Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage PvdA plenaire debat over Begroting 2001 LNV

Datum nieuwsfeit: 08-11-2000
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 8 november 2000

BIJDRAGE VAN HARM EVERT WAALKENS (PVDA) AAN HET PLENAIRE DEBAT OVER DE BEGROTING 2001 LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

We behandelen vandaag de derde begroting LNV uit de regeerperiode van het Kabinet Kok II. De begroting voor 2001 is de laatste begroting die nog volledig binnen deze regeerperiode valt. Het is tijd om eens stil te staan bij de resultaten van het beleid en de doelen die wij nog willen realiseren. Een soort tussenbalans dus.

De landbouw

In grote lijnen doet de landbouw mee met de economische groei van Nederland, maar wel in een lagere versnelling. Een probleemsector als de akkerbouw doet het momenteel redelijk en de varkenscrisis ligt achter ons. Dat neemt niet weg dat er sectoren zijn die voor grote herstructureringen staan, zoals de intensieve veehouderij omwille van het milieu en het dierenwelzijn. Het neemt ook niet weg dat er nog veel armoede is op het platteland. De minister heeft hierover onlangs een nota gestuurd naar de Kamer, die - en nu vat ik de nota kort samen - het armoedeprobleem niet zo groot acht. Recente berichten over armoede in Nederland doen toch vermoeden dat het probleem groter is dan gedacht. Hier moet meer aandacht aan worden besteed en wij roepen de minister dan ook op om nauw contact te houden met het departement van SZW om zo de specifieke positie van het platteland en de landbouw onderdeel te laten zijn van het beleid tot bestrijding van de armoede.

Ook fysiek vinden er belangrijke veranderingen plaats in de landbouw. Door de groeiende verstedelijking van Nederland moet de landbouw op veel plekken plaatsmaken. Daarentegen neemt de maatschappelijke waardering voor de grondgebonden landbouw als drager van het open gebied neemt toe, juist als gevolg van deze verstedelijking. De niet-grondgebonden glastuinbouw ondergaat een herstructurering omwille van de ruimtelijke ordening. Gezien de negatieve landschappelijke gevolgen van de huidige verspreiding van zowel de glastuinbouw als de intensieve veehouderij ligt het voor de hand deze sectoren zoveel mogelijk te concentreren op agrarische bedrijfsterreinen.

De minister

Een oordeel over het beleid kan niet gegeven worden zonder oordeel over deze minister. Als ik de houding van de minister met één woord zou moeten weergeven, is dat toch wel het woord 'verbazing'. De minister verbaast zich bij voortduring over van alles en nog wat. We lezen dat steeds in de pers:


* verbazing over de politieke overlegcultuur,

* verbazing over het succesvolle groene poldermodel - dat vóór zijn vertrek naar het buitenland 12 jaar geleden nog de 'Hollandse ziekte' heette,

* verbazing over irrationeel economisch gedrag van agrariërs die ondanks lage inkomens toch gewoon boer willen blijven,
* verbazing over de irritaties die zijn goed bedoelde, maar soms onhandige opmerkingen losmaken,

* verbazing over de geringe internationale aandacht van de Nederlander.

Deze kosmopoliet is in de nadagen van zijn carrière terechtgekomen op het groene polderministerie bij uitstek: het ministerie van LNV. De verbazing over de cultuur aldaar moet bijzonder groot zijn geweest.

De minister komt van buiten de sector. Hij stelt de vragen die niet-agrarische burgers ook stellen aan de landbouw. Hij prikkelt hiermee de discussie en dat is goed. Wel mag worden gesteld dat de minister inmiddels de verbazing voorbij mag zijn en dat zijn verbazing moet zijn overgegaan in betrokkenheid en begrip. Betrokkenheid bij de soms benarde positie van boeren en begrip voor de eigenheid van de landbouwende ondernemer. Deze betrokkenheid mis ik. Te vaak leiden opmerkingen tot irritatie en onbegrip die contraproductief zijn voor het beleid. De minister wordt hiermee de 'vijand van zichzelf'.

De minister zegt in een recent interview dat hij gecharmeerd is van het leiderschapsbeginsel zoals in Duitsland en in Frankrijk. De poldercultuur omschrijft hij als de som der middelmatigheid. Deze uitspraak is geen compliment voor al die mensen die dagelijks bezig zijn om in goed overleg beleid te maken, ook op zijn eigen ministerie. Ik vraag mij af hoe de minister met zijn uitspraken draagvlak wil creëren voor zijn beleid. Voor saneringsoperaries zoals met de mest kan een 'top-down' benadering goed werken, voor de stimulering van initiatieven van onderaf is een andere benadering nodig.

De minister lijkt ook geen voorstander van convenanten. Nog onlangs weigerde hij het convenant Intentieverklaring integrale milieutaak rundveehouderij te ondertekenen. Een convenant waar zijn ambtenaren maandenlang aan werkten. Betekent dit dat nu alle convenanten van de baan zijn? En hoe ziet de minister de rol van convenanten bij zijn beleid?

Het beleid

In het beleid zijn belangrijke koerswijzigingen zijn ingezet. LNV verbreedt haar terrein en wordt steeds minder een puur landbouwministerie. In de nieuwe doelstellingen van het beleid wordt niet meer alleen gekeken naar de economische rol van de landbouw maar ook naar de publieke rol van het landelijk gebied.

Het platteland is erkend als een publiek domein waar ook niet-agrariërs iets over te vertellen mogen hebben.

De sanering van de mestproductie lijkt te gaan slagen door opkoop en de ruimte-voor-ruimte-regeling, waardoor de achterstanden op het terrein van het milieu langzaam maar zeker worden weggewerkt.

Maatschappelijke wensen ten aanzien van dierenwelzijn, natuur en milieu vinden steeds meer weerklank bij boeren en tuinders. Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor de natuur- en milieuverenigingen, die als intermediair tussen het bedrijfsleven, de consument en de overheid staan.

Verder is veel beleid nog in wording, zoals het mestafzetbeleid, de herijking van het voedselveiligheidsbeleid, biotechnologie en ethische vraagstukken rond de dierenhouderij. De komende jaren zal hard moeten worden gewerkt om dit beleid gestalte te geven.

PvdA

LNV heeft dus duidelijk een nieuwe koerswijziging ingezet, maar wat de PvdA mist in dit beleid is een politieke visie op de toekomst. Ondanks de nota Voedsel en Groen is ons nog altijd niet duidelijk welke plaats de landbouw in de komende jaren in zal nemen in Nederland, zowel fysiek als in economische zin. Natuurlijk, de consument bepaalt uiteindelijk de omstandigheden en levensvatbaarheid van sectoren en bedrijven. De consument bepaalt uiteindelijk ook onder welke omstandigheden de productie zal plaatsvinden. Maar hebben wij dan geen wensen over de vraag welke productie dat zal zijn, waar die gaat plaatsvinden en wat voor soort bedrijven hiervoor nodig zijn? Ook boeren hebben behoefte aan die duidelijkheid. Zij moeten immers investeringsbeslissingen nemen. Bij de behandeling van de nota Voedsel en Groen heb ik gepleit voor een landbouwstructuurbeleid. Ik roep de minister op om hier handen en voeten aan te geven.

Er moeten keuzes worden gemaakt waarbij de verschillende aspecten goed tegen elkaar moeten worden afgewogen. De PvdA is voorstander van een tweesporenbeleid:

1. Het duurzaam maken van de gangbare landbouw. Het DOP-puntensysteem is daarvoor zeer geschikt. Hoe meer je bijdraagt aan duurzaamheid, hoe meer je in aanmerking komt voor regelingen.
2. Het benoemen en faciliteren van de voorlopers. Deze moeten worden beloond voor de genomen stappen.

De ruimtelijke ordening

Dan de landbouw in relatie tot de ruimtelijke ordening. Al eerder is gesproken over de Agrarische Hoofdstructuur (AHS). De PvdA gaat ervan uit dat de motie Waalkens/Van der Vlies van vorig jaar over de AHS door de regering wordt uitgevoerd. Toch zijn er geluiden dat de bewindslieden hierover aarzelen. Het is niet duidelijk welke rol volgens LNV voor de AHS is weggelegd en met welke argumenten. Het is tijd voor serieuze plannen: hoe en waar moet de AHS invulling krijgen? De omvang en kwaliteit van ons open buitengebied staan flink onder druk. De PvdA ziet om twee redenen voor de grondgebonden landbouw een belangrijke rol weggelegd. Ten eerste is en blijft de landbouw een belangrijke economische sector. Ten tweede vanwege de belangrijke bijdrage die zij levert in het open en groen houden van Nederland. De niet-grondgebonden landbouw (intensieve veehouderij en glastuinbouw) heeft alleen een economische functie. Het ligt gezien de negatieve landschappelijk gevolgen van de huidige verspreiding voor de hand dat deze sectoren geconcentreerd worden. De PvdA wil dat in de 5e Nota Ruimtelijke Ordening naast de ruimte voor de EHS, ruimte wordt gereserveerd voor de AHS. In de AHS moeten plaatsen worden aangewezen waar de niet grondgebonden landbouw zich binnen harde landschappelijke en milieuvoorwaarden kan ontwikkelen.

De AHS is een planologisch instrument om boeren en tuinders een extra juridische bescherming te geven tegen functiewijzigingen. Zowel voor herplaatsingen als voor bedrijfsinvesteringen is zekerheid van vestiging voor middenlange termijn nodig. Dit betekent niet dat er een soort Boerenvrijstaat ontstaat. Functiewisseling blijft mogelijk, maar wel nà een extra toets. Vergelijking met de EHS gaat maar ten dele op. Zo is het compensatiebeginsel niet van toepassing, kan natuur zeker samengaan met landbouw en wordt landbouw niet ingeperkt tot de AHS. De economisch hoogwaardige sectoren kunnen alleen tot wasdom komen als er plaats is voor aaneengesloten gebieden, terwijl kennis en economisch draagvlak worden gebundeld.

Een ander belangrijk argument is dat de PvdA toekomstige saneringssituaties wil vermijden. Bij de huidige reconstructie blijkt dat veel bedrijven zich in de afgelopen periode op verkeerde plaatsen hebben ontwikkeld. Door tijdig de ruimtelijke effecten van het natuur-, water- en milieubeleid duidelijk te maken kunnen sociaal pijnlijke saneringsoperaties in de toekomst worden voorkomen.

Het Innovatiefonds

Het meest opvallende in de begroting 2001 is het Innovatiefonds. Dit nieuwe fonds moet dan nu eindelijk de innovaties tot stand brengen die in het Stimuleringskader niet lukten. Zonder evaluatie van het Stimuleringskader stelt de minister plotseling een nieuw fonds in, waar zomaar 40 miljoen gulden voor beschikbaar komt. Het geld is bovendien opgenomen in de begroting voor 2000 terwijl wij hier de begroting voor 2001 bespreken. In 2000 zullen geen verplichtingen meer kunnen worden aangegaan, want er is nog geen regeling. Het is de PvdA een raadsel waarom het geld niet gewoon voor 2001 is opgenomen in de begroting. De 40 miljoen is revolverend, dat wil zeggen dat het geld weer terugverdiend moet kunnen worden. Hiermee zullen dus vooral commerciële projecten tot stand komen. Hoe zit het met de niet-commerciële projecten? Dus met de maatschappelijke gewenste projecten waar moeilijker directe verdiensten uit voortvloeien? De PvdA is zeer kritisch over het fonds. Al eerder hebben wij kenbaar gemaakt dat wij vinden dat kennis- en innovatieregelingen van LNV en EZ gebundeld moeten worden. Beide ministeries bewegen zich steeds meer op hetzelfde terrein als het gaat om investeringen in kennis en innovatie. Wij blijven het Innovatiefonds kritisch volgen.

Graag zou ik ook aandacht willen vragen voor de problematiek van de bedrijfsovername. In het regeerakkoord is opgenomen dat hier onderzoek naar zal plaatsvinden. De minister laat in zijn brief weten dat hij weinig verwacht van zo'n onderzoek, maar dit toch eindelijk laat uitvoeren. Ik verwacht een meer positieve houding van de minister en vraag om gerichte maatregelen ten behoeve van jonge startende boeren.

Voedselveiligheid

Waarschijnlijk in 2002 zal de Nederlandse voedselautoriteit worden ingesteld. Kan de minister al iets zeggen over de relatie overheid/instituten/bedrijfsleven?

De minister kondigt samen met VWS de oprichting van het Projectbureau Biotechnologie aan. De PvdA is hier geen voorstander van. Het initiatief voor biotechnologie ligt bij VROM, de subsidiegelden bij EZ. Wij adviseren de minister om zich bij hen aan te sluiten en geen sectorale structuren te gaan opzetten.

De minister is voorstander van een APK-keuring voor dieren. Periodiek wordt dan de veestapel van ieder bedrijf gekeurd op de gezondheidsstatus. Deze keuring is nodig, bijvoorbeeld voor de bedrijven waar geen dierenarts komt, maar is niet voldoende. De PvdA wil een centraal meldpunt voor dierziekten van landbouwhuisdieren. In Zweden en Denemarken functioneert zo'n systeem al. Dierenartsen krijgen de plicht om veterinaire handelingen en gebruikte medicijnen te melden. De overheid kan dan gepaste maatregelen nemen. De ervaringen in Zweden en Denemarken zijn positief. Wij verwachten dat de minister dierenartsen en bedrijfsleven stimuleert zo'n stelsel tot stand te brengen.

Ten aanzien van de destructie moet het aangekondigde verbod op het verwerken tot diermeel van kadavers van runderen jonger dan 1 jaar zo snel mogelijk ingaan. Ook de tariefopbouw en systematiek moet nader worden bekeken. Want in de huidige tariefstelling is het verschil tussen hoog risicomateriaal en specifiek risicomateriaal te groot. Dit lijdt tot ontwijkingsgedrag. Te veel kadavers verdwijnen, wat uit het oogpunt van de volksgezondheid onaanvaardbaar is.

Wageningen

Het teruglopend aantal nieuwe studenten aan de Universiteit van Wageningen brengt het bestaansrecht van deze universiteit in gevaar. Afgelopen jaar waren er nog maar 500 nieuwe studenten. Ondanks naamswijziging en intensieve voorlichtingscampagnes lukt het de universiteit niet om meer studenten te trekken. De PvdA maakt zich hier grote zorgen over. Wageningen is een unieke universiteit door haar internationale karakter en haar gerichtheid op landbouw en voedsel en alles wat daar mee samenhangt. Wageningen zelf zal zich nog meer dan nu moeten gaan richten op veelbelovende technologieën. Traditionele vakken zoals plantenteelt en veehouderij zullen dan echt moeten vervallen. Aan de minister vragen wij om na te gaan welke extra financieringsmogelijkheden er zijn. Wij denken dan aan het meetellen van promovendi bij de bekostiging van de universiteit en een grotere medefinanciering door Ontwikkelingssamenwerking van het beurzensysteem.

Biologische landbouw

De minister stelt extra geld beschikbaar voor biologische landbouw. Over de hoogte van het bedrag heeft de PvdA geen probleem. Wel over de verdeling. Veel geld is namelijk fiscaal geld dat alleen kan worden gebruikt als aftrekpost, dus bij winst. Daarbij wordt de omschakelingssubsidie afgebouwd. Naar de mening van de minister moet de consumptieve vraag vanzelf de beoogde groei tot 10% in 2010 bewerkstelligen. De PvdA vindt dit te vrijblijvend en wil de omschakelingsregeling langer handhaven, maar dan wel in een andere vorm. Van belang is dat de boer die omschakelt kan voorzien in zijn levensonderhoud gedurende de periode van omschakeling. De overheid zou dan een systeem van inkomensaanvulling moeten opzetten tot aan het sociaal minimum. Een zelfde systeem werkt al bij het Bijstandsbesluit Zelfstandigen. Daarnaast moet hij investeringen kunnen doen. Hij kan hiervoor lenen uit het innovatiefonds. In principe zal het bedrag rentedragend moeten worden terugbetaald, maar bij tegenvallende bedrijfsresultaten kan het bedrag na een aantal jaren renteloos of zelfs zonder aflossing blijven. Ook hier is het Bbz weer een voorbeeld.

Specifieke aandacht wil ik in dit kader besteden aan de intentieverklaring biologische varkenshouderij. De argumenten uit die intentie kan ik onderstrepen omdat de huidige stimuleringsmaatregelen nauwelijks een bijdrage leveren aan de opschaling van de biologische varkenshouderij. Juist door boeren in de eerste jaren na van de omschakeling te behoeden tegen grote verliezen kan een groot aantal worden overgehaald tot omschakeling. Ik zou er sterk op aan willen dringen dat de minister de argumenten nog eens goed in overweging neemt en de intentieverklaring ondersteunt.

Den Haag, 8 november 2000

BIJDRAGE VAN JEROEN DIJSSELBLOEM (PVDA) AAN HET PLENAIRE DEBAT OVER DE BEGROTING 2001 LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Het begrotingsdebat doorkruist ongelukkigerwijs de behandeling van het nieuwe natuurbeleidsplan ("Natuur voor mensen"). Het notaoverleg daarover is halverwege gestaakt omdat er nog onvoldoende zicht was op de financiële tekorten op het bestaande natuurbeleid. Rond het weekeinde heeft staatssecretaris Faber een brief aan de Kamer gestuurd met gedetailleerde cijferreeksen. Waarmee we het natuurdebat met het Kabinet kunnen hervatten.

In het lopende debat over "Natuur voor mensen" heb ik een vijftal thema geagendeerd die de middellange en lange termijn betreffen.

1. Zo snel mogelijk een adequate wettelijke bescherming voor niet alleen de Europese natuurgebieden (Habitat- en Vogelrichtlijn) maar ook de overige natuurgebieden van de Ecologische hoofdstructuur. 2. Het toekennen van extra prioriteit binnen het natuurbeleid aan "Natuur bij de stad".
3. In de Vijfde nota en het grondbeleid doelstellingen en instrumenten ontwikkelen om bij de grote bouwopgaven voor de komende jaren ook financieel een koppeling te kunnen maken tussen "rood" en "groen". 4. Een adequate organisatie van het toezicht op de uitvoering en handhaving van het natuurbeleid (de natuurinspectie) 5. Een onderzoek naar het verschil tussen de werkelijke milieukwaliteit en de, gegeven de natuurdoelen die worden nagestreefd, gewenste milieukwaliteit. Om in het vierde NMP waar nodig extra gebiedsgericht milieubeleid op te nemen.

Bij de begrotingsbehandeling zal ik daarom, naast de financiële problemen, aandacht besteden aan onderwerpen die in dit of het komende begrotingsjaar een oplossing verdienen. Het gaat dan o.a. om de randstadgroenstructuur, de landinrichting, de decentralisatie van het 'groene' beleid en agrarisch natuurbeheer.

Algemeen oordeel

De eerste twee jaar van deze kabinetsperiode hebben voor wat betreft het natuurbeleid vooral in het teken gestaan van de aanwijzing van natuurgebieden in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, de verhitte discussie over het waddengas, de voorbereiding van het nieuwe natuurbeleidsplan en geld. Op de eerste twee onderwerpen kijken wij met tevredenheid terug. Het belang van de natuur, en het adequaat beschermen van natuur is duidelijk versterkt in het kabinetsbeleid.

In de komende twee jaar moet de nadruk liggen op het wetgevingsprogramma (NB-wet, FF-wet, LI-wet) en een sluitende financiering van het beleid. De staatssecretaris staat daarbij voor een niet eenvoudige opgave. Terwijl het uitvoeren van het "oude" beleid (o.a. ecologische hoofdstructuur = EHS) voortdurend op geldgebrek stuit, heeft zij in het nieuwe natuurbeleidsplan al weer nieuwe, op onderdelen verdergaande ambities geformuleerd. Ambities die wij onderschrijven en waarvan we moeten zorgen dat ze breed gedragen gaan worden door alle betrokkenen. De aarzelingen die er zijn, bijvoorbeeld bij de provincies, komen met name voort uit geldgebrek.

Financiering natuurbeleid

De brief van dit weekend is grote winst ten opzichte van de afgelopen jaren waarin grote onduidelijkheid heerste over kosten en dekking van het natuurbeleid. Voor het eerst hebben we nu een langjarig overzicht waarin voor alle categorieën een kostenberekening is doorgevoerd en voor de optelsom aan kosten alle dekkingsbronnen zijn aangegeven. En uiteraard zijn er nog heel veel vragen en onduidelijkheden. En natuurlijk zullen betrokken organisaties en medeoverheden hun vraagtekens plaatsen bij sommige aannames of verdeelsleutels. En ook wij hebben nog vele vragen. Mijn fractie hecht er dan ook aan de komende weken met de staatssecretaris een heel nauwkeurige analyse te maken van haar cijferbrief. Met als oogmerk dat er daarna brede overeenstemming ontstaat over de probleemanalyse. Zodat we op basis daarvan het debat weer kunnen aangaan over de oplossingen en de ambities. Zodat we het weer eens kunnen hebben over de natuur.

Dit gezegd hebbende, wil ik ook een hard oordeel vellen over de brief die de staatssecretaris stuurde op 15 september jl. Met wat we nu aan cijfermateriaal hebben moeten we concluderen dat die brief nooit gestuurd had moeten worden. Was het daarin genoemde tekort in de komende paar jaar een slag in de lucht? Ik vraag de staatssecretaris nog eens precies uit te leggen waarom zij eerst de Kamer meldde dat het tekort vooral in de eerstkomende jaren zou vallen en nu stelt dat het tekort vooral in de periode 2007-2013 valt? Kan de staatssecretaris ons geruststellen dat die verschuiving niet tot stand is gekomen door de taakstellingen weg te schuiven in de tijd? Dat zal toch niet de uitkomst zijn geweest van het "uitvoerig overleg met het ministerie van Financiën"?

Wat was dan wel het resultaat van dat uitvoerige overleg? Is mijn analyse juist dat een aantal dekkingsbronnen die eerder opdroogde in de loop van het project nu allemaal zijn doorgetrokken tot en met 2018? Kan de staatssecretaris bevestigen dat zij daarover nu afspraken heeft met Financiën? Om wat voor bedragen gaat het hier?

De grote moeite die het departement heeft gehad om de cijfers op een rijtje te krijgen zegt ons inziens ook iets over het financieel management. Het departement heeft haar zaakjes niet op orde. De bewindslieden moeten daar echt op ingrijpen om een herhaling te voorkomen. In het kader van VBTB moeten alle departementen een veel beter zicht gaan bieden op concrete doelen, de beschikbare middelen en de resultaten. Het is evident dat de natuurpoot van het departement in deze operatie nog een hele grote slag heeft te maken.

Een betere verantwoording van LNV op haar eigen beleid, conform VBTB, zou ook het grote gewicht wat nu elk jaar weer aan de Natuurbalans wordt gehecht wat verminderen. De Kamer is nu volledig afhankelijk van dat document om zicht te krijgen op het eigenlijk gaat met het natuurbeleid. Als LNV voortaan haar beleidsgegevens beter op orde heeft kan het Natuurplanbureau zich weer zuiver en alleen richten op wetenschappelijke analyse van de resultaten van beleid.

Uit de brief van dit weekend wordt helder dat de slepende budgetproblemen door de hoge grondprijzen nu structureel zullen worden gecompenseerd door het kabinet. De formulering in deze brief is ook veel scherper dan in de begroting. In de begroting staat nog: "De prijsontwikkeling zal jaarlijks opnieuw worden bezien". In de brief staat nu: "De jaarlijkse taakstelling wordt vermenigvuldigd met de gemiddelde prijsstijging per hectare. Jaarlijks, bij najaarsnota, vindt besluitvorming plaats over de compensatie voor de gestegen grondprijzen. De meerjarige doorwerking vindt plaats bij de voorjaarsnota in het jaar daarop."

Is mijn interpretatie juist dat de gemiddelde prijsstijging in jaar X van, stel, 15% nog zal worden gecorrigeerd met een verhoging van het verwervingsbudget in de begroting van datzelfde lopende jaar, bij de Najaarsnota? En dat dus de vrees dat het budget steeds een jaar achter de prijsontwikkeling aan zal hobbelen daarmee is weggenomen? Is het ook juist dat daarmee het tekort zoals voorgerekend in de Natuurbalans voor de komend vier/vijf zich niet zal voordoen? En hoe moeten we de zinsnede " de mate waarin wordt gecompenseerd is afhankelijk van het budgettaire beeld van dat moment" begrijpen? Ik neem dat bedoeld wordt dat de afspraak staat, tenzij er simpelweg überhaupt geen of te weinig ruimte is bij de Najaarsnota? Ik hecht aan een antwoord op al deze vragen, omdat ik die helderheid wil van het Kabinet. Mijn fractie zal het Kabinet houden aan deze afspraak, te beginnen over enkele weken bij de Najaarsnota 2000. Dat is belangrijk winst, ook voor het draagvlak voor het EHS-project dat immers nog tot 2018 doorloopt.

Probleem bij extra middelen aan het einde van het jaar is altijd dat het geld nog snel moet worden "weggezet"? Kan hierbij gebruik gemaakt worden van het Groenfonds? Ik wil hier ook pleiten voor een verbreding van de De Boer-norm. Het gaat om de afspraak dat "bij meer dan behoedzame groei de extra milieudruk zoveel mogelijk zal worden gecompenseerd". Is de staatssecretaris met ons van menig dat de extra economische groei ook ten koste gaat van de natuur en dat dat feit dus voortaan betrokken zou worden bij de bepaling van de omvang en de besteding van de compensatie?

Voor het wegnemen van al ontstane achterstanden en aanvullende financiering van de nieuwe ambities hebben we het Kabinet bij de Algemene beschouwingen aangemoedigd met substantiële investeringen te komen (moties 22 over Voorjaarsnota en 23 over Najaarsnota). Met motie 22 beogen wij met name een versnelling in de realisatie van de EHS te krijgen. Dat is ook nodig om de EHS in 2018 echt "in gebruik" te hebben. Is de staatssecretaris met ons van mening dat een versnelling minimaal nodig is met drie jaar om de EHS in 2018 echt "in bedrijf" te hebben? Deelt zij die ambitie en is dat ook haar insteek bij de invulling van motie 22 over het Natuuroffensief? De staatssecretaris zegt nadrukkelijk in haar brief dat met de bedragen die in de brief worden genoemd geen invulling geeft aan motie 23; daarop wordt bij de Najaarsnota teruggekomen. De cijferbrief stelt ons wel in staat nauwkeuriger aan te geven welke extra investeringen in onze ogen noodzakelijk zijn. En daarmee kom ik op enkele voor ons belangrijke inhoudelijke thema's.

Randstadgroenstructuur en bufferzones

De PvdA pleit voor het geven van prioriteit aan het uitvoeren van natuur en recreatiegebieden dicht bij de steden. Dat past bij onze visie op "natuur voor mensen". Natuur als onmisbaar onderdeel van leefbaarheid. Onze stedelijke bevolking heeft steeds meer behoefte aan groen naarmate deze schaarser wordt en het leven gehaaster. De oprukkende verstedelijking vraagt dat we nu snel natuur- en recreatiegebieden creëren, zodat natuur ook voor mensen die niet "buiten" kunnen gaan wonen bereikbaar blijft. Deelt de staatssecretaris die prioriteitstelling? Het gaat dan met name om de strategische groenprojecten, de randstadgroenstructuur en de bufferzones tussen de steden. We weten dat met name op die projecten grote achterstanden zijn ontstaan. Uit de recente cijfers blijkt echter nog geen prioriteit. Die moet bij de Voorjaarsnota wel zichtbaar worden, alsmede in de nieuwe investeringsprogramma's die momenteel door ICES worden voorbereid.

Wat opvalt uit het overzicht is dat alle onderdelen van het beleid even gelijkmatig over de periode tot 2018 worden uitgesmeerd. Het is de vraag of dat terecht is. Zo is de aankoop van reeds bestaande natuurterreinen (bijv. nu nog in handen van een gemeente) ons inziens veel minder dringend dan het veiligstellen van groene buffers tussen de steden. Mijn fractie stelt dan ook voor We zullen voorstellen de ene categorie in de tijd naar voren en de andere in de tijd naar achteren te verschuiven.

Landinrichting

Landinrichting is in de ogen van de PvdA een belangrijk middel om bestuurlijk en juridisch ingewikkelde integrale herinrichting van gebieden te laten slagen. Het omvat instrumenten waar we in het kader van grondbeleid voor het stedelijk gebied vooralsnog alleen van kunnen dromen. Landinrichting is de afgelopen decennia ook steeds belangrijker geworden voor de "andere" functies van het landelijke gebied, zoals natuur en recreatie, en straks ook water.

Om die modernisering sterker te laten doordringen in lopende projecten en sneller ruimte te maken voor landinrichtingsprojecten "nieuwe stijl" is tussen Rijk en provincies de "Operatie Drieslag" afgesproken. Deze bestond uit de herijking van de landinrichtingswet, schrappen in oude verplichtingen voor totaal f300mln en het realiseren van nieuw kabinetsbeleid ter waarde van 400 mln met landinrichting. Deze afspraak is nog eens bevestigd door Apotheker in een bestuurlijk overleg met het IPO begin 99. LNV is er slechts in geslaagd om 280 mln te oormerken binnen het nieuwe kabinetsbeleid (reconstructie, nitraatbeleid etc.) De provincies vragen terecht om de overige 120 mln. Hoe gaat het Kabinet hier verder mee om? Ook dit punt moet bij de invulling van de motie De Graaf/Melkert (ABP nr 23) bij de Najaarsnota worden betrokken.

Voor de moeizame relatie tussen LNV en de provincies is dit niet het enige punt. Ook de slepende decentralisatie vraagt aandacht. In het DI-akkoord zijn (zeer ingewikkelde) afspraken gemaakt over de verdeling van bevoegdheden tussen Rijk en provincie tav landinrichting en natuurbeleid. Zo zou er een gezamenlijke uitvoerende dienst komen die gezamenlijk kon worden aangestuurd. Deze afspraken zouden worden vastgelegd in een DI-wet. Waar blijft deze? In welke mate wijkt de recente bestuursovereenkomst tussen Rijk en IPO af van de eerdere afspraken? Kan deze overeenkomst voor de definitieve ondertekening aan de Kamer worden toegezonden?

Tenslotte is de financiering van het provinciale natuurbeleid middels de zgn. covenantsleningen opgedroogd. Het Rijk zou garant staan voor rente en aflossing van deze leningen voor grondaankopen voor natuur, en reserveerde daarvoor structureel 25 mln. Dit geld is inmiddels volledig belegd met leningen. Hoe verder? Wordt deze constructie voortgezet? Uit de brief van dit weekeinde blijkt van niet? Gaan de provincies een deel van de financiering zelf overnemen? Het gaat om een gat van 25 miljoen structureel. Graag betrekken bij Voorjaarsnota, cf. motie 22.

Agrarisch natuurbeheer

Een apart punt dat aandacht vraagt is het agrarisch natuurbeheer. De PvdA pleit al jaren voor een grotere betrokkenheid voor boeren bij de natuur. Faber heeft dit jaar een (ruimhartige) nieuwe regeling opengesteld. De regeling agrarisch natuurbeheer kan rekenen op groot enthousiasme onder boeren. Is er aanleiding om de regeling voor het randenbeheer nog eens kritisch tegen het licht te houden omdat deze mogelijk te riant is?

Het budget schiet op dit moment in ieder geval tekort. De staatssecretaris heeft deze zomer alvast 40 mln vrijgemaakt om in ieder geval oude beheerscontracten te kunnen omzetten in deze nieuwe regeling. Prima. Maar een nog onbekend aantal nieuwe aanvragen moet worden afgewezen. Kan de staatssecretaris al aangeven om hoeveel het gaat? En welke uitgavenruimte is nodig in 2001 om met die nieuwe aanvragen een start te kunnen maken? Kan zij aangeven welke onderbesteding er mogelijk is in andere potjes van het Programma Beheer?

Over de voortgang van het bredere Programma Beheer moeten we dit najaar een apart algemeen overleg voeren.

Visserij in de Waddenzee

Een heet hangijzer is de visserij, met name de kokkelvisserij, in de Waddenzee. De lijn van mijn fractie is dat wij geen voor betrokkenen zeer ingrijpende beslissingen willen nemen voordat het evaluatieprogramma in 2003 klaar is. Pas dan zal het beleid zonodig worden heroverwogen. De PvdA heeft die lijn steeds ondersteund. Gegeven de twijfels over de ecologische effecten is een verplichte uitkoop van de visserij op dit moment is wat ons betreft niet aan de orde. Maar de tussenliggende tijd hoeft wat ons betreft niet verloren te gaan.

De PvdA heeft in het debat over het Waddengas te kennen gegeven bij de behandeling van de nieuwe PKB Waddenzee alle andere economische activiteiten kritisch onder de loep te zullen nemen. Dat debat zal volgend jaar plaatsvinden. We zullen het dan dus ook hebben over de visserij. En hoewel we een definitieve beslissing over de uitkoop van de visserij pas nemen in 2003, willen wij al een begin maken met het terugbrengen van de visserijdruk in de Waddenzee. Mijn fractie wil dan ook het Kabinet vragen om tijdig voor het debat over de nieuwe PKB Waddenzee een notitie aan de Kamer voor te leggen waarin voor- en nadelen (juridisch, sociaal-economisch en ecologisch) van een vrijwillige saneringsregeling voor visserijvergunningen in de Waddenzee op een rijtje worden gezet. Dit vooruitlopend op de onderzoeken die in 2003 volgen en die in het uiterste geval zouden kunnen leiden tot een verplichte sanering.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie