Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Commentaar OCNV op beleidsbrief 'Onderwijs in stelling'

Datum nieuwsfeit: 16-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Samenvatting van het commentaar op de beleidsbrief Onderwijs in stelling. Kracht en creativiteit voor de kennissamenleving


* De Onderwijsbond CNV waardeert de inzet van de bewindslieden om tot een fundamentele discussie over integraal onderwijsbeleid te komen. Deze discussie zal bijdragen aan de ontwikkeling van een gezamenlijke visie voor de (middel)lange termijn die hard nodig is.

* Met vreugde constateert de Onderwijsbond CNV dat voor het eerst openlijk en duidelijk wordt erkend dat het huidige investeringsniveau te laag is. Dat tot op heden de kwaliteit van het onderwijs zo hoog is gebleven is niet te danken aan efficiency, maar aan de loyale inzet van onderwijspersoneel. Een meerjareninvesteringsplan is hard nodig.

* De Onderwijsbond CNV onderschrijft het perspectief dat de school in hoge mate uitgangspunt van beleid moet zijn zodat ze zich kunnen ontwikkelen tot lerende organisaties. Een groter accent op verantwoording achteraf over onderwijskwaliteit beschouwt de Onderwijsbond CNV als een logisch gevolg hiervan. Wel waarschuwt hij voor effect van vergaande standaardisering van het toezicht. De beleidsruimte die scholen krijgen, zou via de achterdeur weer verdwijnen.

* Om de school meer beleidsruimte te geven, zal bestaande regelgeving heroverwogen moeten worden op haar doelmatigheid. Desalniettemin bekritiseert de Onderwijsbond de beleidsbrief op een aantal punten waar duidelijk sprake is van ver doorschietende voorstellen tot liberalisering van het onderwijsbeleid. Er bestaan te hooggespannen verwachtingen van meer marktwerking in het onderwijs, de nadelen ervan worden te veel genegeerd.
* De invoering van lumpsum in het primair onderwijs is voor de Onderwijsbond CNV een te verkennen mogelijkheid, mits ook oog bestaat voor problemen die met een dergelijke invoering verbonden zijn. Bezien zou moeten worden in hoeverre besturen blijven kiezen voor kleinschaligheid op basis van levensbeschouwelijke uitgangspunten. Voorkomen moet worden dat bij dergelijke besturen onverantwoorde financiële risico's worden neergelegd.
* Met betrekking tot de voorstellen voor herstructurering van het overleg is de Onderwijsbond CNV van mening dat afzonderlijke onderwijsinhoudelijke overlegtafels voor primair en voortgezet onderwijs met een landelijke aansturende functie een goede mogelijkheid is. T.a.v. de plannen m.b.t. volledige decentralisatie van arbeidsvoorwaarden zijn de bewindslieden echter veel te voorbarig. Eerst moet worden bezien op welke wijze de systematiek van bekostiging en de mate van decentralisatie van arbeidsvoorwaarden het meest doelmatig kan worden vormgegeven. Vervolgens moet op basis van die bevindingen een doelmatige overlegstructuur worden ingericht

* Afwijzend staat de Onderwijsbond CNV tegenover de argumentatie om mogelijkheden voor private bekostiging van het onderwijs te verruimen.

* Ten aanzien van de voorstellen om de WOR te verkiezen boven de WMO ontbreekt een heldere argumentatie. De Onderwijsbond CNV is van mening dat ook op schoolniveau onderwijsinhoudelijk en arbeidsvoorwaardelijk beleid integraal moet worden vormgegeven en dat medezeggenschap van het personeel dus ook op beide terreinen mogelijk moet zijn.

Commentaar op de beleidsbrief Onderwijs in stelling. Kracht en creativiteit voor de kennissamenleving

Met de recent verschenen beleidsbrief Onderwijs in stelling geven de bewindslieden Hermans en Adelmund een nieuwe impuls aan een fundamentele discussie over het onderwijsbeleid voor de komende jaren. De Onderwijsbond CNV erkent de noodzaak van deze discussie ten volle, want onderwijs heeft schreeuwend behoefte aan beleid dat consistent is en op de huidige maatschappelijke context is toegesneden. Want in de afgelopen tijd is uit verschillend onderzoek gebleken hoezeer onderwijs onder druk staat als gevolg van onheldere, hooggespannen of zelfs tegengestelde verwachtingen. In de gedachte dat scholen in veel opzichten meer beleidsruimte moeten krijgen kan de Onderwijsbond CNV zich goed vinden. Scholen moeten zich kunnen ontwikkelen tot lerende organisaties. Desalniettemin plaatst de bond kritische kanttekeningen bij een aantal richtingen die de bewindslieden willen inslaan. Op verschillende plaatsen lijkt er sprake te zijn van een te ver doorschietend vertrouwen in de zogenaamde louterende werking van de markt. Hoopvol is de openlijke erkenning dat het investeringspeil structureel omhoog moet.

Kern van het betoog in de beleidsbrief is dat in onze dynamische `kennissamenleving' scholen niet meer centralistisch, gedetailleerd en beheersmatig aangestuurd kunnen worden. Scholen moeten in toenemende mate zelf het heft in handen gaan nemen en zich ontwikkelen tot autonome, professionele en zelfdenkende organisaties. Alleen zo kan het onderwijs flexibel blijven inspelen op ontwikkelingen als individualisering, het toenemend belang van `levenslang leren' en informatisering. Goed onderwijs is maatwerk, geen confectie. Scholen moeten daarom kunnen inspelen op de specifieke maatschappelijke context waarbinnen ze bestaan.

Beleidsruimte en verantwoording over de kwaliteit als communicerende vaten

Daarmee erkennen de bewindslieden in wezen dat binnen de dynamiek van de huidige samenleving de overheid niet langer in staat is het onderwijs gedetailleerd aan te sturen. Hun besturingsfilosofie vertoont interessante parallellen met ontwikkelingen binnen de organisatiekunde. Ook daar heeft zich het denken over gedetailleerde beheersmatig opgezette structuren geëvolueerd tot concepten die binnen organisaties meer ruimte bieden aan zelfsturende teams die op hoofdlijnen worden aangestuurd en naderhand op resultaten worden afgerekend.

Dezelfde systematiek zou volgens de bewindslieden voor het onderwijs moeten gelden: laten we zoveel mogelijk voorschriften schrappen en juist groter nadruk leggen op een goed georganiseerde verantwoording achteraf. Daarom wordt een nieuwe Toezichtswet voorbereid waarmee de inspectie bevoegdheden krijgt de school op tal van kwaliteitskenmerken aan te spreken.

Geen windtunneleffect

De Onderwijsbond CNV kan zich op hoofdlijnen wel goed vinden in deze redenering, maar betreurt het dat deze redenering, die sinds Variëteit en waarborg bekend is, nu niet verder uitgewerkt is en ingaat op de kritische kanttekeningen die tijdens het overleg over de nieuwe Toezichtswet zijn ingebracht. Kernprobleem is namelijk dat de beleidsruimte die ontstaat door het schrappen van voorschriften en regelgeving via de achterdeur van het inspectietoezicht en de maatschappelijke verantwoording weer geheel kan verdwijnen. Als immers de inspectie maatschappelijke en politieke verwachtingen aan het onderwijs vertaalt in talrijke gedetailleerde en uitgebreide kwaliteitsstandaarden waaraan alle scholen moeten voldoen, dan blijft er in de praktijk maar weinig van die beleidsruimte over en zal de variëteit die zo wenselijk wordt geacht ver te zoeken zijn. De bedoelde ontwikkeling van scholen tot autonome, lerende organisaties zal dan ook niet plaatsvinden. Want de nieuwe toezichtssystematiek zal dan gaan functioneren als een `windtunnel' waardoor alle modellen dezelfde stroomlijnen gaan vertonen. Een dergelijke situatie verdraagt zich evenmin met de vrijheid van onderwijs. De bewindslieden hebben tijdens overleg weliswaar regelmatig aangegeven dat een dergelijke ontwikkeling `niet de bedoeling' is, maar een uitwerking van hun denken op dit punt heeft kennelijk nog onvoldoende plaatsgevonden.

Lumpsum in het primair onderwijs

In de beleidsbrief wordt op voorzichtige toon voorgesteld in het primair onderwijs de mogelijkheden voor lumpsumbekostiging te verkennen. De Onderwijsbond CNV vindt zo'n verkenning vanuit het perspectief om scholen de ruimte te geven zich te ontwikkelen tot een lerende organisatie, op zichzelf een goede zaak, mits met een aantal aspecten goed rekening wordt gehouden. Interessant is wel dat enkele jaren geleden ook een verkenning heeft plaatsgevonden. Toen werd geconcludeerd dat de invoering van lumpsum zou leiden tot onverantwoorde financiële risico's voor besturen van een, twee of drie instellingen. Deze kleinschaligheid hangt echter voor een belangrijk deel ook samen met de grondwettelijke vrijheid van onderwijs en kan dus een blijvend kenmerk van het primair onderwijs zijn. In het bijzonder onderwijs zullen bepaalde fusies tussen besturen niet gewild worden omdat bepaalde levensbeschouwelijke uitgangspunten onverenigbaar zijn. De bewindslieden echter zetten wederom hard in op bestuurlijke schaalvergroting, zonder nieuwe argumenten te noemen of nieuwe richtingen aan te geven ter oplossing van dit probleem. De Onderwijsbond CNV is van mening dat invoering van lumpsumbekostiging geen instrument moet zijn om bestuurlijke schaalvergroting mee af te dwingen. Naast deze kwestie zou de wenselijkheid van bestuurlijke schaalvergroting ook eens moeten worden afgezet tegen internationale tendensen, waaruit juist een omgekeerde ontwikkeling in de richting van meer kleinschaligheid lijkt te spreken.

Positief is dat de bewindslieden helder uitspreken dat schaalvergroting op instellingsniveau tenminste geen goede zaak is. De ervaringen op het gebied van scholenfusies hebben ons duidelijk leren dat de geborgenheid en de eigenheid van instellingen ook van buitengewoon groot belang zijn. Nadere verkenningen zullen dan ook met name aan dit probleem aandacht moeten besteden.

Volledige decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden

Hoewel t.a.v. de invoering van lumpsum in het primair onderwijs de bewindslieden zich nog voorzichtig opstellen, wat betreft het arbeidsvoorwaardenoverleg wordt resoluut gesteld dat dit volledig gedecentraliseerd moet worden. Dat is opmerkelijk, want volledige decentralisatie van arbeidsvoorwaarden zou voor het primair onderwijs per definitie invoering van lumpsum inhouden. Volledige decentralisatie is volgens de bewindslieden nodig om het arbeidsvoorwaardenbeleid meer vanuit de onderwijsinstellingen zelf tot stand te laten komen. Daardoor zou het onderwijs winnen aan concurrentiekracht met andere sectoren. Zo'n redenering kan ook worden gelezen als een pleidooi om meer in het algemeen de arbeidsvoorwaarden geheel per instelling te laten regelen. Een dergelijke redenering doet geen recht aan het feit dat - hoe slagvaardig onderwijsinstellingen ook zullen worden - scholen bij hun beleid m.b.t. werving en selectie altijd uit dezelfde vijver zullen vissen. Het huidige arbeidsmarktbeleid is daarom ook in hoge mate een maatschappelijk probleem, en niet alleen een kwestie van individuele scholen. Voorkomen moet worden dat binnen de huidige situatie van arbeidsmarkttekorten tussen scholen concurrentie onverantwoorde vormen aanneemt. Zeker in relatie tot de plannen om de mogelijkheden voor private financiering van het onderwijs te verruimen, waarop wij afzonderlijk terugkomen in dit commentaar, is dit een reëel gevaar waardoor een grotere tweedeling tussen goede en rijke scholen enerzijds, arme en slechte scholen anderzijds kan ontstaan. In belangrijke mate zal de kwaliteit van de arbeidsvoorwaarden bepaald worden door het niveau van de bekostiging. En dat niveau blijft een verantwoordelijkheid van de landelijke politiek.

Hoewel de Onderwijsbond CNV het belang van meer autonomie op schoolniveau, ook op het punt van arbeidsvoorwaarden, onderschrijft, mist hij een eerlijke afweging van dit belang tegen de noodzaak om blijvend collectieve afspraken te maken. Vanuit het perspectief van individuele instellingen zal volledige beleidsvrijheid erg aantrekkelijk zijn. Maar vanuit waarden als rechtszekerheid en daarmee samenhangend solidariteit is er ook behoefte aan regelgeving die individuen beschermt tegen willekeur. Het is goed om te bezien in hoeverre op dit moment binnen de huidige regelgeving een goede balans bestaat en de Onderwijsbond CNV schuwt er beslist niet voor daarover een eerlijke discussie aan te gaan. Wel wil hij ook hier waarschuwen voor een doorschietende liberalisering van het
arbeidsvoorwaardenbeleid. De wet van vraag en aanbod is niet in alle gevallen de de panacee voor alle kwalen.

Herstructurering van het overleg

Hoewel de beleidsbrief de plannen m.b.t. herstructurering van het overleg nog in algemene bewoordingen omschrijft, wordt een paar contouren al wel zichtbaar. Wat betreft de inrichting van afzonderlijk onderwijsinhoudelijk overleg voor het primair en voor het voortgezet onderwijs is de Onderwijsbond CNV van mening dat dit een goed middel kan zijn om tot een doelmatiger inrichting te komen. Vanuit dit landelijke overleg per onderwijssector zou tevens een aansturende werking moeten uitgaan naar vormen van meer gedetailleerd uitwerkingsoverleg.

Wat betreft het arbeidsvoorwaardenbeleid kan het nadenken over een nieuwe overlegstructuur natuurlijk niet los worden gezien van het denken over nieuwe bekostigingsvormen en de mate waarin het wenselijk is om arbeidsvoorwaarden door te decentraliseren. Het gaat er om de school in de gelegenheid te stellen zich te positioneren als een professioneel handelende instelling. Afhankelijk van de resultaten van de verkenningen op het gebied van decentralisatie van arbeidsvoorwaarden en mogelijke invoering van nieuwe (lumpsum)bekostigingsvormen zal het overleg moeten worden ingericht. Het zou onverstandig zijn op de resultaten van die verkenningen vooruit te lopen, hoe wenselijk dat (vanuit liberaal perspectief) ook lijkt. De beleidsbrief doet dat wel. Wat dit betreft constateerden we in het voorgaande al een spanning tussen de voorzichtige voorstellen om lumpsum in het primair onderwijs te verkennen en de vastbeslotenheid om het arbeidsvoorwaardenoverleg volledig te decentraliseren. De bewindslieden doen er verstandig aan hun beleid m.b.t. de herstructurering van het arbeidsvoorwaardenoverleg te laten samenhangen met de besluiten die uiteindelijk genomen worden m.b.t. bekostiging en decentralisatie.

Aanpassing medezeggenschapsstructuur in het onderwijs

Ten aanzien van medezeggenschap worden ook enkele schetsen van te verwachten beleid gegeven, al zullen die schetsen nader worden uitgewerkt in een afzonderlijke beleidsnotitie. Duidelijk wordt hier al wel dat de Wet Medezeggenschap Onderwijs (WMO) wordt neergezet als een ouderwetse constructie, niet passend bij de moderne arbeidsorganisatie die de school moet worden. In het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en de volwasseneducatie moet daarom snel de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) worden ingevoerd. Waarom de WOR beter is toegesneden op de `moderne' school, blijft echter onbeargumenteerd. De Onderwijsbond CNV kan deze voorliefde voor de WOR echter niet goed rijmen met de besturingsfilosofie waarbinnen de school als een sterke, zelfsturende eenheid centraal staat. Vanuit dat perspectief op de professionele school is het immers van groot belang om onderwijskundige, arbeidsvoorwaardelijke en organisatorische zaken als een samenhangend geheel te bezien. Anders dan in bijvoorbeeld het bedrijfsleven, waar aandeelhouders bepalen wat het product is en het personeel inspraak heeft bij de inrichting van het proces om dit product te realiseren, is in onderwijs proces en product veel moeilijker van elkaar te scheiden. Onderwijskundige doelen enerzijds, en organisatorische en arbeidsvoorwaardelijke aspecten anderzijds hangen daarmee ook in veel sterkere mate samen. Invoering van de WOR betekent echter dat alleen de medezeggenschap t.a.v. arbeidsvoorwaardelijke aangelegenheden exclusief bij de personeelsvertegenwoordiging komt te liggen. Onderwijskundige zaken zouden voornamelijk het eigendom worden van ouders en leerlingen. Waar de huidige samenstelling van medezeggenschapsraden dwingt tot een integrale visie, nodigt invoering van de WOR uit tot polarisatie die de Onderwijsbond CNV niet alleen ongewenst acht, maar ook slecht voor het kwalitatieve functioneren van de school als sterke, autonome instelling. Mede daarom is de Onderwijsbond CNV voorstander van modernisering van de WMO uit 1992 op punten waar dat nodig is - zoals op het punt van de geschillen- en faciliteitenregeling. Tegenstanders van de WMO beroepen zich overigens vaak op de noodzaak om ouders en leerlingen sterker te positioneren rondom de school. Opvallend is echter dat juist de ouderorganisaties krachtig pleiten voor handhaving van de WMO.

Private middelen

Ronduit bedenkelijk vindt de Onderwijsbond CNV de opvattingen die de bewindslieden hebben m.b.t. het verruimen van mogelijkheden om het onderwijs privaat aanvullend te bekostigen. Op drie plaatsen keert dit thema terug in de beleidsbrief. Op handige wijze omzeilen de bewindslieden een principiële kwestie. Private aanvullende financiering van het onderwijs wordt voorgesteld als een `toefje slagroom' op een door de overheid gebakken taart die zonder room lekker genoeg is. De praktijk is echter dat aanvullende financiering met particuliere gelden altijd ongelijkheid in onderwijskansen doet toenemen. Zelfs al zou de overheid er in slagen met publieke middelen elke school op het niveau van `goed' te krijgen, dan nog zouden de scholen die hun publieke bekostiging zien aangevuld met private middelen in staat zijn `nog beter' onderwijs te realiseren, met dito betere maatschappelijke kansen op succes voor de leerlingen die dit onderwijs kunnen ontvangen.

De bewindslieden lijken overigens wel rekening te houden met het feit dat deze argumentatie niet erg overtuigend is. Daarom geven ze ook aan wat zou gebeuren als ouders niet de gelegenheid krijgen hun geld te investeren in het onderwijs in plaats van in een extra vakantie. Al dit geld zou vervolgens ten goede komen aan het volledig particulier bekostigde onderwijs. Dit type onderwijs zou daarom vervolgens als een paddestoel uit de grond schieten. Dit is natuurlijk onzin. Er zijn waarschijnlijk meer ouders te vinden die een extra duizend gulden willen investeren dan ouders die bereid zijn tussen de vijfentwintig à dertigduizend gulden te betalen aan schoolgeld. De massale uitstroom naar het volledig privaat bekostigde onderwijs zal daarom altijd beperkt blijven tot de kinderen van een marginale elite. De plannen van de bewindslieden echter zouden leiden tot verschillen in bekostigingsniveau van elke school. Juist doordat de basale bekostiging al heeft plaatsgevonden, is het effect van aanvullende private middelen veel groter. De Onderwijsbond CNV concludeert daarom ook niet anders dan dat hier sprake is van gelegenheidsargumentatie en omzeilen van een principiële kwestie. Geenszins is het onze bedoeling om bij voorbaat elke mogelijkheid voor ouders om geld in de school te steken te verbieden. Maar laten we tenminste het dilemma eerlijk stellen en een goede afweging maken. Met belangstelling wachten we de verdere discussie over dit moeilijke maar uiterst belangrijke onderwerp af.

Erkenning van investeringsschuld

Met grote vreugde constateert de Onderwijsbond CNV tenslotte dat nadrukkelijk wordt erkend dat onderwijs als gevolg van de jarenlange bezuinigingen met een investeringsschuld te maken heeft. Deze eerlijkheid is te waarderen en biedt hoop voor de toekomst. Een jaar geleden roemde minister Kok nog de efficiëntie van het onderwijsbestel dat kennelijk met bescheiden middelen tot grootse daden in staat was. Nu echter wordt recht gedaan aan de talloze signalen uit het onderwijs dat de druk als gevolg van een wanverhouding tussen doelen en middelen inmiddels dermate onverantwoord hoog is, en aan het beeld van een karige investeringsbereidheid die blijkt uit internationale vergelijkingen. Toegegeven wordt, dat bij continuering van deze te kort schietende investeringsbereidheid de kwaliteit - ook in internationaal opzicht - niet langer gewaarborgd is. Daarom kunnen we een meerjarig investeringsplan verwachten. De Onderwijsbond CNV hoopt dat met dit plan haast wordt gemaakt en wijst daarbij ook op zijn eigen plan `Klinkende Munt', waarin in zes speerpunten een meerjarenplan wordt weergegeven. Met grote belangstelling wacht hij daarom nadere toezegging af.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie