Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Prins van Oranje op congres Strijd om de Ruimte

Datum nieuwsfeit: 02-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Het Koninklijk Huis
Zoek soortgelijke berichten
Rijksvoorlichtingsdienst
Het Koninklijk Huis

02/11/00 Toespraak van Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins van Oranje tijdens het congres Strijd om de ruimte
Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap/Universiteit van Amsterdam
Amsterdam, 2 november 2000

Water krijgt, water neemt

Mijnheer de voorzitter, dames en heren,

Stelt u zich het volgende voor: na deze winter zet na een periode van flinke sneeuwval de dooi in. De rivieren moeten meer water afvoeren. Tegelijk veroorzaakt hevige regenval in West-Europa nog hogere waterstanden. Zoals altijd willen de waterschappen het overtollige polderwater afvoeren via het IJsselmeer en het Amsterdam-Rijnkanaal en Noordzeekanaal. Maar dan steekt ook nog eens een Noordwesterstorm op. Het water van de Noordzee en de Waddenzee wordt hoog tegen onze kust en de Afsluitdijk gestuwd. Water spuien of wegmalen naar zee kan daardoor niet meer.

Langzaam lopen de laagste delen van Nederland onder water, met als gevolg grote schade voor industrie, land- en tuinbouw.

Dit scenario is niet denkbeeldig. In 1995 is het zelfs bijna gebeurd en zijn we wat dat betreft echt door het oog van de naald gekropen. Bijna alle ingrediënten voor zon ramp waren op dat moment aanwezig. Het enige ingrediënt wat op dat moment ontbrak, gelukkig ontbrak, was de Noordwesterstorm.

Iets dergelijks heeft zich trouwens afgelopen week op kleine schaal voorgedaan op Terschelling. Daar viel in één etmaal 80 mm regen en stak bovendien nog eens een Zuidwesterstorm op, waardoor het onmogelijk werd het overtollige water te spuien op de Waddenzee.

Wij Nederlanders hebben het gevoel dat we in een kletsnat land leven, dat we veel te veel water hebben. Daarom is bij ons alles erop ingericht het water zo snel mogelijk naar zee te laten lopen. Rivieren en beken zijn rechtgetrokken, dijken zijn opgehoogd, en steeds grotere spuisluizen en gemalen zijn gebouwd. Zo doen we dat hier, al eeuwen.

Met die maatregelen was en is niets mis - laat daarover geen misverstand bestaan - maar ze moeten wel in het licht van de tijd worden gezien. De afgelopen eeuwen hebben we regelmatig met grote overstromingen te kampen gehad, door hoge rivierafvoeren of door hevige regenval gecombineerd met ijsgang of zware stormen. Na elke ramp werd hard op maatregelen gestudeerd. Vervolgens werd steevast veel geld, energie en technisch vernuft gestoken in verbeteringswerken langs de rivieren en in de polders. Ervaringsgestuurd beleid, zou je dat kunnen noemen.

Met name door de toename van kennis en door technische vooruitgang zijn we in staat gebleken het water steeds beter te beheersen en daarmee ons land bewoonbaar te houden. We kunnen het inmiddels zelfs zo goed dat de oorsprong van deze activiteit - het besef dat er iets mis kan gaan - bij veel mensen langzaam maar zeker is verdwenen. In het vertrouwen dat alles perfect geregeld is, zijn de afgelopen decennia ook in de laagst gelegen delen van Nederland kostbare woonwijken en industriegebieden gebouwd. Overstromingen en wateroverlast waren immers voorgoed uitgebannen.

Maar de laatste jaren begint steeds meer mensen een ongemakkelijk gevoel te bekruipen. De bijna-overstromingen in 1993 en 1995 en de wateroverlast in 1998 drukten ons hard met onze neus op de feiten: het kan wel degelijk mis gaan, nog altijd. Sindsdien is duidelijk sprake van een trendbreuk in de denkwereld van de waterbeheerders: van ervaringsgestuurd naar een toekomstgericht beleid.

Het geïnvesteerd vermogen in ons land is 8000 miljard gulden. Dat is de moeite waard om goed te beschermen, zou je zeggen. Als je je huis verzekerd hebt, stijgt de verzekeringspremie als de waarde van je huis stijgt. Dat vinden we normaal. Investeren in waterbeheer kan en moet ook gezien worden als zon verzekeringspremie. Daarbij gaat het niet alleen om investeringen in nog hogere dijken of grotere gemalen, want daar kan je niet eindeloos mee doorgaan, omdat het in wezen een onnatuurlijke situatie is. Het simpele feit is nu eenmaal dat water uit zichzelf van hoog naar laag stroomt. De investeringen die gedaan worden om water van laag naar hoog te pompen, moeten we wel in de hand zien te houden. Dat kan door bijvoorbeeld grote stukken land aan te wijzen waar het water in tijden van nood naar toe gepompt kan worden of kan stromen zonder veel schade te berokkenen. Daarmee geef je land bewust aan het water. Water krijgt de ruimte, omdat het anders de ruimte neemt. Dat idee is voor Nederland echt een trendbreuk.

Ruimte en water

Deze trendbreuk zie je ook nadrukkelijk terug in de analyses en aanbevelingen van de commissie Waterbeheer 21ste eeuw en van het Haagse Rathenau-instituut, die de afgelopen maanden heel wat hebben losgemaakt. Niet bij u misschien, maar wel onder waterbeheerders. Ik geef u een paar citaten uit deze rapporten: Water heeft ruimte nodig. De waterhuishouding is niet op orde. De bestuurlijke organisatie moet op de helling. Er zijn te veel elkaar overlappende plannen. Het onderzoek is te veel versnipperd. De waterbeheerder is tegelijk boef en politieman. Dat soort aanbevelingen en kritische kanttekeningen doet het altijd goed. Het schudt de wereld, in dit geval die van de waterbeheerder, maar ook die van de ruimtelijke plannenmakers, eens goed op.

Ruimte voor water! Dat klinkt groots en meeslepend, maar over welke ruimte gaat het dan eigenlijk, en over welk water? Gaat het over het overtollige water bij hoge rivierafvoeren of hevige regenval? Of ook over het zoute kwelwater? En over water voor recreatie of voorraad voor de landbouw ? En is ruimte voor water, wat men daar ook mee bedoelt, de enige oplossing voor toekomstige problemen? Het zijn vragen waar nog geen eenduidig antwoord op te geven is. Maar om tot een toekomstgericht beleid te kunnen komen is het antwoord op deze vragen noodzakelijk.

Er circuleren legio oplossingen, die allemaal een stukje waarheid bevatten. Sommigen willen het probleem aan de basis aanpakken, en zeggen: ons water komt grotendeels uit het buitenland, dus moeten ze het daar maar oplossen. Dit is in elk geval een helder standpunt, maar niet zo reëel. Een ander veel gehoord antwoord is dat we in Nederland de ruimte die afgenomen is van de rivieren en beken weer moeten teruggeven. Daarmee zouden alle toekomstige problemen in de waterhuishouding als gevolg van de klimaatverandering kunnen worden voorkomen. Dat is maar gedeeltelijk waar, want in diepe polders in laag Nederland kan zich bij hevige regenval ook dan nog steeds wateroverlast voordoen. De oplossingen die de revue passeren, zoals niet meer bouwen in laaggelegen gebieden, landerijen tijdelijk of permanent onder water zetten en daarmee natte natuur maken of gemakshalve extra boezemcapaciteit bouwen, zijn niet altijd realiseerbaar.

De discussie lijkt vaak te gaan over slechts één oplossing, en dan vaak een technische. Die weg moeten we niet blijven aflopen, want inmiddels komt het einde in zicht. Hij loopt dood. Bij het nieuwe waterbeleid moet meer gezocht worden naar een combinatie van maatregelen, waarbij alle betrokken partijen het eens zijn over de keuzen die gemaakt worden. Daarbij moet natuurlijk het algemeen belang voorop staan.

Ruimte voor de rivieren

De dijken langs de grote rivieren zijn na afronding van het Deltaplan grote rivieren berekend op een veiligheidsniveau waarmee een afvoer van 15.000 kubieke meter per seconde bij Lobith verwerkt kan worden. De grootste afvoer waar we ooit mee te maken hebben gehad is 13.000 kubieke meter per seconde. Dat is driekwart eeuw geleden, in 1926. Toen bleken de dijken overigens niet bestand tegen de druk. Ze braken door en de schade was enorm. Wat dat betreft is er technisch dus veel verbeterd.

Maar zoals ik al zei: met dijkversterking alleen zijn we er niet. De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw kwam ook tot die conclusie en lanceerde in augustus een drietrapsstrategie. Ten eerste: water vasthouden, ten tweede, als dat niet langer kan, water afvoeren en, ten slotte, water opvangen in speciaal daarvoor aangewezen gebieden.

De waterafvoer van rivieren lijkt als gevolg van klimaatverandering toe te nemen, maar onze grote rivieren zijn nu zo ver ingesnoerd dat ze extreme afvoeren nu al niet meer kunnen verwerken. Er zal ruimte gevonden moeten worden om water langer vast te houden. Maar waar is die te vinden? Allereerst, ik noemde het hiervoor al, moeten we verder ruimteverlies voorkomen door niet meer te bouwen in het winterbed. Uiterwaarden moeten weer voor hun natuurlijke doel gebruikt worden, namelijk onderlopen bij hoogwater. Maar ook daarmee zijn we er niet.

We moeten als het ware een snelheidsbegrenzer op onze beken en rivieren zetten, door ze weer te laten meanderen. En er moeten grote stukken land gereserveerd worden die, als de nood echt aan de man komt, kunnen dienen als opvanggebied om ergere schade te voorkomen. Als we geen maatregelen nemen om deze drietrapsstrategie uit te voeren, kiest het water op een gegeven moment zelf, en zoals we allemaal weten gaat dat met weinig strategie gepaard, laat staan consideratie. Dat kan desastreus zijn.

Dit alles moet overigens niet alleen in Nederland gebeuren, maar ook bovenstrooms. In Duitsland worden momenteel ook maatregelen genomen om calamiteiten te voorkomen. Daaraan wordt ook door Nederland bijgedragen, want een beetje gelijk hebben de mensen wel die het probleem bij de basis willen aanpakken. En het is eigenlijk niets nieuws. In 1918 heeft Nederland zich al verplicht bij te dragen in de kosten van dijkverleggingen in Duitsland om mogelijke problemen in ons land te voorkomen. Tijdens mijn bezoek aan Mozambique, het afgelopen weekend, nam ik deel aan een conferentie over overstromingen. Ook daar werd nadrukkelijk het belang onderstreept van hydro-solidariteit, goed nabuurschap van de landen in een stroomgebied.

Anders bouwen

Omgaan met water op een moderne manier gaat niet alleen over ruimte geven aan water. Het gaat bijvoorbeeld ook over de manier waarop we bouwen. Wonen en werken in een laaggelegen dichtbevolkt land als Nederland maakt het onvermijdelijk dat gebouwd wordt in diepe polders. En nog steeds wordt naar meer ruimte gezocht om te bouwen, ook in kwetsbare lage gebieden. Daar is soms geen ontkomen aan. Maar als er geen andere mogelijkheid bestaat dan in die lage gebieden te bouwen, dan zou dat eigenlijk niet meer op de conventionele manier moeten gebeuren. Er was eens een mannetje, dat was niet wijs. Het bouwde zijn huisje op het ijs. Zo is het maar al te vaak, helaas. Niet zo extreem natuurlijk, maar we kennen allemaal de beelden van doorweekte meubels op ondergelopen, opgekrulde parketvloeren in huizen die zo dicht bij het water staan dat je denkt: hadden de bewoners niet beter meteen voor plavuizen kunnen kiezen? En had het trapgat in hun huis niet zo ontworpen moeten zijn dat ze hun meubilair snel naar boven hadden kunnen brengen? In dat soort gebieden zou beperking van de schade door wateroverlast eigenlijk voorop moeten staan in het hele ontwerp. Daarbij is niet alleen een rol voor de overheid weggelegd. Ook projectontwikkelaars, stedenbouwkundigen, verzekeraars en niet te vergeten de bewoners zelf kunnen daaraan hun bijdrage leveren.

Op het gevaar af dat u denkt dat ik me vergis, en hier een toespraak sta te houden die eigenlijk bestemd was voor het Verbond van Verzekeraars, wil ik toch nog een keer een vergelijking maken met verzekeringen. Ik vergelijk maatregelen tegen wateroverlast graag met de maatregelen die bestaan ter voorkoming van brand. Heel gewoon in ons land. We verzekeren ons huis en de hele inboedel tegen brand, en we nemen allerlei maatregelen om de schade te beperken.

Bij de bouw van huizen, gebouwen en infrastructuur in wateroverlast-gevoelige gebieden worden maatregelen tegen schade door wateroverlast nogal eens vergeten. Nog steeds worden technische installaties vaak in de kelder geplaatst, en wat dacht u van archieven van musea? Onder de grond! In de hele infrastructuur blijven de waterhuishoudkundige aspecten nogal eens onderbelicht. Bij de toenemende bebouwing wordt onvoldoende rekening gehouden met het percentage grondgebied dat gereserveerd moet blijven voor waterberging.

Er lijken bovendien geen duidelijke afspraken over gemaakt te zijn. Op mijn werkbezoeken in het land hoor ik percentages noemen van 3 à 4 procent van het te bebouwen oppervlak, maar ook 10 tot 15 procent. Dat is nogal een verschil. De boezemcapaciteit van polders, de ruimte voor wateropslag, heeft in het algemeen geen gelijke tred gehouden met de toename van het verharde oppervlak, terwijl daardoor de hoeveelheid water die afgevoerd moet worden alleen maar toeneemt. Waar asfalt ligt, kan het water de grond niet in, en en moet het in grote hoeveelheden worden weggepompt en afgevoerd naar ruimte die er niet is.

Mijnheer de voorzitter, dames en heren,

Het voorkomen van schade door overstroming en wateroverlast is iets wat we in Nederland niet mogen vergeten. Juist in Nederland, want inderdaad, het is vaak kletsnat hier. Te lang is gedacht dat de zaak op orde was. De Commissie Waterbeheer in de 21ste eeuw heeft ons met de neus op de feiten gedrukt. Als u mij niet gelooft, beveel ik u graag het rapport van de commissie aan. Dat is niet alleen geschreven voor waterbeheerders.

Aan ons allemaal nu de taak om te voorkomen dat het scenario dat ik in het begin schetste werkelijkheid zal worden. Als we daarin geslaagd zijn, laat dan de Noordwester maar komen.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie