Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Korthals over Dover-zaak

Datum nieuwsfeit: 09-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Justitie
Zoek soortgelijke berichten

Ministerie van Justitie


www.justitie.nl

MIN JUST: Korthals brief over Dover-zaak

Postadres Postbus 20301, 2500 EH Den Haag

de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Bezoekadres Schedeldoekshaven 100
2511 EX Den Haag
Telefoon (070) 3 70 79 11
Fax (070) 3 70 79 00
Telex 34554 mvj nl

Datum 9 november 2000

Onderwerp Dover-zaak

Tijdens mijn antwoord in eerste termijn bij de Justitie-begroting zegde ik u toe om er naar te streven u vóór aanvang van de tweede termijn van uw Kamer te informeren over mijn bevindingen ten aanzien van het artikel in het Algemeen Dagblad van 8 november. Middels deze brief, binnen de beperking in verband met de tijd die hiervoor beschikbaar was, kom ik deze toezegging na.

Zoals ik reeds in mijn brief van 8 november aangaf heb ik een intern onderzoek gelast. In dit onderzoek zijn persoonlijke gesprekken gevoerd met de direct betrokkenen binnen het departement alsmede met de betrokken bij de politie en het OM in Zwolle,Haarlem en Rotterdam. Ook zijn diverse stukken opgevraagd en overlegd. Daarnaast is er ook vanuit het KLPD informatie gevraagd en verkregen. De weerslag van het onderzoek treft u onderstaand aan.

In de voorliggende brief ga ik allereerst in op de bestaande procedures en de gangbare praktijk terzake van uitleveringsverzoeken in het algemeen (paragraaf 1).
Daarna zal ik dit projecteren op de individuele casus (paragraaf 2). Ik zal daarbij zowel aandacht besteden aan de wijze waarop er binnen het departement met het uitleveringsverzoek is omgegaan als aan de wijze waarop het parket Haarlem te werk is gegaan.

Vervolgens ga ik in op het Charimedes-onderzoek in Rotterdam (paragraaf 3) en op het Franse uitleveringsverzoek. Ook besteed ik in dit deel aandacht aan de relatie met de Wet BOB. Bij de feitelijke beschrijving van het bovenstaande zal ik een onderscheid aanbrengen tussen hetgeen er vóór het Dover-drama is gebeurd en hetgeen daarna is gebeurd.
De argumentatie om dit onderscheid aan te brengen is gelegen in het feit dat naar mijn mening de werkwijze van de betrokkenen niet moet worden beoordeeld met de achteraf-kennis van de afloop van het Dover-drama. De werkwijze moet daarentegen worden afgezet tegen wat in dergelijke gevallen met de kennis en ervaring van dat moment normaal is en verwacht mag worden.

Na de feitelijke beschrijving van het Haarlemse en het Rotterdamse traject kom ik toe aan een beoordeling daarvan (paragraaf 4).

Hierna maak ik de overgang naar hetgeen er na het Dover-drama is gebeurd (paragraaf 5). Ik ga dan in op de vraag hoe de voorbereiding op het interpellatiedebat van 7 september is geweest en op de communicatie binnen mijn departement en tussen de parketten in Haarlem, Zwolle en Rotterdam.

Tenslotte eindig ik in paragraaf 6 met mijn conclusies.


1. Uitleveringsverzoeken in het algemeen
In de praktijk loopt een uitleveringsprocedure als volgt.

Indien een persoon door de justitiële autoriteiten van een land gezocht wordt is, zal hij met het oog op zijn uitlevering internationaal gesignaleerd worden ( in het SIS of via Interpol), voor aanhouding en opsporing ter fine van uitlevering. Daarbij wordt melding gemaakt van het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd.
Wordt een gesignaleerd persoon in Nederland aangetroffen dan volgt de voorlopig aanhouding ter fine van uitlevering. Op deze en de verdere procedure is de Uitleveringswet van toepassing.
Na ontvangst van het formele uitleveringsverzoek op het Ministerie van Justitie wordt dit doorgezonden aan de officier van justitie in het arrondissement waarin de opgeëiste persoon voorlopig is aangehouden. De officier van justitie draagt zorg voor de inverzekeringstelling tot aan de beslissing van de rechtbank over de gevangenhouding en vordert dat de rechtbank het verzoek in behandeling neemt.
De rechtbank oordeelt de uitlevering toelaatbaar of ontoelaatbaar en spreekt zich uit over de gevangenhouding.
De rechtbank kan bevelen dat de gevangenhouding wordt opgeschort of geschorst bijvoorbeeld indien zij geen vluchtgevaar aanwezig acht. Tegen de uitspraak van de rechtbank, waarbij uitlevering al dan niet toelaatbaar wordt verklaard, kan zowel de officier van justitie als de opgeëiste persoon beroep in cassatie instellen. Het Ministerie van Justitie wordt hiervan op de hoogte gesteld.
Nadat de Hoge Raad op het verzoek tot uitlevering heeft beslist, wordt het dossier naar het Ministerie van Justitie gezonden. De minister van justitie dient dan vervolgens te beslissen op het verzoek waarbij hij in overweging moet nemen met name de aspecten die ingevolge de Wet tot zijn bevoegdheid behoren en niet tot die van de rechter (bijvoorbeeld de bijzondere hardheid van de uitlevering of de vraag of het om een politiek delict gaat). Indien voor een beslissing nog aanvullende informatie nodig is van de buitenlandse autoriteiten biedt de Wet de Minister de mogelijkheid de beslissing aan te houden. Indien de Minister van Justitie de uitlevering toelaatbaar acht dan wordt de beschikking aan de hoofdofficier van justitie van het betreffende parket gezonden waarna deze zorgdraagt voor de feitelijke uitlevering. Deze uitvoering wordt uitgesteld indien de opgeëiste persoon een kort geding instelt tegen de uitleveringsbeschikking. In dat geval mag hij de afloop van deze procedure in Nederland afwachten. Wordt de vordering in kort geding afgewezen, dan wordt de hoofdofficier verzocht alsnog uitvoering te geven aan de beschikking. Een hoger beroep of bodemprocedure kan niet meer in Nederland worden afgewacht.
Het betreffende parket neemt voor de feitelijke uitlevering contact op, al dan niet door tussenkomst van de DCRI, met de betrokken ambtenaar van het buitenlandse openbaar ministerie teneinde een datum voor de overdracht te regelen.
Voor het geval de opgeëiste persoon zich op vrije voeten bevindt, wordt het parket op grond van artikel 40 Uitleveringswet gemachtigd de opgeëiste persoon te doen aanhouden voor een beperkte termijn (maximaal twee maal 48 uur) ten einde de uitlevering te realiseren . Vervolgens bepaalt het parket, nadat de feitelijke datum voor uitlevering met de buitenlandse autoriteiten is afgestemd, afhankelijk van omstandigheden zoals vluchtgevaar of het noodzakelijk was gebruik te maken van de machtiging in artikel 40 UW.
Nadat de feitelijke uitlevering heeft plaats gevonden, ontvangt het Ministerie van Justitie van het betreffende parket een zogenaamd afloopbericht met onder meer de datum van de feitelijke uitlevering.

Met betrekking tot Nederlandse onderdanen en in Nederland geïntegreerde veemdelingen die voor het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd ook in Nederland kunnen worden vervolgd, is het volgende nog van belang. De uitlevering ter fine van vervolging kan enkel dan worden toegestaan indien de buitenlandse autoriteiten garanderen dat deze personen na hun uitlevering en eventuele veroordeling naar Nederland worden overgebracht om hier hun eventueel opgelegde straf verder uit te zitten.

De uitleveringsverzoeken worden op het Ministerie behandeld door het Bureau Internationale rechtshulp in strafzaken (BIRS). Op de parketten zijn het veelal gespecialiseerde officieren van justitie en parketsecretarissen.
BIRS beschikt enkel over informatie met betrekking tot de opgeëiste personen op basis van het uitleveringsverzoek, eventueel aangevuld met bijzondere informatie van de DCRI of het OM die beiden reeds bij de signalering en voorlopige aanhouding betrokken waren.


2. De uitleveringsprocedure in de zaak O.
Vanuit uitleveringsperspectief gezien betrof het een relatief eenvoudige zaak, zowel wat het feit betreft waarvoor de uitlevering werd gevraagd als wat betreft de in Frankrijk bij verstek reeds opgelegde straf.
Het feit betreft: dat hij in Calais op 10 november 1997 door rechtstreekse of onrechtstreekse hulp het onrechtmatig binnenkomen in Frankrijk van een van een vreemdeling heeft vergemakkelijkt, te weten door het vervoeren vanuit Nederland in zijn voertuig van een persoon van Turkse nationaliteit die niet in het bezit was van reisdocumenten.
Hiervoor heeft de Rechtbank van Boulogne sur Mer bij verstek een gevangenisstraf van een jaar opgelegd. Tegen deze beslissing staat nog beroep open.

De opgeëiste persoon is op 30 oktober 1998 op Schiphol aangehouden op basis van een SIS-signalering van Frankrijk. Op 5 januari 1999 verklaart de rechtbank te Haarlem de uitlevering toelaatbaar.

De uitleveringsdetentie heeft geduurd tot 3 mei 1999. Op die datum heeft de rechtbank Haarlem de uitleveringsdetentie, onder voorwaarden, zoals het inleveren van het paspoort, geschorst. Deze beschikking is ongemotiveerd. Op basis van het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank zich waarschijnlijk laten leiden door het feit dat betrokkene op die datum in totaal 6 maanden in uitleveringsdetentie had doorgebracht. Dit zou naar verwachting gelijk zijn aan de duur van de detentie die hem in verband met het Franse vonnis te wachten zou staan. In Frankrijk wordt men doorgaans na de helft van de straf vervroegd in vrijheid gesteld. Tevens speelde vermoedelijk een rol dat betrokkene al bijna 20 jaar in Nederland bleek te wonen en al geruime tijd met vrouw en drie kinderen een vast adres had in Rotterdam.

Nadat de Hoge Raad bij uitspraak van 25 mei 1999 het door de opgeëiste persoon ingestelde beroep in cassatie had verworpen, heb ik mijn beslissing op het verzoek tot uitlevering aangehouden. Daartoe was aanleiding aangezien mij bleek dat de opgeëiste persoon claimde te moeten worden beschouwd als geïntegreerde vreemdeling. Ik heb de Hoofdofficier in Haarlem en de advocaat van betrokkene van deze beslissing in kennis gesteld.
Bij nota van 17 juni 1999 is ten behoeve van de beoordeling of de opgeëiste persoon als een in de Nederlandse samenleving geïntegreerde persoon kan worden beschouwd, de IND verzocht mede te delen of de persoon over een geldige verblijfstitel beschikt. Op 8 juli 1999 is de mededeling ontvangen dat dit inderdaad het geval is.

Bij brief van 28 juli 1999 is de Franse autoriteiten verzocht de in dit verband vereiste garanties met betrekking tot de overbrenging naar Nederland na veroordeling te verstrekken, alsmede toe te zeggen dat de daadwerkelijke overbrenging na een eventuele veroordeling ook binnen zes maanden zal plaatsvinden. Bij brief van 10 september 1999 geven de Franse autoriteiten de bedoelde garanties, zonder echter in te gaan op de gevraagde termijn van de overbrenging.
In verband met een mogelijk door de opgeëiste persoon in te stellen kort geding tegen mijn eventuele beslissing tot uitlevering, wordt tevens, gelet op de reeds in detentie doorgebrachte termijn en de in Frankrijk opgelegde vrijheidsstraf aan de Franse autoriteiten verzocht te bezien of hierin aanleiding bestaat het uitleveringsverzoek in te trekken. Hiertoe wordt eerst onze Nederlandse magistrat de liaison te Parijs bij fax van 2 november ingeschakeld en gaat op 4 november 1999 een brief uit naar de Franse autoriteiten.

Bij brief van 13 december 1999 delen de Franse autoriteiten mede dat zij het verzoek tot uitlevering wensen te handhaven en wordt ook de garantie met betrekking tot de termijnen verleend.

Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden is aan deze zaak geen hoge prioriteit toegekend in het totaal van het aantal zaken dat door de betreffende afdeling moet worden afgedaan en is pas op 22 mei 2000 de beschikking tot uitlevering genomen. Deze termijn van 5 maanden is weliswaar lang, maar komt voor indien het aanbod van zaken erg hoog is. In dat geval is het gebruikelijk in zaken waarbij de opgeëiste persoon op vrije voeten is, bijvoorbeeld omdat de uitleveringsdetentie is geschorst, en er ook verder bij de afdeling geen bijzonderheden bekend zijn die tot een snelle beslissing noodzaken een lage prioriteit toe te kennen. Om deze reden kreeg deze zaak een lage prioriteit.
Bij brief van dezelfde datum als de beschikking is de hoofdofficier van Justitie te Haarlem verzocht voor de feitelijke uitlevering zorg te dragen. Deze brief is op 29 mei 2000 ten parkette ingeboekt. Daar de opgeëiste persoon zich op vrije voeten bevond is de Hoofdofficier van Justitie op grond van artikel 40 van de Uitleveringswet tevens gemachtigd de opgeëiste persoon hiertoe aan te houden.

Op het Haarlemse parket is de gedragslijn in een geval als dit (uitleveringsdetentie geschorst, geworteld in de Nederlandse samenleving, terugkeergarantie van de verzoekende staat en geen substantiële strafduur in de verzoekende Staat meer te verwachten) als volgt. Het besluit met bijbehorende brief wordt aan betrokkene betekend en via de DCRI wordt de verzoekende Staat gevraagd de betrokkene op te komen halen en het parket te informeren over datum en tijdstip van het vertrek en het nummer van de betreffende vlucht waarna het parket deze gegevens aan betrokkene doorgeeft met het verzoek zichzelf voor die vlucht te melden. Eerst wanneer daaraan niet wordt voldaan, wordt gebruik gemaakt van de verleende machtiging en wordt betrokkene aangehouden. Deze procedure is op 27 juli 2000 uitgevoerd door betekening en het zenden van een faxbericht aan de DCRI. Nog diezelfde dag heeft de Unit Mensensmokkel telefonisch contact opgenomen met het parket en raakte de betrokken medewerker bekend met het gegeven dat het de voortvluchtige verdachte in de zogenoemde Dover-zaak betrof. Daarop is het dossier ter beschikking van de unit mensensmokkel gesteld als aanknopingspunt om de eventuele verblijfplaats van betrokkene te achterhalen en is Frankrijk geïnformeerd dat de uitlevering niet door kon gaan.

Bij brief van 8 september 2000, op mijn departement ontvangen op 13 september 2000, deelt het Haarlemse parket mee dat .(...) naar verwachting de uitlevering van de opgeëiste persoon zeer lang op zich zal laten wachten. Betrokkene is onvindbaar. Hij wordt tevens als verdachte gezocht door de Nederlandse politie in verband met een omvangrijke mensensmokkelzaak, waarbij tientallen mensen in Dover zijn overleden. Indien hij wordt aangehouden, zal hij voor dat feit worden vervolgd alvorens hij kan worden uitgeleverd aan Frankrijk.. Deze brief kwam te laat voor het interpellatiedebat van 7 september. Dit debat richtte zich in de kern genomen op de vraag waarom in de zaak O in het bewuste weekeinde niet werd geobserveerd en of er in dit verband sprake kon zijn van doorlaten. Bij de voorbereiding van dit debat is gezocht naar rechtshulpverzoeken met betrekking tot mensensmokkel. Gelet daarop is derhalve niet gezocht naar het bestaan van een uitleveringsverzoek.

Ik wijs ten aanzien van de beschikking nog op het volgende. Per jaar behandelt het departement ongeveer 400 a 500 inkomende en uitgaande uitleveringsverzoeken.
De secretaris-generaal is door mij gemandateerd om inkomende uitleveringsverzoeken, waarop formeel dient te worden beschikt, af te doen.
De werkwijze in de praktijk is dat de SG alleen van die zaken het gehele dossier voorgelegd krijgt waarin er sprake is van het weigeren van een uitleveringsverzoek dan wel wanneer er sprake is van anderszins gevoelige aspecten. In de overige gevallen krijgt de SG alleen een tekenexemplaar voorgelegd. Hoe wrang het achteraf gezien ook is kan niet gesteld worden dat de zaak O. op het moment van tekenen van de beschikking (22 mei 2000) een gevoelige zaak was. Betrokkene had een belangrijk deel van zijn straf uitgezeten en had voldaan aan de door de rechtbank gestelde schorsingsvoorwaarden.


3. Het Charimedes-onderzoek
Het Charimedes-onderzoek door de Rotterdamse politie kende een voorbereidende en een operationele fase. De voorbereidende fase ving aan in juni 1998 en was gebaseerd op relatief vage indicaties, afkomstig van de Engelse politie door tussenkomst van het KLPD, over een persoon die mogelijk betrokken zou zijn bij een mensensmokkelzaak met Koerden. Aan het begin van de eerste fase van het onderzoek werden de gegevens over O. op of omstreeks 24 juni 1998 door een medewerker van de DCRI opgevraagd in het HKS. O. bleek strafrechtelijke antecedenten te hebben echter niet inzake mensensmokkel. De fase van gegevensverzameling werd afgesloten met een zogenaamd openings-proces-verbaal. Dit dateert van december 1999. Het daadwerkelijke onderzoek startte eind februari 2000. Bij die gelegenheid werd O. nagetrokken in het Nationale Schengen Informatiesysteem (NSIS). Hierbij bleek O. voor Frankrijk gesignaleerd te staan met betrekking tot de opsporing van zijn verblijfplaats. Op
1 maart 2000 heeft de Rotterdamse rivierpolitie de verblijfplaats aan de CRI meegedeeld waarop de signalering kwam te vervallen. De leiding van het onderzoek wist niet meer dan dat de Fransen O. hadden gesignaleerd ter zake van uitlevering. Tevens werd de stand van zaken met betrekking tot O. geactualiseerd door raadpleging van het HKS. Dit leverde enkele nieuwe antecedenten op echter niet inzake mensensmokkel. De wetenschap dat dit betrekking had op mensensmokkel zou voor de voortgang van het onderzoek geen invloed hebben gehad. Er waren geen operationele aanknopingspunten op dat vlak en omdat er nog geen uitleveringsbeschikking was, was op die grond geen aanhouding mogelijk.

Voorts hecht ik er aan ook nog stil te staan bij de discussie die ook gisteren in het debat met uw Kamer weer aan de orde kwam over de vraag of er nu aanwijzingen waren dat O. zich met mensensmokkel bezighield en of er conform de wet BOB is gehandeld.
Meerdere malen heb ik betoogd dat er in het Charimedes-onderzoek geen duidelijke aanwijzingen bestonden dat O zich schuldig maakte aan het misdrijf mensensmokkel. Sommige leden van uw Kamer hebben daar nadere uitleg over gevraagd. Waar het hier om gaat is de vraag of O. op enig moment in het Charimedes-onderzoek kon worden aangemerkt als verdachte inzake het misdrijf mensensmokkel en voor dat feit zou kunnen worden aangehouden. Het antwoord hierop is nee. Er waren onvoldoende concrete aanwijzingen op grond waarvan O. als verdachte kon worden aangemerkt. Na de inwerkingtreding van de Wet BOB op 1 februari van dit jaar, bood het nieuwe artikel 126o van het Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid om ook buiten concrete verdenking een bevel af te geven tot het stelselmatig observeren. Dit wetsartikel vereist kort gezegd dat uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden (en dit is nog geen verdenking) moet voortvloeien dat iemand in georganiseerd verband bepaalde misdrijven beraamt of pleegt, die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde. Dit redelijke vermoeden werd door het openbaar ministerie eind februari 2000 aanwezig geacht, waarop, zoals u reeds bekend is, de betrokken officier van justitie kort na de inwerkingtreding van de Wet BOB heeft besloten een bevel tot stelselmatige observatie af te geven.

4. Een beoordeling van het uitleveringsverzoek en het Rotterdamse traject

Geconstateerd moet worden dat tussen de ontvangst van de departementale brief over de uitlevering ten parkette op 29 mei 2000 en het moment dat uitvoering daaraan werd gegeven op 27 juli 2000 een periode ligt van ruim 8 weken. Deze relatief lange periode heeft als grondslag onderbezetting door een langdurig zieke bij de betreffende afdeling die bovendien werd geconfronteerd met een verhoogde werkdruk in verband met het EK2000, de vakantieperiode en de invoering van de wet BOB/GVO.
Gebruikelijk is dat een dergelijke zaak binnen twee weken ter hand wordt genomen.

In dit geval was er, gelet op het feit dat de uitleveringsdetentie vanwege de duur daarvan was geschorst en gezien de worteling van betrokkene in de Nederlandse samenleving, voor het Haarlemse parket geen indicatie om van de voor deze gevallen gebruikelijke procedure af te wijken en de zaak met voorrang te behandelen. Dat betekent dus dat betrokkene is behandeld als een .zelfmelder., zoals dat ook de gang van zaken is bij personen die op vrije voeten zijn en worden opgeroepen zich op een bepaalde datum bij een bepaalde strafinrichting te melden om een opgelegde gevangenisstraf uit te zitten. Er was dus ook geen aanleiding voor het Haarlemse parket om gebruik te maken van de machtiging ex artikel 40 van de Uitleveringswet. Die zou eerst in beeld zijn gekomen indien betrokkene zich niet op de aangegeven datum op Schiphol zou hebben gemeld. In dat geval zou er immers pas aanleiding zijn geweest om buiten wetenschap van betrokkene een overdracht met Frankrijk te organiseren en betrokkene vervolgens kort daarvoor aan te houden teneinde zeker te stellen dat hij op het afgesproken moment ook daadwerkelijk aan de Franse autoriteiten kan worden overgedragen. Hierbij moet worden bedacht dat gegeven de relatief korte detentieperiode die artikel 40 Uitleveringswet toeliet, hoe dan ook, eerst concrete afspraken over het tijdstip en de wijze van vertrek naar het buitenland moeten vaststaan voordat een eventuele detentie kon worden bevolen.

5. Het interpellatiedebat van 7 september 2000

De vraag is gerezen waarom tijdens het spoeddebat van 7 september j.l. over het Dover-drama niet aan de orde is gekomen dat betrokkene in Frankrijk terzake van mensensmokkel in 1998 is veroordeeld. Meer in het bijzonder is de vraag opgeworpen of dit niet van invloed is op mijn mededeling bij die gelegenheid dat er in het Charimedes onderzoek geen concrete verdenking tegen betrokkene bestond dat hij zich bezighield met mensensmokkel.

Ten aanzien van het laatste punt dient opgemerkt te worden dat een antecedent geen basis is voor een verdenking als bedoeld in artikel 27 WvSv dat iemand zich thans opnieuw aan een dergelijk strafbaar feit schuldig maakt. Bekendheid met het antecedent zou derhalve aan de positie van O. in het Charimedes-onderzoek geen verandering hebben gebracht.

Laat er geen onduidelijkheid over bestaan dat ik het betreur dat dit gegeven niet in het spoeddebat op 7 september aan de orde is gekomen. De reden daarvoor is dat deze informatie mij toen niet heeft bereikt.
Geconstateerd moet worden dat deze informatie op verschillende plaatsen binnen de justitie-organisatie bekend was, te weten bij de betrokken afdeling van mijn departement, het parket-Haarlem, de DCRI en in het Dover-onderzoek. Het parket-Haarlem heeft, zij het voor het spoeddebat te laat, een schriftelijk bericht aan de betrokken afdeling van het departement gezonden. Daarnaast had het verband gesignaleerd kunnen worden in het Dover-onderzoek. Men heeft in dat onderzoek het beleidsmatige belang van het bericht over de uitlevering niet onderkend. Deze informatie had voor het lopende Dover-onderzoek operationeel beperkt belang, namelijk slechts voorzover uit het uitleveringsdossier mogelijk aanwijzingen konden worden verkregen voor de verblijfplaats van betrokkene, die voortvluchtig is.

6. Conclusies
Er is sprake geweest van een niet optimale communicatie. Dat heeft voor de Dover-zaak zelf geen gevolgen gehad maar heeft wel tot consequentie gehad dat ik tijdens de interpellatie van de heer van de Camp niet beschikte over informatie inzake het uitleveringsverzoek. Ik zal bevorderen dat debestaande procedures voor de communicatie tussen Openbaar Ministerie, politie en het departement opnieuw worden bezien en waar nodig worden aangepast.

De Minister van Justitie

09 nov 00 19:38

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie