Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Concept-besluiten belastingherziening 2001

Datum nieuwsfeit: 03-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Financien
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Concept-besluiten belastingherziening 2001



Aan:

De Voorzitter van de Vaste Commissie voor Financiën

uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

WDB2000/799M

3 november 2000

Onderwerp

Concept-besluiten belastingherziening 2001

Bezoekadres: Korte Voorhout 7, Den Haag

Overeenkomstig de tijdens de parlementaire behandeling van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 gedane toezeggingen stuur ik u hierbij ter informatie toe een Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars dat dient ter vervanging van het bestaande Besluit reserves verzekeraars

Voorts gaan hierbij enkele onderdelen ter completering van de u reeds toegezonden concept-AMvBs die het gevolg zijn van de belastingherziening 2001. Het betreft de onderdelen die in bedoelde concepten met gereserveerd waren aangegeven.

Deze concepten worden ook toegezonden aan de commissie Thunnissen/De Waard en de werkgroep Fiscaal Uitvoeringsbeleid.

De staatssecretaris van Financiën,

MINISTERIE VAN FINANCIËN

DIRECTORAAT-GENERAAL VOOR FISCALE ZAKEN

DIRECTIE WETGEVING DIRECTE BELASTINGEN

WDB00/M s-Gravenhage,

Besluit van .. ........ 2000, houdende vaststelling van het Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars 2001

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau

Op de voordracht van de staatssecretaris van Financiën van .. ...... 2000, nr. WDB2000/. M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen:

Overwegende, dat het wenselijk is de met levensverzekerings-maatschappijen gesloten afspraak fiscale behandeling premiereserve en regeling egalisatiereserve, een en ander voorzover betrekking hebbend op het binnenlands bedrijf van 11 april 1969 op het punt van de zogenoemde eerste kosten te herzien, deze afspraak en het in het Besluit reserves verzekeraars bepaalde op te nemen in een nieuwe algemene maatregel van bestuur en voorts deze maatregel mede van toepassing te laten zijn op
natura-uitvaartverzekeraars;

Gelet op artikel 29, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;

De Raad van State gehoord (advies van .. ....... 2000, nr. W06........);

Gezien het nader rapport van de staatssecretaris van Financiën van .. ......... 2000, nr. WDB2000/U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1 Reikwijdte en definities


1. Dit besluit geeft uitvoering aan artikel 29, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.


2. Dit besluit verstaat onder:


a. levensverzekeraar: een belastingplichtige die het levensverzekeringsbedrijf uitoefent;


b. natura-uitvaartverzekeraar: een belastingplichtige die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf uitoefent;


c. schadeverzekeraar: een belastingplichtige die het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent;


d. premiereserve: de door een levensverzekeraar of een natura-uitvaartverzekeraar aangehouden premiereserve eigen rekening;


e. premies: premies eigen rekening;

f. provisies: provisies eigen rekening;

g. schaden: schaden eigen rekening;

h. verzekerd bedrag: verzekerd bedrag eigen rekening.
Artikel 2 Grondslagen berekening premiereserve


1. De premiereserve wordt berekend naar de grondslagen die worden gehanteerd bij de bepaling van het tarief waarop de verzekeringen zijn of worden gesloten.


2. Een omrekening van de premiereserve naar in totaal zwaardere grondslagen wordt in aanmerking genomen indien:


a. de omrekening betrekking heeft op de gehele verzekeringsportefeuille met uitzondering van het gedeelte dat gesloten is tegen de op het tijdstip van de omrekening voor nieuw te sluiten verzekeringen geldende tarieven, en


b. bij de omrekening en vervolgens voor de toepassing van het eerste lid de volgende grondslagen worden gehanteerd:


1o. de op ¼ percent naar beneden afgeronde en met ¼ percent verlaagde gemiddeld behaalde rendement op de gehele beleggingsportefeuille;


2o. de sterftetafels die op het tijdstip van de omrekening worden gehanteerd bij de bepaling van het tarief voor nieuw te sluiten verzekeringen;


3o. de batepremie die uit de brutopremie wordt afgeleid door deze te verminderen met een bedrag gelijk aan het verschil tussen de brutopremie en de nettopremie voor de op het tijdstip van de omrekening nieuw te sluiten verzekeringen.

Artikel 3 Nettomethode

De premiereserve wordt berekend op basis van de nettomethode.

Artikel 4 Activering acquisitiekosten

De kosten van een jaar die direct of indirect samenhangen met gesloten verzekeringsovereenkomsten tegen periodieke premiebetaling (acquisitiekosten), worden door een levensverzekeraar en een natura-uitvaartverzekeraar in gelijke delen ten laste van de winst van dat jaar en de daaropvolgende negen jaren gebracht.

Artikel 5 Activering rentestandkortingen

Een in een jaar toegekende rentestandkorting ter zake van een collectieve verzekering wordt door een levensverzekeraar en een natura-uitvaartverzekeraar als volgt in het jaar waarin de kortingen zijn verleend en de zeven daaropvolgende jaren ten laste van de winst gebracht:


a. in het jaar waarin de korting is verleend en de drie daaropvolgende jaren telkens voor 15 percent, en


b. in de vier volgende jaren telkens voor 10 percent.
Artikel 6 Waardering vastrentende beleggingen

Vastrentende beleggingen worden door een levensverzekeraar en een natura-uitvaartverzekeraar niet als gevolg van stijging van de marktrente beneden de kostprijs gewaardeerd.

Artikel 7 Egalisatiereserve

Levensverzekeraars, natura-uitvaartverzekeraars en schadeverzekeraars kunnen een egalisatiereserve vormen.

Artikel 8 Plafond egalisatiereserve


1. De egalisatiereserve bedraagt bij een levensverzekeraar en een natura-uitvaartverzekeraar ten hoogste 2,25 percent van de bij het einde van het jaar bestaande premiereserve.


2. De egalisatiereserve bedraagt bij een schadeverzekeraar ten hoogste 22,5 percent van de op het jaar betrekking hebbende premies. Daarbij blijven premies, voorzover zij betrekking hebben op atoomverzekeringen, buiten aanmerking.


3. Voor de toepassing van het eerste lid worden de bedragen van de op de voet van artikel 5 ten laste van de winst te brengen rentestandkortingen in de jaren volgend op het jaar waarin de kortingen zijn verleend op de premiereserve in mindering gebracht.

Artikel 9 Maximale jaarlijkse toevoeging egalisatiereserve


1. Het ten laste van de winst in de egalisatiereserve op te nemen bedrag beloopt in een jaar ten hoogste:


a. voor:


1°. een levensverzekeraar en een natura-uitvaartverzekeraar: vier percent van het in artikel 8, eerste lid, gestelde maximum;


2°. een schadeverzekeraar: zes percent van het in artikel 8, tweede lid, gestelde maximum;


b. 22,5 percent van de voor opneming in de reserve beschikbare over het jaar genoten winst, berekend zonder toepassing van artikel 10;


c. het belastbare bedrag of het belastbare binnenlandse bedrag, berekend zonder toevoeging en zonder de in artikel 10 bedoelde extra-toevoeging aan de reserve.

2. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde 22,5 percent wordt voor een schadeverzekeraar verhoogd tot 33,75 percent, voorzover toevoeging aan de reserve deze niet doet uitgaan boven tien percent van de op het jaar betrekking hebbende premies.

Artikel 10 Extra toevoeging


1. Tot het bedrag waarmede ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel b, de egalisatiereserve in een jaar is verminderd, kan in dat jaar een extra toevoeging aan de reserve plaatsvinden. Deze toevoeging bedraagt in een jaar ten hoogste:


a. de som van:


1°. het bedrag waarmede het maximum, berekend op de voet van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, het op de voet van dat artikel, eerste lid, onderdeel a, berekende maximum overtreft; en


2°. het in het jaar berekende voordelige saldo van winsten en verliezen met betrekking tot de waarde van de beleggingen tot ten hoogste het bedrag dat gelijk is aan de helft van het maximum, berekend op de voet van artikel 9, eerste lid, onderdeel b;


b. het belastbare bedrag of het belastbare binnenlandse bedrag, berekend zonder extra toevoeging aan de reserve.

2. Voor een schadeverzekeraar is met betrekking tot het in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, eerstbedoelde maximum, artikel 9, tweede lid, van toepassing.

Artikel 11 Onttrekkingen aan de egalisatiereserve


1. Uit de egalisatiereserve wordt, voorzover mogelijk, achtereenvolgens aan de winst van een jaar toegevoegd:


a. voor:


1°. een levensverzekeraar en een natura-uitvaartverzekeraar: een bedrag gelijk aan dat waarmede de premiereserve in het jaar toeneemt als gevolg van een herziening van de voor de berekening van de premiereserve gebruikte grondslagen;


2°. een schadeverzekeraar: een bedrag gelijk aan het negatieve technische resultaat van een branchegroep tot ten hoogste het bedrag dat op grond van de premies van tot die branchegroep behorende verzekeringen begrepen kan zijn in het op de voet van artikel 8, tweede lid, te berekenen maximum van de reserve;


b. een bedrag gelijk aan het in het jaar berekende nadelige saldo van winsten en verliezen met betrekking tot de waarde van de beleggingen; bij de berekening van dit saldo blijven buiten aanmerking winsten en verliezen welke voortvloeien uit een wezenlijke vermindering van de bedrijfsuitoefening;


c. een bedrag gelijk aan de negatieve uitkomst waartoe de berekening van de belastbare winst of van het binnenlandse inkomen na toepassing van de onderdelen a en b, zou leiden.

2. Toevoeging aan de winst ingevolge het eerste lid, onderdelen a en b, blijft beperkt tot het bedrag van de reserve vóór toepassing van de artikelen 9 en 10.


3. Overtreft bij het einde van een jaar de reserve het vermogen, verminderd met het gestorte kapitaal en met de overige toelaatbare reserves, dan wordt het meerdere aan de winst van het jaar toegevoegd. Voor het bepalen van het vermogen worden mede als schulden aangemerkt de bij het bepalen van de winst niet in aftrek komende uitdelingen en daarmede gelijkgestelde betalingen die na het einde van het jaar plaatsvinden, doch betrekking hebben op het jaar of daaraan voorafgaande jaren.


4. Als technisch resultaat van een branchegroep van een schadeverzekeraar wordt aangemerkt het verschil tussen de op het jaar betrekking hebbende premies - na aftrek van de daarover verschuldigde provisies - en de op het jaar betrekking hebbende schaden, met dien verstande dat premies, provisies en schaden, voorzover zij betrekking hebben op atoomverzekeringen, buiten aanmerking blijven.


5. De verzekeringen van een schadeverzekeraar worden ingedeeld in de volgende vier branchegroepen:


a. brandverzekering, waaronder stormverzekering;

b. ziekte- en ongevallenverzekering;

c. variaverzekering;


d. transport- en luchtvaartverzekering.
Artikel 12 Calamiteitenreserve

Schadeverzekeraars kunnen ter zake van atoomrisico's een calamiteitenreserve vormen.

Artikel 13 Plafond calamiteitenreserve

De calamiteitenreserve bedraagt ten hoogste het bij het einde van het jaar verzekerde bedrag ter zake van atoomrisico's.

Artikel 14 Maximale jaarlijkse toevoeging calamiteitenreserve


1. Het ten laste van de winst in de calamiteitenreserve op te nemen bedrag beloopt in een jaar ten hoogste:


a. de helft van het positieve technische resultaat van atoomverzekeringen;


b. de voor opneming in de reserve beschikbare over het jaar genoten winst, berekend zonder toepassing van de artikelen 9 en 10;


c. het belastbare bedrag of het belastbare binnenlandse bedrag, berekend zonder toevoeging aan de reserve en zonder de in de artikelen 9 en 10 bedoelde toevoegingen aan de egalisatiereserve.


2. Als technisch resultaat van atoomverzekeringen wordt aangemerkt het verschil tussen de op het jaar betrekking hebbende premies - na aftrek van de daarover verschuldigde provisies - en de op het jaar betrekking hebbende schaden.

Artikel 15 Onttrekkingen aan de calamiteitenreserve


1. Uit de calamiteitenreserve wordt, voorzover mogelijk, achtereenvolgens aan de winst toegevoegd:


a. een bedrag gelijk aan het negatieve technische resultaat van atoomverzekeringen;


b. een bedrag gelijk aan de negatieve uitkomst waartoe de berekening van de belastbare winst of van het binnenlandse inkomen na toepassing van onderdeel a, en na toevoeging van de egalisatiereserve, zou leiden.


2. Overtreft bij het einde van een jaar de reserve het vermogen, verminderd met het gestorte kapitaal en met de overige toelaatbare reserves, voor wat de egalisatiereserve betreft na toepassing van artikel 11, derde lid, dan wordt het meerdere aan de winst van het jaar toegevoegd. Voor het bepalen van het vermogen vindt artikel 11, derde lid, laatste volzin, overeenkomstige toepassing.

Artikel 16 Negatief technische resultaat van atoomverzekeringen

Voorzover het negatieve technische resultaat van atoomverzekeringen de calamiteitenreserve overtreft, wordt het meerdere geacht te behoren tot het technische resultaat van de branchegroep variaverzekering.

Artikel 17 Belastingpercentage

Voor de berekening van de voor opneming in de egalisatiereserve en in de calamiteitenreserve beschikbare over het jaar genoten winst wordt de belasting gesteld op 35 percent van het belastbare bedrag of het belastbare binnenlandse bedrag.

Artikel 18 Storm- en hagelschade


1. Ingeval een schadeverzekeraar uitsluitend of nagenoeg uitsluitend stormschade of hagelschade verzekert, wordt in afwijking in zoverre van:


a. artikel 8, tweede lid, het maximum van de egalisatiereserve gesteld op 120 percent van de op het jaar betrekking hebbende premies;


b. artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, het aldaar bedoelde maximum van de jaarlijkse toevoeging aan de egalisatiereserve gesteld op vijfentwintig percent van het in onderdeel a aan de reserve gestelde maximum;


c. artikel 9, eerste lid, onderdeel b, het aldaar bedoelde maximum van de jaarlijkse toevoeging aan de, behoudens voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, gesteld op 45 percent van de voor opneming in de reserve beschikbare over het jaar genoten winst, berekend zonder toepassing van artikel 10.


2. Ingeval een schadeverzekeraar uitsluitend of nagenoeg uitsluitend kredietschade verzekert, wordt in afwijking in zoverre van:


a. artikel 8, tweede lid, het maximum van de gesteld op 134 percent van het gemiddelde van de tijdens de vijf voorgaande boekjaren jaarlijks geboekte premies, verminderd met de voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994;


b. artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, het aldaar bedoelde maximum van de jaarlijkse toevoeging aan de gesteld op 25 percent van het in onderdeel a aan de reserve gestelde maximum;


c. artikel 9, eerste lid, onderdeel b, het aldaar bedoelde maximum van de jaarlijkse toevoeging aan de behoudens voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, gesteld op 75 percent van de voor opneming in de reserve beschikbare over het jaar genoten winst, berekend zonder toepassing van artikel 10.


3. Ingeval een schadeverzekeraar uitsluitend of nagenoeg uitsluitend molestschade verzekert, is artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, niet van toepassing en wordt in afwijking van:


a. artikel 8, tweede lid, het maximum van de gesteld op het bij het einde van het jaar verzekerde bedrag;


b. artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, de aldaar bedoelde toevoeging aan de winst gesteld op het negatieve technische resultaat van molestverzekeringen, zijnde het bedrag waarmede de op het jaar betrekking hebbende schaden dat van de op het jaar betrekking hebbende premies - na aftrek van de daarover verschuldigde provisies - overtreft.

Artikel 19 Fiscale eenheid

Ingeval artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 toepassing vindt ten aanzien van twee of meer vennootschappen die niet allen hetzij levensverzekeraar, hetzij
natura-uitvaartverzekeraar, hetzij schadeverzekeraar zijn, vinden de in dit besluit - met uitzondering van artikel 9, tweede lid, artikel 10, tweede lid, en artikel 18 - gegeven voorschriften, voorzover zij niet reeds van toepassing zijn, overeenkomstige toepassing met dien verstande dat, in afwijking in zoverre van:


a. artikel 8, het maximum van de wordt gesteld op de som van de in dat artikel gestelde maxima voor onderscheidenlijk een levensverzekeraar, een natura-uitvaartverzekeraar en een schadeverzekeraar;


b. artikel 9, eerste lid, onderdeel a, het aldaar bedoelde maximum van de jaarlijkse toevoeging aan de wordt gesteld op de som van de onder die onderdeel gestelde maxima voor onderscheidenlijk een levensverzekeraar, een natura-uitvaartverzekeraar en een schadeverzekeraar.

Artikel 20 Intrekking Besluit reserves verzekeraars

Het Besluit reserves verzekeraars wordt ingetrokken.

Artikel 21 Citeertitel

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars 2001.

Artikel 22 Inwerkingtreding


1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.


2. Dit besluit vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot de heffing over het jaar dat aanvangt met of in 2001.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting met de bijlage in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De staatssecretaris van Financiën,

W. Bos

Nota van toelichting

Algemeen

Met het onderhavige besluit, dat is gebaseerd op artikel 29, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, wordt in de eerste plaats uitvoering gegeven aan de aangekondigde maatregelen ter financiering van de herschikking in de sfeer van de verzekeringsproducten voor de oude dag, die bij de tweede nota van wijziging bij de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft plaatsgevonden (Kamerstukken II 1999-2000, 26 727, nr. 19, paragraaf 4).

Zoals destijds is aangegeven, bedragen de geraamde kosten van dat pakket circa f 600 mln, waarvoor de dekking zal worden gevonden bij de levensverzekeraars in de sfeer van de winstberekening voor de vennoot-schapsbelasting. Naar inmiddels is gebleken, kan deze dekking nagenoeg geheel (f 575 mln) worden bereikt door een verplichte activering en afschrijving over een periode van 10 jaren van de eerste kosten die levensverzekeraars maken bij het afsluiten van hun levensverzekerings-producten. Thans mogen dergelijke eerste kosten op basis van een in 1969 met levensverzekeraars gesloten afspraak (Afspraak fiscale behandeling premiereserve en regeling egalisatiereserve, een en ander voor zover betrekking hebbend op het binnenlands bedrijf van 11 april 1969; in de praktijk aangeduid als het Convenant) fiscaal in een keer ten laste van de winst worden gebracht. De onderhavige maatregel houdt derhalve in dat deze afspraak wat betreft de behandeling van de eerste kosten wordt herzien.

Gelet op het aan de orde zijnde belang en de huidige inzichten met betrekking tot de inzet van bestuursinstrumenten acht ik het passend deze herziening te concretiseren door het treffen van een algemene maatregel van bestuur. Het enkel codificeren van de afspraak met betrekking tot de behandeling van de eerste kosten, zonder daarbij ook de overige in het Convenant opgenomen afspraken met betrekking tot de winstbepaling bij levensverzekeraars te betrekken, zou naar mijn mening evenwel leiden tot een vanuit het oogpunt van regelgeving onevenwichtige situatie. In feite zou dan namelijk de situatie ontstaan dat de hier aan de orde zijnde materie - de voor de heffing van vennootschapsbelasting bij levensverzekeraars specifiek van belang zijnde bepalingen - over drie regelingen zouden zijn gespreid, namelijk het Convenant, het onderhavige besluit en het besluit reserves verzekeraars. Ten einde deze situatie te voorkomen, zijn daarom ook de overige winstbepalende afspraken van het Convenant in het onderhavige besluit ondergebracht. Het gaat daarbij met name om de grondslagen die moeten worden gehanteerd bij de berekening van de premiereserve, de behandeling van rentestandkortingen en de waardering van vastrentende waarden. Deze punten zijn, behoudens enkele redactionele aanpassingen, ongewijzigd overgenomen. Uitdrukkelijk zij opgemerkt dat met deze codificatie geen inhoudelijke herziening van de hier aan de orde zijnde materie is beoogd.

Een gevolg van deze codificatie is dat het Convenant als zodanig zijn belang verliest vanaf het moment waarop het onderhavige besluit van toepassing wordt. Wel blijft uiteraard, gezien het feit dat er - behoudens de behandeling van de eerste kosten - geen inhoudelijke wijzigingen worden aangebracht de jurisprudentie waarin de toepassing van het Convenant aan de orde is gekomen ook voor de toekomst relevant. In gelijke zin geldt dit voor het thans ingetrokken Besluit reserves verzekeraars

Dit Besluit reserves verzekeraars kan een uitvloeisel van dit Convenant worden genoemd. Krachtens dit besluit kunnen levens- en schadeverzekeraars een egalisatiereserve vormen. Bij levensverzekeraars is de hoogte van deze reserve mede afhankelijk van de hoogte van de premiereserve en van de verliezen op vastrentende waarden. Er is derhalve een grote samenhang tussen de bepalingen uit het Convenant met betrekking tot de berekening van de premiereserve en het Besluit reserves verzekeraars. Met het oog op deze samenhang zijn de bepalingen van het Besluit reserves verzekeraars ondergebracht in het onderhavige besluit.

Het thans ingetrokken Besluit reserves verzekeraars heeft formeel slechts betrekking op levensverzekeraars en op schadeverzekeraars en derhalve niet op natura-uitvaartverzekeraars. Het beleid met betrekking tot de laatste categorie verzekeraars is evenwel dat ook deze gebruik kunnen maken van de in dat besluit opgenomen mogelijkheid tot het aanhouden van en het doteren aan een egalisatiereserve, zolang het aantal uitvaarten van niet-verzekerden minder dan tien percent bedraagt van het totale aantal uitvaarten1. Dit uitvoeringsbeleid is in het onderhavige besluit gecodificeerd. Daarbij wordt aangesloten bij de regels met betrekking tot levensverzekeraars.

Artikelsgewijze toelichting

De bepalingen van het onderhavige Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars (BWRV) zijn, zoals reeds in het algemene deel van deze toe-lichting is aangegeven, grosso modo ontleend aan enerzijds het Convenant van 11 april 1969 en anderzijds het Besluit reserves verzekeraars (BRV). De artikelsgewijze toelichting beperkt zich daarom tot de elementen die ten opzichte van het Convenant en het BRV zijn gewijzigd.

Artikel 1

Het eerste lid betreft de bepaling (artikel 29, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969) waarop dit besluit is gebaseerd.

In het tweede lid zijn definities opgenomen. Dit lid komt grotendeels overeen met artikel 1 van het BRV. Een wijziging betreft de toevoeging van de categorie natura-uitvaartverzekeraar (onderdeel b). Hierop is in het algemene deel van deze toelichting reeds ingegaan.

Artikel 2

In artikel 2, eerste lid, is de hoofdregel van onderdeel A.1. van het Convenant uit 1969 opgenomen. Deze hoofdregel houdt in dat de premiereserve plaatsvindt op basis van de grondslagen (sterfte, interest en kosten) die zijn gehanteerd bij de berekening van de premies voor de verzekeringen waarop de premiereserve betrekking heeft. Ten opzichte van het Convenant zijn slechts enkele redactionele wijzigingen aangebracht.

Het tweede lid betreft het in onderdeel A.2. van het Convenant opgenomen Niederstwertprinzip op basis waarvan, in afwijking van de hoofdregel, een omrekening van de premiereserve onder bepaalde voorwaarden geoorloofd is. Ook deze bepaling is inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit het Convenant.

Artikel 3

Dit artikel komt inhoudelijk overeen met onderdeel F van het Convenant en betreft de toepassing van de nettomethode. Bij deze methode wordt de premiereserve kort gezegd berekend door uit te gaan van de netto-premies, de premies derhalve waaruit de kostenopslagen voor de zogenoemde eerste en doorlopende kosten zijn geëlimineerd. Een uitvloeisel van deze nettomethode is dat de eerste kosten in hun geheel ten laste van de winst worden gebracht van het jaar waarin de verzekerings-polissen waarop de kosten betrekking hebben, worden afgesloten. De doel-stelling van het onderhavige besluit, te weten een in de tijd gespreide aftrek van deze eerste kosten (zie hierna onder artikel 4), betekent derhalve dat de nettomethode in die zin wordt verlaten.

Artikel 4

Dit artikel betreft het in de tijd gespreid in aftrek brengen door levensverzekeraars en natura-uitvaartverzekeraars van de eerste kosten, en wel in tien gelijke jaarmoten. Wat betreft de terminologie wordt aangesloten bij het in artikel 440, eerste lid, onderdeel a, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gehanteerde begrip acquisitiekosten. Deze kosten worden in het tweede lid van dat artikel omschreven als de middellijk of onmiddellijk met het sluiten van
verzekeringsovereenkomsten samen-hangende kosten. Onder deze kosten vallen onder meer de aanbrengprovisies betaald aan het personeel, de personeelskosten van loondienstagenten, reclame- en marketingkosten, verlengingskosten, afsluitprovisie (inclusief verlengingsprovisie), kosten medische keuring, kosten aanvragen en opstellen polissen, administratiekosten en alle andere kosten die direct of indirect te maken hebben met het sluiten van een verzekeringsovereenkomst.

Artikel 5

Dit artikel heeft betrekking op de behandeling bij levens- en natura-uitvaartverzekeraars van toegekende rentestandkortingen en stemt inhoudelijk overeen met onderdeel C van het Convenant.

Artikel 6

Dit artikel stemt inhoudelijk overeen met onderdeel D van het Convenant.

Artikel 7

Dit artikel komt overeen met artikel 2 van het BRV, met dien verstande dat de categorie natura-uitvaartverzekeraars is toegevoegd.

Artikel 8

Dit artikel komt overeen met artikel 4 van het BRV.

Ten opzichte van dat artikel is evenwel een lid toegevoegd (derde lid). Hierin wordt aangegeven dat de op de voet van artikel 5 in toekomstige jaren nog in aftrek te brengen rentestandkortingen een correctie betekenen op de hoogte van de premiereserve voorzover het de berekening van de egalisatiereserve betreft. Deze bepaling komt overeen met onderdeel C.2. van het Convenant.

Artikelen 9 tot en met 19

Deze artikelen komen overeen met de artikelen 4 tot en met 14 van het BRV, met dien verstande dat in de artikelen 9, 11 en 19 de categorie natura-uitvaartverzekeraar is toegevoegd. Voorts wordt opgemerkt dat het in artikel 15 van het BRV opgenomen overgangsrecht inmiddels zijn belang heeft verloren en dit artikel daarom niet is overgenomen.

Artikel 22

Dit artikel betreft de inwerkingtreding van dit besluit. Opgemerkt wordt met name dat de gewijzigde behandeling van de eerste kosten (opgenomen in artikel 4) voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen met of in 2001. Dit betekent dat de wijziging geen gevolgen heeft op de in voorgaande jaren plaatsgevonden aftrek van de eerste kosten.

De staatssecretaris van Financiën,
W. Bos

MINISTERIE VAN FINANCIËN

DIRECTORAAT-GENERAAL VOOR FISCALE ZAKEN

DIRECTIE WETGEVING DIRECTE BELASTINGEN

WDB00/M s-Gravenhage,

Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (gereserveerd onderdeel)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de staatssecretaris van Financiën van ,

Gelet op artikel 2.5, . van de Wet inkomstenbelasting 2001;

De Raad van State gehoord (advies van nr. );

Gezien het nader rapport van de staatssecretaris van Financiën van ;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 2 Raamwerk (hoofdstuk 2 van de wet)

Artikel 2 Keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering verschuldigde inkomstenbelasting bij kiezende belastingplichtige


1. Aan een kiezende belastingplichtige wordt volgens de artikelen 2a tot en met 2h een vermindering op de verschuldigde inkomstenbelasting verleend voor de belasting die betrekking heeft op niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen.


2. Onder een kiezende belastingplichtige wordt verstaan:

a. een niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland wonende binnenlandse belastingplichtige, of


b. een buitenlandse belastingplichtige,

die volgens artikel 2.5 van de wet kiest voor toepassing van de regels van de wet voor binnenlandse belastingplichtigen.

Artikel 2a Vermindering bij inkomen uit werk en woning


1. De vermindering vanwege in het inkomen uit werk en woning begrepen niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen staat tot het noemerinkomen.


2. Onder het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen wordt verstaan: de som van:


a. de bestanddelen van het noemerinkomen die niet behoren tot het inkomen uit werk en woning in Nederland volgens afdeling 7.2 van de wet, en


b. de inkomensbestanddelen die daartoe wel behoren maar waarvoor het heffingsrecht op grond van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet of tot een beperkt tarief aan Nederland is toegewezen.

Bij een binnenlandse belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont, worden alleen de inkomensbestanddelen in aanmerking genomen die zijn genoten in de periode dat hij niet in Nederland woonde.


3. De vermindering van het eerste lid wordt bij de aanwezigheid van in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inkomensbestanddelen die Nederland volgens regelingen ter voorkoming van dubbele belasting slechts tegen een beperkt tarief mag belasten, verlaagd met de belasting die Nederland volgens die regelingen over de inkomensbestanddelen mag heffen. De verlaging is evenwel niet hoger dan het bedrag aan belasting dat in Nederland daadwerkelijk over die inkomensbestanddelen wordt geheven.


4. De vermindering van het eerste lid kan, na de verlaging van het derde lid, niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn.


5. Onder noemerinkomen wordt verstaan: het inkomen uit werk en woning

a. vermeerderd met de hierop in het jaar in mindering gebrachte uitgaven voor inkomensvoorzieningen, uitgaven voor kinderopvang en persoonsgebonden aftrek, en


b. verminderd met de - met overeenkomstige toepassing van afdeling 3.13 van de wet - te verrekenen negatieve bedragen aan noemerinkomen uit andere jaren.


6. Onder de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn, wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, verminderd met een evenredig deel van het belastingdeel van de heffingskorting. Het belastingdeel van de heffingskorting wordt hierbij naar evenredigheid verdeeld over de, zonder heffingskorting, berekende belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Als belastingdeel van de heffingskorting van de belastingplichtige wordt mede in aanmerking genomen het belastingdeel van de verhoging van de heffingskorting volgens artikel 8.9 van de wet bij de partner.

Artikel 2b Verrekening dividendbelasting bij inkomen uit werk en woning

De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit werk en woning behorende dividenden die niet tot het in afdeling 7.2 van de wet omschreven inkomen uit werk en woning in Nederland behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting.

Artikel 2c Doorschuifregeling


1. Voorzover het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen - berekend met inachtneming van de verrekening volgens artikel 2c - groter is dan het noemerinkomen, wordt het overgebracht naar het volgend jaar. Deze overbrenging vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.


2. In het jaar waarnaar de overbrenging plaatsvindt, wordt voor de berekening van de vermindering volgens artikel 2a het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen verhoogd met het over te brengen bedrag aan niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen. Het noemerinkomen wordt niet verhoogd.


3. Artikel 26 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2d Inhaalregeling


1. Indien het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen - berekend met inachtneming van de overbrenging volgens artikel 2c - negatief is, wordt het voor de toepassing van de vermindering volgens artikel 2a aangemerkt als een negatief niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddeel van het noemerinkomen van het volgend jaar. De inspecteur stelt het naar het volgend jaar over te brengen bedrag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.


2. De artikelen 26 en 27 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2e Vermindering bij inkomen uit aanmerkelijk belang


1. De vermindering vanwege in het inkomen uit aanmerkelijk belang begrepen niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen staat tot het noemerinkomen.


2. Onder het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen wordt verstaan: de som van:


a. de bestanddelen van het noemerinkomen die niet behoren tot het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap volgens afdeling 7.3 van de wet, en


b. de inkomensbestanddelen die daartoe wel behoren maar waarover het heffingsrecht op grond van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet of tot een beperkt tarief aan Nederland is toegewezen.

Artikel 2a, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.


3. De vermindering van het eerste lid wordt bij de aanwezigheid van in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inkomensbestanddelen die Nederland volgens regelingen ter voorkoming van dubbele belasting slechts tegen een beperkt tarief mag belasten, verlaagd met de belasting die Nederland volgens die regelingen over de inkomensbestanddelen mag heffen.


4. De vermindering van het eerste lid kan, na de verlaging van het derde lid, niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd zou zijn.


5. Onder noemerinkomen wordt verstaan: het inkomen uit aanmerkelijk belang


a. vermeerderd met de hierop in het jaar in mindering gebrachte persoonsgebonden aftrek, en


b. verminderd met de - met overeenkomstige toepassing van afdeling 4.10 van de wet - te verrekenen negatieve bedragen aan noemerinkomen uit andere jaren.


6. Onder de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd zou zijn, wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet, verminderd met een evenredig deel van het belastingdeel van de heffingskorting. Artikel 2a, zesde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2f Verrekening dividendbelasting bij inkomen uit aanmerkelijk belang

De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behorende dividenden die niet tot het in afdeling 7.3 van de wet omschreven inkomen uit aanmerkelijk in een in Nederland gevestigde vennootschap behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting.

Artikel 2g Vermindering bij voordeel uit sparen en beleggen


1. De vermindering vanwege in het voordeel uit sparen en beleggen begrepen niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het gemiddelde van de rendementsgrondslag buiten Nederland aan het begin van het jaar (begindatum) en aan het einde van het jaar (einddatum) staat tot het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin en aan het einde van het jaar.


2. De vermindering van het eerste lid kan niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van de afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn.


3. Onder de rendementsgrondslag buiten Nederland wordt verstaan: het saldo van de in de rendementsgrondslag begrepen


a. bezittingen en schulden die niet behoren tot de rendementsgrondslag in Nederland volgens artikel 7.7, en


b. bezittingen en de daarmee verband houdende schulden die daartoe wel behoren, maar waarbij het heffingsrecht over de daaruit genoten inkomsten op grond van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet aan Nederland is toegewezen.

Bij een belastingplichtige die niet het gehele jaar in Nederland woont, wordt de naar tijdsgelang herleidde gemiddelde waarde van de rendementsgrondslag buiten Nederland aan het begin en het eind van de periode dat hij niet in Nederland woonde, in aanmerking genomen. Gedeelten van kalendermaanden worden hierbij als volle maand beschouwd.


4. Onder de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet, verminderd met een evenredig deel van het belastingdeel van de heffingskorting. Artikel 2a, zesde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.


5. Artikel 5.3 van de wet is bij het overlijden van de belastingplichtige van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2h Verrekening dividendbelasting bij voordeel uit sparen en beleggen

De dividendbelasting geheven over dividenden uit rechten die tot de bezittingen als bedoeld in artikel 5.3 van de wet behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting.

Nota van toelichting

Algemeen

Het onderhavige besluit is gebaseerd op de Wet inkomstenbelasting 2001 en die mede ter vervanging van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964, dat was gebaseerd op de Wet op de inkomstenbelasting 1964. In dit besluit zijn de volgende onderwerpen nader uitgewerkt:


1. regels ter voorkoming van dubbele belasting in het kader van het keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen (artikel 2.5, vierde lid van de wet);


2.

Artikelsgewijze toelichting

Met de in de artikelen 2 tot en met 2h opgenomen regeling wordt uitvoering gegeven aan de delegatiebepaling van artikel 2.5, vijfde lid, van de wet. Het gaat om een regeling voor de vermindering van belasting - ter voorkoming van dubbele belasting - en de verrekening van dividendbelasting bij kiezende belastingplichtigen. De vermindering ziet op het deel van het inkomen dat niet behoort tot het Nederlandse inkomen volgens hoofdstuk 7 van de wet, en het deel dat daartoe wel behoort, maar waarover het heffingsrecht op grond van een belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen.

Artikel 2 Vermindering verschuldigde inkomstenbelasting bij kiezende belastingplichtige

Bij een kiezende belastingplichtige gaat het om een buitenlandse belastingplichtige (of om een belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont). Zonder keuzeregeling wordt een dergelijke belastingplichtige in Nederland alleen in de heffing betrokken voor de in hoofdstuk 7 van de wet (buitenlandse belastingplicht) opgesomde inkomensbestanddelen. De door Nederland afgesloten belastingverdragen brengen hierop verdere beperkingen aan. Een buitenlandse belastingplichtige komt niet in aanmerking voor de persoonsgebonden aftrek en de heffingskorting.

De keuzeregeling vormt een van dit systeem afwijkende regeling. Een eerste afwijking is dat bij de belastingheffing over het Nederlands inkomen rekening wordt gehouden met de niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen. Dit is van belang voor de progressie. Technisch is dit uitgewerkt door een kiezende belastingplichtige in beginsel voor zijn wereldinkomen in de heffing te betrekken. Vervolgens wordt voor de inkomensbestanddelen die bij een echte buitenlandse belastingplichtige in Nederland niet (mogen) worden belast, vermindering van belasting verleend via de uit het Besluit voorkoming dubbele belasting bekende vrijstellingsmethode.

Het tweede effect, en daarvoor is de keuzeregeling bedoeld, is dat (persoonsgebonden) aftrekposten en de heffingskorting naar evenredigheid van het Nederlandse inkomen en het overige inkomen bij de bepaling van de in Nederland verschuldigde belasting in aanmerking kunnen worden genomen. Dit wordt gerealiseerd door de voorkoming voor het niet in Nederland te belasten inkomen te verlenen via de uit het Besluit voorkoming dubbele belasting bekende evenredigheidsbreuk.

In het eerste lid wordt in overeenstemming met het voorgaande bepaald dat aan een kiezende belastingplichtige een vermindering wordt verleend op de verschuldigde inkomstenbelasting - berekend over zijn wereldinkomen - voor de belasting die betrekking heeft op niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen. Deze vermindering wordt vervolgens nader uitgewerkt in de artikelen 2a tot en met 2h.

In het tweede lid wordt het begrip kiezende belastingplichtige omschreven. Dit is de (buitenlands) belastingplichtige die op basis van artikel 2.5 van de wet kiest voor toepassing van de regels van de wet voor binnenlandse belastingplichtigen.

Artikel 2a Vermindering bij inkomen uit werk en woning

Het eerste lid regelt de vermindering voor niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen die onderdeel uitmaken van het inkomen uit werk en woning (box I). De bij de bepaling van de omvang van de vermindering gehanteerde evenredigheidsbreuk is ontleend aan het Besluit voorkoming dubbele belasting.

Bij de toepassing van de evenredigheidsbreuk geldt de zogenoemde gezamenlijke methode. Dit volgt uit het gebruik van de terminologie het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen. Hierbij is niet van belang uit welk land die inkomsten komen. Het voorgaande betekent dat bij aanwezigheid van niet-Nederlandse inkomsten uit verschillende landen, deze inkomsten voor de toepassing van de evenredigheidsbreuk samen moeten worden genomen. De bijvoorbeeld in België betaalde hypotheekrente op een eigen woning dient derhalve gesaldeerd te worden met eventueel buiten Nederland behaalde inkomsten uit dienstbetrekking of winst. Deze hypotheekrente komt in zoverre niet (gedeeltelijk) in mindering op Nederlands inkomen. Bij een positief saldobedrag wordt voorkoming verleend. Is het saldobedrag negatief, hetgeen betekent dat de hypotheekrente ten laste komt van - de verschuldigde belasting over - Nederlands inkomen, dan wordt dit negatieve bedrag via de inhaalregeling doorgeschoven naar volgende jaren (artikel 2d). Het negatieve bedrag wordt aldus - bij voortgezet gebruik van de keuzeregeling - in een volgend jaar betrokken bij de vermindering van belasting voor niet in Nederland te belasten inkomens, in welk land ook behaald.

Door de beperking tot bestanddelen van het noemerinkomen, vormen de persoonsgebonden aftrek, de uitgaven voor inkomensvoorzieningen en de kosten van kinderopvang geen onderdeel van de teller van de breuk (zie ook het vijfde lid). Dit is van belang vanwege de gewenste evenredige toerekening van deze aftrekposten aan het Nederlandse en het overige inkomen.

Het tweede lid geeft een omschrijving van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen. Hieronder vallen volgens onderdeel a in de eerste plaats de bestanddelen van het noemerinkomen die niet behoren tot het inkomen uit werk en woning in Nederland volgens afdeling 7.2 van de wet. Dit zijn de inkomensbestanddelen die bij een buitenlandse belastingplichtige zonder de keuzeregeling niet in Nederland in de heffing zouden worden betrokken. Daarnaast vallen onder voornoemd begrip de inkomenbestanddelen die wel tot het inkomen uit werk en woning in Nederland behoren, maar waarvoor het heffingsrecht op grond van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting (belastingverdrag) niet aan Nederland is toegewezen. Deze omschrijvingen zijn ontleend aan artikel 2.5, derde en vijfde lid, van de wet. In onderdeel b worden tevens genoemd de inkomensbestanddelen waarover Nederland op grond van een belastingverdrag slechts tegen een beperkt tarief mag heffen. Dit ziet op de (uitzonderlijke) gevallen waarin Nederland bijvoorbeeld over betaalde pensioenen of commissarissenbeloningen in het verdrag een beperkt heffingsrecht heeft (tegen een gemaximeerd tarief).

Onder het tweede lid vallen bijvoorbeeld niet dividenden betaald op Nederlandse aandelen die deel uitmaken van een onderneming (vaste inrichting) in Nederland. De ondernemingswinst in Nederland behoort immers tot het in afdeling 7.2 van de wet omschreven Nederlands inkomen, terwijl Nederland in een dergelijke situatie ook volgens de verdragen het volledige heffingsrecht heeft over de dividenden.

Behoren de dividenden tot een buitenlandse onderneming, dan bestaat hiervoor geen buitenlandse belastingplicht en behoren de ontvangen dividenden op grond van onderdeel a tot het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen. Door de beperking in onderdeel b tot inkomensbestanddelen die wel tot het inkomen uit werk en woning behoren, vallen deze dividenden niet (tevens) onder deze bepaling. Dit is van belang bij de toepassing van het derde lid en van artikel 2b.

Ingevolge het derde lid wordt bij de aanwezigheid van in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inkomensbestanddelen die Nederland volgens een belastingverdrag slechts tegen een beperkt tarief mag belasten, de vermindering van het eerste lid verlaagd met het bedrag dat Nederland mag heffen. Dit ziet bijvoorbeeld op de hiervoor genoemde situatie dat Nederland een beperkt heffingsrecht heeft op aan een inwoner van een verdragsland betaalde pensioenen. In eerste instantie behoort dit inkomen tot de inkomensbestanddelen waarbij voor de daarover verschuldigde belasting vermindering wordt verleend. Op deze wijze zou echter te veel tegemoetkoming worden gegeven. Nederland heeft immers een beperkt heffingsrecht. Daarom wordt de tegemoetkoming verlaagd met het Nederlandse heffingsrecht.

In bepaalde situaties kan het zich voordoen dat Nederland niet volledig van zijn beperkt heffingsrecht gebruik maakt, bijvoorbeeld omdat de inkomsten onder het lage belastingtarief van de eerste schijf vallen. De verlaging van de tegemoetkoming is in een dergelijk geval beperkt tot de daadwerkelijk door Nederland geheven belasting.

De verlaging van het derde lid geldt niet voor de in het voorgaande genoemde dividenden op Nederlandse aandelen die tot een onderneming van de belastingplichtige in het buitenland behoren. Onder de verdragen heeft Nederland over deze dividenden een beperkt heffingsrecht. Aan dit heffingsrecht wordt evenwel uitvoering gegeven door middel van de heffing van dividendbelasting. De dividenden behoren niet tot het Nederlands inkomen als bedoeld in hoofdstuk 7 van de wet. Het gebruik van het heffingsrecht wordt in deze situatie gerealiseerd door in artikel 2b te bepalen dat in dergelijke situaties de ingehouden dividendbelasting niet wordt verrekend met de door de belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De met inachtneming van het verdrag te heffen dividendbelasting blijft aldus ook bij een kiezende belastingplichtige eindheffing.

Bij een binnenlandse belastingplichtige die niet het gehele jaar in Nederland woont, worden alleen de inkomensbestanddelen in aanmerking genomen die zijn genoten in de periode dat hij niet in Nederland woonde. De voorkoming van dubbele belasting voor buitenlandse inkomens die hij heeft verkregen in de periode van binnenlandse belastingplicht wordt beheerst door het Besluit voorkoming dubbele belasting.

Volgens het vierde lid kan de vermindering van het eerste lid niet meer bedragen dan de in box I verschuldigde belasting. Deze bepaling is van belang indien het inkomen uit werk en woning in Nederland negatief is. Een bedrag aan inkomen waarvoor aldus geen voorkoming wordt verleend, kan vervolgens op basis van artikel 2c worden doorgeschoven naar volgende jaren.

De omschrijving van het begrip noemerinkomen in het vijfde lid, is ontleend aan artikel 10, vijfde lid, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Door het inkomen uit werk en woning te verminderen met de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, de kosten voor kinderopvang en de persoonsgebonden aftrek wordt bereikt dat deze aftrekposten naar evenredigheid over het inkomen in Nederland en het overige inkomen worden verdeeld. Zie hiervoor uitgebreid de toelichting op genoemd Besluit.

In het zesde lid wordt, globaal gezegd, het in box I verschuldigde belastingbedrag omschreven. De gekozen systematiek wijkt af van die bij binnenlandse belastingplichtigen onder het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Dit betreft de volgorde van de vermindering van belasting wegens niet in Nederland te belasten inkomsten en de toepassing van de heffingskorting. In afwijking van de regeling voor binnenlands belastingplichtigen onder genoemd Besluit, wordt bij een kiezende belastingplichtige de in totaal over de drie boxen verschuldigde belasting eerst verminderd met de heffingskorting. Pas daarna vindt de vermindering plaats op basis van de onderhavige artikelen 2 tot en met 2h. In verband hiermee is het nodig dat het belastingdeel van de heffingskorting over de in de verschillende boxen verschuldigde belasting wordt verdeeld. Dit gebeurt naar rato van de over de boxen berekende belasting. Onder het in aanmerking te nemen belastingdeel van de heffingskorting valt ook het belastingdeel van de aan de partner uitbetaalde heffingskorting.

Artikel 2b Verrekening dividendbelasting bij inkomen uit werk en woning

Op de betekenis van deze bepaling is al ingegaan in de toelichting op artikel 2a, derde lid. Voor de betekenis van het begrip dividenden dient hierbij overigens te worden aangesloten bij de dividendbelasting.

Artikelen 2c en 2d Doorschuifregeling en inhaalregeling

De in artikel 2c opgenomen doorschuifregeling en de in artikel 2d opgenomen inhaalregeling zijn ontleend aan de overeenkomstige regelingen in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Hierbij zijn de bepalingen uit genoemd Besluit inzake het vaststellen van de over te brengen bedragen bij voor bezwaar vatbare beschikking van overeenkomstige toepassing verklaard.

Omdat bij de vermindering de gezamenlijke methode wordt gehanteerd zijn geen regels nodig voor de toerekening van een door te schuiven bedrag aan verschillende mogendheden.

Artikel 2e Vermindering bij inkomen uit aanmerkelijk belang

Dit artikel regelt de vermindering voor niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen die onderdeel uitmaken van het inkomen uit aanmerkelijk belang (box II). De vormgeving van het artikel stemt overeen met die van artikel 2a voor inkomen uit werk en woning. Verwezen zij daarom naar de toelichting op laatstgenoemd artikel.

Artikel 2f Verrekening dividendbelasting bij inkomen uit aanmerkelijk belang

In deze bepaling wordt voor de tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behorende dividenden, overeenkomstig de in artikel 2b opgenomen bepaling voor tot het inkomen uit werk en woning behorende dividenden, geregeld dat de ingehouden dividendbelasting alleen voor verrekening met de verschuldigde inkomstenbelasting in aanmerking komt indien de dividenden onderdeel uitmaken van het in hoofdstuk 7 omschreven Nederlands inkomen.

Artikel 2g Vermindering bij voordeel uit sparen en beleggen

Dit artikel regelt de vermindering voor niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen die onderdeel uitmaken van het voordeel uit sparen en beleggen (box III). De vormgeving van het artikel stemt grotendeels overeen met die van artikel 2a voor inkomen uit werk en woning, en van artikel 2e voor inkomen uit aanmerkelijk belang.

Een verschil is dat bij de bepaling van evenredigheidsbreuk wordt uitgegaan van rendementsgrondslag in plaats van inkomen. Omdat het inkomen toch steeds forfaitair op 4% van de heffingsgrondslag wordt gesteld, maakt dit evenwel geen verschil.

Verder doet zich bij in box III vallende inkomensbestanddelen niet de situatie voor dat Nederland bij inkomsten die tot het Nederlands inkomen behoren, op grond van een verdrag een beperkt heffingsrecht heeft. De voorziening voor een dergelijke situatie ontbreekt derhalve in artikel 2g.

Voor binnenlandse belastingplichtigen die niet het gehele kalenderjaar in Nederland wonen, is net als in de artikelen 2a en 2e een specifieke regeling getroffen. Volgens deze bepaling wordt alleen een vermindering verleend voor het forfaitaire rendement over de niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen tijdens de periode dat de belastingplichtige niet in Nederland woonde. De begindatum voor de bepaling van de teller is dan 1 januari of het latere tijdstip dat de belastingplichtige Nederland verlaat. De einddatum 31 december of het eerdere tijdstip dat de belastingplichtige in Nederland komt wonen. De gemiddelde waarde van de rendementsgrondslag buiten Nederland wordt vervolgens voor de bepaling van de teller - uitgaande van een jaar - op basis van de periode dat de belastingplichtige niet in Nederland woonde naar tijdsgelang herleid.

Artikel 2h Verrekening dividendbelasting bij voordeel uit sparen en beleggen

De dividendbelasting over dividenden op Nederlandse aandelen die in box III vallen wordt niet verrekend. Dergelijke dividenden zullen bij een buitenlandse belastingplichtige nooit behoren tot het Nederlands inkomen als omschreven in hoofdstuk 7 van de wet. Zie verder de artikelen 2a en 2f.
MINISTERIE VAN FINANCIËN

DIRECTORAAT-GENERAAL VOOR FISCALE ZAKEN

DIRECTIE WETGEVING DIRECTE BELASTINGEN

WDB00/M s-Gravenhage,

Aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten (twee gereserveerde onderdelen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de staatssecretaris van Financiën van ,

Gelet op ..artikel 14c .van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en op hoofdstuk 2, artikelen... en IV, onderdeel B, derde lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001;

De Raad van State gehoord (advies van nr. );

Gezien het nader rapport van de staatssecretaris van Financiën van ;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel III

Het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 1 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 7aa


1. Een niet naar Nederlands recht opgerichte rechtspersoon is naar aard en inrichting vergelijkbaar als bedoeld in artikel 14c, achtste lid, onderdeel b, van de wet met een naar Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid indien:


a. een dergelijke rechtspersoon is aan te merken als een vennootschap met een geheel, in gelijke of evenredige delen, in aandelen verdeeld kapitaal;


b. een dergelijke rechtspersoon in het land van oprichting als subject onderworpen is aan een belasting naar de winst;


c. de door de rechtspersoon behaalde winst niet rechtstreeks aan de kapitaalverschaffers is toe te rekenen, doch hen slechts kan bereiken via een uitdelingsbesluit van het daartoe bevoegde orgaan van de rechtspersoon;


d. de kapitaalverschaffers niet verder aansprakelijk zijn dan tot het bedrag dat op hun aandelen in de vennootschap is gestort;


e. alle kapitaalverschaffers in beginsel stemrecht hebben overeenkomstig hun aaandel in het kapitaal van de rechtspersoon, en


f. het geplaatste kapitaal van de rechtspersoon en het gestorte deel daarvan ten minste het bedrag belopen van het minimumkapitaal, bedoeld in artikel 178, tweede lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel II


1. Indien een lichaam is opgericht na 1 januari 1998 wordt het bedrag bedoeld in hoofdstuk 2 van artikel IV, onderdeel B, tweede lid, onderdeel b, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, gesteld op nihil.


2. Indien de belastingplichtige na 1 januari 1998 onder algemene titel vermogen verkrijgt of heeft verkregen in het kader van een fusie (juridische fusie):


a. worden voor de toepassing van hoofdstuk 2, artikel IV, onderdeel B, tweede lid, onderdeel b, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 mede in aanmerking genomen de winstuitdelingen die door de verdwijnende rechtspersoon, volgens een bestendige gedragslijn, in de drie kalenderjaren die onmiddellijk voorafgaan aan
1 januari 2001, per jaar zijn verricht;



b. wordt voor de toepassing van hoofdstuk 2, artikel IV, onderdeel B, tweede lid, onderdeel d, van die wet mede in aanmerking genomen het resultaat van de verdwijnende rechtspersoon.


c. worden voor de toepassing van hoofdstuk 2, artikel IV, onderdeel B, zesde lid, van die wet mede in aanmerking genomen de winstuitdelingen die in totaliteit door de verdwijnende rechtspersoon in de periode van 1 januari 2001 tot het fusietijdstip zijn verricht en wordt mede in aanmerking genomen de waarde in het economische verkeer van het in dat lid bedoelde saldo van de verdwijnende rechtspersoon.

3. Indien de belastingplichtige na 1 januari 1998 onder algemene titel vermogen verkrijgt of heeft verkregen in het kader van een splitsing (juridische splitsing):


a. worden voor de toepassing van hoofdstuk 2, artikel IV, onderdeel B, tweede lid, onderdeel b, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 de winstuitdelingen die door de splitsende rechtspersoon, volgens een bestendige gedragslijn, gedurende de drie kalenderjaren die onmiddellijk voorafgaan aan 1 januari 2001 per jaar zijn verricht, geacht voor een evenredig gedeelte te zijn gedaan door de belastingplichtige en worden, in geval van een splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon blijft bestaan, deze winstuitdelingen door de splitsende rechtspersoon in dezelfde mate geacht te zijn verminderd;


b. wordt voor de toepassing van hoofdstuk 2, artikel IV, onderdeel B, tweede lid, onderdeel d, van die wet, het resultaat van de splitsende rechtspersoon geacht voor een evenredig gedeelte te zijn behaald door de belastingplichtige en wordt, in geval van splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon blijft bestaan, het resultaat van de splitsende rechtspersoon in dezelfde mate verminderd;


c. worden voor de toepassing van hoofdstuk 2, artikel IV, onderdeel B, zesde lid, van die wet de winstuitdelingen die in totaliteit door de splitsende rechtspersoon zijn gedaan, geacht voor een evenredig deel te zijn verricht door de belastingplichtige en worden, in geval van splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon blijft bestaan, de winstuitdelingen van de splitsende rechtspersoon in dezelfde mate verminderd.

4. Voor de toepassing van het derde lid wordt onder evenredig gedeelte verstaan: een gedeelte dat evenredig is aan de verhouding ten tijde van de splitsing tussen de waarde in het economische verkeer van de vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon die overgaan op de belastingplichtige en de waarde in het economische verkeer van het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon.

5. Ingeval de belastingplichtige na 1 januari 1998 onder algemene titel vermogen heeft verkregen of verkrijgt in het kader van een fusie of splitsing, wordt ten aanzien van de aandelen die door natuurlijke personen of lichamen in het kader van die fusie of splitsing worden verkregen in de belastingplichtige, ingeval die natuurlijke personen of lichamen op het moment van de fusie of splitsing een belang van ten minste vijf percent houden in de verdwijnende of splitsende vennootschap, de ononderbroken periode dat die natuurlijke personen of lichamen dat belang hebben gehouden, voor de toepassing van hoofdstuk
2, artikel IV, onderdeel B, vierde lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, mede in aanmerking genomen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing indien aandelen in de belastingplichtige worden verkregen in het kader van een aandelenfusie in de zin van artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

6. Voorzover aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in een vennootschap die is opgericht na 1 januari 1998 bij de oprichting worden gehouden door in hoofdstuk 2, artikel IV, onderdeel B, vierde lid, eerste volzin, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 bedoelde personen of lichamen, worden deze aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid voor de toepassing van dat lid geacht gedurende een onafgebroken periode van drie jaren door deze personen of lichamen, te worden gehouden.

Nota van toelichting

Algemeen

Het onderhavige besluit bevat de aanpassingen van de uitvoeringsbesluiten op fiscaal terrein die het gevolg zijn van de belastingherziening 2001 alsmede overgangsrecht dat is gebaseerd op de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

Voor wat betreft het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 betreft dit naast technische wijzigingen nadere regels voor de beoordeling of een naar buitenlands recht opgerichte rechtspersoon naar aard en inrichting vergelijkbaar is met een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Artikelsgewijze toelichting

Artikel III

De regeling voor de geruisloze terugkeer van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is in beginsel ook van toepassing op niet naar Nederlands recht opgerichte rechtspersonen. In het achtste lid van genoemd artikel is daartoe onder meer de voorwaarde gesteld dat een dergelijke rechtspersoon naar aard en inrichting vergelijkbaar moet zijn met de Nederlandse NV of BV. Het achtste lid voorziet in dat verband in de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen aan de hand waarvan dient te worden beoordeeld of een buitenlandse rechtspersoon naar aard en inrichting vergelijkbaar is. In het nieuwe artikel 7aa van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 zijn deze nadere regels opgenomen. De criteria opgenomen in de onderdelen a tot en met e zijn ontleend aan de criteria zoals die worden gehanteerd in verband met de toepassing van het regime van de fiscale eenheid op buitenlandse lichamen (Besluit van 13 april 1999, nr. DB99/437, VN 1999/27.13). De voorwaarde opgenomen in onderdeel f is ontleend aan de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen. Die voorwaarde houdt in dat het geplaatste en het gestorte kapitaal van de vennootschap ten minste gelijk moeten zijn aan het minimumkapitaal dat in artikel 2: 178 BW is voorgeschreven voor Nederlandse besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid.

Ten behoeve van de uitvoeringspraktijk zal de Belastingdienst periodiek een lijst publiceren waarin de buitenlandse rechtspersonen worden vermeld waarvan is vastgesteld dat zij voldoen aan de in artikel 7aa gestelde criteria.

Hoofdstuk 2 Overgangsrecht

Artikel II

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel IV, onderdeel B, derde lid, van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Op grond van het derde lid kunnen op drie punten nadere regels worden gegeven. Het eerste betreft de bestendige gedragslijn. Er is voor gekozen dat begrip in dit besluit niet nader uit te werken, omdat het beste van geval tot geval kan worden beoordeeld wat daaronder moet worden verstaan. Belangrijke aanwijziging bij het bepalen of sprake is van een bestendige gedragslijn kan zijn de zogenoemde pay-out ratio. Dit is het gedeelte van de winst dat een lichaam jaarlijks pleegt uit te delen. Indien een lichaam bijvoorbeeld het beleid heeft jaarlijks de helft van de winst uit te keren, vormt dit gegeven voor het desbetreffende lichaam een bestendige gedragslijn. Indien dat lichaam dan incidenteel een veelvoud van dit bedrag uitkeert (een superdividend) kan deze uitdeling niet als bestendig worden beschouwd en dient de niet-bestendige component van de uitdeling voor de toepassing van het tweede lid buiten beschouwing te blijven. Een bestendige gedragslijn kan er bijvoorbeeld ook uit bestaan dat een lichaam er naar streeft ongeacht te fluctuatie in de winst, een vast bedrag uit te delen, eventueel opgehoogd met inflatie. Wat voor een lichaam als bestendige gedragslijn heeft te gelden, moet over een langere periode worden bezien. Hoewel feitelijk alleen het dividend van de laatste drie jaren voor 1 januari 2001 in aanmerking wordt genomen, zal men dus verder terug moeten kijken, om te beoordelen wat voor een lichaam als bestendig kan worden beschouwd.

De regels die zijn opgenomen in dit besluit hebben betrekking op de situatie dat een lichaam is opgericht na 1 januari 1998 en op de situatie van juridische fusie en splitsing. Dit wordt hierna toegelicht.

Lichamen die na 1 januari 1998 zijn opgericht, hebben nog geen bestendig dividendbeleid kunnen ontwikkelen. Het tijdsverloop sinds de oprichting is in dat geval te kort om van een bestendige gedragslijn te kunnen spreken. Daarom wordt in het eerste lid bepaald dat de limiet van het tweede lid, onderdeel b, van artikel IV, onderdeel B van hoofdstuk 2 van de wet in die gevallen op nihil wordt gesteld. Overigens is het niet waarschijnlijk dat recent opgerichte vennootschappen met heffing van additionele vennootschapsbelasting zullen worden geconfronteerd omdat deze vóór 1 januari 2001 nog geen omvangrijke winstreserves zullen hebben opgebouwd. Op grond van het bepaalde in het zesde lid van het genoemde artikel IV, onderdeel B van hoofdstuk 2 komt heffing alleen aan de orde als er nog winstreserves aanwezig zijn van voor 1 januari 2001.

In het tweede lid worden regels gegeven voor de toepassing van de additionele heffing na een juridische fusie. Zonder nadere regels zou het dividendverleden van de verdwijnende vennootschap, dat relevant is voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, van artikel IV, onderdeel B, van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 niet overgaan op de verkrijgende vennootschap. Als gevolg van de juridische fusie zou het dividendverleden van de verdwijnende vennootschap dan verloren gaan. Om dit te voorkomen is in onderdeel a bepaald dat het dividendverleden van de verdwijnende vennootschap na een juridische fusie bij de verkrijgende vennootschap in aanmerking mag worden genomen.

Een vergelijkbaar probleem doet zich voor bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel d van artikel IV, onderdeel B. Op grond van dat onderdeel mag de commerciële winst van het voorafgaande boekjaar worden uitgekeerd. In het eerste jaar na een juridische fusie, zou de commerciële winst van de verdwijnende vennootschap ter berekening van de limiet van onderdeel d, niet in aanmerking mogen worden genomen. Om dit te voorkomen is in onderdeel b bepaald dat de commerciële winst van de verdwijnende vennootschap ter berekening van de limiet van het tweede lid onderdeel d, bij de verkrijgende vennootschap in aanmerking mag worden genomen.

In onderdeel c is bepaald dat voor de toepassing van het zesde lid van artikel IV, onderdeel B de winstreserves per 1 januari 2001, alsmede de cumulatieve winstuitdelingen na die datum van de verdwijnende vennootschap bij de verkrijgende vennootschap in aanmerking worden genomen.

Net als bij de juridische fusie kunnen zich bij een juridische splitsing toerekeningsproblemen voordoen bij de bepaling van het dividendverleden, de bepaling van de commerciële winst van het laatste jaar voorafgaand aan de splitsing en bij de bepaling van de omvang van de winstreserves per 1 januari 2001 en bij de bepaling van de cumulatieve winstuitdelingen na die datum.

In het derde lid zijn daarom ook voor de juridische splitsing toerekeningsregels opgenomen.

In het derde lid, onderdeel a, is bepaald dat het dividendverleden naar evenredigheid gesplitst moet worden. De verkrijgende rechtspersoon krijgt een deel van het dividendverleden mee en de splitsende rechtspersoon moet haar dividendverleden met eenzelfde bedrag verminderen. De evenredigheid wordt daarbij vastgesteld aan de hand van de omvang van het vermogen op het splitsingstijdstip. Een definitie hiervoor is gegeven in het vierde lid.

In het derde lid, onderdeel b, is geregeld dat het resultaat dat betrekking heeft op het laatste jaar voor de splitsing, ter berekening van de limiet van het tweede lid, onderdeel d, van artikel IV, onderdeel B, eveneens naar evenredigheid wordt verdeeld over de verkrijgende en de splitsende rechtspersoon.

Ten slotte is in het derde lid, onderdeel c bepaald dat voor de toepassing van het zesde lid van artikel IV, onderdeel B, het saldo van de winstreserves per 1 januari 2001, alsmede de cumulatieve uitdelingen van winst vanaf 1 januari 2001 naar evenredigheid over de verkrijgende en de splitsende rechtspersoon moeten worden verdeeld.

Indien een aandeelhouder, die op het moment van de fusie een aandelenbezit heeft van 5% in een vennootschap, als gevolg van een juridische fusie of splitsing zijn aandelen ruilt voor aandelen in een andere vennootschap, mag de ononderbroken periode dat hij deze aandelen op het fusietijdstip bezit, worden opgeteld bij de periode dat de aandeelhouder de aandelen bezit in de verkrijgende vennootschap. Dit is opgenomen in het vijfde lid. Zonder deze toevoeging zou de eerste drie jaren na de fusie of splitsing niet aan het 3-jaarsvereiste kunnen worden voldaan. Uiteraard heeft deze bepaling alleen effect indien de aandeelhouder na de fusie ook in de verkrijgende vennootschap een belang heeft van meer dan vijf percent.

Indien een lichaam is opgericht na 1 januari 1998, kan op 1 januari 2001 nimmer aan het 3-jaarsbezitsvereiste zijn voldaan. Voorzover de aandelen in een lichaam vanaf oprichtingsdatum worden gehouden door aandeelhouders met een bezit van meer dan 5% is er geen reden om de evenredige vermindering van het vierde lid van artikel IV, onderdeel B, niet toe te passen. Daarom is in het zesde lid bepaald dat voorzover de aandelen sinds de oprichtingsdatum worden gehouden door kwalificerende aandeelhouders, op het oprichtingstijdstip geacht wordt te zijn voldaan aan het 3-jaarsvereiste.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie