Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verkort arrest Gerechtshof invoer coca‹ne en hashish

Datum nieuwsfeit: 09-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Gerechtshof Amsterdam
Zoek soortgelijke berichten
Gerechtshof Amsterdam

arrestnummer
rolnummer 23-001702-99
datum uitspraak 9 november 2000
tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen

het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam

van 4 juni 1999

in de strafzaak onder parketnummer 13/006003-98

tegen

C.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 22 februari 1999, 17 mei 1999, 18 mei 1999 en 21 mei 1999 en in hoger beroep van 10 januari 2000, 17 januari 2000, 31 januari 2000, 7 februari 2000, 10 februari 2000, 14 februari 2000, 17 februari 2000, 21 februari 2000, 13 april 2000, 17 april 2000, 27 april 2000, 22 mei 2000, 3 juli 2000, 11 september 2000, 14 september 2000, 18 september 2000, 6 oktober 2000 en 26 oktober 2000.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding / De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft betoogd -zakelijk weergegeven- dat de tenlastelegging onder feit 2 partieel nietig dient te worden verklaard, en wel voorzover betreffende de daarin vermelde gedraging '(telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Sri Lanka brengen van hashish', waarop het oogmerk van de onder feit 2 bedoelde criminele organisatie mede zou zijn gericht, aangezien deze gedraging naar Nederlands recht als misdrijf niet strafbaar is.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.

De steller van de tenlastelegging heeft met de onder feit 2 vermelde passage:

"welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) het plegen van misdrijven, te weten:
het meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Sri Lanka en/of (vervolgens) binnen het grondgebied van Nederland brengen [(mede) als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet] .... van hashish" kennelijk ook het 'binnen het grondgebied van Sri Lanka brengen van hashish' bedoeld als een van de misdrijven waarop het oogmerk van de onder feit 2 bedoelde criminele organisatie was gericht. De Nederlandse strafwet is evenwel niet toepasselijk op deze gedraging.

Het hof zal daarom het openbaar ministerie partieel niet ontvankelijk verklaren in zijn (verdere) vervolging van verdachte, en wel voorzover de tenlastelegging onder feit 2 het verwijt omvat dat het oogmerk van de hier bedoelde criminele organisatie (mede) was gericht op het binnen het grondgebied van Sri Lanka brengen van hashish.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 mei 1999 op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

Door de verdediging gevoerde verweren


1. INLEIDING.



1.1. Bij de behandeling van deze strafzaak, zowel op de terechtzittingen in eerste aanleg als in hoger beroep, hebben de verklaringen van de getuige R. centraal gestaan. Met R. heeft het openbaar ministerie een overeenkomst gesloten teneinde van hem verklaringen tegen -onder meer- de verdachte te verkrijgen.


1.2. Door de verdediging is betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn strafvervolging, dan wel dat de verklaringen van R. niet kunnen of mogen worden gebezigd tot het bewijs van de tenlastegelegde feiten.


1.3. De verdediging heeft daartoe met betrekking tot de overeenkomst met R. en de diverse aspecten daarvan in het bijzonder het volgende aangevoerd.


2. PROPORTIONALITEIT



2.1. Het middel van "kroongetuige" is op onrechtmatige wijze gehanteerd, immers ten tijde van de inzet van "de kroongetuige" waren er geen concrete aanwijzingen voor het bestaan van een criminele organisatie; er was slechts sprake van een simpele invoer van cocane.

Evenmin bestonden zodanige aanwijzingen voor het feit dat C. een "kroonverdachte" was (vanwege verdenkingen in verband met de IRT-affaire, waarvan mr. Noordhoek in zijn brief van 14 september 1998 aan zijn hoofdofficier rept). C. zou slechts:


- E. in contact hebben gebracht met De M. in verband met plannen tot invoer van hasj;

- enkele duizenden guldens reisgeld aan R. beschikbaar hebben gesteld om de lijn weer nieuw leven in te blazen en
- commissie hebben opgestreken voor bepaalde transporten.
Bovendien was inmiddels, door het oprollen van de cocaïnelijn, de rechtsorde al in voldoende mate hersteld.


2.2. De overeenkomst met R. is als onrechtmatig te kwalificeren. De volgende argumenten geven daartoe elk afzonderlijk reeds aanleiding en doen dat zeker in samenhang met elkaar bezien:


- De officier van justitie, mr. Noordhoek, heeft actief bijgedragen aan het bewerkstelligen van totale immuniteit van R. voor maar liefst vier grote cocaïnetransporten;

- R. is 'weggekomen' met effectief slechts 3,5 jaar gevangenisstraf met een soepel regime. Het intrekken van het hoger beroep heeft materieel deel uitgemaakt van de overeenkomst met hem.


2.3. De overeenkomst met R. is als onrechtmatig te kwalificeren, reeds omdat R. in aanmerking kwam voor ontneming van vele honderdduizenden guldens, zo niet meer dan een miljoen, en zulks niet is geschied. Het openbaar ministerie heeft een normale afwikkeling van de ontnemingsprocedure tegen R. actief gefrustreerd. Er is sprake geweest van een buitenproportioneel grote tegenprestatie, nog bovenop de hiervoor besproken vermindering van de gevangenisstraf.

2.4. De overeenkomst met R. moet als onrechtmatig worden beoordeeld, reeds omdat kan worden vastgesteld dat R. geen toetsbare verklaringen heeft afgelegd, voorzover het betreft de meest belastende elementen voor de verdachte C.. Het openbaar ministerie heeft geen enkele poging tot toetsing ondernomen, maar is dat zelfs actief tegengegaan.

2.5. De rol van R. met betrekking tot de tenlastegelegde feiten is groter dan die, welke aan de verdachte C. wordt toegedicht. Er is hier sprake van "een grote vis die de kleine vis ophangt".


3. SUBSIDIARITEIT

3.1. Het inzetten van een kroongetuige moet als onrechtmatig worden beoordeeld, reeds omdat niet is voldaan aan het vereiste van consistente ernstige bezwaren tegen C.. Er was geen sprake van substantiële aanwijzingen voor substantiële betrokkenheid van C. bij de geconstateerde cocaïnetransporten.

3.2. Aan het subsidiariteitsvereiste is niet voldaan, immers:


- Er is geen sprake geweest van ernstige bezwaren jegens C.;
- er is geen enkel primair opsporingsonderzoek jegens C. ondernomen;

- er is niet gebleken van enige 'ondoordringbaarheid';
- er hadden verscheidene onderzoeksmogelijkheden voor de hand gelegen.

Alleen reeds hierom is de kroongetuigendeal onrechtmatig tot stand gekomen.


4. ZUIVERHEID VAN OOGMERK

4.1. De veroordeling van C. was nodig om "licht in de IRT-duisternis te brengen". C. zou "zijn vinger wel opsteken" als hij eenmaal veroordeeld was, dacht de officier van justitie mr. Noordhoek. Gelet op de onzuiverheid van dit oogmerk (ofwel 'détournement de pouvoir') had justitie in deze zaak geen gebruik mogen maken van de kroongetuige.

4.2. De onzuiverheid van oogmerk is ook gegeven, nu enerzijds is vastgesteld dat in de onderhavige zaak geen enkele IRT-connectie was, terwijl tegelijkertijd het IRT-debacle wel als doorslaggevende en enig kenbare reden wordt gegeven om in deze zaak een kroongetuige in te zetten.

4.3. Reeds vanwege de onzuiverheid van het oogmerk van het inzetten van de kroongetuige, dient de overeenkomst als onrechtmatig te worden gekwalificeerd.


5. OPENHEID

5.1. Er ontbreekt een verslag/journaal van de gesprekken en onderhandelingen met R.. Dit is op zichzelf genomen reeds reden om de overeenkomst als onrechtmatig te beoordelen.

5.2. Het openbaar ministerie is niet open geweest, integendeel: het is versluierend bezig geweest met betrekking tot de aanleiding en het initiatief tot de deal.

5.3. Bij gebreke van adequate vastlegging is geen duidelijkheid meer te krijgen met betrekking tot het instellen en intrekken van het hoger beroep in de zaak van R. in Haarlem. Het horen van leden van het openbaar ministerie daarover heeft geleid tot tegenstrijdige verklaringen over de feiten dienaangaande. Het openbaar ministerie is voor dit gebrek aan openheid ten volle verantwoordelijk.

5.4. Mr. Noordhoek is verre van open en duidelijk geweest tegen de Centrale Toetsingscommissie (CTC), zijn Hoofdofficier van justitie en het College van Procureurs-Generaal, waar het gaat om de vier andere transporten van R..

5.5. De zwart gemaakte passages in de CTC-correspondentie zijn in strijd met het vereiste van openheid. Zo bleek de voorheen zwart gemaakte tekst op pag. 3 onder punt 2 van de brief van 28 augustus 1998 van mr. Noordhoek aan de Hoofdofficier van justitie wel degelijk relevant te zijn voor de procedure van de totstandkoming van de overeenkomst en van betekenis voor de inhoud van de afspraak en niets te maken te hebben met "afscherming van zwaarwegende opsporingsbelangen".

5.6. Mr. Noordhoek is -minstgenomen- niet 'open' geweest door in evengenoemde brief te schrijven over "vermoedelijke geweldselementen", waarin de verklaringen van R. inzicht zouden verschaffen.

5.7. De correspondentie tussen (de raadsman van) R. en het openbaar ministerie ontbreekt in het dossier. Het openbaar ministerie had eigenlijk de verplichting om bij het totstandkomen van de overeenkomst direct als voorwaarde te stellen dat deze te gelegener tijd diende te worden geproduceerd.

5.8. Het openbaar ministerie is niet open geweest over het hoofddoel van de deal, te weten: het scheppen van licht in de IRT-duisternis, zoals hiervoor onder "Zuiverheid van oogmerk" uiteengezet.

De constatering dat door mr. Noordhoek geen openheid is betracht jegens de (hogere) justitiële autoriteiten (een gebrek aan openheid) leidt op zichzelf reeds tot de conclusie dat de overeenkomst onrechtmatig tot stand is gekomen.

5.9. Het openbaar ministerie heeft niet voldaan aan de op hem rustende verplichting om alles te doen om de openheid van de kroongetuige te bevorderen, door hem niet de juiste vragen te stellen en hem niet te confronteren met andere onderzoeksresultaten, die direct betrekking hebben op de kroongetuige.

In dit verband heeft het openbaar ministerie ook actief het SFO tegen R. laten stopzetten en de resultaten van dat onderzoek tot dan toe niet betrokken bij de totstandkoming van de deal. Voorts heeft men verzuimd stappen te ondernemen tot het beschikbaar krijgen van de eerder afgelegde Haarlemse CID-verklaringen van R. om hem deze voor te houden.

5.10. Concluderend kan niet worden gezegd dat in deze zaak ten opzichte van de verdediging -met het oog op de uitoefening van haar rechten- volledige openheid is gegeven omtrent het bestaan, de wijze van totstandkoming en inhoud van de overeenkomst met R.. Daardoor is de verdediging evenmin ten volle in de gelegenheid geweest een en ander ter discussie te stellen. Aan geen der denkbare aspecten van openheid is voldaan. De overeenkomst moet als onrechtmatig worden gekwalificeerd.


6. ZORGVULDIGHEID

6.1. De zaaksofficier mr. Noordhoek deed zelf de onderhandelingen met R. aangaande de overeenkomst en deze heeft meteen in extenso ten overstaan van deze zaaksofficier verklaard, een en ander in strijd met de zorgvuldigheid aangezien daardoor kan worden afgedaan aan de mate van betrouwbaarheid van die verklaringen.

6.2. Gezien het wetsontwerp toezeggingen aan getuigen in strafzaken is het procedureel onjuist geweest het hoger beroep in de zaak tegen R. niet door te zetten. Er is ook geen rechter-commissaris ingeschakeld bij de totstandkoming van de overeenkomst, zulks in strijd met het wetsontwerp.

6.3. Het had voor de hand gelegen de zaak tegen C. -al of niet gelijktijdig met die van R.- te doen behandelen door de Haarlemse rechtbank, waardoor deze een totaaloverzicht had gehad. Met dat doel had ook R.s zaak, net als die van C., door de Amsterdamse rechtbank kunnen worden behandeld.

6.4. Uit het dossier is niet op te maken dat de hoofdofficier zich ervan heeft vergewist dat de betrokken korpschef van politie in kennis is gesteld van de voorgenomen afspraak, zoals voorgeschreven in artikel 5 sub 1 van de Richtlijn afspraken met criminelen.

6.5.

Het lijkt er al met al op dat de controlerende justitie-organen hun taken onzorgvuldig hebben uitgevoerd.

6.6. Aangezien op verscheidene punten niet is voldaan aan het vereiste van een zorgvuldige procedure, moet de overeenkomst reeds hierom als onrechtmatig worden beoordeeld.


7. BETROUWBAARHEID VAN R.S VERKLARINGEN

7.1. Een veroordeling van C. zal in overwegende mate berusten op de (onbetrouwbare) verklaringen van de kroongetuige. Reeds daarom dient de overeenkomst, althans dienen de vruchten daarvan, terzijde te worden gesteld.

7.2. De volgende invloeden hebben de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige R. aangetast:


- R. heeft buitenproportioneel veel teruggekregen van het openbaar ministerie;

- de door R. ondergane druk van het hoger beroep; hij had niets te verliezen nu met hem immers al was afgerekend als organisator van twee grote transporten, terwijl de dreiging van een grotere afrekening in hoger beroep nog bestond;

- mr. Noordhoek deed zelf de onderhandelingen over de overeenkomst met R., waardoor met het risico van voorgekookte verklaringen rekening moet worden gehouden;

- het effect van het lezen van de dossiers en de krant door R., waardoor het risico van het omzetten van andermans beleving naar zijn eigen beleving is ontstaan.

- R.s eerdere verklaringen, die hij zonder overeenkomst in zicht had afgelegd, stonden diametraal tegenover de verklaringen die hij in het zicht van de overeenkomst heeft afgelegd.

Reeds vanwege deze externe invloeden op de verklaringen van R., dienen deze als onbetrouwbaar terzijde te worden gesteld.

7.3. Er bestaan vele tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van R. en die van andere getuigen, onder wie met name De M., terwijl R.s verklaringen bovendien innerlijk tegenstrijdig zijn.

De verklaringen van R. dienen daarom ook op zichzelf reeds als onbetrouwbaar te worden gekwalificeerd.


8. CONCLUSIE

8.1. Het openbaar ministerie dient niet ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten, wegens grove schending van de belangen van verdachte C. in de vorm van de hiervoor aangegeven, soms doelbewuste, schendingen van de beginselen van een behoorlijke procesorde.

8.2. De verklaringen van R. dienen wat betreft de soft-drugszaken (de onder 2 en 4 tenlastegelegde feiten) van het bewijs te worden uitgesloten.

BEOORDELING VAN DE GEVOERDE VERWEREN

Het hof overweegt met betrekking tot het vorenstaande vooreerst het volgende.

In de onderhavige strafzaak is door het openbaar ministerie met B. R. op 6 november 1998 een overeenkomst gesloten als bedoeld in de Richtlijn afspraken met criminelen (Stcrt. 1997, 61).

R. heeft op 5 juni 1998, 2 juli 1998, 3 juli 1998, 4 juli 1998, 6 juli 1998 te 10.45 uur, 6 juli 1998 te 20.15 uur, 7 juli 1998 te 15.20 uur, 7 juli 1998 te 18.05 uur, 8 juli 1998 te 08.15 uur en 8 juli 1998 te 10.20 uur verklaringen afgelegd, waarin hij belastend heeft verklaard tegen -onder anderen- verdachte.

Het openbaar ministerie heeft R. in ruil voor het afleggen van zijn verklaringen -voorzover hier van belang- toegezegd dat:


- het openbaar ministerie, bij onverkorte nakoming van de overeenkomst van de zijde van R., een positief advies zal uitbrengen ten aanzien van een door R. in te dienen gratieverzoek, in dier voege dat zal worden geadviseerd een derde van de door de arrondissementsrechtbank te Haarlem opgelegde gevangenisstraf van 8 jaren door middel van gratie kwijt te schelden, onverminderd de over het aldus ontstane strafrestant in mindering te brengen vervroegde invrijheidstelling;

- het openbaar ministerie een schikkingsvoorstel zal doen, inhoudende dat R. een geldbedrag van
¦ 200.000,-- voldoet ter ontneming van het geschatte voordeel dat hij heeft verkregen en

- het openbaar ministerie inbeslaggenomen niet geldelijke goederen, ter waarde van ongeveer
¦ 19.000,--, aan R. zal teruggeven.

Het hof zal het thans voorliggende geval beoordelen, te weten: de beschikbaarheid van een belastende getuigenverklaring, afgelegd door een met naam en toenaam bekende medeverdachte, verkregen als gevolg van een overeenkomst met het openbaar ministerie, waarbij de getuige in ruil voor zijn verklaring enige vorm van strafvermindering is toegezegd ten aanzien van ongeveer hetzelfde feitencomplex als aan de verdachte is tenlastegelegd.

Nu in de Nederlandse wetgeving nog geen regeling is opgenomen aangaande het door het openbaar ministerie sluiten van een overeenkomst met een verdachte/veroordeelde, zal het hof de tussen R. en het openbaar ministerie gesloten overeenkomst van 6 november 1998 toetsen aan de in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde fundamentele rechten, alsmede aan de uit dat verdrag afgeleide beginselen van een behoorlijke procesorde.

Tevens zal worden bezien of de overeenkomst tot stand is gekomen overeenkomstig de genoemde 'Richtlijn afspraken met criminelen'. De uiteindelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de onderhavige overeenkomst blijft evenwel aan het hof voorbehouden.

Het hof overweegt in dit verband met betrekking tot het door de verdediging gestelde, zoals hiervoor onder 2 tot en met 8 weergegeven, het volgende.

Ad 2. PROPORTIONALITEIT

ad 2.1. Ten tijde van de inzet van R. was geen sprake van "een simpele invoer van cocaïne", doch hadden twee importen van grote partijen (400 kilo en 700 kilo) cocaïne plaatsgevonden. Achter deze importen kon, naar de ervaring heeft geleerd, een criminele organisatie worden vermoed en niet slechts een individuele actie van een enkel persoon.

Verdachte C. was destijds hierin inderdaad niet de enige en/of hoofdverdachte (in de bewoording van de verdediging: "kroonverdachte"). Het is immers van algemene bekendheid dat criminele organisaties, die zich bezighouden met de invoer van grote partijen hard drugs als de onderhavige, veelal bestaan uit verscheidene verdachten, die daarin elk een meer of minder belangrijke rol vervullen.

Niet valt in te zien dat door slechts het oprollen van de betreffende cocaïnelijn (en -zo begrijpt het hof- het tegelijkertijd achterwege laten van de opsporing van zoveel mogelijk bij die cocaïnelijn betrokken verdachten, teneinde dezen voor de rechter te brengen) de rechtsorde in voldoende mate zou zijn hersteld.

ad 2.2. Niet aannemelijk is geworden dat R. met enige reële mate van waarschijnlijkheid had kunnen worden vervolgd, berecht en veroordeeld voor de hier door de verdediging bedoelde (eerdere) vier grote cocaïnetransporten, indien de door hemzelf hierover afgelegde verklaringen niet voor bewijs beschikbaar waren. Het afblazen van de overeenkomst met hem, in het kader waarvan laatstbedoelde verklaringen zijn afgelegd, zou redelijkerwijs niet hebben kunnen leiden tot het alsnog vervolgen van R. voor die transporten.

R. is door de rechtbank te Haarlem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren, een -in aanmerking genomen dat te zijnen laste is bewezenverklaard een transport van 400 kilo cocaïne en dat hij is vrijgesproken van een transport van 700 kilo cocaïne- naar het oordeel van het hof niet onbegrijpelijke straf.

Een ieder die tot een dergelijke gevangenisstraf is veroordeeld, kan aanspraak maken op de hier te lande geldende regeling met betrekking tot vervroegde invrijheidstelling na ommekomst van 2/3 van die straf.

Het positieve advies, dat het openbaar ministerie heeft toegezegd te zullen uitbrengen ten aanzien van een door R. in te dienen gratieverzoek, te weten dat zal worden geadviseerd een derde van de door de arrondissementsrechtbank te Haarlem opgelegde gevangenisstraf van 8 jaren door middel van gratie kwijt te schelden, onverminderd de over het aldus ontstane strafrestant in mindering te brengen vervroegde invrijheidstelling, is -wat er overigens ook van zij- niet onredelijk.

ad 2.3. De verdediging kan weliswaar worden toegegeven dat het openbaar ministerie een (zeer) omvangrijke ontnemingsvordering tegen R. had kunnen indienen, doch de vraag blijft wat daarvan uiteindelijk door de rechter zou zijn toegewezen. De ervaring heeft immers geleerd dat de rechter, in gevallen waarin hij terzake van ontnemingsvorderingen een groot bedrag als schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt, niet zelden de verplichting tot betaling aan de Staat oplegt van slechts een fractie van dat bedrag. In dit licht moet ook het bij de totstandkoming van de overeenkomst stopzetten van het SFO tegen R. worden gezien en is het niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie dat onderzoek niet heeft doen voortzetten.

ad 2.4. Het hier door de verdediging gestelde -dat R. geen toetsbare verklaringen heeft afgelegd wat betreft de meest belastende elementen daarvan voor verdachte C., terwijl het openbaar ministerie geen poging tot toetsing heeft ondernomen- zal hierna bij de bespreking van de zorgvuldigheid en de betrouwbaarheid van R.s verklaringen aan de orde komen.

ad 2.5. Wat er thans ook zij van de exacte verhouding tussen de rollen van R. en C. met betrekking tot de tenlastegelegde feiten, ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst kon deze in elk geval nog niet worden vastgesteld. Bovendien ging het bij de verklaringen van R. niet slechts om C. en E., maar evenzeer om andere verdachten van de cocaïnetransporten, onder wie Cv. en Kb..

Om beide redenen kan men niet met recht stellen dat hier eenvoudig sprake is van 'een grote vis die een kleine vis ophangt'.

Ad 3. SUBSIDIARITEIT

Gelet op de destijds beschikbare verklaringen van De M., E. en Rg. bestonden er jegens C. verdenkingen aangaande zijn betrokkenheid bij cocaïnetransporten. Daarnaast bleek dat R. 139 keer telefonisch contact had gehad/gezocht met de (bakkerszaak) van C., alsmede dat in een tiental afgeluisterde telefoongesprekken door R. met en/of door anderen wordt gesproken over de `koekenbakker' of `(banket)bakker(tje)'.

Het bestaan van ernstige bezwaren tegen C. is zojuist reeds besproken. De verdediging moet echter wel worden toegegeven dat niet is gebleken van enig primair opsporingsonderzoek tegen de verdachte C.; er is
-zoals ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan- zelfs geen CID-informatie over hem opgevraagd.

Hier staat evenwel tegenover dat opsporingsactiviteiten, zoals afluisteren van telefoons en observatie, na het oprollen van een cocaïnelijn waarschijnlijk weinig zouden opleveren. (Anderzijds is het ook weer niet uitgesloten dat zulks iets zou opleveren, ervan uitgaande dat een grote financiële strop als het verlies van een grote partij cocaïne wel degelijk onderwerp van bespreking in de criminele organisatie zal zijn geweest.)

Daarnaast was het -uit opsporingsoogpunt- uiteraard een aantrekkelijk gegeven dat R. als het ware 'klaar stond' om te gaan verklaren. Hij heeft zelf immers kort na zijn arrestatie reeds kenbaar gemaakt onder voorwaarden te willen verklaren en zelfs in juli 1997 daadwerkelijk verklaringen afgelegd ten overstaan van de CID te Haarlem.

Ad 4. ZUIVERHEID VAN OOGMERK

De verdediging heeft terecht gesteld dat mr. Noordhoek -kort gezegd- de CTC ten onrechte heeft voorgespiegeld dat de verklaringen van R. mogelijk licht konden brengen in de IRT-affaire, teneinde deze te bewegen goedkeuring te verlenen aan de overeenkomst met R..

Op het moment waarop mr. Noordhoek zulks deed, was immers al duidelijk dat R. niets van belang over IRT-zaken kon verklaren.

Wat er evenwel ook zij van deze -inderdaad onzuivere- handelwijze van mr. Noordhoek, waardoor de CTC 'op het verkeerde been kan zijn gezet' en het resultaat van de toetsing door deze commissie van het openbaar ministerie wellicht anders had kunnen uitvallen, de uiteindelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de onderhavige overeenkomst blijft niettemin aan het hof voorbehouden.

Ad 5. OPENHEID

ad 5.1. De verdediging heeft te dezen terecht gesteld dat een verslag/journaal van de gesprekken en onderhandelingen met R. bij de stukken ontbreekt. Het ware -uit een oogpunt van openheid en toetsbaarheid, alsmede uit een oogpunt van proceseconomie- ook te prefereren geweest dat bij de behandeling van de zaak over zulk een verslag had kunnen worden beschikt, doch achteraf moet worden vastgesteld dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende duidelijkheid is voortgekomen over die gesprekken en onderhandelingen.

ad 5.2. Aan het gebrek aan openheid, dat het openbaar ministerie hier door de verdediging wordt verweten, heeft het hof hiervoor onder "zuiverheid van oogmerk" al overwegingen gewijd, die hier worden overgenomen.

ad 5.3. Het moet de verdediging worden toegegeven dat bij gebreke van een adequate vastlegging niet meer een geheel duidelijke reconstructie kan worden gemaakt van de gang van zaken met betrekking tot het instellen en intrekken van het hoger beroep in de strafzaak van R. in Haarlem. Wat evenwel uit het onderzoek ter terechtzitting wel duidelijk naar voren is gekomen, is dat de zaak als een 'gewone' zaak aan de advocaat-generaal mr. Kruyer ter beoordeling is voorgelegd en dat deze daarop zonder extra of bijzondere aandacht de haalbaarheid van het hoger beroep heeft bezien.

ad. 5.4. Wat er ook zij van de openheid en duidelijkheid omtrent de vier andere transporten van R. van mr. Noordhoek tegenover de Centrale Toetsingscommissie (CTC), zijn Hoofdofficier van justitie en het College van Procureurs-Generaal, ook hier geldt wederom dat de uiteindelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de onderhavige overeenkomst aan het hof is voorbehouden.

Het hof is overigens van oordeel dat de zaaksofficier in de strafzaak tegen R., mr. Heutink, het redelijkerwijs opportuun heeft kunnen achten R. te vervolgen voor slechts die transporten, welke destijds in haar ogen te bewijzen waren en (ook) grote partijen betroffen.

ad 5.5. Het feit dat de voorheen zwart gemaakte tekst op pag. 3 onder punt 2 van de brief van 28 augustus 1998 van mr. Noordhoek aan de Hoofdofficier van justitie enige relevantie bleek te hebben voor de procedure van de totstandkoming van de overeenkomst en van betekenis was voor de inhoud van de afspraak, terwijl dat onleesbaar maken van de betrokken tekst niets te maken had met "afscherming van zwaarwegende opsporingsbelangen", moet als ongelukkig worden aangemerkt, doch vormt naar het oordeel van het hof op zichzelf geen aanleiding te veronderstellen dat de overige zwart gemaakte passages in de CTC-correspondentie eveneens voor de onderhavige overeenkomst relevante gegevens bevatten.

ad. 5.6. Ook hier heeft de verdediging terecht gesteld dat mr. Noordhoek minstgenomen onvoldoende openheid heeft betracht door in evengenoemde brief te schrijven over "vermoedelijke geweldselementen", waarin de verklaringen van R. inzicht zouden verschaffen. Van geweldselementen in de onderhavige zaak is immers geenszins gebleken, terwijl ook niet duidelijk is waarop de vermoedens dienaangaande ten tijde van het schrijven van de brief konden zijn gebaseerd.

ad 5.7 De correspondentie tussen (de raadsman van) R. en het openbaar ministerie bevindt zich inderdaad niet in het dossier. Evenwel kan niet worden gesteld dat het openbaar ministerie de verplichting had om bij het totstandkomen van de overeenkomst direct als voorwaarde te stellen dat deze te gelegener tijd diende te worden geproduceerd. Het beroepsgeheim van een advocaat kan immers niet zonder meer door een zodanige voorwaarde worden opgeheven.

Overigens moet ook hier, evenals hiervoor ad 5.1. overwogen, achteraf worden vastgesteld dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende duidelijkheid is voortgekomen over de gesprekken en onderhandelingen met betrekking tot de overeenkomst.

ad 5.8. Hiervoor heeft het hof (ad 4. Zuiverheid van oogmerk) overwogen dat de verdediging terecht heeft gesteld dat mr. Noordhoek
-kort gezegd- de CTC ten onrechte heeft voorgespiegeld dat de verklaringen van R. mogelijk licht konden brengen in de IRT-affaire, teneinde deze te bewegen goedkeuring te verlenen aan de overeenkomst met R., omdat op het moment waarop mr. Noordhoek dit schreef, al duidelijk was dat R. niets van belang over IRT-zaken kon verklaren.

De verdediging kan het openbaar ministerie daarom niet tegelijkertijd tegenwerpen "dat het niet open is geweest over het hoofddoel van de deal, te weten: het scheppen van licht in de IRT-duisternis".

ad 5.9. Het ware beter geweest indien het openbaar ministerie het SFO tegen R. had voortgezet. Het is ook niet duidelijk geworden waarom dit niet is gebeurd. Omtrent de resultaten ervan tot aan de stopzetting is inmiddels voldoende duidelijk geworden uit het onderzoek ter terechtzitting, zodat deze bij de beoordeling van de overeenkomst door de rechter mede in beschouwing kunnen worden genomen.

Overigens is niet aannemelijk geworden dat het SFO tegen R. door het openbaar ministerie is stopgezet om doelbewust bepaalde (te verwachten) resultaten ervan buiten beschouwing te doen blijven.

Ad 6. ZORGVULDIGHEID

ad 6.1. De verdediging heeft weliswaar aangevoerd dat de zaaksofficier, mr. Noordhoek, zelf de onderhandelingen voerde met R. aangaande de overeenkomst en dat R. meteen in extenso ten overstaan van deze zaaksofficier verklaringen heeft afgelegd, een en ander in strijd met de zorgvuldigheid aangezien daardoor kan worden afgedaan aan de mate van betrouwbaarheid van die verklaringen, doch het hof vermag niet in te zien waarom dit laatste het noodzakelijke gevolg van het hier bedoelde handelen van de zaaksofficier van justitie zou zijn. Aan de betrouwbaarheid van R.s verklaringen zal hierna (ad 7.) door het hof nog een aantal overwegingen worden gewijd.

ad 6.2. Dat het hoger beroep in de zaak tegen R. niet is doorgezet en ook geen rechter-commissaris is ingeschakeld bij de totstandkoming van de overeenkomst, moge weliswaar niet overeenkomstig het wetsontwerp toezeggingen aan getuigen in strafzaken zijn, doch de daarin voorgestelde regeling was destijds (en is nog steeds) geen geldend recht.

ad 6.3. De zaak tegen C. had -weliswaar niet gelijktijdig met die van R.- kunnen worden behandeld door de Haarlemse rechtbank. Ook had R.s zaak, net als die van C., door de Amsterdamse rechtbank kunnen worden behandeld. Een aanbrengen van beide zaken bij dezelfde rechtbank was echter niet vereist. Niet valt in te zien wat zulks had kunnen toe- of afdoen aan de beoordeling door het hof van de thans voorliggende zaak.

ad 6.4. Uit het dossier is inderdaad niet op te maken dat de Hoofdofficier van justitie zich ervan heeft vergewist dat de betrokken korpschef van politie in kennis is gesteld van de voorgenomen afspraak, zoals voorgeschreven in artikel 5 sub 1 van de Richtlijn afspraken met criminelen. Hiermee is evenwel nog niet komen vast te staan dat het niet is gebeurd en overigens is dit verzuim van dien aard dat daaraan -behalve de vaststelling ervan- geen gevolgen hoeven te worden verbonden.

Ad 7. BETROUWBAARHEID VAN R.S VERKLARINGEN

ad 7.1. Niet valt in te zien dat -zoals door de verdediging gesteld- de overeenkomst, althans de vruchten daarvan, terzijde dienen te worden gesteld reeds omdat een eventuele veroordeling van verdachte in overwegende mate zal berusten op de verklaringen van R.. Deze vaststelling zou immers eerst kunnen worden gedaan nadat een beoordeling van de rechtmatigheid van de verkrijging en betrouwbaarheid van die verklaringen heeft plaatsgevonden, met als uitkomst dat de verklaringen voor het bewijs bruikbaar zijn. Indien daarna wordt geconstateerd dat een eventuele veroordeling van verdachte in overwegende mate zou berusten op de verklaringen van R., dient vrijspraak te volgen.

ad 7.2. en 7.3. Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van R. overweegt het hof hier vooreerst en vooral, dat het zelf ter terechtzitting in hoger beroep de opnames heeft beluisterd van de verhoren van R. door de CID-Haarlem die plaatsvonden binnen twee maanden na diens aanhouding, toen het onderzoek in de zaak zich nog in een beginstadium bevond. Bovendien heeft R. na zijn arrestatie enige tijd zijn voorlopige hechtenis `in beperkingen' doorgebracht. Naar aanleiding van het beluisteren van die geluidsopnames, heeft het hof vastgesteld dat het van deze verhoren opgemaakte 'concept proces-verbaal' een adequate weergave bevat van hetgeen R. bij die verhoren verklaarde en, wat in dit verband zeer belangrijk is, dat deze verklaringen van R. naar de kern genomen niet afwijken van hetgeen hij later, na het totstandkomen van de overeenkomst, heeft verklaard.

Tijdens de verhoren van R. als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft deze bij het hof geenszins een onbetrouwbare indruk achtergelaten.

Het feit dat er onderwerpen zijn, waarover R. en andere getuigen in de loop van het onderzoek niet op alle punten overeenstemmende verklaringen hebben afgelegd, kan worden verklaard uit een afwijkende beleving van de -die onderwerpen betreffende- feiten in de herinnering van R. en die andere getuigen.

Bij het beschouwen van de verklaringen, die R. nog zonder overeenkomst in zicht heeft afgelegd, moet rekening worden gehouden met diens positie van destijds, te weten: een verdachte die kort tevoren was gearresteerd in verband met een groot cocaïnetransport, van wie in het algemeen niet moet worden verwacht dat hij aan zijn eigen veroordeling meewerkt.

Ten slotte, maar niet in het minst, overweegt het hof dat de inhoud van de verklaringen van R. in voldoende mate steun vindt in die van andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van De M., B. en Rg..

Al het vorenstaande in aanmerking nemende, waaronder ook hetgeen reeds eerder werd overwogen met betrekking tot de intrekking van het hoger beroep en het feit dat de zaaksofficier zelf de onderhandelingen inzake de overeenkomst met R. heeft gevoerd, acht het hof de in het kader van de overeenkomst door R. afgelegde verklaringen zodanig betrouwbaar, dat zij -uiteraard met de nodige behoedzaamheid- voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Ad 8. CONCLUSIE

Al hetgeen hiervoor is overwogen in aanmerking genomen, kan geen van de opgeworpen verweren met betrekking tot de overeenkomst met R. (ter zake van de proportionaliteit, de subsidiariteit, de zuiverheid van oogmerk, de openheid en de zorgvuldigheid) het hof brengen tot de slotsom dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn (verdere) vervolging van de verdachte, dan wel dat de verklaringen van R. van het bewijs dienen te worden uitgesloten, ook niet indien een en ander (telkens) in onderling verband en samenhang wordt bezien en bijeengenomen.

Immers, van de in het vorenstaande vastgestelde onvolkomenheden kan niet worden gezegd dat deze zodanig ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde opleveren dat daardoor, doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Evenmin hebben deze onvolkomenheden geleid tot het onrechtmatig vergaren van bepaalde onderzoeksresultaten, die dientengevolge van het bewijs zouden dienen te worden uitgesloten.

Het hof acht evenwel die onvolkomenheden, te weten:


- het uitblijven van enig primair opsporingsonderzoek tegen de verdachte C.,

- het feit dat de officier van justitie, mr. Noordhoek, de CTC ten onrechte heeft voorgespiegeld dat de verklaringen van R. mogelijk licht konden brengen in de IRT-affaire,

- het ontbreken van een verslag/journaal van de gesprekken en onderhandelingen met R. aangaande de overeenkomst met hem,
- de bij gebreke van een adequate vastlegging niet geheel duidelijke gang van zaken met betrekking tot het instellen en de intrekking van het hoger beroep in de Haarlemse strafzaak van R.,
- het feit dat een deel van de tekst in de brief van mr. Noordhoek aan de Hoofdofficier van justitie van 28 augustus 1998 onleesbaar was gemaakt, terwijl dit tekstgedeelte enige relevantie bleek te hebben voor de procedure van de totstandkoming van de overeenkomst, van betekenis was voor de inhoud van de afspraak en geenszins te maken had met afscherming van zwaarwegende opsporingsbelangen,

- het in evenvermelde brief door mr. Noordhoek gewag maken van "vermoedelijke geweldselementen", waarin de verklaringen van R. inzicht zouden verschaffen, terwijl van geweldselementen in de onderhavige zaak geenszins is gebleken en ook niet duidelijk is waarop de vermoedens dienaangaande ten tijde van het schrijven van de brief konden zijn gebaseerd en

- het door het openbaar ministerie voortijdig stopzetten van het SFO tegen R.,

bijeengenomen wel een zodanig verzuim, dat dit op de voet van het gestelde in artikel 359a, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafvordering in een eventuele strafoplegging dient te worden verdisconteerd.

Bespreking van ter terechtzitting gevoerde bewijsverweren

Met betrekking tot het onder 1, 3 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde
:

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat -zakelijk weergegeven en zoals vermeld in zijn pleitnota- geen acht mag worden geslagen op de processen-verbaal die zijn opgemaakt naar aanleiding van gesprekken/verhoren die hebben plaatsgevonden met Rg.. Het gaat hier immers om (een) dubbele van horen zeggen verklaring(en) (het hof begrijpt: de verklaringen van Rg. in de als bewijsmiddelen gebruikte processen-verbaal van 31 maart 1998, 7 april 1998 en 7 mei 1998 van de verbalisanten J.W.A. Arends en A.D. van Zetten) en bovendien heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep niet de gelegenheid gehad om Rg. terzake te kunnen ondervragen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt het volgende. Voormelde processen-verbaal bevatten telkens als relaas van voornoemde verbalisanten onder meer de
-tegenover die verbalisanten afgelegde- verklaring van B.P. Rg.. Deze verklaring is telkens weergegeven in de indirekte vorm, waarbij de verbalisanten als hun eigen waarneming verklaren wat Rg. tegenover hen heeft verklaard als hetgeen verdachte, C., zelf heeft meegemaakt. In het algemeen moet worden gesteld dat, indien een verklaring van een persoon -inhoudende hetgeen hij zelf heeft vernomen uit de mond van een ander- schriftelijk wordt weergegeven door een andere persoon, deze schriftelijk weergegeven verklaring bevat hetgeen de verbaliserende persoon zelf heeft gehoord. De (enkele) reden dat de verbalisanten in het onderhavige geval hebben gekozen om de verklaring van Rg. als hun eigen waarneming schriftelijk weer te geven, maakt dan ook niet dat gezegd kan worden dat in dat geval sprake is van een dubbele `van horen zeggen'-verklaring. Zij hadden immers even zo goed er voor kunnen kiezen Rg.'s verklaring in de eerste persoon, de `ik'-vorm, weer te geven, waarmee het door de raadsman veronderstelde probleem zou zijn ondervangen.

Wat betreft de stelling dat de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad de getuige Rg. ter terechtzitting in hoger beroep te kunnen ondervragen, overweegt het hof dat Rg. meermalen als getuige is opgeroepen ter terechtzitting te verschijnen, doch dat hij telkens niet ter terechtzitting is verschenen of heeft kunnen verschijnen en dat de verdediging ter terechtzitting van 6 oktober 2000 uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van het recht Rg. alsnog ter terechtzitting als getuige te horen.

Het hof verwerpt het verweer.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde
:

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd -zakelijk weergegeven en zoals vermeld in zijn pleitnota- dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 2 tenlastegelegde, reeds omdat in dat tenlastegelegde feit geen sprake is van een oogmerk van de aldaar omschreven organisatie, op het plegen van meer dan één misdrijf. Feit 2 op de dagvaarding heeft immers slechts betrekking op de gang van zaken rond de voor de kust van Sri Lanka inbeslaggenomen partij hash, aldus de raadsman.

Het hof overweegt het volgende. Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd, in het bijzonder gelet op de verklaring van A., blijkt dat C. in de periode 1993, begin 1994 A. heeft aangesproken over zijn plan om een hashhandel vanuit Sri Lanka naar Nederland op te zetten. Vervolgens heeft A. C. in Sri Lanka in contact gebracht met personen die de transporten met reguliere lading (aardewerk/klei/meubelen) en hash voor C. (mede) verzorgden. Door C. en/of die personen zijn met het oog op die handel pakhuizen in Sri Lanka gehuurd en is daadwerkelijk een handelslijn ontstaan. Langs die lijn zijn, met C. als verzender en ontvanger in Nederland, meermalen ladingen met (reguliere) handel verzonden (gelet op het overzicht met transporten vermeld in het proces-verbaal d.d. 20 maart 1998 van H.D. Duiveman, bijlage 01A/AH/50). Zeer waarschijnlijk is ook daadwerkelijk een aantal ladingen hash vanuit Sri Lanka naar Nederland verzonden, gelet op hetgeen C. daarover heeft verklaard tegenover R. (verklaringen op 7 en 8 juli 1998 van R.). Ook De M. heeft verklaard (tegenover de rechter-commissaris op 12 november 1998), net als B.P. Rg. (proces-verbaal van 12 maart 1998 van J.W.A. Arends en A.D. van Zetten), dat C. een handel in reguliere lading had (porselein) die diende als dekmantel voor de handel in hash vanuit Sri Lanka naar Nederland. Op grond van het voorgaande is aannemelijk geworden het bestaan van een handelslijn, die in stand wordt gehouden door een samenwerkingsverband van C. en anderen en langs welke lijn op meer dan incidentele wijze hash vanuit Sri Lanka naar Nederland is en/of kon worden vervoerd. Door de verdediging is niet gesteld, en ook overigens is op grond van de inhoud van het dossier niet aannemelijk geworden, dat vanuit dit samenwerkingsverband, met name op initiatief van C., het handelen in goederen langs deze lijn werd of zou worden beëindigd. Derhalve kan worden gesteld dat dit samenwerkingsverband als oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het invoeren van hash vanuit Sri Lanka naar Nederland. Het hof verwerpt het verweer.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 primair en 4 primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat:


- ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde -
hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 maart 1993 tot en met 12 november 1997, te Amsterdam en te Zaandam en te Hoorn en in Melle in België en in Gent in België, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en B. R. en B. E. en N. de M. en C. Cv. en G. Kb. en een of meer andere perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

A. - het verrichten van voorbereidingshandelingen ten behoeve van het (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of aanwezig hebben en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of

B. - het telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en het telkens opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne,

welke deelneming bestond uit het:


- (laten) verstrekken van een of meer geldbedragen aan B. R. en/of N. de M. om die misdrijven voor te bereiden en/of te plegen en/of mogelijk te maken en hiertoe:


* een of meer geldbedragen verstrekken en/of laten verstrekken aan die De M. en/of aan een of meer van zijn bedrij(f)(ven), teneinde te bewerkstelligen dat die/het bedrij(f)ven in staat zou(den) blijven om als toezendadres (sen) en/of afleveradres(sen) van (bovenbedoelde) partij(en) en/of gecombineerde partij(en) met fruit en cocaïne te fungeren en/of

* een of meer geldbedra(g)(en) verstrekken en/of laten verstrekken aan B. R. ter financiering van een/of meer rei(s)(zen) naar Venezuela en/of de Verenigde Staten van Amerika teneinde (vervolgens) contacten te leggen met Cv. en/of G. Kb. en/of een of meer (andere) leverancier(s) van cocaïne, (mede) in verband met het realiseren van transporten van (bovenbedoelde) partij(en) cocaïne en/of


- voeren van overleg met en/of (laten) maken van afspraken met en/of (laten) geven van opdrachten en/of (laten) leggen van en/of (laten) onderhouden van contacten met en/of tussen B. R. en/of B. E. en/of N. de M. en/of een of meer andere verdachte(n) met betrekking tot (het voorbereiden van) het invoeren van cocaïne en/of

- zich door B. R. en/of B. E. en/of N. de M. (laten) informeren over en/of voeren van overleg met en/of (laten) geven van opdrachten aan en/of (laten) maken van afspraken met B. R. over en/of in verband met de financiële afwikkeling in verband met de verkoop en/of de betaling van ingevoerde partijen cocaïne en/of
- van B. R. ontvangen van een of meer geldbedrag(en) (als commissie) voor zijn aandeel en/of werkzaamheden en/of bemiddeling(en) bij het binnen het grondgebied van Nederland brengen van partij(en) cocaïne en/of


- (laten) zoeken naar (nieuwe) cocaïne leveranciers en/of

- verrichten van hand- en spandiensten met betrekking tot de voorbereiding en/of uitvoering van voornoemde misdrijven;


- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde -
hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 maart 1993 tot en met 1 juni 1997, te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of in Sri Lanka heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit verdachte en/of D. A. en/of B.P. Rg. en Y.R. M. en M.A. Rh.,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

het meermalen telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of het aanwezig hebben van hashish,

welke deelneming bestond uit:


- het verstrekken van geldbedrag(en) in de vorm van een of meer onkostenvergoeding(en) en/of reiskostenvergoeding(en) aan D. A. en/of B.P. Rg. om die misdrijven te plegen en/of mogelijk te maken en/of

- het (laten) voeren van overleg en/of het maken van afspraken met D. A. en/of B.P. Rg. over de wijze van uitvoering van die misdrijven en/of


* het zich (laten) introduceren bij K. I. en Y.R. M. en M.A. Rh. en S.A. S. ten einde overleg te (laten) voeren en/of afspraken te (laten) maken met betrekking tot het verschepen/verzenden van een of meer container(s) inhoudende hashish naar Nederland en/of het kopen danwel huren van een/of meer pakhui(s)(zen) in Sri Lanka om hashish en een of meer deklading(en) in de vorm van klei en/of keramiek en/of rotanmeubelen op te slaan en/of die/dat pakhui(s)(zen) te gebruiken als ontvangstadres en/of afleveradres en/of toezendadres van een of meer containers inhoudende hashish en /of het laten aanschaffen van een boot (genaamd Sasikaduwa) om hashish op over te laden en vervolgens met die boot aan land te laten brengen op Sri Lanka en vervolgens naar Nederland te laten vervoeren,

terwijl hij van die organisatie bestuurder was;


- ten aanzien van het onder 3, primair tenlastegelegde -
hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 juni 1994 tot en met 7 juni 1997, te Hoorn en/of te Zaandam en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of in Melle in België en/of in Gent in België en/of elders in België, tezamen en in vereniging met B. R. en/of B. E. en/of N. de M. en/of C. Cv. en/of G. Kb. en/of een ander of anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 94 kilogram cocaïne en ongeveer 84 kilogram cocaïne en ongeveer 200 kilogram cocaïne en ongeveer 150 kilogram cocaïne en ongeveer 400 kilogram cocaïne en ongeveer 700 kilogram cocaïne,

immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) telkens opzettelijk:


- een of meer geldbedrag(en) verstrekt of laten verstrekken aan B. R. en/of N. de M. om die transporten van bovenbedoelde partijen cocaïne mogelijk te maken en hiertoe:


- een of meer geldbedragen verstrekt en/of laten verstrekken aan die De M. en/of aan een of meer van zijn bedrij(f)ven, teneinde te bewerkstelligen dat die/het bedrij(f)(ven) in staat zou(den) blijven om als toezendadres(sen) en/of afleveradres(sen) van (bovenbedoelde) partij(en) met fruit en cocaïne, te fungeren en/of
- een of meer geldbedrag(en) verstrekt en/of laten verstrekken aan B. R. ter financiering van een of meer rei(s)(zen) naar Venezuela en/of de Verenigde Staten van Amerika teneinde (vervolgens) contacten te leggen met en/of te onderhouden met Cv. en/of G. Kb. en/of een of meer (andere) leverancier(s) van cocaïne, in verband met het realiseren van transporten van (bovenbedoelde) partij(en) cocaïne en/of


- B. E. en/of B. R. geïntroduceerd en/of laten introduceren bij N. de M. ten behoeve van het maken van afspraken over het gebruik van een of meer bedrij(f)(ven) van N. de M., als ontvangstadres van bovenbedoelde partij(en) cocaïne en/of


- zich verslag laten uitbrengen door en/of laten inlichten door en/of opdrachten gegeven aan en/of afspraken gemaakt met B. R. over en/of in verband met de contacten die B. R. met Cv. en/of met G. Kb. had en/of onderhield in verband met het realiseren van transporten van bovenbedoelde partijen cocaïne en/of


- bovenbedoelde partij(en) cocaïne met een bestelauto vanuit België binnen het grondgebied van Nederland gebracht en/of laten brengen en/of


- van B. R. een of meer geldbedrag(en) ontvangen als commissie voor zijn aandeel en/of werkzaamheden en/of bemiddeling(en) bij het binnen het grondgebied van Nederland brengen van bovenbedoelde partijen cocaïne;


- ten aanzien van het onder 4, primair tenlastegelegde -
hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 maart 1993 tot en met 23 december 1996, te Amsterdam en in Sri Lanka tezamen en in vereniging met B.P. Rg. en Y.R. M. en M.A. Rh.

ter uitvoering van hun voorgenomen misdrijf om opzettelijk vanuit Sri Lanka binnen het grondgebied van Nederland te brengen ongeveer 10.150 kilogram hashish

het volgende heeft gedaan:

hij, verdachte en/of een of meer van zijn (mede)daders heeft/hebben toen, aldaar opzettelijk eenmaal of meermalen:


- zich laten introduceren bij K. I. en Y.R. M. en M.A. Rh. en S.A. S. ten einde overleg te (laten) voeren en/of afspraken te (laten) maken met betrekking tot het verschepen/verzenden van een/of meer container(s) inhoudende hashish naar Nederland en/of
- een/of meer geldbedrag(en) in de vorm van een of meer onkostenvergoeding(en) en/of reiskostenvergoeding(en) aan D. A. en/of B.P. Rg. om dat misdrijf mogelijk te maken en/of
- overleg gevoerd met en/of laten voeren met en/of afspraken gemaakt met D. A. en/of B.P. Rg. over de wijze van uitvoering van dat misdrijf en/of

- een vissersboot (genaamd Sasikaduwa) aangeschaft en betaald teneinde die hashish verder te kunnen (laten) vervoeren en/of
- ongeveer 10.150 kilogram hashish op zee laten overladen van een vaartuig op die vissersboot (genaamd Sasikaduwa) en vervolgens die vissersboot inhoudende hashish in de richting van het vaste land van Sri Lanka laten varen en vervolgens die hoeveelheid hashish binnen het grondgebied van Sri Lanka laten brengen om het vervolgens naar Nederland te laten vervoeren en/of


- maatregelen getroffen teneinde hashish in ontvangst te (laten) nemen,

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Met betrekking tot hetgeen is bewezenverklaard ten aanzien van feit 3, primair achter het laatste gedachtestreepje, en feit 4, primair achter het eerste tot en met het derde gedachtestreepje, overweegt het hof
-voor elk van die feiten afzonderlijk- het volgende. Achter voormelde gedachtestreepjes is/zijn (een) bepaalde gedraging(en) van verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) tenlastegelegd en bewezenverklaard. Deze gedraging(en) kan/kunnen echter niet worden aangemerkt als (een) gedraging(en) die het strafbare feit zelf betreft(fen). Het zijn geen gedragingen waarover artikel 1, lid 4 van de Opiumwet zich uitstrekt. Ook overigens kunnen deze gedragingen zoals hier tenlastegelegd niet als strafbaar worden aangemerkt. Derhalve zal het hof de verdachte -met betrekking tot hetgeen is bewezenverklaard ten aanzien van feit 3, primair achter het laatste gedachtestreepje, en in feit 4, primair achter het eerste tot en met het derde gedachtestreepje- ontslaan van alle rechtsvervolging.

Overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit :
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit :
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij bestuurder van die organisatie is. ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde feit :
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
ten aanzien van het onder 4 primair tenlastegelegde feit :
medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar. De officier van justitie achtte een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren passend en geboden. De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan twee criminele organisaties. Als lid van de eerste organisatie heeft hij zich bezig gehouden met het binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 1.500 kilo cocaïne vanuit Zuid-Amerika. Door de organisatie was voor het invoeren van de cocaïne een transportlijn gecreëerd waarlangs zeer grote hoeveelheden van die stof konden worden vervoerd. De verdachte had in de organisatie een bemiddelende, faciliterende -in het bijzonder financierende- en begeleidende rol. Voor het bestaan van de organisatie vervulde verdachte derhalve een belangrijke functie. Door aldus te handelen heeft hij geprofiteerd van door anderen gepleegde misdrijven en het criminele circuit in stand gehouden en gestimuleerd. De verdachte heeft hierbij kennelijk gehandeld uit een oogpunt van groot financieel gewin, gelet op de grote geldbedragen die hij in verband met de cocaïnetransporten heeft ontvangen. Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit.

Als lid van de tweede organisatie heeft de verdachte een leidinggevende en initiërende rol gespeeld in het organiseren van transporten van grote hoeveelheden hash vanuit Sri Lanka naar Nederland. Dat een door hem en zijn medeplegers gepland transport van meer dan 10.000 kilo hash voor de kust van Sri Lanka in beslag is genomen, is niet aan verdachte te danken. Verdachtes handelen is op grond van de Opiumwet verboden. Hij heeft bovendien bijgedragen aan het instandhouden van een, voor de samenleving schadelijk, illegaal geldcircuit dat gepaard gaat met de handel in hash. Kennelijk heeft verdachte, net als in de eerste organisatie, gehandeld uit een oogpunt van financieel gewin, gelet op de grote geldbedragen die zijn gemoeid met de handel in grote hoeveelheden hash.

Gelet op het voorgaande acht het hof, mede gelet op de straffen waartoe medeverdachten zijn veroordeeld in met name -kort gezegd- "de cocaïnezaak", oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar passend en geboden.

In de eerdergenoemde overwegingen (onder ad.8 CONCLUSIE) die de gang van zaken betreffen rond -kort gezegd- de overeenkomst van het openbaar ministerie met de verdachte R., alsmede in de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 25 november 1999 niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten, ziet het hof aanleiding de duur van voormelde gevangenisstraf te verminderen met een tiende deel van de duur van die straf.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57 en 140 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn (verdere) vervolging van verdachte, en wel voorzover de tenlastelegging onder feit 2 het verwijt omvat dat het oogmerk van de hier bedoelde criminele organisatie (mede) was gericht op het binnen het grondgebied van Sri Lanka brengen van hashish.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 primair en 4 primair tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 primair en 4 primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde ten aanzien van feit 3, primair achter het laatste gedachtestreepje, en feit 4, primair achter het eerste tot en met het derde gedachtestreepje, niet strafbaar is en ontslaat verdachte in zoverre van alle rechtsvervolging.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd

van 9 (NEGEN) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de op bij dit arrest gevoegde lijst van inbeslaggenomen voorwerpen voorkomende, nog niet teruggegeven voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Hartingsveldt, Splinter-van Kan en Swart, in tegenwoordigheid van mr. Van Iperen en Welmers als griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 november 2000.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie