Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Inbreng D66 debat cultuurnota

Datum nieuwsfeit: 13-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
D66

13 november 2000

INBRENG DEBAT CULTUURNOTA

Boris Dittrich

De leer van Thorbecke

Staatsrechtelijk is dit een interessant debat. Thorbeckes leer gebiedt de politiek op afstand te blijven bij het beoordelen van de kunsten. Thorbecke wordt rond de cultuurnota wel erg vaak en makkelijk van stal gehaald. In zijn tijd werd er nog nauwelijks kunst door de overheid gesubsidieerd. Naar mate de rol van de overheid als subsidiegever sterker wordt en er voorwaarden aan subsidieverlening worden gesteld, wordt die grens vloeiender. Toch is de kern van Thorbecke's uitspraak helder en wordt deze ook door D66 onderschreven. Wij hebben ons indertijd heftig verzet toen minister Brinkman dit beginsel met voeten trad en de PC Hooftprijs weigerde toe te kennen aan Hugo Brandt Corstius.

De Raad voor Cultuur is ingesteld om als deskundige een inhoudelijk oordeel over de prestaties en de subsidieaanvragen van de kunstinstellingen te vellen. De medewerkers van de Raad komen uit de kunstwereld en zo kan volgehouden worden dat de kunstwereld zichzelf beoordeelt.

De staatssecretaris kan de beoordeling van de Raad voor Cultuur eigenlijk maar marginaal toetsen. Neemt hij het standpunt van de Raad over, dan is het zijn beslissing geworden. De Kamer kan die beslissing in wezen ook alleen maar toetsen aan de hand van de vraag of de beslissing zorgvuldig tot stand gekomen is. Die vraag is overigens lang niet zo gemakkelijk te beantwoorden als op het eerste gezicht blijkt.

Twee jaar geleden heb ik mondelinge kamervragen gesteld over de situatie, die was ontstaan rond het dansgezelschap Djazzex. Hun subsidieaanvraag was afgewezen. De Raad had beweerd een aantal voorstellingen bezocht te hebben en kwam op grond daarvan tot een negatief kwaliteitsoordeel. Djazzex vocht deze beslissing aan, maar kreeg geen geld meer. Het gezelschap hield op te bestaan. De rechter stelde Djazzex later in het gelijk, omdat de Raad niet de vereiste zorgvuldigheid in acht had genomen.
Ik vroeg de staatssecretaris twee jaar geleden al zich er van te verzekeren dat de Raad voor Cultuur in deze cultuurnotaprocedure zo zorgvuldig en transparant mogelijk te werk zou gaan. Naarmate de adviezen van de Raad minder inzichtelijk zijn, wordt de ruimte voor de politiek groter om van de adviezen af te wijken.

Sommige van de adviezen van de Raad, waarbij de Raad tot stopzetting van de subsidie pleitte, overtuigen D66 niet. De leer van Thorbecke mag dan niet als een schaamlap gebruikt worden om je achter het advies te verschuilen. Het is dan aan de Kamer om zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen.
Als de Raad bijvoorbeeld over Museum Huis Doorn overweegt dat Huis Doorn als verblijfplaats van de Duitse keizer geen directe banden met Nederland en de Nederlandse geschiedenis heeft, dan mag de Tweede Kamer daar gerust afstand van nemen. Koningin Wilhelmina verleende de Duitse keizer asiel, en Nederland werd bijna door Groot-Brittanië de oorlog verklaard. Wat D66 betreft moet Huis Doorn blijven. Daarbij steunen wij de beslissing van de staatssecretaris om samen met de staatssecretaris VROM naar de exploitatiemogelijkheden te kijken.

De Cultuurnotaprocedure

In het verleden is er voor gekozen om elke vier jaar de subsidie-aanvragende instellingen te beoordelen. D66 vindt dat daar voordelen aan verbonden zijn. Een instelling, die het groene licht heeft gekregen, kan zich vier jaar lang op de inhoud richten en hoeft zich niet constant af te vragen of hij in zijn voortbestaan wordt bedreigd. Maar duidelijk moet ook zijn dat subsidieverstrekking geen levensverzekering is. Een periodieke beoordeling is op zijn plaats.

Dat betekent nog niet dat alle instellingen in een zelfde procedure moeten worden beoordeeld. D66 vermag niet in te zien, waarom de suggestie moet worden gewekt dat het Concertgebouw, het Nederlands Danstheater of het Rijksmuseum elke keer examen moeten afleggen of zij wel bestaansrecht hebben. Voor boegbeelden moet een aparte procedure komen.
D66 is er voorstander van dat alleen die instellingen in de cultuurnotaprocedure worden opgenomen, die een landelijke uitstraling hebben of, wanneer het een nieuwkomer betreft, dat die verwachting gerechtvaardigd is. Regionaal georiënteerde gezelschappen zouden in ander verband beoordeeld moeten worden.
De fondsen beoordelen kortlopende aanvragen in de huidige systematiek. D66 kan zich voorstellen dat er bij de fondsen wat verruiming komt, zodat zij ook bijvoorbeeld tweejarige aanvragen beoordelen. Wat vindt de staatssecretaris hiervan?

Waar D66 moeite mee heeft is dat er instellingen zijn, die van de vorige Raad voor Cultuur een goede beoordeling kregen, die tussentijds extra subsidies toegewezen hebben gekregen en bij tussentijdse gesprekken niets negatiefs hebben gehoord, maar die bij de beoordeling van de huidige subsidie-aanvraag bij verrassing met een negatief kwaliteitsoordeel worden geconfronteerd. D66 voelt veel voor tussentijdse attenderingen, indien de Raad meent dat het niet de goede kant op gaat met de prestaties van een gezelschap. Een dergelijk systeem vergt meer van de Raad, maar is zorgvuldiger richting instellingen. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Zo'n instelling, die met een negatief advies werd geconfronteerd, is Orkater. Het advies is op de keper beschouwd geen controleerbare kwaliteitsbeoordeling. Het is een opsomming van subjectieve kwalificaties: "de theaterstukken zijn nauwelijks als geslaagd te beschouwen, van het elan van vroeger is weinig meer te bespeuren, toenemende oppervlakkigheid etc" Ook bij een marginale toetsing wil je toch weten op welke feiten dit gebaseerd wordt?

Ik stel voor dat in de volgende cultuurnotaprocedure een toets wordt ingebouwd op het advies van de Raad. De toets zou door juristen kunnen worden uitgevoerd, niet kwalitatief inhoudelijk, maar of de adviezen logisch in elkaar zitten, consistent zijn, helder in hun opbouw en goed in hun motivering.

Ik kom dan bij het fenomeen van de voorstellingsbezoekers. Bij veel adviezen schrijft de Raad dat er voorstellingsbezoek heeft plaats gevonden. De verslagen van de voorstellingsbezoekers worden door de Raad niet aan de instelling ter inzage gegeven. Met het DJAZZEX-debacle in het achterhoofd is het de vraag of het niet ter inzage geven bij de rechter stand houdt. Transparant wordt de procedure er niet door. Het argument dat voorstellingsbezoekers geen verslagen meer willen schrijven, als zij weten dat het door derden gelezen wordt, vind ik geen sterk argument. Ik vraag de staatssecretaris het er toe te leiden dat de verslagen ter inzage worden gegeven.

Onduidelijk vindt D66 dat de Raad voor Cultuur de na de kwaliteitsbeoordeling komende drie secundaire aandachtspunten, maatschappelijk bereik, subsidiebedrag per bezoeker en de positie, die de instelling binnen het bestel inneemt, soms wel en soms niet expliciet verwerkt. Volgens de staatssecretaris betekent niet vermelding niet dat de drie aandachtspunten geen rol hebben gespeeld bij de betreffende beoordeling. Hoe weet de staatssecretaris dat? D66 vindt deze gang van zaken niet bijdragen aan een helder beeld. Het wordt moeilijk beoordelingen met elkaar te vergelijken. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Overigens betreurt D66 het dat de Raad voor Cultuur niet consequent beoordeeld heeft wat de instellingen in de afgelopen vier jaar hebben waargemaakt van hun beleidsplan uit 1996. Ons lijken dat belangrijke gegevens bij de beoordeling van het nieuwe beleidsplan. Waarom is dat niet gebeurd?

Formulierencultuur

De staatssecretaris heeft formulieren laten ontwikkelen, die de instellingen bij hun aanvragen moesten gebruiken. D66 wil dat hier verandering in komt. De formulieren nodigen uit tot bureaucratische invuloefeningen. Zo contrair aan de creativiteit van de kunstenaar. We hebben het hier over twee aparte werelden. De formulieren wekken de suggestie dat de beoordeling van de Raad allerlei meetpunten afloopt en dat er als het ware punten gegeven worden, wanneer de Raad zijn eindbeoordeling bekend maakt. De gedetailleerdheid van de invuleisen staan in schril contrast met de vaagheden, die de Raad zich soms permitteert bij de beoordeling van het betreffende gezelschap. Helaas zijn er gezelschappen, die bureaus inschakelen, die voor hen de beleidsplannen schrijven en de formulieren invullen. Zijn we dan niet bezig met een grote vertoning?
Als voorbeeld hoe de wereld van de formulieren ver afstaat van wat de kunstinstelling beoogt, noem ik het beleidsplan van Felix Meritis. Met de zomeruniversiteit en met Essay international weet Felix Meritis diepgaande kontakten met kunstenaars en kunstinstellingen uit het buitenland te bewerkstelligen. Dat internationale netwerk leidt tot moeilijk te fotograferen resultaten, maar kan essentieel zijn voor de Nederlandse cultuurbeleving. Essay international haalt goede schrijvers/filosofen naar Nederland voor lezingen en workshops. De Nederlandse cultuurmakers profiteren daarvan. Het internationale netwerk beïnvloedt elkaar over en weer. Maar hoe maak je zoiets duidelijk aan de Raad voor Cultuur? De Raad oordeelt hard, maar tamelijk oncontroleerbaar : "van weinig projecten springt de noodzaak in het oog, vergeleken met wat in het verleden al is gedaan."

Schijn van belangenverstrengeling.

Begin 2000 stelde ik schriftelijke kamervragen, omdat ik bevreesd was dat leden van de beoordelingscommissies van de Raad de schijn van belangenverstrengeling tegen zich zouden kunnen hebben. De kunstwereld is klein. Puttend uit dat kleine reservoir krijg je al gauw het gevaar dat leden van een beoordelingscommissie zelf direct of indirect belangen hebben bij de aanvraag van een bepaalde instelling. Met de publicatie in de bijlage bij het advies probeert de Raad zo veel mogelijk openheid te verschaffen. De werkwijze dat een lid van de beoordelingscommissie even op de gang gaat staan, wanneer de aanvrage wordt besproken, doet geen vertrouwen in de zuiverheid van de procedure ontstaan. Toen D66 vroeg of ook niet voorkomen moest worden dat leden van de beoordelingscommissies zouden oordelen over de subsidie-aanvragen van concurrerende instellingen, was het antwoord : dat kan niet, want dan zal een onwerkbare situatie ontstaan. Dit antwoord van de staatssecretaris overtuigt niet. De schijn van belangenverstrengeling, die de Raad poogt te voorkomen, moet ook voor die categorie voorkomen worden. Hoe kun je nu verwachten dat een instelling, wiens aanvraag werd afgewezen, mede door een lid dat belangen heeft bij een concurrerende instelling, die wel subsidie van diezelfde commissie heeft gekregen, vertrouwen heeft in een zorgvuldige beoordeling?
Graag hoor ik van de staatssecretaris hoeveel bezwaarschriften er zijn ingediend en of in die bezwaarschriften het thema van de schijn van belangenverstrengeling aan de orde is gesteld.

De vierde macht.

In het kader van de cultuurnota-procedure kan ook de rol van de ambtenaren op het departement niet ongenoemd blijven. Bij het onderhouden van contacten met het veld is het van belang dat ambtenaren niet al te lang op een plek zitten, maar dat zij na verloop van jaren rouleren. Gebeurt dat niet, dan ontstaat het gevaar dat de ambtenaar een eigen koninkrijkje creëert en dat hij/zij een buitenproportionele invloed op het beleid krijgt. Mag ik de staatssecretaris vragen een actief rouleringssysteem op te zetten en daar met de Kamer over van gedachten te wisselen?

Aan de ene kant heb je de kunstenaars en de kunstproducerende instellingen, die subsidie van de overheid vragen, aan de andere kant zijn er de fondsen, de Raad voor Cultuur en de ambtenaren ten departemente. Is er nog wel sprake van een reële verhouding tussen de kosten van het apparaat (salaris, huisvesting, overhead) en het geld dat naar de kunstenaars gaat? Graag een reactie.

In dit kader merkt D66 op dat wij de Federatie van kunstenaars voor hun ondersteunende werkzaamheden aan kunstenaars en kunstinstellingen in hun financiële claim willen honoreren. Traditioneel werkt het veld niet echt samen. Kunstenaars zijn vaak eenlingen, eigengereid. Het werk van de federatie brengt bundeling aan, waar dat nodig is. Het zou eigenlijk buiten de cultuurnota om gefinancierd moeten worden.

Het geld

Op 9 mei 2000 bespraken de woordvoerders de concept adviesaanvrage met de staatssecretaris. De periode daaraan voorafgaand hadden veel bewindspersonen met succes een gesprek met minister Zalm gehad en konden zij laten doorschemeren dat zij extra geld kregen. Borst, Korthals, Hermans. In dat debat vroeg ik de staatssecretaris of hij zich sterk had gemaakt bij de minister van financieën voor de cultuursector. De staatssecretaris antwoordde mij dat hij niet kon zeggen om hoeveel extra geld hij in het kader van de voorjaarsnota had gevraagd. Wel had hij op zijn "bescheiden" wijze, zo staat in het verslag, bij andere bewindslieden aangeklopt.
De afgelopen maanden heb ik van veel kanten het verhaal gehoord, dat de staatssecretaris zijn beurt bij Zalm voorbij heeft laten gaan. Dat Zalm de cultuursector wel miljoenen wilde toekennen, maar dat de staatssecretaris zich niet liet zien.
Wat is hier nu van waar? Ik vind dat de staatssecretaris hier duidelijkheid over moet verschaffen.
De staatssecretaris heeft in die periode via een interview in het Parool de indruk gewekt da hij zich niet helemaal thuis voelt op zijn post. Het staatssecretariaat zou geen hele dagtaak voor hem zijn. Ik kan het me nauwelijks voorstellen dat de staatssecretaris serieus meende wat uit zijn mond werd opgetekend. Ik weet dat de staatssecretaris wel degelijk vaak aanwezig is bij cultuurmanifestaties. Zo was hij afgelopen zaterdagmorgen nog op de nationale schrijfdag in Paradiso. Ook dat is werk, leuk werk, maar tel je al dat soort bezoekjes bij elkaar op dan lijkt mij de werkweek fulltime gevuld. In kunstkringen werd het interview uitgelegd als zou de staatssecretaris neerkijken op de kunstwereld. Ik geloof niet dat dat zo is. Toch wil ik graag een toelichting op dat interview en hoe de staatssecretaris zijn werk ziet.

In elk geval is het zo dat D66 ernstig teleurgesteld was in het op Prinsjesdag voor Cultuur bereikte resultaat. In een tijd van overvloed, waarin vele departementen er ruim extra geld bij kregen, werd Cultuur onderbedeeld. De Kamer heeft dat zelf voor een deel weten te repareren bij de Algemeen Politieke Beschouwingen, toen de motie van D66 c.s. werd aanvaard en er 160 miljoen extra voor de cultuurnotaperiode bijkwam (40 miljoen per jaar structureel). De staatssecretaris heeft dat geld verdeeld in zijn brief van 19 oktober 2000. In grote lijnen steunt mijn fractie de verdeling wel. Waar ik blij mee ben is dat er bijna 15 miljoen wordt uitgetrokken voor versteviging van de podiumsector. Bij de wat kleinere bedragen is er gekozen voor een verhoging van de reeds toegekende bedragen met 30 % tot een maximum van 3 ton. Hiermee is wat pijn weggenomen bij nieuwkomers in het bestel, zoals 't Barre Land. De tragiek bij deze gezelschappen was dat zij wel tot het bestel werden toegelaten, maar structureel te weinig betaald kregen, waardoor de acteurs de helft van de tijd gedwongen zouden worden van een uitkering rond te komen of ergens een kortdurend baantje te nemen. Niet goed voor de continuïteit van de groep.

Ontevreden met eindresultaat.

Toch is D66, ondanks de De Graafgelden van 40 miljoen extra, ontevreden over het eindplaatje, zoals de staatssecretaris dat aan de Kamer heeft voorgelegd. Er zijn instellingen, die de afgelopen jaren binnen het bestel een reputatie hebben opgebouwd, die een groot publiek weten te bereiken, andere theatermakers weten te inspireren, maar die door de staatssecretaris terzijde worden geschoven. Ik neem daarbij in aanmerking dat die instellingen veelal bezwaarschriften hebben ingediend, en wellicht later naar de rechter zullen stappen.
De motie Melkert/De Graaf verzoekt de regering de mogelijkheden te onderzoeken van een meerjarig perspectief van de uitgaven aan kunst en cultuur (waaronder cultureel erfgoed), gericht op een structurele verhoging van het huidige budget. Met dat als achtergrond en de naderende voorjaarsnota vindt D66 dat de staatssecretaris de volgende instellingen opnieuw moet laten beoordelen door een commissie van deskundigen, analoog aan de gekozen constructie van de Muziekcommissie. Deze commissie zou in elk geval voor de zomer, rekening houdend met het voorgaande, tot een andere beoordeling van de instellingen moeten kunnen komen. Daarbij verzoek ik de staatssecretaris de subsidie van de volgende instellingen in elk geval voor het jaar 2001 te continueren. Mocht een gezelschap buiten de boot vallen, dan kan de restant periode worden benut voor de afbouw. Het gaat hierbij om :
Holland Festival
Huis Doorn
De Appel
Een formule om jonge regisseurs te ondersteunen. Hierbij denk ik aan herbeoordeling van Fact, Discordia en Carroussel (atelier Delphine). Felix Meritis met de functies Summer Univerity en Essay International. BEWTH.
De Rotterdamse Dansgroep.
De Gebroeders Flint.
Orkater
Theater Instituut
De nationale Reisopera
Het Nationale Toneel
De stichting Schrijven
Het Groningse Noorderlicht dient herbeoordeelt te worden in het kader van de komende beoordeling van de plannen rond de Beeldcultuur, die nog moeten worden afgerond.

De Raad voor Cultuur zal een nieuw advies moeten schrijven over de opleidingen en dan in het bijzonder moeten letten op de schildersopleiding en het Sandberg Instituut.

Plannen rond collectiemobiliteit.

D66 is wel te spreken over de hoofdlijnen van beleid m.b.t. de mobiliteit van kunstcollecties van musea. De oprichting van de vereniging Digitaal Erfgoed Nederland is een goede ondersteuning van de digitalisering van de museale collecties.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie