Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

OPTA besluit aanwijzing KPN als aanbieder van huurlijnen

Datum nieuwsfeit: 15-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
OPTA

Openbare versie aanwijzing huurlijnen (artikel 7.2 Tw)

Cursieve passages zijn vertrouwelijk en/of
bevatten bandbreedten van marktaandelen.

Besluit tot aanwijzing van Koninklijke KPN N.V. en haar groepsmaatschappijen als bedoeld in artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, als aanbieder van huurlijnen op grond van artikel 7.2 van de Telecommunicatiewet

Nummer: OPTA/EGM/2000/202724

15 november 2000


1. Inleiding



1. Met de inwerkingtreding van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) is Koninklijke KPN N.V. en haar groepsmaatschappijen als bedoeld in artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: KPN) op grond van artikel 20.1 van deze wet, voor een periode van twee jaar, tot 15 december 2000, onder meer aangewezen als aanbieder van huurlijnen in geheel Nederland die beschikt over een aanmerkelijke macht als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, en artikel 7.2, eerste lid, van de Tw.


2. Met de aanwijzing op grond van artikel 6.4, eerste lid, van de Tw zijn op de aangewezen aanbieder de verplichtingen inzake interconnectie en bijzondere toegang op grond van hoofdstuk 6 van de Tw van toepassing. Als gevolg van de aanwijzing op grond van artikel 7.2, eerste lid, van de Tw rusten op de aangewezen aanbieder de verplichtingen van het Besluit ONP huurlijnen en telefonie (hierna: het BOHT)1. De verplichtingen uit het BOHT hebben voornamelijk betrekking op de leverplicht en het hanteren van non-discriminatoire, kostengeoriënteerde en transparante tarieven en op de (leverings)voorwaarden voor huurlijnen.


3. Voor de beoordeling of KPN per 15 december 2000 op grond van artikel 6.4, eerste lid, van de Tw door het college dient te worden aangewezen als een aanbieder met aanmerkelijke macht op de markt voor huurlijnen is de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: het college) begin 2000 met een procedure begonnen. Naar aanleiding van deze procedure heeft het college KPN bij besluit van 15 november 2000, kenmerk OPTA/EGM/2000/202723, op grond van artikel 6.4, eerste lid, van de Tw aangewezen als aanbieder met een aanmerkelijke macht op de markt voor huurlijnen in geheel Nederland (hierna: de AMM-aanwijzing). Naar dit besluit, dat hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd, wordt uitdrukkelijk verwezen.


4. Mede gelet op de uitkomsten van de procedure ingevolge artikel 6.4, eerste lid, van de Tw zal het college in het onderhavige besluit beoordelen of KPN als aanbieder van huurlijnen aangewezen dient te worden op grond van artikel 7.2, eerste lid, van de Tw.


5. Bij de totstandkoming van dit besluit heeft het college de directeur-generaal van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: NMa) geraadpleegd. De NMa heeft bij brief van 10 oktober 2000 een


1 Besluit van 10 november 1998, Stb. 1998, 639.




1




Openbare versie aanwijzing huurlijnen (artikel 7.2 Tw)

Cursieve passages zijn vertrouwelijk en/of
bevatten bandbreedten van marktaandelen.

reactie gegeven op het onderhavige besluit en aan het college medegedeeld vanuit het oogpunt van het toezicht op de naleving van de mededingingsregels geen bezwaar tegen het onderhavige besluit te hebben.


6. Voorts heeft het college KPN bij brief van 11 oktober jl., kenmerk OPTA/EGM/2000/202744, uitgenodigd haar zienswijze op het concept van deze aanwijzing (hierna: concept-besluit) te geven. Naar aanleiding hiervan heeft het college KPN op 31 oktober gehoord. Daarnaast heeft het college op 6 november jl. een schriftelijke reactie van KPN ontvangen op het concept-besluit. De door KPN naar voren gebrachte standpunten worden, voor zover relevant, in het vervolg van dit besluit besproken. In hoofdstuk 4 wordt op de zienswijze van KPN nader ingegaan.


7. De opbouw van het onderhavige besluit is als volgt. In hoofdstuk 2 wordt het wettelijke kader geschetst op grond waarvan de aanwijzing van een aanbieder van huurlijnen als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, en artikel 7.2 van de Tw, geschiedt. In hoofdstuk 3 worden de overwegingen van het college gegeven die de basis van het besluit vormen. Hoofdstuk 4 bevat de zienswijze van KPN op het onderhavige besluit. In hoofdstuk 5 treft u het besluit van het college aan.


2. Wettelijk kader



8. In de Telecommunicatiewet is geregeld dat het college aanbieders met een aanmerkelijke marktmacht, voor zover het gaat om aanbieders van huurlijnen, aanwijst op grond van artikel 6.4, eerste lid, en op grond van artikel 7.2 van de Tw. Ingevolge de aanwijzing van artikel 6.4, eerste lid, van de Tw zijn bepaalde interconnectieverplichtingen voor huurlijnen uit hoofdstuk 6 van de Tw van toepassing op de aangewezen aanbieder. Het betreft de verplichtingen van de Interconnectierichtlijn2, die in de nationale wetgeving zijn geïmplementeerd. Door de aanwijzing van artikel 7.2, eerste lid, van de Tw zijn bepaalde verplichtingen uit paragraaf 2 van het BOHT van toepassing op de aangewezen aanbieder. Het betreft de verplichtingen van de Huurlijnenrichtlijn3, die in de nationale wetgeving zijn geïmplementeerd. Op beide wetsbepalingen wordt hierna ingegaan.

Aanwijzingsprocedure artikel 6.4, eerste lid, Tw


9. Op grond van artikel 6.4, eerste lid, van de Tw beschikt het college over de bevoegdheid om aanbieders van huurlijnen aan te wijzen, die in het gebied waarin zij binnen Nederland actief zijn op de markt voor huurlijnen, beschikken over een aanmerkelijke macht.


10. Zowel de Interconnectierichtlijn als artikel 6.4 van de Tw gaan uit van een vooraf afgebakende markt, zowel in geografische termen als naar product, voor huurlijnen. Het college heeft dit ook aangehaald in zijn "richtsnoeren aanwijzing aanmerkelijke marktmacht" van 8 maart 20004. Voor het bepalen of een


2 Interconnectierichtlijn van 26 juli 1997 (97/33/EG), gewijzigd op 3 oktober 1998 (98/61/EG).
3 Huurlijnenrichtlijn van 19 juni 1992 (92/44/EG), gewijzigd op 29 oktober 1997 (97/51/EG).
4 Staatscourant van 8 maart 2000, nr. 48.


2




Openbare versie aanwijzing huurlijnen (artikel 7.2 Tw)

Cursieve passages zijn vertrouwelijk en/of
bevatten bandbreedten van marktaandelen.

aanbieder beschikt over een aanmerkelijke macht op de markt voor huurlijnen geldt als hoofdregel dat een aanbieder op grond van artikel 6.4, eerste en derde lid, van de Tw op de totale markt voor huurlijnen in geheel Nederland beschikt over een marktaandeel van meer dan 25%. Artikel 6.4, vierde lid, van de Tw geeft het college de mogelijkheid om uitzonderingen op de hoofdregel als bedoeld in artikel 6.4, derde lid, van de Tw te maken.

Aanwijzingsprocedure artikel 7.2, Tw

11. Artikel 7.2, eerste lid, van de Tw voorziet in een afzonderlijke aanwijzingsbevoegdheid van het college. Op grond van dit artikel wijst het college aanbieders van huurlijnen aan op wie de regels van het BOHT van toepassing zijn. Op grond van het tweede lid van artikel 7.2 van de Tw wijst het college een aanbieder van huurlijnen aan voor zover deze beschikt over een aanmerkelijke macht op de relevante markt. Indien er geen aanbieder met aanmerkelijke marktmacht is, wijst het college op grond van het derde lid in ieder geval een aanbieder aan. Op grond van de Huurlijnenrichtlijn dient er namelijk in het hele grondgebied van de lidstaat een aanbieder te zijn op wie de verplichtingen van de Huurlijnenrichtlijn van toepassing zijn.


3. Overwegingen van het college


12. Uit de tekst van artikel 7.2 van de Tw blijkt dat het college in ieder geval voor de gehele markt van huurlijnen een aanbieder dient aan te wijzen op wie de regels uit paragraaf 2 van het BOHT van toepassing zijn. Uit artikel 7.2, tweede lid, van de Tw blijkt dat het college daarbij in eerste instantie dient te bezien of er een aanbieder is, die over aanmerkelijke marktmacht beschikt. Naar het oordeel van het college dient daarbij in de eerste plaats te worden bezien of op grond van artikel 6.4 van de Tw een dergelijke aanbieder reeds is aangewezen. Dit betekent dat, indien het college op grond van artikel 6.4 van de Tw een aanbieder heeft aangewezen met aanmerkelijke macht op de gehele markt voor huurlijnen in Nederland, deze aanbieder ook voor de gehele markt aangewezen zal worden op grond van artikel 7.2 van de Tw. Uitsluitend indien er in Nederland geen enkele aanbieder met een aanmerkelijke marktmacht op grond van artikel 6.4, eerste lid, van de Tw huurlijnen aanbiedt, dient het college op grond van artikel 7.2, derde lid, toch een aanbieder van huurlijnen aan te wijzen op wie de verplichtingen van het BOHT van toepassing zijn.

13. De aanwijzing op grond van artikel 7.2, eerste lid, van de Tw geschiedt derhalve op basis van de positie van de aanbieders van huurlijnen op de gehele markt voor huurlijnen in Nederland. Dat een aanbieder voor de gehele markt van huurlijnen wordt aangewezen, blijkt ook uit de Nota van Toelichting bij het BOHT5:

"Het is dus niet meer zo dat, zoals in de oorspronkelijke tekst van artikel 19 het geval was, het college bij de aanwijzing van een aanbieder op grond van artikel 7.2 moet onderzoeken of er mogelijkerwijs huurlijnentypen zijn waarvoor de betreffende aanbieder in bepaalde geografische gebieden geen

5 Staatsblad 1998, 639.






Openbare versie aanwijzing huurlijnen (artikel 7.2 Tw)

Cursieve passages zijn vertrouwelijk en/of
bevatten bandbreedten van marktaandelen.

aanmerkelijke macht heeft."

14. Denkbaar is evenwel dat de positie van de betreffende aan te wijzen aanbieder voor een bepaald type huurlijn of bepaalde typen huurlijnen in een bepaald geografisch gebied zodanig is dat hij daar geen aanmerkelijke marktmacht heeft of dat daar sprake is van daadwerkelijke concurrentie. Voor deze situatie zijn in het BOHT twee bepalingen opgenomen die voorzien dat een op grond van artikel 7.2, eerste lid, aangewezen aanbieder met aanmerkelijke marktmacht ontheffing kan vragen aan het college voor een aantal verplichtingen uit het BOHT. Het betreft dan een ontheffing van de verplichtingen als bedoeld in artikel 16, 17 en 18 van het BOHT die betrekking hebben op de kostenoriëntatie van de tarieven.

15. De eerste ontheffingsmogelijkheid is neergelegd in artikel 19 van het BOHT, dat bepaalt dat een op grond van artikel 7.2, eerste lid, van de Tw aangewezen aanbieder een ontheffing aan het college kan vragen indien hij van oordeel is dat hij in een bepaald geografisch gebied voor een specifiek huurlijnenaanbod niet over een aanmerkelijke macht op de markt beschikt. Artikel 20 van het BOHT voorziet in een ontheffing van een aangewezen aanbieder voor een bepaalde relevante huurlijnenmarkt indien het college van oordeel is dat op die markt sprake is van daadwerkelijke concurrentie. Tot nu toe heeft het college geen ontheffingsverzoeken van de aangewezen aanbieder ontvangen. Op zichzelf is het niet ondenkbaar dat KPN op grond van de uitkomsten van het marktonderzoek wel een dergelijk verzoek indient bij het college.

Conclusie

16. Gelet op het voorgaande dient het college bij de aanwijzing op grond van artikel 7.2 van de Tw eerst te bezien of er een aanbieder is, die op grond van artikel 6.4, eerste lid, van de Tw is aangewezen als aanbieder met aanmerkelijke macht voor de gehele markt voor huurlijnen in Nederland. Indien in Nederland een aanbieder is, die als zodanig is aangewezen, dan dient dezelfde aanbieder op grond van artikel 7.2 te worden aangewezen. Indien de op grond van artikel 7.2, eerste lid, van de Tw aangewezen aanbieder kan aantonen dat hij voor een bepaald type huurlijn of bepaalde typen huurlijnen in een bepaald geografisch gebied geen aanmerkelijke marktmacht heeft, dan kan hij het college vragen om ontheffing als bedoeld in artikel 19 en 20 van het BOHT van de verplichtingen als bedoeld in artikel 16, 17, en 18 van het BOHT.

17. Bij de AMM-aanwijzing van het college van 15 november 2000 is KPN op grond van artikel 6.4, eerste lid, van de Tw aangewezen als aanbieder met aanmerkelijke macht op de gehele markt voor huurlijnen in Nederland. Zowel uit het marktonderzoek dat het college in dat kader heeft laten uitvoeren, als uit de overwegingen van het college blijkt dat KPN op de markt voor huurlijnen over 1999 en over de eerste zes maanden van 2000 respectievelijk een marktaandeel, gemeten in omzet, van 77% en 64% heeft. Het college verwijst voor de uitkomsten van het marktonderzoek en zijn overwegingen naar de AMM- aanwijzing.

18. Gelet op het bovenstaande dient het college KPN op grond van artikel 7.2, eerste en tweede lid, van de Tw aan te wijzen als aanbieder van huurlijnen in geheel Nederland, op wie de regels als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, van de Tw van toepassing zijn.


4




Openbare versie aanwijzing huurlijnen (artikel 7.2 Tw)

Cursieve passages zijn vertrouwelijk en/of
bevatten bandbreedten van marktaandelen.

4. Zienswijze KPN

19. KPN heeft zowel schriftelijk als mondeling haar zienswijze op het concept van het onderhavige besluit naar voren gebracht. De hoofdlijnen van haar zienswijze komen op het onderstaande neer.

20. KPN stelt dat een eventuele aanwijzing op grond van artikel 7.2 van de Tw dient te geschieden op basis van een onderzoek naar de relevante markten en daarbij een onderscheid dient te worden gemaakt naar het type huurlijn en het geografische gebied. KPN constateert dat zij in het concept-besluit wordt aangewezen voor de hele markt. KPN acht het concept-besluit daarom in strijd met artikel 7.2 van de Tw.

21. Zoals reeds eerder aangegeven in hoofdstuk 3 van deze aanwijzing, is het college van oordeel dat uit de wet en de toelichting daarop blijkt dat bij de aanwijzing op grond van artikel 7.2 van de Tw voor de gehéle markt van huurlijnen een aanbieder dient te worden aangewezen en dat daarbij in eerste instantie dient te worden bezien of er een aanbieder is, die op grond van artikel 6.4 van de Tw is aangewezen als aanbieder met aanmerkelijke macht op de gehele markt voor huurlijnen. Als er een aanbieder is aangewezen op grond van artikel 6.4 van de Tw, dan dient het college die aanbieder ook bij de aanwijzing op grond van artikel 7.2 van de Tw, aan te wijzen voor de gehele markt voor huurlijnen. Een aanwijzing die zich zou beperken tot bepaalde typen huurlijnen en geografische gebieden, zou naar het oordeel van het college leiden tot een inconsistentie in de toepassing van het terzake geldende wettelijk kader. KPN's interpretatie van artikel 7.2 van de Tw leidt er namelijk toe dat voor die typen huurlijnen of geografische gebieden waarvoor KPN niet zou worden aangewezen geen enkele bepaling van het BOHT (paragraaf 2) zou gelden. Artikelen 19 van het BOHT voorziet echter, voor de door KPN bedoelde gevallen, uitsluitend in de mogelijkheid (eventueel onder het stellen van voorschriften of beperkingen) van een ontheffing van de artikelen 16, 17 en 18 van het BOHT (met name de kostenoriëntatieverplichting). De overige bepalingen van het BOHT omtrent huurlijnen blijven evenwel ook in die gevallen onverkort van toepassing. Nu de wetgever uitdrukkelijk in de genoemde ontheffingsmogelijkheden heeft voorzien, kan er naar het oordeel van het college geen sprake van zijn dat door een toepassing van artikel 7.2 van de Tw overeenkomstig de interpretatie van KPN aan artikel 19 van het BOHT elke praktische betekenis zou worden ontnomen.

22. KPN stelt dat het onterecht is dat zij op de markt voor huurlijnen groter dan 2 Mbit/s wordt aangewezen als aanbieder met aanmerkelijke marktmacht gezien het feit dat haar marktaandeel daar kleiner is dan 25%. Deze stelling gaat echter voorbij aan de omstandigheid dat, zoals in het voorgaande is aangegeven, de wettelijke systematiek naar het oordeel van het college met zich meebrengt dat KPN voor de gehele markt van huurlijnen in Nederland dient te worden aangewezen. Dat een ontheffing van de kostenoriëntatieplicht op grond van artikel 19 van het BOHT naar de mening van KPN onvoldoende recht zou doen aan KPN's positie op dit marktsegment, haar concurrentiepositie zou schaden en ten nadele zou zijn van gebruikers, kan daaraan naar het oordeel van het college niet afdoen, nu de wetgever uitdrukkelijk voor de in dat artikel vormgegeven ontheffingsmogelijkheid heeft gekozen.


5




Openbare versie aanwijzing huurlijnen (artikel 7.2 Tw)

Cursieve passages zijn vertrouwelijk en/of
bevatten bandbreedten van marktaandelen.

5. Besluit

23. Op grond van de voorgaande overwegingen wijst het college op basis van artikel 7.2, eerste en tweede lid, van de Tw Koninklijke KPN N.V. en haar groepsmaatschappijen als bedoeld in artikel 24b, boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover zij aanbieder zijn van huurlijnen, aan als partij op wie de regels als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, van de Tw van toepassing zijn. Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 december 2000.

24. Het college is van oordeel dat het onderhavige besluit zonder overgangstermijn in werking kan treden, aangezien KPN thans reeds op grond van artikel 20.1 van de Tw is aangewezen als aanbieder van huurlijnen in geheel Nederland die beschikt over een aanmerkelijke macht en als aanbieder als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van de Tw en het besluit derhalve voor KPN de facto geen veranderingen tot gevolg heeft. Voorts zou een overgangstermijn, waarin logischerwijs voor geen enkele aanbieder de verplichtingen uit het BOHT gelden, niet bevorderlijk zijn voor de verhoudingen op de markt voor huurlijnen.

25. De aanwijzing is van onbepaalde duur. Het college zal conform de AMM-aanwijzing ambtshalve een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, en voorts ieder jaar daarna, bezien of de aanwijzing moet blijven gelden. Bij die jaarlijkse evaluatie zal de aanwijzing mede geëvalueerd worden in het licht van de ontwikkelingen op de telecommunicatiemarkt en de ontwikkelingen op het gebied van de telecommunicatieregelgeving.

26. Een openbare versie van dit besluit wordt via de website van OPTA openbaar gemaakt. Voorts wordt een mededeling omtrent dit besluit gepubliceerd in de Staatscourant.

HET COLLEGE VAN DE ONAFHANKELIJKE POST EN TELECOMMUNICATIE AUTORITEIT, namens het college,

Prof. dr. J.C. Arnbak, voorzitter


6




Openbare versie aanwijzing huurlijnen (artikel 7.2 Tw)

Cursieve passages zijn vertrouwelijk en/of
bevatten bandbreedten van marktaandelen.

Indien belanghebbenden zich met dit besluit niet kunnen verenigen, kunnen zij binnen zes weken, aanvangende met ingang van de dag na die waarop dit besluit is bekendgemaakt, daartegen een bezwaarschrift indienen bij de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit. Het bezwaarschrift moet worden gericht aan:

Het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit Postbus 90420
2509 LK Den Haag

onder vermelding van `Bezwaarschrift'. Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en dient in ieder geval de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht, alsmede de gronden van het bezwaar te bevatten. Zo mogelijk dient een afschrift van het besluit en de overige op het bezwaar betrekking hebbende stukken te worden meegezonden.


7




reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie