Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Dittrich (D66) over begroting Justitie 2001

Datum nieuwsfeit: 07-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
D66

7 november 2000

BEGROTING JUSTITIE 2001

Boris Dittrich

"Verder bouwen aan de rechtsstaat" is het motto van de Justitiebegroting. Net zoals bij een verbouwing van een huis, is het werk nooit klaar. Elke tijd vraagt zijn eigen maatregelen, zijn eigen normen, maar de waarden, die aan de bouwwerkzaamheden ten grondslag liggen, blijven hetzelfde.

Paars II is ruim twee jaar aan de macht. De helft van de kabinetsperiode zit er op. Terugkijkend op wat de minister en de staatssecretaris bereikt hebben in die eerste helft, kan ik namens de D66-fractie zeggen dat er een aantal voor ons belangrijke wetsvoorstellen gerealiseerd zijn.
Opheffing van het bordeelverbod is zo'n onderwerp. Volwassen mensen moeten hun eigen keuze kunnen maken of zij van de dienstverlening van een prostituee gebruik maken zonder dat de overheid dit criminaliseert.
De openstelling van het huwelijk en de verruiming van adoptiemogelijkheden voor paren van gelijk geslacht is ook een mijlpaal geweest. De gedachte van gelijkberechtiging van homoseksuelen is leidraad geweest voor de D66-inzet in dat debat. Onlangs heeft het wetgevingsoverleg over de euthanasiewet plaatsgevonden. Wanneer dat voorstel wordt aanvaard door het parlement gaat een lang gekoesterde wens van mijn fractie in vervulling. Een arts, die zijn patient op diens verzoek verlost uit diens ondraaglijk en uitzichtloos lijden, wordt niet meer wegens moord vervolgd, maar wordt straffeloos. Ik noem deze drie onderwerpen, omdat D66 zich beijverd heeft voor een goede wettelijke regeling terzake. Het zijn wetsvoorstellen, waarover soms decennia lang is gediscussieerd en die niet gerealiseerd zouden zijn met het CDA in de regering.

Uiteraard hebben er veel meer verbouwingswerkzaamheden plaatsgevonden. Ik noem de nieuwe vreemdelingenwet. Die wet zit vernuftig in elkaar. Doelstelling is vreemdelingen een zorgvuldige procedure te bieden, maar te kappen in het woud aan proceduremogelijkheden. Opvallend daarbij is dat de staatssecretaris een deel van het werk van de ambtenaren heeft uitbesteed aan de heer Anderson en diens buro. Is dit een experiment dat voor herhaling vatbaar is volgens de regering? Op de begroting voor 2000 en 2001 heb ik geen post terug kunnen vinden met betrekking tot de kosten, die Andersson voor zijn werk in rekening heeft gebracht. Kan de staatssecretaris dat aangeven? Waarom konden de ambtenaren het werk van dit projectburo niet doen? De achterdeur van de coffeeshop in het kader van de scheiding van de markten voor soft- en harddrugs is door een motie van de Tweede Kamer duidelijk in beeld gekomen. De meerderheid van de Kamer wil dat de teelt en toevoer van nederwiet naar coffeeshops geregeld wordt in het kader van gedoogbeleid. De jongerenorganisaties van de politieke partijen hebben zich verenigd door het gedogen naar de prullenbak te verwijzen. Naar het oordeel van mijn fractie is dit een veel te simpele discussie geworden. Alsof de werkelijkheid altijd in wetten te vangen is. Gedogen kan soms een ventiel zijn dat de samenleving nodig heeft in een overgangsperiode. Die overgangsperiode zal voor het Nederlandse softdrugsbeleid lang duren, omdat de internationale gemeenschap nog niet zo ver is om op basis van de feiten nuchter over drugsbeleid te spreken. Er zijn overigens kenteringen waarneembaar. Op een door het Rotterdamse IVO, Instituut voor Onderzoek naar Leefwijzen en Verslaving, in Edinburgh in Schotland georganiseerde conferentie, geheten "Going Dutch?" maakte labour member of parliament Paul Flynn bekend dat het Verenigd Koninkrijk toe is aan een scheiding tussen hard- en softdrugs en dat het Nederlandse beleid aansprekend is. Ook de Engelse gezaghebbende krant The Guardian sprak zich voor het Nederlandse softdrugsbeleid uit.
Teleurstellend is de brief van de minister, waarin hij de Kameruitspraak naast zich neerlegt. Met name zijn in de media geuite reactie, dat de motie maar door een kleine meerderheid van de Kamer was gesteund, is voor een minister van Justitie beneden niveau. Een kameruitspraak is een kameruitspraak. De grootte van de meerderheid is irrelevant. Waar legt de minister anders de grens? Bij een twee/derde meerderheid? Ik zie graag dat de minister terugkomt op zijn argumentatie.
De wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden is in werking getreden en geeft politie en justitie armslag om op zorgvuldige wijze de georganiseerde misdaad te bestrijden. Er lijkt een trend zichtbaar te worden dat er steeds meer topcriminelen geliquideerd worden. Opvallend is de betrokkenheid van veel buitenlandse criminelen en huurmoordenaars. Het Europa zonder grenzen geldt ook voor deze branche. Wat is de beoordeling van de Minister van deze toenemende liquidaties? Is de Minister bereid een onderzoek in te laten stellen naar deze ontwikkelingen en de Kamer op de hoogte te houden?

De veiligheid in de samenleving wordt in toenemende mate beïnvloed door de beslissingen die in de lokale driehoek worden genomen. Bij grootschalige evenementen, zoals de Eurotop of Euro 2000, wendt de minister zich niet meer exclusief tot de burgemeester, de korpschef of de hoofdofficier, maar tot hen gedrieën. Beleid dat de hoofdofficier van Justitie uitstippelt, heeft ook steeds meer een strafrechtoverschrijdend karakter. Denk aan projecten als de door minister Sorgdrager opgezette kantoren van Justitie in de Buurt of het mediationproject in Amsterdam. D66 vindt het dan ook een anomalie dat de hoofdofficier van Justitie beslissingen van de driehoek of beleid, verdergaand dan strikt het strafrecht, niet aan de gemeenteraad hoeft uit te leggen. De Burgemeester en de korpschef komen tekst en uitleg geven aan de Gemeenteraad. Meestal na afloop om uiteen te zetten, waarom voor een bepaald veiligheidsbeleid is gekozen. De Hoofdofficier van Justitie heeft geen wettelijke verplichting daarbij aanwezig te zijn, terwijl zijn aandeel van het veiligheidsbeleid zeer groot is. D66 vindt dat democratische gat gedicht moet worden. Is de minister bereid de politiewet zodanig aan te passen dat ook een hoofdofficier aan de gemeenteraad informatie dient te verstrekken?

Wat zijn de ambities van beide bewindslieden voor de komende anderhalf jaar? Op welke onderwerpen willen zij nog hun stempel drukken en welk tijdsschema hebben zij voor ogen om hun ambities te realiseren?

Bij deze begrotingsbehandeling wil ik de nadruk leggen op twee thema's.
Het antidiscriminatiebeleid en de verbetering van de positie van slachtoffers.

Het vreemdelingen- en antidiscriminatiebeleid.

Staatssecretaris Cohen heeft als staatssecretaris van Justitie nog veel werk te verrichten de komende anderhalf jaar op het gebied van het vreemdelingenbeleid. Kenmerk van nationaal genomen beslissingen is dat zij maar een beperkte werking hebben, omdat er veel nauwelijks te beïnvloeden buitenlandse factoren zijn. Het aantal binnenkomende asielzoekers noch de hoegrootheid van de aantallen te verwijderen uitgeprocedeerde asielzoekers is van te voren te bepalen. Ieder, die dat beweert of suggereert, doet aan grove versimpeling van deze weerbarstige materie.
Maar wat wel beter te sturen is, is het werkproces van de IND en de wijze, waarop het COA functioneert. Mijn fractie heeft grote zorgen voor wat betreft de IND. De staatssecretaris is politiek verantwoordelijk voor een deugdelijk functioneren van de IND. De problemen, die er zijn, zoals de snelheid en zorgvuldigheid van te nemen beslissingen, het aantal vergunningen vanwege het drie jaren beleid, en de trage afhandeling van MVV-verzoeken en visa, werpen een schaduw over de goede dingen, die de staatssecretaris heeft weten te bereiken. Graag hoor ik van de staatssecretaris hoe hij de komende anderhalf jaar deze problemen denkt aan te pakken? De laatste tijd is er een tendens waarneembaar van meer discriminatie en racisme.
Dit blijkt uit rapportages van anti-discriminatieburo's, het LBR, het anti-fascismecomite Kafka, het CIDI, politie- en justitiefunctionarissen en de Monitor Racisme en Extreem-Rechts. In de media halen met name geweld tegen asielzoekers(centra) en recentelijk anti-joodse incidenten het nieuws, waarschijnlijk onder invloed van de gebeurtenissen in het Israëlisch-Palestijns conflict. In de praktijk blijkt het moeilijk te zijn een goed bronbestand te raadplegen om cijfermatig te zien welke incidenten hebben plaatsgevonden. Tussen de anti-discriminatieburo's, politie, woningbouwverenigingen en andere maatschappelijke instellingen zouden gegevens omtrent discriminatie moeten kunnen worden uitgewisseld. Alleen met een deugdelijk bronbestand kan een goed inzicht gekregen worden over de vraag wat de stand van de tolerantie in Nederland is en op welke punten specifiek beleid gevoerd moet worden. Er zou een waarnemingssysteem, gebaseerd op de registraties van verschillende instellingen moeten worden opgezet, in het Engels heet dat een multi agency monitor. Zo'n monitor dient verschillende doelen: waarschuwingssysteem, periodieke evaluatie, ontwikkelingen over een langere termijn, tevens controlebestand, ook in verband met Nederlandse internationaalrechtelijke verdragsverplichtingen. Discriminatiebeleid is in de eerste plaats een zaak voor lokale overheden, maar een dergelijke monitor dient een landelijk belang.

AMENDEMENT

In de Monitor Racisme en Extreem Rechts van Jaap van Donselaar wordt op de gebrekkige registratiesystemen gewezen. In de VS en Frankrijk geldt een Raamwet Registratie Racisme, die de minimale registratie van diverse uitingen van racisme en rapportage daarover verplicht stelt en een waarborg vormt voor continuïteit en middelen. D66 stelt een zelfde wettelijke grondslag voor. Is de regering bereid hier onderzoek naar te doen?

In onze samenleving is de vrijheid van meningsuiting een groot goed. Toch zijn er restricties aan verbonden. Discrimineren mag niet. Politie en Justitie moeten daar een heldere houding tegen innemen. Als tijdens een demonstratie bevolkingsgroepen worden gediscrimineerd, dan moet er opgetreden worden. Worden er leuzen gescandeerd in een buitenlandse taal, dan ligt het voor de hand dat een tolk wordt meegestuurd of allochtone agenten, die kunnen beoordelen of men over de schreef gaat. In sommige steden gebeurt dat. Is de minister bereid in samenspraak met BZK hier expliciet aandacht aan te besteden richting politiecorpsen? Het OM heeft een landelijke expertisecentrum discriminatiezaken. De politie nog niet en dat is in de praktijk een gemis.

De Algemene wet gelijke behandeling probeert te waarborgen dat er niet gediscrimineerd wordt. De Commissie Gelijke Behandeling beoordeelt conflicten, bijvoorbeeld tussen werkgever en werknemer, en komt met een oordeel. Dat oordeel is niet bindend. De rechter mag er van af wijken. In de praktijk gebeurt dat meer dan eens. D66 stelt voor dat de onafhankelijke rechter alleen gemotiveerd van het oordeel van de Commissie afwijkt. Voordeel hiervan is dat de jurisprudentie van de rechter voor de justitiabelen helder wordt en dat de status van de oordelen wordt erkend. Het blijkt dat met name lagere rechters nogal eens ongemotiveerd van het oordeel van de Commissie afwijken. De wet zou op dit punt moeten worden aangepast.
Daarnaast zou het goed zijn als de Commissie vaker van haar bevoegdheid gebruik maakt om in geval van niet-naleving van haar oordeel de zaak bij de rechter aanhangig te maken, een bevoegdheid, die in art. 12 is gegeven, maar waar nooit gebruik van wordt gemaakt. Bovendien zou aan de rechters de mogelijkheid bekend kunnen worden gemaakt in zaken, waarin gelijke behandelingsaspecten spelen, maar waarover bij de Commissie geen verzoek is ingediend, de Commissie alsnog in te schakelen.

Graag een reactie van de regering.

De verbetering van de positie van slachtoffers.

Veel geweld op straat en in huis vindt plaats, nadat de dader alcohol of andere drugs heeft gebruikt. Geschat wordt dat er landelijk ongeveer 20.000 tot 25.000 geweldsincidenten op straat plaats vinden. Huiselijk geweld is een veelvoud daarvan.
In de rechtszaal wordt alcohol- of drugsgebruik nog al eens door de verdachte alcohol als excuus gebruikt. "Ik wist niet meer wat ik deed, want ik had te veel gedronken". Alcohol veroorzaakt enorme maatschappelijke schade. Degene, die zichzelf in een positie heeft gebracht dat hij, met alcohol of drugs op, een geweldsmisdrijf pleegt, moet van te voren weten dat de wetgever dat gedrag ernstig afkeurt. Naast alle maatregelen, die genomen zijn, lijkt het mijn fractie een goed idee het wetboek van strafrecht aan te passen. Er moet een nieuwe strafverzwarende omstandigheid ingevoerd worden : degene, die het misdrijf onder invloed van alcohol of andere drugs heeft gepleegd, dient zwaarder gestraft te kunnen worden. Bij ontdekking op heterdaad moet de verdachte zijn medewerking verlenen aan een onderzoek naar het alcoholgebruik. Wij geloven dat van een dergelijke strafverzwarende omstandigheid een generale preventieve werking uit kan gaan, die dus ook aan het slachtoffer ten voordeel strekt. Dit voorstel van D66 past in het wettelijk systeem. Nu al kent art. 304 onder 3 Sr de strafverzwarende omstandigheid, indien het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen. Dat is dus de slachtofferkant. Ons voorstel breidt dit uit naar de daderkant.

Ik verzoek de minister op dit voorstel te reageren.

MOTIE.

Is de minister bereid om op elk arrondissement een gespecialiseerde DNA-officier van Justitie te laten werken? Hij kan zijn collega's met raad en daad terzijde staan, wanneer zich ingewikkelde vragen rond DNA voordoen. Hij kan contactpersoon zijn tussen NFI, politie en parket. Graag een reactie.
D66 is geen principieel tegenstander van grootschalig DNA-onderzoek, indien de reguliere opsporing geen resultaat heeft gehad. In het antwoord op de vragen, die D66 gesteld heeft, schrijft de minister dat de wet geen belemmeringen opwerpt om derden op vrijwillige basis wangslijm te laten afnemen ten behoeve van een op grote schaal opgezet DNA-onderzoek. Uiteraard moet een dergelijk grootschalig onderzoek wel redelijkerwijs kunnen bijdragen aan het ophelderen van het misdrijf. Het is dan ook logisch dat de officier van Justitie het nut en de noodzaak ervan moet kunnen aangeven. Er moeten geen minder intensieve opsporingsmiddelen voorhanden zijn om de dader te pakken. De kring van de te onderzoeken vrijwilligers moet niet groter zijn dan in het belang van de waarheidsvinding noodzakelijk is. Met deze uitgangspunten zijn wij het eens.
Wij zetten echter vraagtekens bij het gehanteerde argument dat met een grootschalig DNA-onderzoek de klassieke grondslagen van het strafrechtelijk opsporingsonderzoek worden verlaten. Nu al vinden er grootschalige onderzoeken plaats, wanneer er een ernstig misdrijf is gepleegd. Onlangs nog werd in Utrecht een grootschalig buurtonderzoek gehouden, toen het meisje Yasmine verdwenen en later vermoord was teruggevonden. De politie belde bij elke voordeur aan en vroeg mensen, waar zij ten tijde van het verdwijnen waren geweest. Er was tegen deze mensen geen enkele verdenking, maar het belang van de opheldering van een dergelijk ernstig misdrijf rechtvaardigt dat dit type vragen wordt gesteld. Bij een grootschalig DNA-onderzoek is het niet anders. Op vrijwillige basis wordt mensen gevraagd materiaal af te staan. Het wordt meteen vernietigd als blijkt dat het niet overeenkomt met het DNA-daderspoor. Nu kan er vanzelfsprekend een hele discussie worden gevoerd over de vraag aan wie je vraagt vrijwillig mee te werken. Is een in opdracht van de politie opgesteld daderprofiel voldoende basis? Als deskundigen op basis van bepaalde omstandigheden een daderprofiel maken dat de dader in een straal van 15 kilometer rond de plaats van het misdrijf woont en er een vermoedelijke leeftijd bij wordt geleverd, dan kan een dergelijk grootschalig DNA-onderzoek in beginsel georganiseerd worden, als je daarvoor kiest. In Duitsland heeft een DNA-bevolkingsonderzoek plaatsgevonden op basis van een daderprofiel onder 15.000 geselecteerde mannen. De dader deed mee en bekende bovendien nog een andere moord en een verkrachting. Omdat een grootschalig onderzoek louter en alleen op vrijwillige basis kan - overigens blijkt uit een enquete onder de mannelijke doelgroep dat een grote meerderheid vrijwillig zou mee willen werken om op zo'n manier een bijdrage aan de mogelijke oplossing van het misdrijf te leveren - zullen er altijd mensen zijn, die weigeren hun DNA af te staan. Wat is er op tegen als het opsporingsonderzoek zich daarna op hen richt ? Dat gebeurt nu ook al in buurtonderzoeken. Als iemand geen antwoord op vragen wil geven, is hij geen verdachte, maar mag de politie natuurlijk wel nader onderzoek doen.
D66 is van mening dat bij zeer ernstige misdrijven als de moord op een kind alles uit de kast gehaald moet worden om het misdrijf op te helderen. Eerst met gewoon opsporingswerk, maar leidt dat tot niets, dan moet een grootschalig DNA-onderzoek niet bij voorbaat uitgesloten worden.
Gesteld nu dat het onderzoek in de zaak van Marianne Vaatstra op niets uitloopt, dan vraag ik de minister bij wijze van proefproject in die zaak een grootschalig DNA-onderzoek te houden en dat goed wetenschappelijk te evalueren.

Vorig jaar heb ik bij de begroting gesproken over huiselijk geweld. Meestal wordt huiselijk geweld als eenvoudige mishandeling geclassificeerd. Daar staat een gevangenisstraf van twee jaar op. Ik vroeg de minister de strafmaat te verhogen. In deze begroting heeft de minister het voornemen geuit de strafmaat naar drie jaar te verhogen. Dank daarvoor. Ook door wijziging van de artt. 540 e.v. kan beter geïntervenieerd worden in een situatie van huiselijk geweld. Daarmee zijn we er natuurlijk nog lang niet.
Huiselijk geweld maakt vele slachtoffers. Uit het in opdracht van het Ministerie van Justitie gedane onderzoek blijkt dat 45% van de Nederlandse bevolking zelf ooit slachtoffer is geworden van niet-incidenteel huiselijk geweld. Over cijfers, definities en percentages valt te twisten, maar dat huiselijk geweld vaker voorkomt dan de jaarlijkse 20.000 a 25.000 geweldsincidenten op straat staat wel vast. Wie als kind of als vrouw in een geweldssituatie leeft, loopt ook psychisch klappen op. Het zal zijn uitwerking op het zelfvertrouwen en karakter van het slachtoffer niet missen. Huiselijk geweld is geen privé-zaak tussen twee mensen, maar is een geweldsmisdrijf, waar adequaat tegen opgetreden moet worden. Tot voor kort lieten politie en Justitie, maar ook hulpverlenende instanties huiselijk geweld te veel op hun beloop. Daar is de laatste jaren een kentering in gekomen. Toch is de verkokering van de overheid nog steeds een van de grootste problemen bij een samenhangende aanpak van huiselijk geweld. Er zijn onvoldoende voorwaarden geschapen om politie, justitie, hulpverlening en gezondheidszorg met elkaar effectief te laten samenwerken. Daarom is het goed dat de Minister van justitie huiselijk geweld tot speerpunt heeft benoemd en dat er een interdepartementale projectgroep aan het werk gaat. Op lokaal niveau zijn veel projecten ontstaan. Ik verwijs naar de protocollen voor een gezamenlijke aanpak van huiselijk geweld in Haarlem, ondertekend door de Reclassering, het Openbaar Ministerie en de politie. Interessant eraan is dat een eenmaal gedane aangifte niet meer kan worden ingetrokken dan na overleg met de verbalisant in persoon en met redenen omkleed. Er volgt een snelle strafrechtelijke reactie. Vervolging via maatwerk is uitgangspunt. In alle gevallen wordt een reclasseringsrapport aangevraagd en er wordt slechts om technische redenen geseponeerd. Altijd vindt er een persoonlijk onderhoud met de dader plaats.
Op 17 november 2000 wordt in Haarlem het eerste Advies- en meldpunt Huiselijk Geweld geopend. Het is 24 uur per dag telefonisch bereikbaar. Dus ook op uren, wanneer de reguliere hulpverlening gesloten is. Het werkt nauw samen met alle partners in het veld en de vrouwenopvang. Zulke Advies- en meldpunten zouden een landelijke dekking moeten krijgen. Uitgaande van 34 regionale steunpunten komt dit neer op een bedrag van 12 miljoen gulden. Is de minister bereid bij te dragen in de financiering van die 34 regionale steunpunten?

MOTIE

Andere politieregio's zijn ook bezig met het opstellen van protocollen huiselijk geweld in samenwerking met het OM en de Reclassering. Graag verzoek ik de minister er op toe te zien dat niet elke regio het wiel opnieuw uitvindt. Kan de regering de Kamer een overzicht verstrekken van in welke regio's al zo'n integrale aanpak aanwezig is, waar die in de maak is en wat landelijk als beleid voorgesteld wordt? Is de minister bereid de monitoring van al die lokale projecten te ondersteunen, zodat een helder inzicht kan worden verkregen wat goed werkt en wat niet? Is de minister bereid te stimuleren dat elk parket een goed ingevoerde coördinator huiselijk geweld krijgt? Welke belemmeringen in de privacywetgeving bestaan er, die een goede aanpak van huiselijk geweld in de weg staan? Is de minister bereid die in kaart te brengen? De minister heeft voorgesteld een landelijk onderzoek te houden naar huiselijk geweld onder allochtone groepen. Dat is belangrijk, maar het onderzoek dient wat ons betreft verbreed te worden, nu de laatste onderzoeksgegevens alweer van ongeveer 7 jaar geleden dateren.
Mannen, die in de relationele sfeer hun handen niet thuis kunnen houden, moeten een toegesneden therapie aangeboden krijgen. In Amsterdam wordt een justitieel behandelprogramma voor plegers van relationeel geweld toegepast met als doel herhaling van gewelddadig gedrag te voorkomen in de huidige en/of volgende relaties. Met het GRIP-programma (Geweld in Relaties Interventie Project Amsterdam) komen daders in contact via de vroeghulp van de reclassering, na een schorsing of een voorwaardelijk sepot van het OM en na een voorwaardelijke strafoplegging van de Rechterlijke Macht. Ook vrijwillig kunnen plegers aan het programma gaan deelnemen. Is de Minister bereid om te stimuleren dat een daderbehandelprogramma , zoals het GRIP, landelijk wordt ingevoerd?
In het voorjaar heeft D66 voorgesteld dat de pleger van huiselijk geweld zijn huis tijdelijk zou dienen te verlaten, zodat de vrouw en de kinderen hun toevlucht niet behoeven te zoeken in een Blijf van mijn lijf huis. In Oostenrijk schijnt een dergelijke interventiemogelijkheid een wettelijke grondslag te hebben gekregen. Dat lijkt ons voor de Nederlandse situatie ook een goed idee. Is de Minister bereid een wetsvoorstel terzake, een soort Blijf uit mijn huiswet, voor te bereiden?

Slachtoffers hebben er belang bij dat het OM en de rechters de stroom van zaken goed aankunnen en dat die zaken niet te lang blijven liggen. In Amsterdam komt er in appel een stuwmeer van 4000 a 5000 strafzaken bij het Gerechtshof in 2001. De productiviteit op de zittingen wordt steeds minder als gevolg van het onmiddellijkheidsbeginsel. Steeds meer getuigen worden op de zitting gehoord. Het gevolg is dat er kortere straffen worden opgelegd in verband met het tijdsverloop. Meer geld, meer rechters en gerechtelijke ondersteuning is belangrijk, maar slechts een deel van de oplossing. Structureel zou er anders gewerkt moeten kunnen worden. D66 voelt veel voor het idee van de regiezitting, waarbij zaken tegen de bekennende verdachte versneld kunnen worden afgedaan en de aandacht van de rechters zich meer kunnen richten op de grote en juridisch ingewikkelde zaken. Graag een reactie.

D66 heeft bij de Algemene Politieke Beschouwingen voorgesteld dat slachtoffers en nabestaanden van een ernstig misdrijf recht krijgen op gratis rechtsbijstand van een advocaat. De Minister heeft bij brief van 30 oktober jl. laten weten te overwegen de Wet op de Rechtsbijstand aan te passen om aan deze motie uitvoering te geven. Met een financiële dekkingsparagraaf wordt de Kamer in het voorjaar van 2001 nader geïnformeerd. Wij gaan daarmee akkoord. Soms komt het voor dat als gevolg van een fout van het OM het slachtoffer niet als beledigde partij zich in de strafzaak kan voegen. Dat betekent dat het slachtoffer naar de civiele rechter moet stappen om daar een eis tot schadevergoeding in te stellen. D66 stelt voor dat het OM een vergoeding aan het slachtoffer betaalt ten behoeve van de rechtsbijstandskosten. Dit kan in de vorm van een forfaitaire vergoeding om de civiele vordering aanhangig te maken. Wat vindt de Minister van dit voorstel?

Mijn fractie is een voorstander van verruimde mogelijkheden om DNA in het strafrecht toe te passen. Na de begrotingsbehandeling van vorig jaar heeft de minister het voorliggende wetsvoorstel gewijzigd. Het zal binnenkort door de Kamer worden besproken. Door de steeds beter wordende technieken is het ook mogelijk om oude zaken, die op niets uit zijn gelopen, opnieuw te bekijken. Soms kunnen zij alsnog tot een oplossing worden gebracht. Daarvoor is extra recherche-inzet nodig. In het buitenland zijn zogenaamde "cold-cases-squads" actief. Vaak met behulp van veiliggesteld DNA-materiaal weten zij onopgeloste misdrijven alsnog op te lossen. Het gaat dan met name om serieuze zaken, die de rechtsorde ernstig hebben geschokt. Als gevolg van het project "Oude Zaken, nieuwe kansen" zijn er enkele van dit soort teams opgericht. Hoe denkt de minister over het opzetten van een "cold-cases-squad" in elke politieregio?

Vorig jaar heb ik het voorstel gedaan het slachtoffer spreekrecht te geven op de terechtzitting. Die slachtoffers en nabestaanden, die daar behoefte aan hebben, zouden de mogelijkheid geboden moeten worden de rechter te vertellen, welke invloed het misdrijf op hun leven heeft gemaakt. Die slachtoffers of nabestaanden, die niet op de zitting willen spreken, zouden hun verklaring op papier kunnen zetten. Het OM dient daaraan bijzondere aandacht te geven. De minister heeft de Kamer na de begrotingsbehandeling een brief geschreven met een overzicht van de projecten, die op dit vlak in gang zijn gezet. Op zich een positieve ontwikkeling. Maar spreekrecht op de zitting wordt niet geregeld. Mijn fractie vindt dat spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden als sluitstuk van belang en heeft een voorontwerp initiatiefwetsvoorstel opgesteld. Het is aan allerlei organisaties ter becommentariëring voorgelegd.

Slachtoffers worden, ondanks alle pogingen van politie en OM, regelmatig niet goed op de hoogte gesteld van wat de stand van de zaak van de verdachte is, wanneer de verdachte voor moet komen, wat de straf is. In Amsterdam opent het OM een informatielijn. Die slachtoffers, die het parketnummer van de zaak weten, kunnen informatie krijgen. D66 vindt dat een interessant initiatief. Veel slachtoffers hechten er aan ook de naam van de verdachte te weten te komen. Het maakt de verwerking van het slachtofferschap gemakkelijker. Een anonieme dader is vaak bedreigender dan te weten dat de dader meneer of mevrouw X is. Daders weten vaak wel wie hun slachtoffer is. Zeker uit de processtukken. Om aan de wens van slachtoffers tegemoet te komen stellen wij voor dat de naam van de dader op verzoek na veroordeling aan het slachtoffer bekend wordt gemaakt. Het beste zou zijn, indien dit een wettelijke grondslag krijgt. Wil de Minister hier op reageren?

CONCLUSIE :

Op allerlei terreinen moet verder gebouwd worden aan de rechtsstaat, het werk is nooit af.

BD

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie