Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Hoofdpunten CDA inbreng debat ondernemerspakket 2001

Datum nieuwsfeit: 07-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

Ondernemerspakket 2001 (071100)

Den Haag, 7 november

Hoofdpunten inbreng Ondernemerspakket 2001
I Hoofdpunten plenair debat


1. Het ondernemerspakket leidt tot een aantal fiscale maatregelen die kansen voor ondernemerschap vergroten. Tegelijk zitten er lastenverzwarende aspecten aan. Die worden bekritiseerd.
2. Het wetsvoorstel vertoon opnieuw tekenen van haastwerk.
3. De CDA-fractie is voorstander van een herinvesteringsreserve. De voorgestelde maatregel gaat niet ver genoeg. De CDA-fractie wil:


4 jaar in plaats van 3 jaar

meer flexibiliteit voor opbouwen en benutten reserve

teruggaan naar het oorspronkelijke voorstel (bezwaar tegen terugwerkende kracht in huidig voorstel)

overgangsrecht
4. Instemmen met regeling in geval van overheidsingrijpen en herinvesteringsreserve vormen bij bedrijfsmiddelen meer dan 10 jaar afschrijvingstermijn, noodzakelijk voor fiscale begeleiding herstructurering land en tuinbouw. Wijzen op overgangsregeling.
5. Geruislozen doorschuifregeling van een onderneming uitbreiden tot ook niet-familieleden.

Huidige regeling in de familiesfeer is verslechterd. Amendement: huidige regeling handhaven.

Nieuwe regeling eis versoepelen: drie jaar werkzaam ipv. mede-ondernemer

6. Landbouwvrijstelling handhaven. Reparatie landbouwvrijstelling als het gaat om bestemmingswijzigingswinst.

Overgangsrecht ontbreekt, terugwerkende kracht afwijzen en betere definitie van begrip WEVAB.

Landbouwvrijstelling ondergrond agrarische woning handhaven


7. Instemmen met geruisloze terugkeer uit de BV, kritische vragen over de uitvoering. Met name inzake de eis dat de vennootschap moet worden ontbonden levert problemen in de MKB.

8. Beperking verliescompensatie:

te veel overkill

bij reële saneringsoperatie mag verliescompensatie niet verloren gaan

9. De CDA-fractie houdt twijfels omtrent bepalingen over de omzetting van vorderingen:

overkill

strijdigheid EU recht

10. De staatssecretaris komt toezeggingen tijdens IB 2001 onvoldoende na. Dit betreft regelingen stakingswinst en bijzondere tarieven.
11. Verzoek continueringsregeling nader uitwerken (motie)
Den Haag, 7 november 2000


1. Met dit wetsvoorstel wordt gestreefd om bestaande fiscale belemmeringen voor ondernemers zoveel mogelijk weg te nemen en de kansen voor het ondernemerschap verder te vergroten. Op een aantal onderdelen is de regering daar in geslaagd. Op enkele onderdelen helaas niet. Daar treedt eerder een verzwaring van de fiscale aspecten op. Dat laatste wordt met name veroorzaakt door het budgettaire kader waarbinnen het ondernemerspakket is opgesteld. In het Regeerakkoord is hiervoor de basis gelegd. Het gaat hier om de bevindingen van de commissie Oort II en de taakstelling om misbruik en oneigenlijk gebruik van fiscale regelgeving gepaard te laten gaan met een structurele opbrengst van 500 miljoen voor de schatkist. Per saldo dus lastenverzwaring. De CDA-fractie betreurt deze gang van zaken. Waarom werd deze 500 miljoen niet gereserveerd voor het wegnemen van fiscale belemmeringen? Nu moet de staatssecretaris in de Nota naar aanleiding van het Verslag te veel nee verkopen als het agaat om het wegnemen van deze verdere fiscale belemmeringen. Dat is geen goede zaak.


2. De CDA-fractie vindt verder dat het ondernemerspakket 2001 te versnipperd wordt behandeld. Daardoor is het niet mogelijk een integrale afweging te maken. De fiscale maatregelen zijn verdeeld over meerdere jaren en meerdere wetsvoorstellen. Daar komt bij dat de staatssecretaris nogal wat aanpassingen voorstelt in de Nota van Wijziging naar aanleiding van de kritische vragen in het verslag mede op aandrang van de CDA-fractie. Dat verontrust ons. In het oorspronkelijke wetsvoorstel zaten nogal wat tekortkomingen. Wat is daar de reden van? Is dat haastwerk of onvoldoende doordacht werk? Waarom is bij een dergelijk wetsvoorstel met vele technische voorstellen niet gekozen voor een voorontwerp van de wet? Dat had veel wijzigingsvoorstellen kunnen voorkomen en had de politieke discussie meer kunnen beperken tot politieke hoofdpunten. De tijdsdruk waaronder fiscale wetsvoorstellen tegenwoordig behandeld worden doet afbreuk aan de kwaliteit van de wetgeving. De CDA-fractie maakt zich daar ernstige zorgen over. Wij hebben behoefte aan een debat betreffende dit punt met de regering en de andere fracties in de Tweede Kamer. De ingeslagen weg van de laatste jaren is geen goede weg. Bovendien moet de Tweede Kamer opboksen tegen een leger van ambtenaren die de bewindslieden ten dienste staan. De CDA-fractie nodigt de andere fracties uit om hier eens een meer fundamenteel debat over te voeren.


3. De CDA-fractie maakt zich grote zorgen over het Nederlandse fiscale ondernemersklimaat. Zij zijn van mening dat in het thans gepresenteerde voorstel over het geheel genomen meer beperkende dan verruimde maatregelen zitten. Bovendien zijn de nieuwe bepalingen vaak onnodig dicht van aard en in een aantal gevallen is zelfs sprake van een overkill aan wetgeving. Dat werkt niet stimulerend voor het bedrijfsleven. Los van het onderhavige wetsvoorstel, maar eveneens tekenend voor de verslechtering van het ons fiscale ondernemingsklimaat zijn de ontwikkelingen m.b.t. het rulingbeleid. De CDA-fractie heeft al vaker op deze problematiek gewezen, maar telkens een ontkenning als antwoord gekregen. Wij verwijzen nu naar het interview met O. Ruding in het Financieele Dagblad van vrijdag 4 november waar gesteld wordt dat ondanks de verklaring die de staatssecretaris gaf dat er geen sprake is van vertraging en belemmeringen met betrekking tot het rulingbeleid, de ervaringen thans anders leren. Graag een reactie van de minister. Ook constateert de CDA-fractie dat Nederlandse bedrijven in het buitenland soms smeergeld betalen aan overheidsfunctionarissen in dat betrokken land. Dit geld mag als aftrek bij de belastingaangifte worden opgevoerd. Deelt de staatssecretaris de opvatting van de CDA-fractie dat dit geen juiste gang van zaken is? Moet deze regeling niet heroverwogen worden?


4. De CDA-fractie is voorstander van de omvorming van de vervangingsreserve in een herinvesteringsreserve. Wel constateren we dat de regeling nogal ingewikkeld is en veel administratieve rompslomp met zich mee brengt.

Wij hebben grote twijfels bij het verlaten van de 4-jaarstermijn. Deze termijnverlenging spoort niet met de doelstelling van het wetsvoorstel, de bevordering van de dynamiek van het ondernemersschap. De regering komt bij de beantwoording op de vragen niet verder dan te stellen dat der herinvesteringsreserve meer mogelijkheden biedt om tot afboeking van de reserve over te gaan. Feit blijft dat de huidige regeling met een jaar wordt aangescherpt. Dat is een fiscale verzwaring. De CDA-fractie vindt dat geen goede zaak [evt. amendement].

Een ander punt betreft de afschrijftermijn van meer dan 10 jaar. De regering sluit bedrijfsmiddelen die niet afschrijfbaar zijn, of middelen die een afschrijvingstermijn hebben van meer dan 10 jaar, uit voor een herinvestering met een economisch niet-gelijkwaardige positie. Met name de argumentatie inzake afschrijfbare middelen van meer dan 10 jaar overtuigt de CDA-fractie niet. Enkel het argument van budgettair beslag kan niet doorslaggevend zijn. Vergroting van de flexibiliteit van het ondernemersschap dient hier doorslaggevend te zijn. Het regeringsvoorstel is een relatieve verslechtering van het ondernemersklimaat. Bovendien is het alleen maar uitstel van belasting. Enkele jaren later komt deze belasting wel binnen, omdat er lagere afschrijvingen zijn. Om die redenen ziet de CDA-fractie we; wat in het voorstel van VNO-NCW, namelijk om een bepaling op te nemen dat boekwinsten op afgesloten bedrijfsmiddelen uitsluiten mogen worden afgeboekt op verworven bedrijfsmiddelen die een zelfde, of een kortere afschrijvingstermijn hebben (amendement). Dit voorstel voorkomt het bezwaar van de staatssecretaris dat er een ongewenst effect optreedt betreffende de stille reserves die gedurende een langere periode of in het geheel niet gerealiseerd worden.

Een derde punt betreft het achterwege laten van een overgangsrecht voor bedrijfsmiddelen waarop niet wordt afgeschreven of waar de afschrijvingstermijn van 10 jaar geldt. Bij deze bedrijfsmiddelen treedt geen verbetering op met de herinvesteringsreserve. Waarom wordt hiervoor niet de oude regeling vervangingsreserve- voor een termijn van 4 jaar voorgesteld? Graag een nadere toelichting. Dit moet uitvoeringstechnisch gemakkelijk te realiseren zijn.

Waarom heeft de staatssecretaris in de nota onder het mom van een overgangsmaatregel in tegenstelling tot het oorspronkelijke wetsvoorstel terugwerkende kracht geintroduceerd. Is dat redelijk aangezien in het wetsvoorstel 1-1-2001 werd voorgesteld. Nu worden ondernemers in één keer geconfronteerd met onverwachte vrijval van een vervangings/herinvesteringsreserve. De CDA-fractie vraagt de sas om eer terug te keren naar het oorspronkelijke wetsvoorstel.


5. Tevreden is de CDA-fractie met de regeling dat in geval van overheidsingrijpen het wel mogelijk is om een herinvesteringsreserve te vormen bij bedrijfsmiddelen met meer dan 10 jaar afschrijvingstermijn. De regering heeft de CDA-fractie nog niet overtuigd waarom de herinvesteringsreserve voor niet-afschrijfbare bedrijfsmiddelen niet besteed mogen worden voor bedrijfsmiddelen die niet dezelfde economische functie hebben. Wij vinden het huidige besluit uitstekend. Waarom nu een aanscherping? Zal dit de medewerking aan herstructurering land en tuinbouw niet onnodig te belemmeren. De fractie doet een dringend beroep op de staatssecretaris het huidige besluit te handhaven. Daarnaast ziet de CDA-fractie een probleem opdoemen bij de opkoopregeling in land en tuinbouw per 31-12-2000. Wanneer een ondernemer voor 31/12 stopt en gebruik wil maken van de herinvesteringsregeling cq. vervangingsreserveregeling moet hij een voornemen uitspreken om opnieuw te gaan investeren in dezelfde economische functie (bijv. varkens). Terwijl na 31/12 wel geinvesteerd mag worden in bedrijfsmiddelen met een andere economische functie. Het lijkt ons dat hiervoor een overgangsregeling gemaakt moet worden. Graag een reactie. De CDA-fractie vraagt de staatssecretaris meer duidelijkheid te verschaffen over de invloed van de voorgestelde vervangingsreserve bij overheidsingrijpen op de vennootschapsbelasting. Het voorgestelde artikel 3.64 Wet IB 2001 is niet van overeenkomstige toepassing verklaard voor de heffing van Vpb, terwijl de resolutie 25/8/92, nr. DB 92/3157, BNB 1992/313, nog wel van toepassing is. Graag een nadere toelichting. In het verlengde hiervan het volgende: in de praktijk zien wij dat agrariërs die noodgedwongen hun bedrijf moeten verkopen als gevolg van bestemmingswijziging en elders (in Nederland) een nieuw bedrijf willen starten/kopen in de problemen komen als zij in verband met de verplaatsing een groter aantal hectaren landbouwgrond willen/moeten terugkopen (bedrijfseconomisch rendabel bedrijf opzetten). In geval van vervreemding als gevolg van overheidsingrijpen wordt op grond van art. 3.54, negende lid, namelijk afboeking van de herinvesteringsreserve op bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven, slechts toegestaan indien de reserve is gevormd ter zake van bedrijfsmiddelen met een zelfde economische functie. Zoals in de Nota naar aanleiding van het verslag wordt opgemerkt, houdt dit een beperking in ten opzichte van het huidig Besluit overheidsingrijpen (Resolutie van 25 augustus 1992, nr. DB92/3157, BNB 1992/313). Volgens de Nota is het voorkomen van misbruik het doel van deze beperking. Het misbruik zou volgens de staatssecretaris daarin bestaan dat de belastingclaim op stille reserves op afschrijfbare bedrijfsmiddelen bij doorschuiving naar niet-afschrijfbare bedrijfsmiddelen niet meer wordt ingehaald, waardoor de belastingclaim voor de fiscus verloren gaat.
Echter de voorgestelde regeling heeft ook een ander gevolg. Stel dat een landbouwer grond heeft met een boekwaarde van f 5 per m2. In verband met overheidsingrijpen (realisatie woningen of bedrijfsterrein) dient zijn bedrijf verplaatst te worden, zodat hij zijn bedrijf verkoopt/heeft verkocht. De landbouwer ontvangt f 45 per m2. Vervangende landbouwgrond (elders in Nederland) kost echter f 15 per m2. Op grond van de huidige regeling (genoemde Resolutie) kan deze f 45 volledig worden aangewend voor aankoop van vervangende grond en kan de landbouwer dus zonder fiscale afrekening 3 m2 grond terug kopen voor 1 m2 oude grond.
De voorgestelde regeling beperkt deze aanwendingsmogelijkheid echter; er is immers volgens de jurisprudentie (HR, 25 november 1998, nr. 34 029, VN 1999/18.16) geen/niet zonder meer sprake van een zelfde economische functie. Logischerwijze bestaat bij boven vermeld voorbeeld geen misbruik zoals wordt aangegeven in de Nota naar aanleiding van het verslag, aangezien de stille reserves worden doorgeschoven van grond naar grond en derhalve geen belastingclaim verloren gaat. Derhalve is niet duidelijk waarom de voorgestelde regeling in deze situatie de gesignaleerde beperking inhoudt. Kan de staatssecretaris aangeven of het voorstel inderdaad zo gelezen moet worden dat deze beperking zich voordoet? Kan de staatssecretaris aangeven of het de bedoeling is dat deze beperking ook geldt voor de op 31 december 2000 reeds bestaande "verruimde vervangingsreserve? Kan hij aangeven welke reden er is om de bestaande faciliteit te beperken bij herinvestering van grond voor grond, nu er van het genoemde misbruik geen sprake kan zijn? Indien er geen andere reden is om deze beperking aan te brengen, suggereren wij de bepaling in art. 3.54, negende lid in die zin te wijzigen dat met betrekking tot vervangende bedrijfsmiddelen waarvan de afschrijvingstermijn niet aanmerkelijk langer is dan de afschrijvingstermijn van de vervangen bedrijfsmiddelen, de beperking van het vierde lid ook uit te sluiten.


6. De huidige doorschuifregeling van een onderneming naar familieleden dient naar het oordeel van de CDA-fractie gehandhaafd te blijven. Beperking van deze regeling werkt zeer nadelig en bemoeilijkt de bedrijfsovername. De regering heeft ons niet overtuigd van het nut om hier een fiscale verzwaring door te voeren. Er zijn wel degelijk goede argumenten aan te voeren om deze regeling in de familiesfeer te handhaven (amendement). Wel juicht de CDA-fractie verruiming van de doorschuifregeling buiten de familiesfeer toe. We hebben de volgende bedenkingen tegen de wijze waarop deze doorschuifregeling vorm heeft gekregen.

De CDA-fractie heeft bezwaar tegen de eis van drie jaar medeonder-nemerschap. De staatssecretaris heeftons in de schriftelijke voorbereiding niet kunnen overtuigen waarom die eis niet kan worden omgezet in 3 jaar werkzaam in de onderneming (amendement). Bij het stellen van de minimumeisen aan een werknemersschap is het bezwaar van de staatssecretaris weg te nemen voor kleinere ondernemingen (MKB) wordt met het voorstel van de regering de continuiteit van de onderneming bemoeilijkt.

De CDA-fractie vindt dat de uitzonderingen op de driejaarstermijn zo helder mogelijk geformuleerd moeten worden. Waarom worden deze niet in de wet opgenomen in plaats van een ministeriële regeling?


7. Landbouwvrijstelling

De CDA-fractie hecht grote waarde aan het in stand houden van de landbouwvrijstelling. Deze is van groot belang voor de continuïteit in de agrarische sector.

Wij kunnen instemmen met de reparatie landbouwvrijstelling waar het gaat om bestemmingswijzigingswinsten. Wel blijven wij aandringen op een overgangsregeling. Er is eerder sprake van een verdere aanscherping en inperking van de landbouwvrijstelling dan van een reparatie. In een dergelijke, ingrijpende wijziging hoort een overgangsregeling te worden geïntroduceerd. Daarnaast ontbreekt in de wet een duidelijke definitie van het begrip waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB). Dat kan in de praktijk lijden tot problemen. De CDA-fractie bepleit een duidelijkere omschrijving van de WEVAB. Ook wijst de CDA-fractie terugwerkende kracht af (27 juni 2000)

Grote moeite heeft de CDA-fractie met het niet langer van toepassing zijn van de landbouwvrijstelling op de ondergrond van de agrarische woning:

- wij vinden dat er geen enkele aanleiding is de landbouwvrijstelling af te schaffen

- het voorstel is in strijd met het persbericht van de staatssecretaris dd. 29-1-97

- het arrest van 8-7-96 maakt onderdeel uit van een serie arresten die over het onderwerp bestemmingswijziging en landbouwvrijstelling gaat De Hoge Raad komt in de arresten tot het oordeel dat er ten aanzien van de ondergrond van de eerste agrarische bedrijfswoning geen sprake is van een bestemmingswijziging. Er is dus wel degelijk sprake van strijdigheid tussen het onderhavige wetsvoorstel en de in het persbericht gedane toezegging. Dus het voorstel van de staatssecretaris vereist nadere motivering (amendement). Het voorstel druist in tegen het rechtsgevoel van de ondernemer.


8. Geruisloze terugkeer uit de BV
De CDA-fractie is voorstander van een dergelijke terugkeerregeling. Twijfels behouden we of de ontbindingseis opgenomen moet worden. Dit leidt tot onnodige complicaties voor pensioenverplichtingen en terugkeerreserve. De staatssecretaris houdt tevens vast aan de voortzettingseis waarbij alle aandeelhouders de onderneming in een samenwerkingsverband dienen voort te zetten. Heeft daarmee de voorgestelde regeling nog wel zin? In de praktijk zal de regeling nauwelijks bruikbaar zijn. Waarom bouwt de staatssecretaris deze belemmering in? Zijn er geen betere alternatieven, die enerzijds lege vennootschappen voorkomen en anderzijds toch bruikbaar zijn voor de praktijk.

7. De regering komt met een aantal maatregelen ter financiering van het ondernemerspakket. Met name de handel in verliezen en vervangingsreserve worden bestreden. De vraag is of de regering niet te veel overkill doorvoert. Diverse commentaren wijzen op die overkill, met name bij fusie, splitsing, overname of bedrijfsovername. De Nederlandse Orde van belastingadviseurs bepleit daarom een heroverweging. De CDA-fractie zou graag een nadere reactie ontvangen van de staatssecretaris betreffende deze kritiek. Op zich heeft de CDA-fractie wel begrip voor de aanscherping van de regeling, maar wij doen een beroep op de staatssecretaris om overkill te voorkomen. Ook de Raad van state was nogal kritisch. De CDA-fractie vindt dat bij reële saneringsoperaties de verliesverrekening niet verloren mag gaan. Waarom biedt de staatssecretaris hier niet meer mogelijkheden?

8. Zo zou de CDA-fractie zich voor kunnen stellen dat uitzonderingen zoals genoemd in het 2e, 3e, en vierde lid van artikel 20a Vpb verruimd worden. Zoals deze uitzonderingen thans worden gepresenteerd zal nauwelijks een beroep op deze uitzonderingen gemaakt kunnen worden. De NOB vraagt bijvoorbeeld aandacht voor de aandeelhouder die in een later jaar (na het oudste verliesjaar) een belang kreeg in de vennootschap van ten minste een derde en dit thans uitbreidt (artikel 20a Vpb, 2e lid). Is het voorts niet mogelijk om voor beursvennootdschappen in het algemeen een ongeclausuleerde uitzondering te maken (lid 3). Bij beursfondsen zal geen sprake van handel in verliescompensatie zijn. In het vierde lid, deel a zou op z'n minst een tegenbewijsregeling moeten worden opgenomen dat de op grond van het beleggingscriterium niet meer verrekenbare verliezen wel verrekenbaar zijn voor zover zij aantoonbaar voortspruiten uit ondernemeingsactiviteiten van dat jaar. Tenslotte is ook de versoepeling in het vierde lid, onderdeel b, weer door een onmogelijk criterium aan banden gelegd. Hoe moet worden omgegaan met 'de gezamenlijke omvang van de werkzaamheden'. Er zijn zoveel factoren voor de omvang van de werkzaamheden bepalen, waardoor iedere objectieve maatstaf ontbreekt zodat elk oordeel afhankelijk zal zijn van het subjectieve inzicht van de inspecteur. De leden achten dit ongewenst.


9. De staatssecretaris stelt een aantal wijzigingen van de vestigingsplaatsfictie voor. Kan de staatssecretaris duidelijk aangeven welk doel deze wetswijziging dient? De fractie vraagt zich af of deze wijziging geen onbedoeld nadelige gevolgen kan hebben voor houdstermaatschappijen waarvan de winst vrijwel uitsluitend bestaat uit deelnemingsdividenden indien zij zich wenden tot de Nederlandse fiscus met een verzoek om en woonplaatsverklaring af te geven. Kan de staatssecretaris daarover duidelijkheid geven?


10. De bepalingen over de omzetting van vorderingen zijn in de nota aanzienlijk duidelijker geworden. Toch kan de fractie zich ook hier niet aan de gedachte onttrekken dat ook hier nog een behoorlijke mate van overkill is. Belangrijkste is of de vordering bij de schuldeiser ten laste van de (Nederlandse) winst is afgewaardeerd. Die bepaling is nogal onevenwichtig en heeft verstrekkende gevolgen. Is dit niet strijdig met EU-recht? Waarom bouwt de staatssecretaris deze onevenwichtigheid in de wet? Wat precies is de ratio van de artikelen 12, 13b en 13 ba?


11. De CDA-fractie vindt het een goede zaak dat de staatssecretaris het voorstel doet om de aanpassing van de deelnemingsvrijstelling één jaar uit te stellen. Aan deze aanpassing kleven nogal wat bezwaren. Voor het internationale bedrijfsleven is de deelnemingsvrijstelling van grote betekenis. De CDA-fractie wil de duidelijke toezegging van de staatssecretaris dat de voorgenomen maatregel niet een eerste stap is op weg naar afschaffing van de deelnemingsvrijstelling. De CDA-fractie behoudt haar twijfels omtrent de verenigbaarheid met het Europese recht.


12. Stakingswinst
Bij de plenaire behandeling van de wet IB 2001 zijn de stakingswinst en de bijzondere tarieven uitvoerig aan de orde geweest de CDA-fractie had enkele amendementen ingediend. Wij hebben deze amendementen ingetrokken naar aanleiding van toezeggingen van de staatssecretaris om hier bij het ondernemerspakket op terug te komen. De betalingsregeling inzake de stakingswinst is wel enige verlichting, maar komt niet tegemoet aan onze wensen. Wij betreuren dat. Wij hadden verwacht dat de staatssecretaris het voorstel om de stakingswinstvrijstelling te handhaven voor ondernemers ouder dan 55 jaar met een relatief laag inkomen in de afgelopen 5 jaar zou overnemen. Een ander knelpunt blijft dat een stakende ondernemer na
1-1-2000 af dient te rekenen tegen 52%, terwijl voor 1-1-2000 het tarief van 45% gold. Dat blijft een lastenverzwaring. Wij betreuren het dat de toezeggingen van staatssecretaris Vermeend in deze niet zijn gehonoreerd.
In de Verkenning wordt nog opgemerkt dat een herziening van de huidige progressieve tariefstructuur logischerwijs ook een herziening van de huidige percentages van de bijzondere tarieven met zich mee zou moeten brengen. Helaas komt deze redenering niet terug in de latere voorstellen. Ook De RvS heeft er op gewezen dat de toepassing van het progressieve tarief van Box I bij cumulatie van inkomen onder ogen moet blijven worden gezien in het bijzonder ten aanzien van stakingswinst, aangezien in die stakingswinst over vele jaren opgebouwde (stille) reserves kunnen zijn begrepen. Voorts wijst B. Emmerig in zijn artikel 'BV in, BV uit' (MBB, 2000, nr. 9, p.307) erop dat de Hoge Raad al in 1957 heeft overwogen dat de toepassing van het bijzonder tarief berust op de veronderstelling dat in het jaar van de overdracht de overdrachtswinst ineens wordt gerealiseerd en strekt tot matiging van de belasting voor het jaar waarin dientengevolge het bedrijfsinkomen tot een ongewoon hoog bedrag pleegt te stijgen.

12. De CDA-fractie heeft de staatssecretaris gevraagd een reactie te geven op de continueringsvrijstelling. Het valt te betreuren dat de staatssecretaris nogal negatief heeft gereageerd op dit voorstel. Dit voorstel verdient een meer inhoudelijke reactie van de staatssecretaris. Wij nodigen hem daarom uit om dit voorstel verder uit te werken, de haalbaarheid en de consequenties te onderzoeken, (evt. motie 2de termijn).

Kamerlid: drs.J.Reitsma

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie