Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Reactie AOb op onderwijsbeleidsbrief minister Hermans

Datum nieuwsfeit: 07-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Algemene Onderwijsbond


De kracht van onderwijs (reactie AOb op onderwijsbeleidsbrief minister Hermans d.d. 7-11-2000)

Inleiding
Het onderwijs staat voor een enorme uitdaging. Na een kwart eeuw experimenteren, eerst met zelfontplooiing van individuen, daarna met zelfontplooiing van instellingen en een terugtredende overheid, is een moment van indringende inhoudelijke discussie aangebroken. Ontwikkelingen gaan door, problemen stapelen zich steeds op, de geijkte recepten blijken niet meer te werken. Op de drempel van de 21ste eeuw heeft het Nederlandse onderwijs te maken met een snel groeiende maatschappelijke druk om beter te presteren in velerlei opzicht, gepaard aan een vergrijsd en door jaren van bezuinigingen en slechte bejegening gedemoraliseerd personeelbestand. In combinatie met de sterke verkrapping van de arbeidsmarkt wordt het steeds moeilijker om geschikt personeel te krijgen, waardoor er gaten vallen in de dienstverlening, met name bij scholen waar het werken als minder aantrekkelijk beschouwd wordt. De Algemene Onderwijsbond is van mening dat de enige remedie tegen deze desastreuze ontwikkeling is dat de overheid en sociale partners een ultieme poging doen om het vertrouwen van de mensen in de onderwijspolitiek te herstellen, door in woord en daad te laten zien dat zij de onderwijssector en de mensen die daar werken serieus nemen en waarderen. Dit kan alleen door een majeure financiële injectie te koppelen aan een herziening van het bestel, waarin de professionals die in het onderwijs werken de plaats krijgen die hen toekomt, en de scholen de ruimte krijgen waar te maken wat de samenleving van hen verwacht. In deze notitie `De kracht van onderwijs' tracht de Algemene Onderwijsbond, gelet op zijn dubbele doelstelling, aan deze gedachte inhoudelijk een aanzet te geven.

Toenemende druk

Een aantal ontwikkelingen heeft ertoe geleid dat de druk op het onderwijs gestaag toeneemt. De maatschappij ontwikkelt zich in een richting die steeds hogere eisen stelt aan de scholen. Steeds meer maatschappelijke problemen worden ter oplossing aan het onderwijs aangeboden, de zwakker wordende sociale verbanden als gezin, kerk en familie, maken de verantwoordelijkheid van de scholen voor de kinderen groter en moeilijker te dragen, mede door wijziging van omgangsvormen en verzwakking van normen en waarden. Multiculturaliteit en niet-Nederlandse thuistalen vergen van het onderwijs een hoge inzet. De individualisering leidt er toe dat ouders, leerlingen en studenten steeds meer vragen om maatwerk en het belang van onderwijs voor de verdere levensloop maakt dat op mislukkingen steeds kritischer gereageerd wordt. Mondige ouders en shoppende kinderen zetten de onderwijsinstellingen en het personeel steeds meer onder druk. De onderwijspolitiek gaat evenzeer uit van een falenvrij onderwijs, waarbij haast per definitie de oorzaak van het falen niet bij de leerling gezocht kan worden.

Collectieve diensten
Het onderwijs bevindt zich samen met zo veel andere collectieve diensten in het spanningsveld van de anti-ideologie van de privatisering. Voorstanders menen dat publieke diensten evengoed privaat geleverd kunnen worden, en dat dit de kwaliteit ten goede komt. Dat hieraan grenzen zijn is duidelijk, waar deze grenzen liggen veel minder. Ook in de energiesector, bij het openbaar vervoer en de veiligheid loopt deze discussie, maar er zijn redenen aan te geven waarom er in de onderwijssector extra zorgvuldig naar gekeken moet worden. Als publieke dienst in een geprivatiseerde wereld is het onderwijs niet uniek, maar wel uitzonderlijk, omdat zeker het onderwijs aan jeugdigen zich dicht bij de persoonlijke levenssfeer bevindt door een deel van de opvoeding van de kinderen ter hand te nemen, en omdat onderwijsinstellingen dientengevolge een langdurige en intensieve relatie hebben met hun `klanten'. Deregulering en decentralisatie leiden volgens de ideologie tot betere dienstverlening, maar in de gevallen waarin zich dit niet voor doet is de consument in het ongewisse: is nu de overheid aansprakelijk voor de geleden schade of de onderwijsinstelling?

Betrouwbare overheid
Veel onrust en wantrouwen bij scholen en instellingen is een gevolg van onduidelijke en onevenwichtige maatregelen op het gebied van deregulering en autonomiebevordering. Vaak wordt de deregulering weer teruggepakt door op een ander terrein de teugels aan te halen, hetgeen in het veld tot de vaststelling leidt dat de autonomie zich per saldo beperkt tot het oplossen van de gevolgen van de financiële problemen.

De ervaringen met de decentralisatiepolitiek tot op heden geven aan dat er bij scholen en instellingen onvoldoende probleemoplossend vermogen is. Dit heeft niet alleen te maken met een leerproces, maar ook met gebrek aan middelen en beleidsruimte. Het uiteindelijke nut van deregulering zou gelegen moeten zijn in het ontstaan van een keur van varianten in onderwijsaanbod, naar de wensen van studenten, ouders en leerlingen. Veelal blijkt de overheid niet te kunnen leven met afwijkende vormen, en probeert men de eigen paradigma's aan de autonome scholen op te dringen. Een voorbeeld daarvan is de aanpassing van het onderwijs aan de belangstelling en de mogelijkheden van de leerlingen. De overheid, nog onder invloed van de zeventiger jaren kan het niet laten via allerlei wegen hierop te sturen, en verhindert daarmee dat scholen in deze hun eigen weg zoeken. Hierdoor ontstaat er spanning tussen het door de overheid gewenste onderwijs, en hetgeen vanuit de ouders, leerlingen en studenten gevraagd wordt, en wordt de scholen en het onderwijspersoneel de mogelijkheid ontnomen zelf te ontdekken wat werkt en wat niet werkt, in de specifieke omstandigheden waarin de school zich bevindt.

Onderwijspersoneel verliest terrein
Degenen die werken in de onderwijssector hebben de afgelopen decennia veel terrein verloren, en hebben dat ook laten gebeuren. De dubbele druk van samenleving en politiek hebben van het professioneel zelfbewustzijn van het onderwijspersoneel weinig heel gelaten. Het werken in het onderwijs is een zwaar karwei geworden. Anderen bepalen wat er moet gebeuren, en als het mis gaat is het niet de schuld van de bedenkers, maar van de uitvoerders. Het antwoord van de overheid op de gerezen problemen was het steeds weer in het leven roepen van nieuwe instituties, die vervolgens het probleem ook niet oplossen, maar wel een eigen leven gingen leiden. Deze ontwikkeling wreekt zich nu de arbeidsmarkt krapper wordt. De grote werkloosheid onder onderwijspersoneel is bijzonder snel omgeslagen in een tekort. Overigens een verschijnsel dat zich ook in andere landen voordoet, met name in de Angelsaksiche wereld, waar het beleid ook gekenmerkt wordt door privatisering en deregulering, gepaard aan een overheidsbemoeienis die voorbijgaat aan de professionaliteit van de leerkrachten. De tekorten worden naast algehele opleving van de economie en de krapte op de arbeidsmarkt in het algemeen veroorzaakt door een opeenstapeling van factoren die het werken in het onderwijs onaantrekkelijk maken. Naast de financiële arbeidsvoorwaarden, de slechte huisvesting, de hoge werkdruk en toenemende maatschappelijke en pedagogische problemen bij de doelgroep, verbonden met een algemeen gevoel van ondergewaardeerd te worden, niet zozeer door de eigen leerlingen, maar door het brede publiek en de politiek.

De rol van de overheid
Het belang dat de samenleving hecht aan onderwijs, is het ijkpunt voor de rol van de overheid in onderwijszaken. Daarom is het eerste onderwerp de rol van onderwijs in de samenleving. Duidelijk is dat het onderwijs steeds veranderingen ondergaat door maatschappelijke ontwikkelingen. Het onderwijs wordt steeds meer gezien als degene die de grote maatschappelijke problemen kan oplossen. Zo wordt het onderwijs en cruciale rol toegedicht in het tot stand brengen van de sociale cohesie, tot uitdrukking komend in het onderwijskansenbeleid, waardoor zoveel mogelijk tweedeling in de samenleving wordt voorkomen en gelijke kansen worden bevorderd. Dit beleid wordt onder meer geconcretiseerd in het zoveel mogelijk voorkomen dat leerlingen zonder een kwalificatie het onderwijs verlaten en het weer omscholen van langdurige werklozen. Te veel wordt er daarbij van uitgegaan dat het onderwijs de maatschappelijke problemen, waar de samenleving niet uitkomt wel kan oplossen. Bijvoorbeeld, maatschappelijk komen we op dit ogenblik niet uit de spanning tussen sociale integratie en normatieve pluriformiteit. Het is een illusie te verwachten dat het onderwijs deze spanning alleen wel oplost.

Taak van het onderwijs
Ouders vinden de rol van de school in de opvoeding van hun kinderen van zeer groot belang; niet alleen vanwege de kennis die de kinderen opdoen op de school, maar ook voor hun persoonlijke en culturele ontwikkeling. Dat mag van onderwijsinstellingen dan ook worden verwacht: het opvoeden van leerlingen tot verantwoordelijke burgers en het zorgen dat leerlingen onderwijs krijgen, waarmee zij later werk kunnen verwerven en in staat zijn om en leven lang te studeren. Ook de arbeidsmarkt vraagt in toenemende mate om sociale vaardigheden, kunnen werken in een team, leiding kunnen aanvaarden en problemen oplossen.

Verder zien we al enkele jaren dat de versterking van kennis grote prioriteit heeft. Dit heeft te maken met het feit dat de kennisinfrastuctuur van doorslaggevende betekenis is voor de concurrentiepositie van ons land. Tot slot hebben maatschappelijke ontwikkelingen, in het bijzonder de individualisering, de culturele pluriformiteit en de informatisering ook gevolgen voor de wijze waarop het onderwijs gestalte krijgt

Aanhoudende zorg
Het onderwijs moet een aanhoudende zorg voor de Rijksoverheid blijven. Kinderen moeten zoveel mogelijk een gelijke start kunnen maken. Dit houdt in dat de staat van het onderwijs altijd onderdeel moet uit uitmaken van het publiek debat, waarin de overheid verantwoording aflegt van de wijze waarop zij inhoud geeft aan de aanhoudende zorg. Dit betekent dat de Rijksoverheid zorg moet dragen voor een samenhangend onderwijsbestel. Een bestel dat in ieder geval de volgende kenmerken moet hebben: (a) het waarborgen van de toegankelijkheid en van de gelijke kansen tot het onderwijs, (b) het bewaken van de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek, (c) het verzekeren van cultuuroverdracht (d) de samenhang tussen de sectoren. Per onderwijssector kunnen hierop nadere aanvullingen plaatsvinden. Bijvoorbeeld, het waarborgen van de aansluiting op de arbeidsmarkt, een leven lang studeren en het waarborgen van internationale concurrentiepositie op het gebied van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Wil het onderwijs de genoemde publieke taken kunnen uitvoeren dan dient de overheid voldoende middelen ter beschikking te stellen, in relatie tot de eisen die aan het onderwijs gesteld worden.

Deregulering, decentralisatie en private financiering De onderwijsinstellingen zullen gestalte moeten geven aan de publieke taken. Om dat te kunnen doen zullen zij ruimte moeten krijgen. Waardoor de onderwijsinstelling kan inspelen op de specifieke situatie van de leerlingen/studenten en daarmee op de plaatselijke en/of regionale omgeving. Zo zullen onderwijsinstellingen in de bve contacten gaan onderhouden met het bedrijfsleven in de regio op een wijze, zoals de instelling en het bedrijfsleven dit het beste achten. De beantwoording van de vraag waarom dereguleren, kan alleen als antwoord hebben: een toename van de kwaliteit van het onderwijs op de instelling en op de onderwijskwaliteit als geheel. De afgelopen jaren hebben duidelijk gemaakt dat de centrale regelgeving de specifieke problemen waar een onderwijsinstelling mee te maken krijgt niet kan oplossen.

Overleg
Het proces van deregulering en decentralisatie zal in overleg met de sector moeten plaatsvinden. Waarbij er rekening mee gehouden moet worden dat het introduceren van een systeem met veel vrijheden op het bestuurs/instellingsniveau enige tijd duurt. Het is voor veel onderwijsinstellingen nog een cultuuromslag.
Bij het geven van vergaande autonomie moet voorop staan de erkenning dat de invulling van het onderwijs plaatsvindt door de beroepsgroep, de groep die bepalend is voor de kwaliteit van het onderwijs. Verder moet voorkomen worden dat de autonomie leidt tot grote verschillen in het niveau van het onderwijs. Dit gaat zeker op voor de sectoren primair en voortgezet onderwijs. De centrale overheid moet dan ook dit niveau in de onderwijswetgeving opnemen. Anders lopen we het risico dat de samenhang van het bestel en de toegankelijkheid van het onderwijs in gevaar komt.

Zorgvuldigheid
Het dereguleringsproces zal op een zorgvuldige wijze dienen te geschieden. Dit betekent onder meer dat de overheid nooit mag kiezen voor dereguleren als zij zich gesteld ziet voor een complex of financieel probleem, dat zij niet kan oplossen. De afgelopen jaren hebben we nog te vaak gezien dat de overheid via deregulering de oplossing aan het onderwijsveld overlaat, wetende dat het onderwijsveld het probleem ook niet - zeker niet alleen - kan oplossen. De Algemene Onderwijsbond stelt aan het proces van deregulering hoge eisen, die betrekking hebben op transparantie, de verdeling van verantwoordelijkheden en de zeggenschap.

Verantwoordelijkheden
Deregulering mag niet leiden tot het vervagen van de grenzen van de verantwoordelijkheid tussen de overheid en het bestuur/de onderwijsinstelling. De verantwoordelijkheden dienen helder te worden geformuleerd.
De onderwijsinstelling de mogelijkheid bieden om zelf gestalte te geven aan het onderwijs betekent ook dat geaccepteerd wordt dat een instelling ook wel eens fouten maakt, danwel tot afwijkende inzichten komt, en dat niet de politiek voortdurend, zoals nu gebeurt, via wet- en regelgeving her-reguleert. Ter illustratie moge dienen het voorbeeld van de schooltijden. Het verschijnsel van her-regulering heeft ertoe geleid dat de afgelopen jaren de overheidsbemoeienis niet is afgenomen, maar alleen is toegenomen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de zelfsturing en het anticiperen respectievelijk reageren op maatschappelijke ontwikkelingen binnen het onderwijs van de onderwijsinstellingen onvoldoende van de grond is gekomen. Er ontstaat bij de beroepsgroep een passief gevoel. Het voeren van een dergelijke politiek stimuleert niet de zelfbewustwording van de beroepsgroep en werkt niet mee aan de uitstraling van het beroep van leraar.

Effecten
De AOb vindt dat aan de hand van het binnenkort te verschijnen rapport van de Onderwijsraad over de effecten van de deregulering bekeken moeten worden op welke wijze per sector het dereguleringsproces de komende jaren gestalte kan krijgen. De discussie zal met de onderwijssectoren en vooral ook met de beroepsgroep moeten worden gevoerd. In deze discussie moet in ieder geval worden meegenomen de spanning tussen de veelzijdige ambities die de samenleving van de school heeft en het vermogen om de kerntaken, de publieke taken, te kunnen verwezenlijken. Verder is aandacht nodig voor het type van regelgeving dat nodig is bij het invoeren van het dereguleringsproces en de rolverdeling tussen de sector en de onderwijsinstelling. Daarbij zal ook de mogelijkheid moeten bestaan dat sommige onderwijsinstellingen eerder de mogelijkheid krijgen om bepaalde regelgeving zelf in te vullen. Een belangrijk aandachtspunt is de zeggenschap, om de toegenomen vrijheid van het management in evenwicht te houden. Tot slot moeten er afspraken komen op de wijze waarop de regelgeving wordt geëvalueerd.

Zeggenschap
De gedachte achter de decentralisatie is net als bij de deregulering het bereiken van een grotere betrokkenheid van de direct belanghebbenden doordat situatiespecifiek beleid, zoals het onderwijsachterstandenbeleid, mogelijk is. Door het brengen van de zeggenschap op een zelfde coördinerend bestuursniveau (de gemeente), is het mogelijk dat betere voorwaarden worden geschapen om integrale beleidsvoering, over bijvoorbeeld de verzuimbestrijding mogelijk te maken. We zien ook bij decentralisatie een gespannen relatie tussen centrale programmering en de mogelijkheid om een eigen op de situatie toegesneden beleid te voeren. Deze spanning kan plaatsvinden tussen de door de VNG aanbevolen model-verordeningen (lees: beleid), die de gemeente veelal overneemt en de specifiek gemeentelijke problematiek.

Privaat geld
Een ander thema dat de laatste jaren steeds meer in de discussie komt is de private financiering.

Zoals hierboven is aangegeven heeft iedere burger recht op deelname aan het onderwijs; onder onderwijs valt niet alleen het funderend onderwijs, maar het onderwijs tot en met de universiteit. Dit uitgangspunt bepaalt dan ook meteen de financiële verantwoordelijkheid van de overheid. Er klinken geluiden dat de overheid niet alles kan financieren. Wanneer de overheid overtuigd is dat het onderwijs in onze samenleving een cruciale rol speelt dan dient die overheid middelen vrij te maken waardoor Nederland bovenin de lijst komt van de landen komt die het meeste geld voor onderwijs uitgeven.

Maar private financiering hoeft niet altijd uit den boze te zijn, ook niet in het funderend onderwijs. Het gaat om de vraag waar de private gelden aan besteed worden. Het moet duidelijk zijn dat deze middelen ten goede moet komen van de gehele onderwijsinstelling en niet alleen voor een bepaalde groep leerlingen. Verder zullen er altijd scholen zijn die geen extra gelden van ouders en/of externe instellingen ontvangen. De overheid heeft dan de plicht ervoor te zorgen dat deze instellingen niet minder aan het onderwijs kunnen besteden.

Over de relatie tussen de private financiering en de rol van de centrale overheid zal op korte termijn met de sociale partners een overleg gestart moeten worden.

Markt
De verhouding tussen publieke en private bekostiging ligt anders waar het gaat om personen die reeds een opleiding hebben afgerond en een betaalde baan combineren met een opleiding. In de sectoren bve, maar vooral hbo en universiteit zien we steeds vaker de markt zijn intrede in het onderwijs doen. We zien in deze sectoren dat leren en kennis niet uitsluitend via een publiek bestel te kanaliseren is. De universiteiten en de hogescholen zullen zich steeds meer tot hybride organisaties ontwikkelen. De onderwijswetgeving moet in dit meer hybride stelsel een aantal maatschappelijke doelstellingen van het onderwijsbestel kunnen blijven realiseren. Zo zal naarmate de maatschappelijke betekenis van de post-initieel onderwijs toeneemt, de bewaking van de algemene toegankelijkheid en de kwaliteitsborging van post-initieel onderwijs in de onderwijswetgeving worden opgenomen. Anderzijds zullen we ons moeten realiseren dat de aanwezigheid van een hoogwaardige onderzoek- en kennisinfrastructuur van zeer groot belang voor onze samenleving is. Dit betekent dat de markt de investeringen in een brede onderwijs- en onderzoekinfrastructuur niet structureel kan overnemen.

Gemeentelijk niveau/lokaal onderwijsbeleid
Hierboven hebben we de decentralisatie in algemene bewoordingen besproken. Bij de aansturing door de gemeente moeten ook de uitvoerders worden betrokken. Het overleg over onderwerpen als onderwijsachterstandenbeleid vindt plaats op bestuurlijk niveau. Vervolgens worden, meestal alleen de gevolgen, voorgelegd aan de medezeggenschapsraden, die over dit onderwerp nog weinig kunnen zeggen. Het is van het grootste belang dat bij het vaststellen van gemeentelijk/lokaal beleid de beroepsgroep en de medezeggenschapsraden een duidelijke rol krijgen toebedeeld. De beroepsgroep moet kunnen aangeven op welke wijze zij van mening is hoe bepaalde onderwijsproblematieken aangepakt moeten worden. Nu staan ze buiten spel, terwijl de beroepsgroep wel invulling moet geven aan het vastgestelde beleid. De medezeggenschapsraden moeten ook invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming op het gemeentelijk/lokaal beleid. Overigens zien we een dergelijke problematiek ook bij de samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs.

Het is voorts de bedoeling dat op het niveau van de gemeente integratie met andere terreinen van (jeugd)beleid plaatsvindt. Cruciaal is dan de positie van de verschillende actoren en de verdeling van verantwoordelijkheden tussen hen, enerzijds onderwijs, welzijnsvoorzieningen, cultuurinstellingen en sport en anderzijds de gemeente. Gelet op het feit dat het onderwijs de spil van het leer- en opvoedingsproces is, is het van groot belang dat de scholen en het personeel bij de integratie een duidelijke plaats krijgt.

Sterke sectoren
In een stelsel dat gekenmerkt wordt door vergaande autonomie, deregulering en decentralisatie kan niet volstaan worden met uitsluitend het bevorderen van sterke instellingen. Het gaat om de kwaliteit van het onderwijs die de sector levert. Hiermee zien we de onderwijssector niet als een optelsom van een aantal zelfstandige onderwijsinstellingen. De sector zal een zelfregulerend vermogen, ook bij de afzonderlijke instellingen, moeten ontwikkelen. De sector is daardoor beter in staat veranderingen en innovaties op te pakken en de kwaliteit van de sector te bewaken. Zo zal de sector zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs, ondermeer tot uitdrukking komend in een eigen opleidings- en scholingsbeleid. Een centrale rol hierbij moet de beroepsgroep spelen.

Afstemming
In de sector zullen de werkgevers en de bonden niet alleen praten over de wijze waarop de arbeidsvoorwaarden tot stand komen, maar ook over de wijze waarop het onderwijskundig beleid - op hoofdlijnen - gestalte krijgt. Op deze wijze vindt een afstemming plaats tussen de arbeidsvoorwaarden en het onderwijs. Het arbeidsmarktbeleid kent veelal sectorspecifieke kanten. De sector zal hiervoor dan ook de verantwoording moeten dragen.

Samenwerking
Het samenwerken tussen instellingen kan nieuwe impulsen en nieuwe contacten voor de afzonderlijke instellingen opleveren. Zo kan de sector een gezamenlijk ict-plan ontwikkelen, en vervolgens de afzonderlijke instellingen advies en ondersteuning aanbieden. Dit kan onder andere gebeuren via het leggen van contacten met instellingen die al met succes uitvoering hebben gegeven aan het ict in het onderwijs. Dit betekent dat in de sector meer een netwerkstructuur dan een concurrentiestructuur ontstaat. De sector kan, door het zelfregulerend vermogen, een dam opwerpen tegen te ver doorschietende autonomie; bijvoorbeeld door het instellen van fondsen, zoals het Participatie- en Vervangingsfonds. Met andere woorden het zelfcorrigerend vermogen dient bij de sector als totaal komen te liggen.

Niet kiezen voor een sterke sector zou wel eens kunnen betekenen, en dan zien we al in de praktijk, dat onderwijsinstellingen (net als andere organisaties), niet op de belangen van het onderwijsbestel als geheel, maar op het voortbestaan van de eigen organisatie uit zijn, hetgeen ten koste gaat van andere instellingen. Ook kan dan regionaal de structuur van het onderwijsaanbod beter afgestemd worden

Gesprekspartner
Samenwerken van de onderwijsinstellingen binnen de sector is een voorwaarde om op landelijk niveau gesprekspartner met de minister te kunnen zijn. Van de andere kant is het vanuit de minister gezien van groot belang dat er een sterke sector komt. De minister wordt dan niet op allerlei problemen, die binnen de sector spelen aangesproken. De minister zal natuurlijk wel van de sector willen vernemen op welke wijze de sector de problematiek heeft opgelost dan wel denkt op te lossen.

Bij het inrichten van het onderwijs in sterke sectoren zal gedacht worden dat deze sectoren alleen voor hun eigen belang opkomen. De onderwijswetgeving moet zowel de samenhang binnen de betreffende onderwijssector alsook de samenhang tussen de sectoren regelen en mag van de sector verwachten dat hij ook contacten onderhoudt met de andere onderwijssectoren en met maatschappelijke organisaties, gemeenten en het bedrijfsleven. Overigens een sterke sector zal veel eerder dan allerlei afzonderlijke - ook al zijn het sterke - instellingen naar buiten treden contacten leggen en afspraken maken met maatschappelijke organisaties, gemeenten en het bedrijfsleven.

De onderwijsinstelling
De schoolorganisatie kan beschouwd worden als de leverancier van de publieke dienst onderwijs aan de studenten, de leerlingen en de ouders, binnen de kaders die de overheid daaraan stelt. Deze dienstverlening is een samenhangend geheel van onderwijsactiviteiten, die door leraren uitgevoerd worden. De school is verantwoordelijk voor het raamwerk, het gebouw, de voorzieningen, het rooster, het programma, het pedagogisch klimaat en overige voorzieningen, de leraar is verantwoordelijk voor de inhoudelijke en opvoedkundige invulling van dit raamwerk.

Autonomie
Om beide verantwoordelijkheden tot een vruchtbaar geheel te maken is autonomie een sleutelvoorwaarde. De instelling dient voldoende beleidsvrijheid te hebben ten aanzien van de landelijke en lokale overheden, om te kunnen inspelen op de maatschappelijke omgeving en de specifieke wensen van ouders en leerlingen, bijvoorbeeld waar het de schooltijden en het pedagogisch klimaat betreft, de professional heeft behoefte aan autonomie, om met volledige inzet en motivatie het onderwijs te kunnen geven, op een wijze die in overeenstemming is met zijn eigen opvattingen en de consensus binnen de beroepsgroep.

De school heeft er baat bij, wanneer zo veel mogelijk zaken in relatie met elkaar door de school zelf aangestuurd kunnen worden. Onderwijskundig profiel van de school, het gebouw, de voorzieningen, het personeel zijn factoren die op elkaar afgestemd dienen te worden, om tot een optimaal resultaat te leiden. Daarom is het ook wenselijk dat de gebouwen aan de school toebehoren, zodat deze en bijdrage kunnen leveren aan en goed werk- en leerklimaat.

Medezeggenschap
Medezeggenschap is hierbij zowel uitgangspunt als sluitstuk. Het betrekken van de medewerkers bij de gedachtenvorming en beleidsontwikkeling verhoogt het draagvlak voor de organisatie, een goede afwikkeling van de besluitvorming in een formele medezeggenschapsprocedure zorgt er voor dat betrokkenen weten waar zij aan toe zijn. Om de medezeggenschap in formele zin in onderwijsinstellingen te realiseren is het van belang dat de uitzondering van de onderwijssector van de Wet op de Ondernemingsraden beëindigd wordt. Medezeggenschap als professional dient te worden geregeld in en professioneel statuut bij de CAO.

Personeelsbeleid
Het personeelsbeleid neemt binnen de schoolorganisatie een bijzondere plaats in, vanwege het feit dat de uiteindelijke tenuitvoerlegging van het onderwijs aan de professionals in de school is toevertrouwd. Om een optimaal functionerende onderwijsorganisatie te verkrijgen, is het noodzakelijk het personeel intensief te betrekken bij de discussies over de koers van de organisatie, de doelstellingen in relatie tot de maatschappelijke omgeving, en de aard van het geboden onderwijs. Hierbij wordt gedoeld op een interactief proces, waarbij de geestelijke bagage van de professionals ook uitgangspunt zijn voor de schoolontwikkeling. Zo kunnen bijvoorbeeld specifieke kennis en vaardigheden van personeelsleden aanleiding zijn om een nieuw element in het onderwijsaanbod op te nemen, of vernieuwende ideeën van personeelsleden de reden zijn om bepaalde werkwijzen te gaan veranderen.

Belangstelling
Dit vereist interesse van de organisatie voor het personeel, niet alleen deszelfs kennis en kunde, maar ook hun wensen en aspiraties. Niet zozeer omdat iedere gril van elk personeelslid gevolgd moet worden, maar vanuit de gedachte dat plezier in het werk en motivatie enorm toenemen, wanneer de medewerker het gevoel krijgt dat hij serieus genomen wordt en er rekening gehouden wordt met zijn denkbeelden en voor zover mogelijk met zijn persoonlijke wensen. Deze situatie, waarbij personeelsbeleid en organisatieontwikkeling eigenlijk in elkaar overlopen, wordt door de Algemene Onderwijsbond met de term "Integraal Personeelbeleid" aangeduid. Om te stimuleren dat scholen deze werkwijze opvatten, heeft de Algemene Onderwijsbond een keurmerk ontwikkeld.

Omdat de positie van de professional in een organisatie die op deze wijze te werk gaat afwijkt van de normale arbeidsrelatie, waar de gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer centraal staat, streeft de Algemene Onderwijsbond naar opneming van een professioneel statuut bij de CAO, waarin vastgelegd zij de rechten en de plichten van de professionele beroepsbeoefenaar. Rechten hebben dan betrekking op de autonome positie bij de uitoefening van het vak, plichten op de deelname aan processen van schoolontwikkeling en onderwijsontwikkeling, alsook de acceptatie van de discipline van de beroepsgroep.

De beroepsgroep
Onderwijs is mensenwerk, in dubbel opzicht: werken met mensen en door mensen. Het onderwijspersoneel is daarom de cruciale factor in het onderwijs. Opleiding, ervaring, inzet en motivatie van het personeel bepalen in belangrijke mate het succes van het onderwijsproces. Welke mogelijkheden zijn er om deze factoren te beïnvloeden en te sturen? In andere beroepen waarbij een hoog opleidingsniveau gekoppeld is aan veel zelfstandigheid, zoals artsen en advocaten, speelt de beroepsgroep hierin ene belangrijke rol. De situatie in het onderwijs is op dit punt afwijkend: de beroepsbeoefenaren zelf nemen een uiterst bescheiden positie in, en de boventoon wordt gevoerd door een leger `deskundigen', die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat zij het beroep niet uitoefenen. De Algemene Onderwijsbond is van opvatting dat hier een radicale verandering dringend noodzakelijk is. Mensen verantwoordelijk maken voor de kwaliteit van hun werk, betekent verhoging van motivatie, werkt kwaliteitsbevorderend en maakt de baan aantrekkelijker. Maar alleen, wanneer zij zelf ook de kwaliteitscriteria herkennen als realistisch, en toepasbaar op de praktijk. Intercollegiale contacten zijn niet alleen bevorderlijk voor de kwaliteit, maar maken het werk ook leuker, en leiden tot bezinning en verdieping.

Verantwoordelijkheid
Om het beroep van leraar weer aantrekkelijk te maken is het noodzakelijk dat het onderwijspersoneel ook inhoudelijk weer op de kaart gezet wordt. Dit kan gebeuren door de beroepsgroep verantwoordelijkheid te geven voor de scholing, nascholing en kwaliteitsbevordering van de beroepsuitoefening. Dit zal het aanzien van het beroep en de motivatie van de beroepsbeoefenaren ten goede komen. Om dit te bereiken is het gewenst dat de overheid de taken op dit terrein delegeert aan de beroepsgroep. De beroepsgroep komt dan in een positie om de opleidingen en het nascholingsaanbod te accrediteren, en toe te zien op de kwalitatieve aspecten van de beroepsuitoefening.

Raad van leraren
Op welke wijze moet dit gestalte krijgen? In elke regio richten de beroepsorganisaties lerarenraden op, die toezicht uitoefenen op de opleidingen, op de nascholing en de professionaliteit van de collegae in een gebied. Opleidingen leggen hun curricula, hun nascholingsaanbod, hun assessments voor aan de raad. Scholen, ouders of inspecteurs leggen klachten over het functioneren van individuele beroepsbeoefenaren voor aan een klachtencommissie van de raad, en beroepsbeoefenaren vragen advies over beroepsinhoudelijke kwesties aan de raad. Verder verstaat de raad zich met de scholen, de overheden en de ondersteuningsinstellingen in de regio over lopende zaken met betrekking tot de ontwikkeling van de professie. Verder ziet de raad erop toe dat de leraren in de regio met regelmaat deelnemen aan het nascholingsprogramma. De leden van de raad zijn ervaren leraren met een gerespecteerde reputatie, benoemd op voordracht van representatieve lerarenorganisaties, zonder lastgeving of ruggespraak. Landelijk moet de regie in handen gelegd worden van een lerarenraad, waarin elke vereniging van beroepsbeoefenaren vertegenwoordigd is die aanspraak kan maken op representativiteit. Deze raad van leraren houdt toezicht op de regionale raden, stelt richtlijnen en criteria op, adviseert de minister inzake de professionaliteit, en overlegt met de landelijke organisaties van besturen en management en de ouders, leerlingen en studenten.

De inspectie
De nieuwe rol voor de beroepsgroep leidt tot een andere positionering van de inspectie. De kwaliteit van het onderwijs laat zich onderscheiden in twee niveaus: de macro-kwaliteit van de schoolorganisatie en de micro-kwaliteit van het onderwijsproces. Voor het laatste is de beroepsgroep het aanspreekpunt, omdat het hier gaat om een professionele taakvervulling met een grote persoonlijke inbreng, voor het eerste is de inspectie het aangewezen instrument. Het gaat hier om enerzijds het functioneren van de school als organisatie en de mate waarin deze er in slaagt gunstige voorwaarden te scheppen voor het micro-proces, en anderzijds om de maatschappelijke effecten van het geboden onderwijs, zoals dit tot uitdrukking komt in doorstroomcijfers en resultaten. Dat deze indicatoren altijd een afgeleide zijn van de kwaliteit van het micro-proces, betekent niet dat de inspectie zich hierin noodzakelijkerwijs moet verdiepen. Het is heel goed mogelijk om hier via de schoolleiding sturing aan te geven, of door samen te werken met de beroepsgroep in gemengde visitatiecommissies. Deze variant heeft als voordeel dat de inspectie zich niet vertilt aan vraagstukken waar men niet voor opgeleid is, en dat de beroepsbeoefenaar kritiek krijgt van collegae, die de problemen van het werk van binnen uit kennen. Daarenboven kan het deelnamen aan dit soort activiteiten een verrijking van het professionele leven betekenen en bijdragen tot de aantrekkelijkheid van het beroep. In feite is dit tevens een pleidooi voor een professionalisering van de inspectie in de richting van beoordelaar van de maatschappelijke verantwoording van de schoolorganisatie. Ook wordt hiermee voorkomen dat de relatie tussen de inspectie en onderwijsveld dezelfde traumatische trekken gaat vertonen als in het Verenigd Koninkrijk het geval is, een omstandigheid die aldaar tot en aantoonbare vermindering van de belangstelling voor het beroep van leraar geleid heeft.

Financiën
De financiering van het onderwijs in Nederland blijft achter bij die in vergelijkbare landen. De statistieken wijzen uit dat deze achterstand niet uitsluitend toe te schrijven is aan de toename van het binnenlands product, maar ook in reële cijfers als bedrag per leerling, klassengrootte etc. blijft Nederland achter. Deze achterstand wordt met name veroorzaakt door het primair- en voortgezet onderwijs, waarbij in het primair onderwijs een opwaartse ontwikkeling is ingezet door de operatie klassenverkleining. De Algemene Onderwijsbond plaatst deze achterstand nadrukkelijk tegen de achtergrond van het verklaarde overheidsbeleid dat Nederland een kennissamenleving moet worden, en de hoge eisen die de politiek stelt aan het Nederlandse onderwijs.

Hoe lang nog?
Nu nog komt Nederland er in de prestatie-indicatoren goed van af, maar de vraag is hoe lang dit nog zo blijft.
Te grote groepen, toenemende maatschappelijke problematieken in de school en door de overheid geëntameerde vernieuwingen blijken de belangrijkste oorzaken te zijn van de oplopende werkdruk. Uit de enquête gehouden in het kader van `Onderwijs presenteert de rekening' blijken ook grote problemen te bestaan in de situatie van gebouwen. De normen voor het ontwerpen, bouwen en onderhouden van schoolgebouwen zijn niet meer van deze tijd. Het ontbreken van voorzieningen, die in elke moderne arbeidsorganisatie als normaal beschouwd worden heeft een negatieve weerslag op het werkklimaat. Tevens doet het de vraag naar 'extra's' bij ouders en studenten toenemen, in de vorm van prive-scholen voor de zeer welgestelden, en d.m.v. ouderbijdragen en sponsoring opgesierde reguliere scholen. Dit is een ontwikkeling die knaagt aan de grondslagen van het onderwijsbestel

Salarissen
De salarissen in het onderwijs mogen dan internationaal gezien niet slecht afsteken, op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn zij onvoldoende concurrerend, zoals blijkt uit de oplopende tekorten. Waren de geconstateerde achterstanden alleen een bron van onvrede van het al aanwezige personeel, steeds meer blijken zij een reden om niet voor een onderwijscarrière te keizen, ook voor degenen die een lerarenopleiding volgen. Naast de werkdruk, de gebouwen en andere voorzieningen, alsmede de eerder genoemde maatschappelijke druk op het onderwijs leiden deze gevoelens van onvrede ertoe dat de personeelstekorten een hardnekkig karakter krijgen, en verre uitgaan boven een verschijnsel van conjuncturele aard.

Afwentelen
De Algemene Onderwijsbond is van mening dat verdere decentralisatie van het onderwijs niet acceptabel is, tenzij er een eind gemakt wordt aan de structurele onderfinanciering. Het blijft tot nu toe steken in verdelen van de armoede en het afwentelen van problemen. In een aantal opzichten leidt het decentralisatieproces tot aanzienlijk financiële risico's bij de instellingen. Voorbeelden hiervan zijn de arbo-kosten, de `verstaffing' van de werkorganisatie en achterstallig onderhoud. In feite zou het niet meer dan normaal zijn indien de overheid deze kosten voor haar rekening zou nemen, omdat zij hetzij en gevolg zijn van het decentralisatieproces, hetzij bij niet doorgaan van de decentralisatie ten laste van de rijksoverheid gekomen zouden zijn. Over verdere deregulering valt dan ook alleen te praten indien de financiering op een acceptabel plan gebracht is. Dit betekent dat een investeringsplan dat aangeeft hoe de financiering van het onderwijs op korte termijn op orde gebracht kan worden een onmisbaar onderdeel is van een beleidsvisie op onderwijs en onderwijsbestel.

Arbeidsvoorwaardenvorming
Deregulering is noodzakelijk gelet op de wenselijkheid dat de onderwijsinstellingen zelf gestalte geven aan de kwaliteit van het onderwijs. Deregulering heeft dan ook mede betrekking op de wijze waarop de arbeidsvoorwaarden tot stand komen. Dat betekent niet dat ieder bestuur zelf en pakket arbeidsvoorwaarden zou moeten opstellen. Dit zou de mobiliteit binnen de sector nodeloos belemmeren, en tot en onaanvaardbaar hoge beleidslast op de instellingen leiden.

Andere sectoren
Voorwaarde is hierbij dat de wijze waarop de arbeidsvoorwaarden vorm krijgen overeenkomen met de overige sectoren van de samenleving. Dit betekent dat de arbeidsvoorwaarden tot stand komen in overleg met de bonden, de ondernemingsraad en de individuele personeelsleden. Op deze wijze wordt door de sociale partners per sector bepaald welke onderwerpen aan het overleg met de ondernemingsraden worden overgelaten. Handhaving van de WMO zal niet leiden tot een vergaand doorschuiven van arbeidsvoorwaardelijke onderwerpen naar het bestuursniveau. Zolang er geen WOR is ontbreken de checks and balances. Het ontbreken van checks and balances, waardoor er geen decentraal arbeidsvoorwaardenoverleg tot stand komt, heeft ertoe geleid dat de cao-onderhandelingen in een impasse geraken en blijven. Het ontbreken van en balans leidt er noodgedwongen toe dat de bonden zoveel mogelijk geregeld wensen in de cao.

Evenwichtig pakket
Een wijze van arbeidsvoorwaardenvorming, die overeenkomt met de andere sectoren zal leiden tot het opstellen van en evenwichtig pakket arbeidsvoorwaarden, bestaande uit collectieve regelingen en regelingen op het niveau van het bestuur. Met deze vorm van arbeidsvoorwaardenvorming kunnen het personeelsbeleid en de instrumenten van personeelsbeleid invulling krijgen op het decentraal niveau.

Conclusie
De Algemene Onderwijsbond verwacht van de overheid en meerjarenvisie op de onderwijssector, het stelsel en de bekostiging. Daarbij is van belang dat er heldere structuren komen, en betrouwbare rolpatronen. Decentralisatie en deregulering kunnen alleen succesvol zijn wanneer voldaan wordt aan twee voorwaarden. De eerste is dat de rollen van de landelijke overheid, de gemeenten, de schoolbesturen, ouders en leerlingen en de leraren op een logische wijze omschreven worden, en de garantie bestaat dat ieder zich aan zijn rol houdt. De tweede is dat aan de basisvoorwaarde voor financiering voldaan is. Nu is het altijd moeilijk objectieve maatstaven hiervoor aan te geven, maar zowel terugkijkend in de tijd alsook kijkend naar de situatie in andere landen, is de Algemene Onderwijsbond van opvatting dat de bekostiging van het onderwijs in Nederland volstrekt onder de maat is. Wanneer dit zo blijft zullen deregulering en decentralisatie door betrokkenen alleen maar gezien worden als een poging de armoede af te wentelen. De Algemene Onderwijsbond heeft een onderzoek ingesteld naar de meest dringende wensen van scholen. Hieruit bleek dat een bedrag van 17,9 miljard gulden nodig is om aan deze wensen tegemoet te komen. Daarom stelt de Algemene Onderwijsbond voor om aan de ambities van de regering met het onderwijs een nieuwe toe te voegen: In de statistieken van de OESO marktleider te worden met onderwijsuitgaven, om zo de pretenties van het beleid, de realisering van de kennissamenleving voor allen en de `Brainport' van Europa te worden dichterbij te brengen.

Deze gelden zijn bedoeld voor de volgende doelen:

Werkdrukvermindering, door kleinere klassen, minder lessen en betere ondersteuning.
Verbetering arbeidsvoorwaarden.
Verbetering gebouwen en voorzieningen. Facilitering van de autonomie van instellingen. Facilitering van activiteiten in het kader van de beroepsgroep en intercollegiale kwaliteitszorg. Medezeggenschap als werknemer en als professional. Arbobeleid in de instellingen.
Nascholing en invoering ICT.

Op deze wijze kan perspectief geboden worden aan degenen die in het onderwijs werkzaam zijn, en die overwegen dit te gaan doen, en het vertrouwen in de overheid als hoedster van het onderwijs hersteld worden.


naar boven

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie