar van sociale en psychische aard. De huidige reguliere gezondheidszorg is naar haar aard gericht op "cure" (genezing) en niet op "care" (zorg) en heeft dus grote moeite om in de specifieke behoeften van stervenden te voorzien. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat private organisaties, de zogenaamde hospices, zich op deze specifieke behoefte hebben gericht. Het beleid van de overheid is erop gericht dat deze hospices op den duur in de reguliere gezondheidszorg worden geïntegreerd. Het CDA is steeds een warm pleitbezorger geweest van een betere plaatsering van de palliatieve zorg in de reguliere gezondheidszorg, maar was geen voorstander van een integratie waarbij de hospices als het ware door de reguliere gezondheidszorg worden opgeslokt.

Overheidsbeleid:
Onder Lubbers III is een beleid in gang gezet waarbij de overheid streeft naar een integratie van de hospices in de reguliere gezondheidszorg. Dit beleid is onder Paars I en II voortgezet. Er is daarom door de minister een Projectgroep Integratie Hospicezorg in het leven geroepen dat momenteel onderzoekt hoe deze integratie tot stand zou kunnen komen. Daarnaast streeft de overheid naar het verbeteren van de kennis van artsen en verpleegkundigen door de palliatieve zorg een plaats in het curriculum van de opleidingen van artsen en verpleegkundigen te geven. Echter, veel is nog onduidelijk. Met name over de wijze waarop de palliatieve zorg moet worden georganiseerd en, vooral, gefinancierd. Onlangs heeft Het Nivel in opdracht van ZorgOnderzoek Nederland een scenariostudie naar de toekomstige behoefte aan palliatieve zorg verricht en in een grove schets aangegeven hoe de palliatieve zorg er in de nabije toekomst uit zou kunnen zien wanneer je zou uitgaan van een gelijke behandeling van alle patiënten en een financiering vanuit de collectieve middelen of wanneer je juist uitgaat van grotendeels private financiering en individualiteit. Daarnaast is nog gekeken naar de wenselijkheid van generalistische of juist specialistische hulpverleners. Kortom, allerlei zeer belangrijke beleidskeuzes moeten nog worden gemaakt! Dit terwijl duidelijk is dat in de periode 1997-2015, gezien de demografische ontwikkelingen, de behoefte aan palliatieve zorg met zo'n 20% zal toenemen en de minister in 1996 heeft verklaard dat een verzoek om euthanasie eigenlijk niet kan worden gehonoreerd als niet eerst goede palliatieve zorg is geboden. Voorts blijkt dat aan de opleiding van artsen en verpleegkundigen nog steeds het nodige moet verbeteren. Ondanks de evidente urgentie, acht de minister echter de tijd nog niet rijp om uitspraken te doen. Zij wil hiermee wachten tot oktober 2001 wanneer de Toetsingscommissie Centra voor Ontwikkeling van Palliatieve Zorg met hun standpunt over de consultatieteams komt en wanneer de Projectgroep Integratie Hospicezorg (PIH) haar eindrapport heeft geschreven.

Inbreng op hoofdlijnen:

De laatste jaren is een indringende cultuurhervorming op gang gekomen rondom het sterven. Steeds meer wordt het taboe op het spreken over sterven en de laatste levensfase weggenomen. De nadruk ligt niet langer op doorbehandelen, maar ook op het kunnen kiezen voor het stoppen daarmee wanneer de ziekte uiteindelijk tot de dood zal leiden en de patiënt op een waardige wijze afscheid wil nemen van het leven zonder dat er van actieve levensbeëindiging sprake is. Het is dan ook verbijsterend om te moeten constateren dat de minister nog niet verder gekomen is dan het verordonneren van een groot aantal onderzoeken en er nauwelijks enige actie te bespeuren valt op de vragen uit de samenleving. In 1996 al heeft de minister verklaard dat een verzoek om euthanasie eigenlijk niet kan worden gehonoreerd als niet eerst goede palliatieve zorg is geboden. Staat zij nog steeds op dat standpunt? Het CDA is het met het Platform Zorg voor Leven, waarin 30 organisaties zich hebben verenigd, van mening dat de minister in de Nota naar aanleiding van het verslag over de voorgestelde euthanasiewetgeving de rol van de palliatieve zorg marginaliseert. Van een onvoldoende aanbod zou geen sprake zijn en bovendien op een goed niveau staan. Hoe kan daarvan sprake zijn wanneer palliatieve zorg nog steeds geen integraal deel uitmaakt van het curriculum van opleidingen voor artsen en verpleegkundigen? Ziekenhuizen en verpleeghuizen blijken grote moeite te hebben een aanbod aan palliatieve zorg, bijvoorbeeld in de zin van aparte unit, uit eigen middelen te financieren. Komt daar een aparte toeslag voor? De meeste mensen sterven thuis, maar ook daar kan nog lang niet die zorg geboden worden waar de patiënt om vraagt, ondanks alle inspanningen van huisartsen en thuiszorg.
In de behandeling van het wetsvoorstel euthanasie zal het CDA hier zeker in ruime mate aandacht aan schenken omdat ons vanuit de praktijk ten enenmale gemeld wordt dat actieve levensbeeindiging een uiterste mogelijkheid is, die slechts zeer zelden behoeft te worden toegepast om te bereiken dat iedere patiënt een goede dood krijgt. Aanbod van palliatieve zorg doet, zo stellen deskundigen binnen en buiten de reguliere instellingen, de vraag om euthanasie afnemen.

Het is duidelijk dat er grote behoefte bestaat aan meer kennis rondom stervensbegeleiding en aanbod van zorg bij professionele deskundigen en vrijwilligers en vragen om een aanbod van palliatieve zorg. Er zijn op dit moment veel prima initiatieven die inspelen op de vraag van de samenleving in de sfeer van zeer professionele high care zorg in hospices en de low care bijna-thuis-huizen. Het CDA juicht die ontwikkeling toe en ziet tegelijkertijd met grote zorg dat de het kabinet er niet in slaagt concrete voorstellen te doen die de palliatieve zorg en zowel binnen reguliere instellingen als daarbuiten een duidelijk kader bieden. Iedereen zal op enig moment sterftezorg nodig hebben en het is voor velen niet mogelijk thuis te sterven. Alle reden om grote inzet te plegen teneinde de expertise en de mogelijkheid die zorg te ontvangen te optimaliseren. Er moet een voldoende en adequaat regionaal aanbod van palliatieve zorg tot stand komen. Netwerkvorming en een pluriformiteit zijn daarbij van groot belang. Nog steeds kan niet aan iedere patiënt die niet verder doorbehandeld wil worden een menswaardig sterfproces met de daarbijpassende begeleiding worden aangeboden. Het CDA wil die keuze voor iedereen die daarvoor kan komen te staan mogelijk maken. De patiënt moet de keuze hebben en voor de zorg die hij wenst het geld mee kunnen brengen in de vorm van een persoonsgebonden budget.

Het vele inventariserende werk dat op het terrein van de palliatieve zorg en van de zorg in hospices door de minister, of in opdracht van de minister, is uitgevoerd weet het CDA op waarde te schatten, omdat nu eindelijk een helder beeld is ontstaan over de omstandigheden waarin momenteel in Nederland de palliatieve zorg plaatsvindt en welke problemen hierbij zoal optreden. Ook is hierdoor prangend duidelijk geworden hoezeer de overheid en de politiek achter de ontwikkelingen aanlopen ondanks het feit dat er hier, in dit huis, al lange tijd met enige regelmaat over de palliatieve zorg en zorg in hospices wordt gesproken. Het wordt de allerhoogste tijd voor uitspraken over de noodzakelijke kwaliteit van het aanbod, over de financiering en toegankelijkheid en de ondersteuning van privaat initiatief naast de inbedding in het reguliere zorgaanbod. Hospices schieten als paddestoelen uit de grond, en gezien de demografische ontwikkelingen is al voorspeld dat tussen 1997 en 2015 de behoefte aan palliatieve zorg met zon 20% zal toenemen. Ondanks de evidente urgentie vindt de minister de tijd nog niet rijp om uitspraken te doen. Zij wil daarmee wachten tot na oktober 2001 wanneer de Toetsingscommissie Centra voor Ontwikkeling Palliatieve Zorg met haar standpunt over de consultatieteams komt en wanneer de Projectgroep Integratie Hospicezorg haar eindrapport heeft geschreven. Hoe belangwekkend de uitkomsten van die onderzoeken ook zullen zijn, het is onbegrijpelijk dat de minister nalatig blijft als het gaat om oplossing aan te dragen voor de problemen die op dit moment al voor het oprapen liggen.

De PIH heeft van de minister de opdracht gekregen om modellen voor de integratie van de hospicezorg te ontwikkelen. In de tussenrapportage van april dit jaar, bleek dat er slechts één model, het zogenaamde integratiemodel, was ontwikkeld. De eindrapportage wordt in oktober 2001 voorzien. Ook in dit model wordt uitgegaan van de integratie van private hospices in de reguliere gezondheidszorg. Bovendien wordt een sterke nadruk gelegd op efficiency door de stroomlijning van zorgprocessen en de efficiënte inzet van mensen en middelen. Voor het overige behoeft het netwerkmodel vooral verduidelijking wat zijn werking en coördinatie betreft. Kernpunten: het CDA is tegen de volledige integratie van hospices in de reguliere gezondheidszorg, er is maar één model ontwikkeld in plaats van 'modellen'. De inhoud van het model is vaag.

Scenariostudie palliatieve zorg De kern van de studie staat in de begeleidende brief van de minister en in hoofdstuk 7 van het onderzoek van Het Nivel (pag. 121-145, vooral overzicht op pag. 128). In de studie worden vier modellen uitgewerkt op basis waarvan de palliatieve zorg zou kunnen worden georganiseerd, te weten: Scenario 1: Gelijkheid en generalisme
Scenario 2: Individualiteit en generalisme
Scenario 3: Gelijkheid en specialisme
Scenario 4: Individualiteiten specialisme
(Voor samenvatting van de kenmerken zie pag. 128 van het Nivelonderzoek)
Op de grens van pagina 2 en 3 van haar begeleidende brief van 13 oktober geeft de minister aan dat ze de tijd nog niet rijp acht om nu al uitspraken te doen over beleidskeuzes. Ze wil dat pas doen in oktober 2001 als de rapporten van nog twee onderzoeken bekend zijn (zie "Algemene informatie").

Niettemin wekken pagina 131 en 131 de indruk dat de voorkeur naar scenario 1 uitgaat vanwege de inpasbaarheid binnen de huidige gezondheidszorg en de betaalbaarheid. Is dat correct? Voor het CDA staat denken vanuit de vraagsturing centraal dus zal een aabod vanuit een bepaald model niet voor de hand liggen. Waarom wordt in de scenariostudie niet gedacht aan een combinatie van modellen? Want bij scenario 2 werd als belangrijk nadeel genoemd dat hulpverleners met een meer generale opleiding t.o.v. bepaalde patiënten tekort kunnen schieten (zie pag. 131, 132 en 135) en dat soms specialistische zorg zeer nodig is. Wat is er dan bijvoorbeeld tegen een oplossing in trant van: 80% scenario 2 en 20% scenario 4?

Toch een paar opmerkingen over de scenarios:
Vanuit CDA-perspectief heeft scenario 1 een aantal nadelen: De huidige gezondheidszorg is sterk gereguleerd en aanbodgestuurd, het CDA wil dit juist niet (steun voor het PGB en "Naar meer menselijke maat in de Zorg"). Het CDA wil vraaggestuurde zorg en ruimte voor particulier initiatief naast reguliere zorg. Als scenario 1 wordt doorgevoerd, zal de palliatieve zorg dus een niet gewenste organisatie- en financieringsstructuur krijgen.

Scenario 2 lijkt nauw aan te sluiten bij de wensen van het CDA D.w.z. de behoefte van de patiënt staat centraal, er is keuzevrijheid, er is naast reguliere zorg ruimte voor particulier initiatief (dus ook voor hospices!). Niet alle zorg wordt via collectieve middelen gefinancierd, maar ook via private middelen (via verzekeringen, pag. 132). Het Nivel is bang dat minvermogenden op deze wijze geen of minder toegang zouden krijgen tot goede palliatieve zorg, omdat deze zorg in mindere mate vanuit de collectieve middelen wordt betaald. Het vreest een maatschappelijke tweedeling (pag. 135). In de Nota naar meer menselijke maat in de gezondheidszorg heeft het CDA hiervoor juist oplossingen aangedragen:

- 1 jaar ziekte is volgens het CDA verzekerbaar (de 365-dagengrens)
- lastenmaximering, wanneer de kosten van de bijdragen voor de AWBZ en de ziektenkostenverzekeraar boven de 10% uitkomen, moeten mensen een tegemoetkoming krijgen. Kortom, voor diegenen die het kunnen en willen betalen, kunnen zich deels zelf voor palliatieve zorg gaan verzekeren, zij die zich wel willen verzekeren, maar dat financieel niet aankunnen, staat de overheid garant, zij die zich wel kunnen verzekeren, maar dat niet doen, nemen een eigen risico, maar zouden toch terug kunnen vallen op een door de overheid gegarandeerd, kwalitatief voldoende minimum voorziening.
De hulpverleners in scenario 2 zijn generalisten, dus vrijwillers en artsen en verpleegkundigen voor wie palliatieve zorg een onderdeel van hun dagelijkse werk is. Dit past ook bij het CDA-beeld. Het verwijt aan de huidige gezondheidszorg is immers dat die teveel gericht is op cure en niet op care. Door palliatieve zorg apart te zetten van de overige zorg, zou deze ongewenste trend alleen worden versterkt. Kortom, scenario 2 kan een zeer bruikbaar uitgangspunt zijn, mits genoemde aanpassingen worden doorgevoerd.
Scenario 3 (pag. 135-139) lijkt vanuit CDA-perspectief geheel onaantrekkelijk het combineert de nadelen van scenario 1 met het nadeel dat de palliatieve zorg, als specialisme, ook nog eens apart wordt gezet van de overige gezondheidszorg.
Scenario vier, heeft de voordelen van scenario twee, maar de palliatieve zorg blijft in dit scenario een aparte discipline. In de begeleidende brief van Het Nivel, éénnalaatste alinea, wordt dit scenario het minst haalbare genoemd, maar wel, net als het tweede scenario, benoemd als een mogelijkheid die nauw aansluit bij de wensen en behoeften van patiënten.

Aanvullende vraagstelling:

Een zeer belangrijk aspect van palliatieve zorg is de geestelijke begeleiding van stervenden (dominee, pastoor, humanistisch raadsman, etc.). Er bestaat de indruk dat in de reguliere gezondheidszorg hierop wordt gekort om budgettaire redenen. Hoe zit dit? De crisisopvang van mensen in verpleeg- en verzorgingshuizen mag niet langer dan 6 of 2x6 weken duren. Kan dit voor terminale patiënten worden geflexibiliseerd?

Via de AWBZ-aanspraak Algemene Thuiszorg kan max. drie uur reguliere thuiszorg worden verkregen. Via de regeling Intensieve Thuiszorg kunnen meer zorg (tot fl. 475,- per dag) worden verkregen, maar nooit 24 uur per dag. Moeten de financieringsmiddelen van de thuiszorg niet worden verbeterd?

Hoe staat het met de opleiding van artsen en verpleegkundigen? Is palliatieve zorg een verplicht onderdeel van het curriculum? Hoe worden kennisachterstanden weggewerkt?

Is het geld dat voor coördinatie vrijwilligers beschikbaar is wel voldoende? Klopt het dat neutrale instellingen wel een coördinator vergoed krijgen maar een identiteitgebonden instelling niet vanwege de vermeende ontoegankelijkheid voor eenieder? De functie van coördinator is bovendien verzwaard: langer voor de dood en langer erna (rouwverwerking) en lijkt niet langer voldoende bekostigd. Er is nog steeds onzekerheid over wie de coördinator inzet en hoe deze verzekerd is. Is daarover al overeenstemming bereikt bij de zorgverzekeraars? Het CDA vindt dat er een uniforme regeling moet komen en meer bekendheid bij de uitvoerende instanties.

Kamerlid: Clémence Ross-van Dorp

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie