Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Persmededeling na zitting 2308 Europese Raad, Algemene Zaken

Datum nieuwsfeit: 20-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
European Union

2310. Raad - BEGROTING Press Release: Brussels (24-11-2000) - Press: 447 - Nr: 13664/00


13430/00 (Presse 435)

(OR. fr)

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2308e zitting van de Raad


- ALGEMENE ZAKEN -

Brussel, 20 november 2000

Voorzitter:

de heer Hubert VEDRINE

Minister van Buitenlandse Zaken

de heer Alain RICHARD

Minister van Defensie

de heer Pierre MOSCOVICI

Onderminister van Europese Zaken

van de Franse Republiek

INHOUD

DEELNEMERS

*

BESPROKEN PUNTEN

GEMEENSCHAPPELIJK EUROPEES VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID *


-
VERKLARING BETREFFENDE DE TOEZEGGING VAN MILITAIRE VERMOGENS *

WESTELIJKE BALKAN

*


-
TOP VAN ZAGREB *

-
CARDS-PROGRAMMA EN UITBREIDING VAN DE WERKZAAMHEDEN VAN HET

EUROPEES BUREAU VOOR WEDEROPBOUW *

-
ANDERE BESLUITEN BETREFFENDE DE BALKANLANDEN *

SITUATIE IN HET MIDDEN-OOSTEN - VERKLARING VAN DE EUROPESE UNIE


*

UITBREIDING

*

PRETOETREDINGSSTRATEGIE VOOR TURKIJE

*

KOREAANS SCHIEREILAND - BELEIDSLIJNEN VAN DE EUROPESE UNIE TEN AANZIEN

VAN NOORD-KOREA

*

STATUUT VAN DE LEDEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT


*

ASSOCIATIE VAN LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE (LGO) MET DE EUROPESE

GEMEENSCHAP

*

INTERGOUVERNEMENTELE CONFERENTIE

*

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

EXTERNE BETREKKINGEN

*


-
FYROM - standpunt van de EU met het oog op de onderhandelingen betreffende een stabilisatie- en associatieovereenkomst *
-
FYROM en FRJ - uitbreiding tot de FYROM en de FRJ van de uitzonderlijke handelsmaatregelen - opschorting van de handelsbepalingen van de samenwerkingsovereenkomst *
-
Kroatië - onderhandelingsmandaat in verband met een stabilisatie- en associatieovereenkomst *

-
Albanië - inzameling en vernietiging van wapens *
-
Kroatië - uitvoer van wapens *

-
Betrekkingen EU-Iran - conclusies *

-
Cambodja - lichte wapens * *

-
4e ministeriële conferentie SADC/EU *

LMOE

*


-
Uitbreiding *

-
Slovenië - toepassingsbepalingen betreffende de concurrentie *
-
Estland en Tsjechië - verlenging voor de overheidssteun *

HANDELSPOLITIEK

*


-
Antidumping - roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan (de Volksrepubliek China *

ECOFIN

*


-
Externe accountants van de Bank van Griekenland *



Voor meer informatie: tel. 02-285.64.23 of 02-285.87.04 of 02-285.68.08

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België
:

de heer Louis MICHEL

vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken

de heer André FLAHAUT

minister van Defensie

mevrouw Annemie NEYTS-UITTERBROECK

staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken

Denemarken
:

de heer Niels HELVEG-PETERSEN

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Hans HÆKKERUP

minister van Defensie

de heer Friis Arne PETERSEN

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Duitsland:

de heer Joschka FISCHER

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Rudolf SCHARPING

minister van Defensie

de heer Christoph ZÖPEL

staatsminister van Buitenlandse Zaken

de heer Gunter PLEUGER

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Griekenland
:

de heer George PAPANDREOU

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Apostolos-Athanasios TSOCHATZOPOULOS

minister van Defensie

mevrouw Elissavet PAPAZOÏ

onderminister van Buitenlandse Zaken

Spanje
:

de heer Josep PIQUÉ I CAMPS

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Frederico TRILLO-FIGUEROA Y MARTÍNEZ CONDE

minister van Defensie

de heer Ramón de MIGUEL

staatssecretaris van Europese Zaken

Frankrijk
:

de heer Hubert VEDRINE

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Alain RICHARD

minister van Defensie

de heer Pierre MOSCOVICI

onderminister van Europese Zaken

Ierland
:

de heer Brian COWEN

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Séamus BRENNAN

onderminister van Algemene Zaken (met speciale verantwoordelijkheid als Government Chief Whip) en onderminister van Defensie

Italië
:

de heer Lamberto DINI

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Sergio MATTARELLA

minister van Defensie

de heer Umberto RANIERI

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Luxemburg
:

mevrouw Lydie POLFER

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Charles GOERENS

minister van Ontwikkelingssamenwerking, van Humanitaire Acties en van Defensie

Nederland
:

de heer Frank de GRAVE

minister van Defensie

de heer Dick BENSCHOP

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Oostenrijk
:

mevrouw Benita FERRERO-WALDNER

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Herbert SCHEIBNER

minister van Defensie

Portugal
:

de heer Jaime GAMA

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Júlio CASTRO CALDAS

minister van Defensie

de heer Francisco SEIXAS da COSTA

staatssecretaris van Europese Zaken

Finland
:

de heer Erkki TUOMIOJA

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Jan-Erik ENESTAM

minister van Defensie

de heer Kimmo SASI

minister van Buitenlandse Handel en Europese aangelegenheden

Zweden
:

mevrouw Anna LINDH

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Björn VAN SYDOW

minister van Defensie

de heer Hans DAHLGREN

staatssecretaris, bij het ministerie van Buitenlandse Zaken

Verenigd Koninkrijk
:

de heer Robin COOK

minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken

de heer Geoff HOON

minister van Defensie

de heer Keith VAZ

onderminister (Minister of State) van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken, belast met Europese aangelegenheden


* * *

Commissie
:

de heer Romano PRODI

voorzitter

de heer Poul NIELSON

lid

de heer Christopher PATTEN

lid

de heer Günter VERHEUGEN

lid


* * *

Secretariaat-generaal van de Raad
:

de heer Javier SOLANA

secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor het GBVB


* * *

Eveneens aanwezig
:

de heer Bodo HOMBACH

speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie, Stabiliteitspact voor Zuid-Oost-Europa

GEMEENSCHAPPELIJK EUROPEES VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID


- VERKLARING BETREFFENDE DE TOEZEGGING VAN MILITAIRE VERMOGENS


1. Sinds de Europese Raad van Keulen van juni 1999 en met name dankzij de inspanningen van het Finse en het Portugese voorzitterschap is een van de prioriteiten van de Unie de ontwikkeling en de opbouw van de civiele en militaire middelen en vermogens die de Unie nodig heeft om beslissingen te nemen over alle conflictpreventie- en crisisbeheersingstaken die in het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn gedefinieerd (de zg. Petersbergtaken ( 1)), en om die taken uit te voeren. De Unie heeft in dat opzicht benadrukt dat zij vastbesloten is een autonoom vermogen te ontwikkelen om besluiten te nemen en, in gevallen waarbij de NAVO als geheel niet betrokken is, door de Unie geleide militaire operaties te starten en uit te voeren als reactie op internationale crises. Daartoe hebben de lidstaten besloten efficiëntere militaire vermogens te ontwikkelen. Dit proces zonder onnodige doublures impliceert niet de oprichting van een Europees leger. Deze ontwikkelingen vormen een integrerend bestanddeel van de versterking van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Aldus zal de Unie in staat zijn meer bij te dragen aan de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties, het Handvest van de OVSE en de slotakte van Helsinki. De Unie erkent de primaire verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.


2. Met betrekking tot de militaire vermogens, die een aanvulling gaan vormen op de andere instrumenten die de Unie ter beschikking staan, hebben de lidstaten in de Europese Raad van Helsinki van december 1999 zich als hoofddoel (Headline Goal) gesteld dat ze uiterlijk in 2003 in staat moeten zijn binnen 60 dagen strijdkrachten tot en met legerkorpsniveau (60.000 manschappen) in te zetten en gedurende ten minste 1 jaar operationeel te houden. Deze troepen moeten militair zelfvoorzienend zijn, met de nodige vermogens voor bevelvoering, controle en inlichtingendiensten, logistiek, andere inzetondersteunende diensten en daarnaast, waar van toepassing, lucht- en zeemachtelementen. Te Helsinki hebben de lidstaten tevens besloten snel collectieve vermogensdoelstellingen te ontwikkelen, met name op de gebieden bevelvoering, controle en inlichtingen, en strategisch vervoer. Tijdens de Europese Raad van Feira van juni 2000 heeft de Unie tevens de kandidaat-lidstaten van de EU en de Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn, aangemoedigd om bij te dragen aan de verbetering van de Europese vermogens.

Dankzij de besprekingen sinds de Europese Raad van Feira heeft de Unie inmiddels het gamma van middelen kunnen bepalen die nodig zijn om alle Petersbergtaken, ook de meest veeleisende, te kunnen volbrengen. Tevens heeft de Unie daardoor nauwkeurig de militaire vermogens en strijdkrachten in kaart kunnen brengen die nodig zijn om het hoofddoel te bereiken. Voor de vastgestelde behoeften is een vermogenscatalogus opgesteld. Zoals overeengekomen in de Europese Raad van Feira, is daarbij gebruik gemaakt van de militaire knowhow van de NAVO.


3. De lidstaten hebben op 20 november 2000 in Brussel deelgenomen aan een conferentie voor de toezegging van vermogens, die het mogelijk heeft gemaakt de concrete nationale toezeggingen voor de door de Europese Raad van Helsinki vastgestelde militaire doelstellingen te bundelen ( 2). Tijdens die conferentie zijn ook een aantal gebieden vastgesteld waarop aan verbetering van de bestaande middelen, aan investering en aan ontwikkeling en coördinatie zal worden gewerkt om geleidelijk de vermogens te verwerven of te verbeteren die nodig zijn voor een autonoom optreden van de Unie. De lidstaten hebben nu daaromtrent hun eerste toezeggingen gedaan.

Deze conferentie is de eerste stap in een ambitieus proces van versterking van de militaire vermogens voor crisisbeheersing door de Unie dat ertoe strekt het globale, voor 2003 gestelde doel te bereiken, en dat ook na die datum zal worden gecontinueerd met het oog op de verwezenlijking van de collectieve vermogensdoelstellingen. In de Europese Raad van Helsinki hadden de lidstaten immers ook besloten snel collectieve vermogensdoelstellingen te ontwikkelen op de gebieden bevelvoering, controle en inlichtingen, en strategisch vervoer, en hadden zij zich ingenomen betoond met de door bepaalde lidstaten reeds aangekondigde besluiten in die richting: - ontwikkeling en coördinatie van militaire voorzieningen voor monitoring en vroegtijdige waarschuwing; - openstelling van bestaande gezamenlijke nationale hoofdkwartieren voor officieren van andere lidstaten; - versterking van de snellereactievermogens van de bestaande Europese multinationale strijdkrachten; - voorbereiding van een Europees luchttransportcommando; - verhoging van het aantal snel inzetbare manschappen; - vergroting van het vermogen voor strategisch maritiem transport. Die inspanningen zullen worden voortgezet. Voor de geloofwaardigheid en de efficiëntie van het Europese veiligheids- en defensiebeleid blijft het namelijk essentieel dat de militaire crisisbeheersingsvermogens van de Unie versterkt worden, zodat de Unie met of zonder gebruikmaking van de middelen van de NAVO kan optreden.


4. Tijdens de Conferentie voor de toezegging van vermogens hebben de lidstaten, overeenkomstig de besluiten van de Europese Raden van Helsinki en Feira, toegezegd op vrijwillige basis nationale bijdragen te leveren die corresponderen met de snellereactievermogens die voor de verwezenlijking van het hoofddoel vereist zijn. Die toezeggingen zijn gebundeld in de zgn. "catalogus van de strijdkrachten". Uit die catalogus kan worden opgemaakt dat de Unie in 2003 overeenkomstig het in Helsinki gestelde hoofddoel in staat zal zijn om alle Petersbergtaken uit te voeren, zij het dat bepaalde vermogens zowel kwantitatief als kwalitatief moeten worden verbeterd om de vermogens ter beschikking van de Unie te optimaliseren. In dat opzicht hebben de ministers nogmaals uitdrukking gegeven aan hun verbintenis om de door de Europese Raad van Helsinki geformuleerde doelstellingen volledig te verwezenlijken. Daartoe zullen zij zo spoedig mogelijk aanvullende initiatieven vaststellen die zij vervolgens op nationaal niveau of in samenwerking met partners kunnen ontplooien om in de waargenomen behoeften te voorzien. Dit zijn extra inspanningen, naast de reeds vastgelegde bijdragen. Voor de betrokken landen gaat het om een wederzijdse versterking van deze inspanningen en die welke ze leveren in het kader van het initiatief betreffende de defensievermogens van de NAVO.

A) Strijdkrachten

Kwantitatief gezien zijn de door de lidstaten aangekondigde vrijwillige bijdragen ruimschoots voldoende om het hoofddoel van Helsinki te bereiken (60.000 manschappen, inzetbaar binnen 60 dagen en gedurende ten minste één jaar). Deze bijdragen, die in de catalogus van de strijdkrachten worden vermeld, zijn goed voor een totaal van 100.000 manschappen en ongeveer 400 gevechtsvliegtuigen en 100 schepen, waarmee volledig kan worden voorzien in de behoeften die zijn vastgesteld voor de uitvoering van de verschillende soorten crisisbeheersingstaken in het kader van het hoofddoel.

Zodra de bevoegde politieke en militaire organen van de Unie in staat zullen zijn onder het gezag van de Raad de politieke controle en de strategische leiding van de door de Unie uitgevoerde operaties op zich te nemen, zal de Unie derhalve tussen nu en 2003 geleidelijk Petersbergtaken op zich kunnen gaan nemen naarmate haar militaire vermogens toenemen. Er is evenwel gebleken dat de beschikbaarheid, de inzetbaarheid, het voortzettingsvermogen en de interoperabiliteit van de strijdkrachten verder verbeterd moeten worden om volledig in de behoeften van de meest veeleisende Petersbergtaken te kunnen voorzien. Ook zal er nog werk moeten worden verzet op specifieke gebieden, zoals militaire uitrusting, inclusief wapens en munitie, en ondersteunende diensten, ook op medisch gebied, alsmede preventie van operationele risico's en bescherming van de strijdkrachten.

B) Strategische vermogens

Voor bevelvoering, controle en communicatie hebben de lidstaten een bevredigend aantal nationale of multinationale defensiestaven toegezegd op strategisch, operationeel, strijdmacht- en eenheidsniveau. Die toezeggingen moeten op een later tijdstip op hun kwaliteit beoordeeld worden, opdat de EU, naast de mogelijkheid om de vermogens van de NAVO aan te spreken, over optimale middelen voor bevelvoering en controle kan beschikken. De Unie heeft in dit opzicht gememoreerd dat zij veel belang hecht aan een spoedige afronding van de lopende besprekingen over de toegang tot de vermogens en middelen van de NAVO. De Militaire Staf van de Unie, die in de loop van 2001 over een eerste operationeel vermogen zal beschikken, zal het collectieve snellereactievermogen van de Unie versterken, en het voorzien van een vermogen tot situatiebeoordeling en tot strategische planning voorafgaand aan besluitvorming.

Op inlichtingengebied hebben de lidstaten naast de beeldinterpretatievermogens van het satellietcentrum in Torrejon een aantal middelen aangeboden die kunnen bijdragen aan het vermogen tot situatieanalyse en -monitoring van de Unie. Niettemin hebben ze opgemerkt dat er op dit gebied grote inspanningen vereist zijn om in de toekomst over meer strategische inlichtingen te kunnen beschikken.

Wat betreft de lucht- en zeemachtvermogens voor strategisch vervoer waarover de Unie beschikt, zijn er verbeteringen nodig om te waarborgen dat de Unie, ongeacht het scenario, kan voldoen aan de behoeften van een veeleisende operatie uit het gamma van de Petersbergtaken, zoals vastgesteld in Helsinki.


5. Overeenkomstig de besluiten van de Europese Raden van Helsinki en Feira over de collectieve vermogensdoelstellingen hebben de lidstaten zich tevens verbonden tot inspanningen op middellange en lange termijn om zowel hun operationele als hun strategische vermogens te verbeteren. De lidstaten hebben toegezegd om met name in het kader van de lopende hervormingen van hun legers hun eigen vermogens verder te versterken, en voort te werken aan bestaande of aanstaande projecten ter uitvoering van multinationale oplossingen, ook wat de samenvoeging van middelen betreft.

Deze projecten beogen het volgende:


- verbetering van de prestaties van de Europese strijdkrachten op het gebied van beschikbaarheid, inzetbaarheid, voortzettingsvermogen en interoperabiliteit;

- ontwikkeling van de "strategische" vermogens: strategische mobiliteit om de strijdkrachten snel naar het gebied van inzet te vervoeren; defensiestaven voor bevelvoering over en controle van de strijdkrachten en bijbehorende informatie- en communicatiesystemen; middelen om de strijdkrachten van inlichtingen te voorzien;

- versterking van de essentiële operationele vermogens in het kader van een crisisbeheersingsoperatie. Hierbij werden de middelen genoemd voor opsporings- en reddingsoperaties onder operationele omstandigheden, de verdedigingsmiddelen tegen grond-grondraketten, de precisiewapens, de logistieke ondersteuning en de simulatie-instrumenten.

De herstructurering van de Europese defensie-industrieën, die zich in sommige lidstaten voltrekt, is in dit opzicht een positieve factor. Zij is bevorderlijk voor de ontwikkeling van de Europese vermogens. Ter illustratie hebben de betrokken lidstaten erop gewezen dat zij momenteel werken aan een aantal essentiële projecten die zullen bijdragen aan de versterking van de vermogens van de Unie: toekomstig transportvliegtuig (Airbus A 400M), schepen voor zeetransport, helikopters voor troepenvervoer (NH 90). Ook hebben sommige lidstaten aangekondigd dat ze hun inspanningen willen voortzetten om zich te voorzien van uitrusting ter versterking van de veiligheid en de efficiëntie van militair optreden. Tenslotte hebben de lidstaten toegezegd de gegarandeerde toegang van de Unie tot satellietbeelden te verbeteren, met name door de ontwikkeling van nieuwe optische en radarsatellietapparatuur (Helios II, SAR Lupe en Cosmos skymed).


6. Om ervoor te zorgen dat Europa zijn vermogens blijft versterken, zijn de lidstaten overeengekomen dat het van belang is een evaluatiemechanisme vast te stellen voor de follow-up en de bevordering van vooruitgang bij het concretiseren van de toezeggingen
- kwantitatief en kwalitatief - die met het oog op de verwezenlijking van het hoofddoel zijn gedaan.

Met dat mechanisme, waarvan de hoofdlijnen zullen worden goedgekeurd door de Europese Raad van Nice, wordt beoogd de Unie een vermogen te verlenen tot evaluatie en follow-up van haar doelstellingen (op basis van de HTF Headline Goal Task Force) op basis van een methode van overleg tussen de lidstaten. Om onnodige doublures te voorkomen, zal dat mechanisme voor de betrokken lidstaten steunen op de technische gegevens die voortkomen uit de bestaande mechanismen van de NAVO, zoals het defensieplanningsproces en het plannings- en toetsingsproces (PARP). Met ondersteuning van de Militaire Staf (MS) van de Unie zal van dat mechanisme gebruik worden gemaakt via overleg tussen deskundigen in een werkgroep die op dezelfde wijze zal worden samengesteld als de Groep die de vermogenscatalogus heeft opgesteld (HTF Plus). Voorts zal op passende wijze voor informatievoorziening en transparantie tussen de Unie en de NAVO worden gezorgd door de tussen beide organisaties ingestelde werkgroep die maatregelen zal treffen om een samenhangende ontwikkeling te waarborgen van de vermogens van de Unie en de NAVO daar waar deze elkaar overlappen (met name de vermogens die resulteren uit de door de Europese Raad van Helsinki vastgestelde doelstellingen en uit het initiatief betreffende de defensievermogens van de NAVO).

Dat mechanisme zal berusten op de volgende principes:

a) behoud van onafhankelijke besluitvorming door de Unie, met name bij het vaststellen, evalueren, controleren en volgen van de vermogensdoelstellingen;
b) erkenning van het politieke en vrijwillige karakter van de toezeggingen, hetgeen impliceert dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de eventuele bijstellingen van de toezeggingen in het licht van de verrichte evaluatie;
c) transparantie, eenvoud en duidelijkheid, met name om vergelijkingen tussen de toezeggingen van de lidstaten mogelijk te maken;
d) voortdurende regelmatige evaluatie van de gemaakte vorderingen aan de hand van rapporten op grond waarvan de ministers de passende besluiten kunnen nemen;
e) de nodige flexibiliteit om de toezeggingen aan te passen aan waargenomen nieuwe behoeften.

Betrekkingen met de NAVO

De regelingen betreffende transparantie, samenwerking en dialoog tussen de Unie en de NAVO moeten worden vastgelegd in het document betreffende de permanente regelingen tussen de EU en de NAVO. Het evaluatiemechanisme neemt de volgende bijkomende beginselen in acht:

f) de noodzaak voor de betrokken landen om te zorgen voor samenhang tussen de in het kader van de Unie gedane toezeggingen en de in het kader van de NAVO-defensieplanning of het PARP aanvaarde doelstellingen inzake strijdkrachten;
g) de noodzaak van een wederzijdse versterking van de vermogensdoelstellingen van de Unie en de doelstellingen die voor de betrokken landen voortvloeien uit het initiatief betreffende de defensievermogens van de NAVO.
h) de noodzaak om onnodige doublures van procedures en verzoeken om informatie te voorkomen.

Betrekkingen met derde landen

i) Via het mechanisme wordt rekening gehouden met de bijdragen van de Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn, en met die van de kandidaat-lidstaten van de EU, om hun bijkomende toezeggingen, die zullen bijdragen tot de verbetering van de Europese vermogens, te kunnen evalueren en hun eventuele deelname aan overeenkomstig de besluiten van Helsinki en Feira door de Unie uitgevoerde operaties te vergemakkelijken.

De MS zal overeenkomstig zijn mandaat de bestudering van de werkzaamheden binnen de Unie steunen, en er zal verslag over worden uitgebracht aan de Raad.


* * *

De lidstaten zijn ingenomen met de voornemens die de kandidaat-lidstaten van de Unie en de Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn, hebben geuit in het vooruitzicht van de ministeriële bijeenkomsten van 21 november 2000, als reactie op het door de Europese Raad van Feira tot hen gerichte verzoek om in de vorm van bijkomende toezeggingen hun bijdrage te leveren tot de verbetering van de Europese vermogens.

De bijdragen, die tijdens de ministeriële bijeenkomsten van 21 november 2000 werden gebundeld, zullen het gamma van de beschikbare vermogens voor door de Unie uitgevoerde operaties uitbreiden, waardoor het vermogen van de EU om op te treden optimaal naargelang van de omstandigheden kan worden versterkt. Ze zullen worden aanvaard als waardevolle extra vermogens naast die welke door de lidstaten worden geboden. In dat verband zijn de lidstaten overeengekomen die vermogens te evalueren aan de hand van dezelfde criteria als die welke voor de lidstaten gelden, en de landen in kwestie bij die evaluatie te betrekken.

WESTELIJKE BALKAN


- TOP VAN ZAGREB
De Raad is door het voorzitterschap geïnformeerd over de stand van de voorbereiding van de Top van Zagreb van 24 november en heeft, wat de Unie betreft, de laatste hand gelegd aan het ontwerp van de na afloop bekend te maken gemeenschappelijke verklaring waarin de nadruk zal worden gelegd op de mogelijkheden die worden geboden door de historische veranderingen in de regio, enerzijds, de ontwikkeling van de democratie, de verzoening en de regionale samenwerking en anderzijds de toenadering tot de Europese Unie van de verschillende Balkanlanden die op de Top vertegenwoordigd zullen zijn.

- CARDS-PROGRAMMA EN UITBREIDING VAN DE WERKZAAMHEDEN VAN HET

EUROPEES BUREAU VOOR WEDEROPBOUW
De Raad heeft overeenstemming bereikt over de inhoud van de CARDS-verordening (verordening betreffende de steun aan Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de Federale republiek Joegoslavië en de Voormalige Joegoslavische republiek Macedonië en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3906/89, Besluit nr. 97/256/EG en Verordening (EEG) nr. 1360/90) alsmede de verordening betreffende het Europees Bureau voor wederopbouw.
De CARDS-verordening beoogt, uit efficiëntieoverwegingen, een geharmoniseerd juridisch kader te bieden voor de bijstand aan de Balkanlanden ter vervanging van de talrijke huidige instrumenten, zoals het Obnova- en PHARE-programma. Er wordt een indicatief totaalbedrag van 4,65 miljard euro voor het tijdvak 2000-2006 uitgetrokken.

De CARDS-verordening beoogt de bestaande bijstand te ontwikkelen en bij te sturen om deze aan de beleidsdoelstellingen van de EU voor de regio aan te passen ( 3), meer bepaald om bij te dragen tot de ontwikkeling van het stabilisatie- en associatieproces en om de verantwoordelijkheid van de begunstigde landen en instanties voor dit proces te versterken.

Te dien einde zal de bijstand met name gericht zijn op de opstelling van een institutioneel, wetgevend, economisch en sociaal kader dat afgestemd is op de waarden en modellen waarop de Europese Unie is gegrondvest en op de bevordering van de markteconomie, rekening houdend met de prioriteiten die met de betrokken landen worden overeengekomen.

De eerbiediging van de democratische beginselen, de rechtsstaat, de rechten van de mens, de minderheden en de fundamentele vrijheden, alsmede de beginselen van het internationaal recht is een eerste voorwaarde voor het ontvangen van bijstand. Bijzondere aandacht dient te gaan naar de regionale dimensie van de bijstand, ter versterking van de regionale samenwerking.

Om de samenwerking in de regio te bevorderen wordt in de verordening bepaald dat de kandidaat-lidstaten en, op basis van toestemming van geval tot geval, de door de programma's TACIS en MEDA begunstigde landen kunnen deelnemen aan aanbestedingen en opdrachten.

Voor de bijstand zullen een strategisch kader en een jaarlijkse en meerjarige programmering worden opgesteld, die voor advies aan het bij deze verordening ingestelde beheerscomité zullen worden voorgelegd. Aldus zal de bijstand vanuit een invalshoek voor de middellange termijn kunnen worden benaderd en zal de samenhang en complementariteit van de communautaire steun

met die van de lidstaten worden verzekerd.

De tweede verordening betreft het Europees Bureau voor wederopbouw dat naar aanleiding van de crisis in Kosovo is opgericht in Thessaloniki. De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan de uitbreiding van de werkzaamheden tot de gehele Federale Republiek Joegoslavië. De Commissie kan de uitvoering van de bijstand aan de Federale Republiek Joegoslavië delegeren aan dit Bureau.


- ANDERE BESLUITEN BETREFFENDE DE BALKANLANDEN

(Aangenomen zonder debat, zie blz. I)


- FYROM - standpunt van de EU ten aanzien van de onderhandelingen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst;
- FYROM en FRJ - uitbreiding tot de FYROM en de FRJ van de uitzonderlijke handelsmaatregelen - opschorting van de handelsbepalingen van de samenwerkingsovereenkomst;
- Kroatië - onderhandelingsrichtsnoeren i.v.m. een stabilisatie- en associatieovereenkomst.

SITUATIE IN HET MIDDEN-OOSTEN - VERKLARING VAN DE EUROPESE UNIE

Al weken lang vallen er elke dag doden, zowel aan Palestijnse als aan Israëlische zijde. Dat is ontoelaatbaar. De Europese Unie doet een beroep op de verantwoordelijkheidszin van de beide partijen om niet op de provocaties in te gaan.

Het gebrek aan vooruitgang in het vredesproces, mede op het punt van de nederzettingen, is de hoofdreden van de frustratie van de Palestijnse bevolking en van het geweld.

De Europese Unie spoort de Israëlische en Palestijnse leiders aan om de verbintenissen die zij vijf weken geleden in Sharm-el-Sheikh, en op 2 november in Gaza zijn aangegaan, volledig en onverwijld in acht te nemen.

Zij verzoekt de Israëlische autoriteiten:


- hun strijdkrachten terug te trekken naar de posities die ze vóór 28 september innamen, en een einde te maken aan de beperkingen voor het verkeer van personen en goederen in de Palestijnse gebieden;

- de aan de Palestijnse Autoriteit opgelegde financiële sancties in te trekken;

- ingeval interventie van de veiligheidsdiensten werkelijk onvermijdelijk lijkt, uitsluitend niet-dodelijke middelen in te zetten, overeenkomstig de oproep van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
Zij verzoekt de Palestijnse Autoriteit:

- al het mogelijke in het werk te stellen om de gewelddadigheden te doen ophouden;

- de veiligheidsdiensten strikte instructies te geven om een einde te maken aan de beschietingen van Israëliërs, overeenkomstig de aankondiging van president Arafat.

De Europese Unie verlangt dat de Commissie voor de vaststelling van de feiten, die is ingesteld ingevolge de Top van Sharm-el-Sheikh en waarin de Europese Unie wordt vertegenwoordigd door de heer Javier Solana, secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor het GBVB, onverwijld met haar werkzaamheden ter plaatse begint.

Zij steunt het optreden van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties om samen met de partijen de voorwaarden voor de inzet van een waarnemersmissie te onderzoeken, overeenkomstig het mandaat van de Veiligheidsraad.

Zij blijft de inspanningen en de persoonlijke inzet van president Clinton in het streven naar vrede steunen.

Doel blijft natuurlijk de hervatting van de dialoog en de vredesonderhandelingen. Dat is enig mogelijke uitweg uit de huidige crisis. De leiders weten dat. Er moet nu dringend een eind worden gemaakt aan het geweld.

De Europese Unie is bereid om daaraan mee te werken en haar verantwoordelijkheid te dragen.

UITBREIDING

De Raad heeft een oriënterend debat gehouden dat bedoeld was om met het oog op de Europese Raad van Nice een algeheel overzicht van het uitbreidingsproces voor te bereiden en te onderzoeken hoe het proces moet worden voortgezet.

Na afloop van de bespreking constateerde de voorzitter dat de delegaties hun tevredenheid hebben uitgesproken over de kwaliteit van de Commissieverslagen over de stand van de voorbereidingen van iedere kandidaat-lidstaat en de moeilijkheden die nog moeten worden opgelost. Zij hebben gewezen op het belang van de effectieve toepassing van het acquis en het toezicht op de naleving van de verplichtingen die de kandidaat-lidstaten zijn aangegaan. Voorts hebben zij hun waardering uitgesproken over de scoreborden en de voortgangstabellen.

Het voorzitterschap constateerde dat de delegaties vasthouden aan het tijdschema van Helsinki, namelijk 1 januari 2003, teneinde in staat te zijn nieuwe lidstaten op te nemen en dat zij de kandidaat-lidstaten zoveel mogelijk willen aansporen om vooruitgang te boeken en dus de hervormingen in te voeren die nodig zijn om het acquis over te nemen en uit te voeren. De delegaties hebben er opnieuw op gewezen dat het differentiatiebeginsel, gebaseerd op de eigen merites van iedere kandidaat-lidstaat, het voornaamste sturende beginsel van de onderhandelingen moet zijn.

Voorts nam de voorzitter nota van de belangstelling van de delegaties voor de door de Commissie voorgestelde beginselen voor het verdere verloop van de onderhandelingen en de verbintenis van de Unie om werk te maken van een aantal complexe vraagstukken in het kader van de onderhandelingen. Wat de door de Commissie voorgestelde "wegenkaart" voor de komende 18 maanden betreft, hebben de delegaties erop gewezen dat deze indicatief is en dat de Commissie de "wegenkaart" zal aanpassen aan de ontwikkeling van de situatie en de geboekte voortgang.

Het voorzitterschap zal het Comité van permanente vertegenwoordigers spoedig ontwerp-conclusies op basis van deze besprekingen voorleggen zodat de Raad deze tijdens de volgende zitting op 4 december kan aannemen en het dossier voor de Europese Raad van Nice goed kan worden voorbereid.

Voorts nam de Raad nota van de opmerkingen van de heer VERHEUGEN, lid van de Commissie, betreffende visa, met name voor Bulgarije, en van de opmerkingen van verschillende delegaties. Tot besluit verklaarde de voorzitter dat over dit onderwerp een politiek signaal aan de Raad JBZ van 30 november zal worden afgegeven.

PRETOETREDINGSSTRATEGIE VOOR TURKIJE

Tijdens de lunch hebben de ministers de vraagstukken in verband met de pretoetredingsstrategie voor Turkije besproken. Zij kwamen overeen tijdens hun zitting van 4 december de laatste hand te leggen aan hun besluit terzake.

Er wordt aan herinnerd dat er momenteel een ontwerp-kaderverordening betreffende de invoering van een partnerschap voor toetreding en een ontwerp-partnerschap voor toetreding bij de Raad ter tafel liggen; de ontwerp-kaderverordening zal de rechtsgrondslag vormen (artikel 308 van het Verdrag) voor het besluit van de Raad inzake de principes, prioriteiten, tussentijdse doelstellingen en voorwaarden van het partnerschap.

KOREAANS SCHIEREILAND - BELEIDSLIJNEN VAN DE EUROPESE UNIE TEN AANZIEN

VAN NOORD-KOREA

De Raad heeft onderstaande beleidslijnen van de Europese Unie ten aanzien van Noord-Korea aangenomen. Overeenkomstig de conclusies van de Raad van 9 oktober, zal de Europese trojka op 25 november naar Pyonyang reizen om de aangevatte politieke dialoog met de Democratische Volksrepubliek Korea voort te zetten.

"1. De toekomst van het Koreaanse schiereiland is voor de Europese Unie van groot belang:


- de Europese Unie wil het zoeken naar een duurzame vrede tussen de Republiek Korea en de Democratische Volksrepubliek Korea vergemakkelijken. Zij steunt het verzoeningsproces tussen de beide Korea's waarmee thans een aanvang is gemaakt. Zij is uit dien hoofde verheugd over de top die op 13 en 14 juni 2000 in Pyongyang heeft plaatsgevonden. Zij is bereid om elk initiatief in overweging te nemen dat de opening van Noord-Korea kan bevorderen, en op die manier bij te dragen tot de stabiliteit in de regio;
- de activiteiten van de Democratische Volksrepubliek Korea op nucleair en ballistiek gebied, en haar gedragingen wat betreft de export van gevoelige technologieën naar riskante regio's, hebben belangrijke consequenties voor de stabiliteit en de veiligheid in Azië. De Europese Unie verwacht van de Democratische Volksrepubliek Korea dat zij blijk geeft van verantwoordelijkheidsgevoel en tegemoet komt aan de bezorgdheid die de internationale gemeenschap te dien aanzien heeft geuit.

2. De Europese Unie en haar lidstaten moeten derhalve ten aanzien van de Democratische Volksrepubliek Korea consequente beleidslijnen vaststellen.

De Europese Unie heeft sinds juli 1999 gekozen voor een aanpak van haar betrekkingen met de Democratische Volksrepubliek Korea die tot resultaten heeft geleid die voor voortzetting pleiten. Door de inspanningen van de Republiek Korea te ondersteunen en te benadrukken dat de aard van de betrekkingen van de Unie met de Democratische Volksrepubliek Korea gelijke tred zal houden met de houding die dit land op verschillende gebieden zal ontwikkelen, heeft de Unie een bijdrage geleverd tot het proces van dialoog en toenadering tussen beide Korea's en zal dat ook in de toekomst blijven doen.

De ontwikkeling van de betrekkingen van de Europese Unie en haar lidstaten met de Democratische Volksrepubliek Korea zal met name samenhangen met de volgende aspecten:


- de daadwerkelijke voortzetting door Pyongyang van de toenadering tot de Republiek Korea en de naleving van de verbintenissen die met dat land zijn aangegaan. De Unie is tevens van mening dat de contacten, dialogen en onderhandelingen die de Democratische Volksrepubliek Korea is begonnen met andere partners, en die door de Unie worden toegejuicht, zich parallel daarmee moeten ontwikkelen zonder dat welk van deze contacten ook wordt geschaad;
- een verantwoordelijke houding inzake nucleaire en ballistische non-proliferatie (in het bijzonder de naleving door de Democratische Volksrepubliek Korea van de verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van het non-proliferatieverdrag (NPV), de ondertekening en de bekrachtiging van het Alomvattend Kernstopverdrag (CTBT), de toetreding tot andere non-proliferatieregelingen en de stopzetting van haar activiteiten, met name de uitvoer, op het gebied van raketten en rakettechnologie). De Europese Unie wenst dat de Democratische Volksrepubliek Korea toetreedt tot de gedragscode die onlangs in het kader van het controleregime voor de uitvoer van rakettechnologie (MTCR) is aangenomen, en de bepalingen ervan naleeft;

- de ontwikkeling op het gebied van de mensenrechten, met name de naleving van de instrumenten van de Verenigde Naties betreffende de mensenrechten;

- de toegang van de bevolking tot buitenlandse hulp en de mogelijkheid voor buitenlandse NGO's om onder bevredigende omstandigheden in de Democratische Volksrepubliek Korea te werken. Ter versterking van het vertrouwen in de structurele aard van de lopende hervormingen wordt erop gerekend dat de Koreaanse autoriteiten zullen openstaan voor economische uitwisselingen en andere blijken van goede wil en transparantie, zoals het verstrekken van visa aan Europese journalisten en bevredigende faciliteiten voor hun werkzaamheden;

De Europese Unie verklaart zich bereid met de Democratische Volksrepubliek Korea een specifieke dialoog aan te gaan over deze vraagstukken.

Overeenkomstig de conclusies van de Raad algemene zaken van 9 oktober 2000 zal de Europese Trojka zich op 25 november aanstaande naar Pyongyang begeven teneinde de politieke dialoog met de Democratische Volksrepubliek Korea in een constructieve geest voort te zetten. De Europese Trojka zal bij die gelegenheid de belangrijkste aspecten van de beleidslijnen van de Europese Unie ten aanzien van de Democratische Volksrepubliek Korea toelichten.

3. Het beleid van de Europese Unie en haar lidstaten zal gebaseerd zijn op hun oordeel omtrent de standpunten van de Democratische Volksrepubliek Korea.
In dit stadium is de uitvoering van de door de Raad algemene zaken van 9 oktober 2000 goedgekeurde stimulerende en begeleidende maatregelen een belangrijk element van de aanpak van de Unie. Te zijner tijd kan de Europese Unie tot andere maatregelen besluiten. De Commissie zal bestuderen welke maatregelen van technische bijstand er op prioritaire gebieden kunnen worden aangenomen. De Raad en de Commissie zullen snel onderzoeken welke maatregelen mogelijk zijn om de Europese markt open te stellen voor Noord-Koreaanse producten. In prioritaire sectoren zullen haalbaarheidsstudies worden verricht.
4. De Europese Unie zal haar politiek overleg met de Republiek Korea, waarvan zij de inspanningen voor een toenadering tussen de beide Korea's ondersteunt, intensiveren teneinde na te gaan op welke gebieden gemeenschappelijke actie mogelijk is, het gebied van de technische bijstand en de economische samenwerking met de Democratische Volksrepubliek Korea daaronder begrepen. De Unie zal ook haar overleg intensiveren met de diverse partijen die wensen bij te dragen tot een vestiging van een duurzame vrede op het Koreaanse schiereiland. Zij benadrukt in dit verband het belang van vertrouwenwekkende maatregelen. Zij staat open voor eventuele initiatieven om de dialoog tussen de beide Korea's en de stabilisatie van het Koreaanse schiereiland te begeleiden. Zij benadrukt haar bereidheid zich op basis van een echt partnerschap en echte transparantie bij dergelijke initiatieven aan te sluiten. 5. De partners die belangstelling hebben voor het aangaan van diplomatieke betrekkingen met de Democratische Volksrepubliek Korea zullen onderling overleg plegen en de Raad op de hoogte brengen van de inhoud van hun besprekingen met Pyongyang."

STATUUT VAN DE LEDEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT

De Raad heeft nota genomen van een mondeling verslag van het voorzitterschap, gepresenteerd door minister MOSCOVICI, over de stand van de onderhandelingen met het Parlement betreffende het statuut van de leden van het Europees Parlement. Het voorzitterschap heeft de conferentie van voorzitters, uitgebreid met de contactgroep van het EP, voor het laatst ontmoet op 14 november op initiatief van met name de voorzitter van het Europees Parlement, mevrouw FONTAINE, die elementen voor een nieuw statuut heeft gepresenteerd om het interne debat in het Europees Parlement en de bespreking met de Raad nieuw leven in te blazen.

Naar aanleiding van de gedachtewisseling in de Raad heeft het voorzitterschap zicht gekregen op de standpunten van de delegaties betreffende de meest politieke elementen van het dossier, namelijk de hoogte van de gemeenschappelijke vergoeding, de onkostenvergoeding van de parlementsleden, de belastingregeling voor de vergoedingen en pensioenen, alsmede de opneming van sommige bepalingen van de verkiezingsakte van 1976 in het Statuut.

Het voorzitterschap heeft het voornemen in het licht van de resultaten van de huidige besprekingen, de vertegenwoordigers van het Europees Parlement spoedig opnieuw te ontmoeten en de Raad tijdens zijn zitting van 4 december een nieuw verslag voor te leggen.

ASSOCIATIE VAN LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE (LGO) MET DE EUROPESE

GEMEENSCHAP

De Raad heeft een presentatie gehoord van de heer NIELSON, lid van de Commissie, van het op 15 november door de Commissie aangenomen voorstel betreffende de verlenging van de associatie van de landen en gebieden overzee (LGO) met de Gemeenschap.

De Raad heeft zijn bevoegde organen opgedragen onverwijld een grondige bespreking te wijden aan dit voorstel en aan de wensen die een aantal lidstaten tijdens de verkennende besprekingen hebben geuit.

Het nieuwe besluit komt in de plaats van het besluit van 1991, dat in 1997 is gewijzigd en in 2000 is verlengd en dat op 28 februari 2001 afloopt. Het beslaat de periode van 1 maart 2001 tot 31 december 2007. Voor dat tijdvak is een totaalbedrag van EUR 175 miljoen voor LGO uitgetrokken in het kader van de vaststelling van de financiële middelen voor de nieuwe partnerschapsovereenkomst met de ACS-staten.

Het nieuwe voorstel heeft een viervoudige doelstelling:


- de economische en sociale ontwikkeling van de LGO meer doeltreffend te bevorderen


- de economische betrekkingen tussen de LGO en de Europese Unie te ontwikkelen


- meer rekening te houden met de diversiteit en specifieke kenmerken van de onderscheiden LGO met inbegrip van een aantal aspecten met betrekking tot de vrije vestiging

- zorgen voor een grotere doelmatigheid van het financiële instrument.

INTERGOUVERNEMENTELE CONFERENTIE

De ministers hebben de gebruikelijke gedachtewisseling gehouden met mevrouw FONTAINE, voorzitter van het Europees Parlement, samen met de heer Elmar BROK en de heer Dimitris TSTATSOS, leden, over de stand van de werkzaamheden van de IGC, met name in het licht van de besprekingen in het ministerieel conclaaf van zondag 19 november (namiddag), die onder meer gewijd was aan de samenstelling van de Commissie, de nieuwe weging van de stemmen in de Raad, de uitbreiding van de stemming bij gekwalificeerde meerderheid (met name voor artikel 42 - sociale zekerheid/vrij verkeer, artikel 67 - visa, asiel, immigratie, enz., artikel 93 - fiscale bepalingen en artikel 133 - handelspolitiek), alsmede de eventuele opneming van een verwijzing naar het Handvest van de grondrechten in artikel 6 van het Verdrag.

°

° °

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

(Besluiten ten aanzien waarvan verklaringen voor de Raadsnotulen beschikbaar zijn voor het publiek, zijn aangegeven met een asterisk; de tekst van de verklaringen is verkrijgbaar bij de Persdienst.)

EXTERNE BETREKKINGEN

FYROM - standpunt van de EU met het oog op de onderhandelingen betreffende een stabilisatie- en associatieovereenkomst

De Raad heeft de laatste hand gelegd aan het standpunt van de EU met het oog op de slotonderhandelingen die de Commissie op 22 november in Skopje zal voeren.

Na afronding van de onderhandelingen zal de stabilisatie- en associatieovereenkomst op 24 november tijdens de Top van Zagreb kunnen worden geparafeerd.

FYROM en FRJ - uitbreiding tot de FYROM en de FRJ van de uitzonderlijke handelsmaatregelen - opschorting van de handelsbepalingen van de samenwerkingsovereenkomst

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan de verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2000 waardoor de uitzonderlijke handelsmaatregelen effectief gelden voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en, gezien de veranderingen die zich in dat land hebben voorgedaan, worden uitgebreid tot de Federale Republiek Joegoslavië. Tevens heeft de Raad een besluit aangenomen tot opschorting van de handelsbepalingen in de Samenwerkingsovereenkomst van 1997 tussen de Europese Gemeenschap en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.

Deze maatregelen zijn degelijk afgestemd op de specifieke situatie van de Westelijke Balkan. Aan de vooravond van de Top van Zagreb bevestigt de EU haar vaste voornemen om het handelsverkeer tussen de Westelijke Balkan en de Gemeenschap te bevorderen en bij te dragen tot de politieke stabilisatie en de economische ontwikkeling van het gebied.

Kroatië - onderhandelingsmandaat in verband met een stabilisatie- en associatieovereenkomst

De Raad heeft de onderhandelingsrichtsnoeren in verband met een stabilisatie- en associatieovereenkomst met de Republiek Kroatië goedgekeurd.

Albanië - inzameling en vernietiging van wapens

De Raad heeft een besluit aangenomen tot intrekking van de Besluiten 1999/320/GBVB en 1999/846/GBVB van de Raad inzake een bijdrage van de Europese Unie aan de inzameling en vernietiging van wapens in Albanië.

Bij dit besluit maakt de Raad een einde aan de bijdrage van de Europese Unie aan de inzameling en vernietiging van wapens in Albanië, ingevolge een brief van het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) d.d. 5 april 2000 aan de Commissie, waarin het UNDP erkent het contract niet te kunnen uitvoeren. De ingezamelde wapens konden niet worden vernietigd volgens de criteria die de Unie in het Raadsbesluit van 10 mei 1999 had bepaald omdat de Albanese autoriteiten het operationele materieel wensen te behouden.

Kroatië - uitvoer van wapens

De Raad heeft een gemeenschappelijk standpunt aangenomen houdende wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 96/184/GBVB betreffende de uitvoer van wapens naar voormalig Joegoslavië.

De Raad is tot de conclusie gekomen dat de ontwikkeling van de situatie in Kroatië, met name de toezegging van dit land om de akkoorden van Dayton en Parijs volledig te zullen toepassen en zijn beleid op het gebied van de uitvoer van wapens, rechtvaardigt dat de beperkende maatregelen die uit hoofde van Gemeenschappelijk Standpunt 96/184/GBVB ten aanzien van deze staat zijn genomen, worden opgeheven.

Er bestaat overeenstemming over dat de lidstaten van de Europese Unie ter zake van de uitvoer van wapens naar Kroatië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië de op 8 juni 1998 aangenomen gedragscode van de Europese Unie inzake wapenuitvoer strikt zullen toepassen.

Betrekkingen EU-Iran - conclusies

De Raad spreekt zijn belangstelling uit voor het aanhalen van de banden tussen de Europese Unie en Iran. Te dien einde verzoekt hij de Commissie hem een voorstel inzake een mandaat voor onderhandelingen met het oog op een handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Iran voor te leggen. De Raad onderstreept dat over de aanvang van de onderhandelingen zal worden besloten nadat alle aspecten van de betrekkingen EU-Iran zijn geëvalueerd.

Cambodja - lichte wapens *

De Raad heeft een besluit aangenomen tot wijziging van Besluit 1999/730/GBVB van de Raad met het oog op een bijdrage van de Europese Unie aan de bestrijding van de destabiliserende accumulatie en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens in Cambodja.

Bij Besluit 1999/730/GBVB van 15 november 1999 heeft de Raad besloten dat de Europese Unie een bijdrage levert aan de bestrijding van de destabiliserende accumulatie en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens in Cambodja. De Unie heeft daartoe een financiële steun van 500.000 euro aan de Cambodjaanse autoriteiten verleend.

Met dit besluit wordt de EU-bijdrage verlengd en gewijzigd opdat de bijstand aan de Cambodjaanse autoriteiten kan worden voortgezet. De EU verstrekt daartoe een financiële steun van 1.300.000 euro aan de Cambodjaanse autoriteiten.

4e ministeriële conferentie SADC/EU

De Raad heeft er nota van genomen dat, op verzoek van de Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (SADC) en in overeenstemming met het Franse voorzitterschap, werd voorgesteld de vierde ministeriële conferentie van de SADC-EU te organiseren in Gaborone, Botswana, op 29-30 november 2000.

De Raad heeft:
sB ermee ingestemd dat deze conferentie wordt gehouden; sB het ontwerp van een gezamenlijk communiqué dat aan het eind van de conferentie moet worden vastgesteld, goedgekeurd; sB de EU-delegaties mandaat gegeven om, in het licht van de besprekingen tijdens de conferentie, in Gaborone de laatste hand te leggen aan het communiqué.

LMOE

Uitbreiding

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan de gemeenschappelijke standpunten van de EU met het oog op de toetredingsconferenties met Litouwen, Bulgarije, Malta, Roemenië, Slowakije en Letland op ministerieel niveau op 20/21 november 2000.

Slovenië - toepassingsbepalingen betreffende de concurrentie

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een besluit inzake het door de Gemeenschap in te nemen standpunt in de Associatieraad die werd ingesteld bij de op 10 juni 1996 ondertekende Europa-overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Slovenië, anderzijds, ten aanzien van de vaststelling van de voorschriften voor de tenuitvoerlegging van artikel 65, lid 1, sub i) en sub ii), en lid 2, van de Europa-overeenkomst en voor de tenuitvoerlegging van artikel 7, lid 1, sub i) en sub ii), en lid 2, van Protocol 2 inzake EGKS-producten bij de Europa-overeenkomst.

Estland en Tsjechië - verlenging voor de overheidssteun

De Raad heeft twee besluiten aangenomen inzake het door de Gemeenschap in te nemen standpunt in de Associatieraden tussen

sB de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Estland, anderzijds, ten aanzien van de verlenging met een verdere termijn van vijf jaar overeenkomstig het bepaalde in artikel 63, lid 4, onder a), van de met de Republiek Estland gesloten Europa-overeenkomst,

en

sB de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Tsjechische Republiek, anderzijds, ten aanzien van de verlenging met een verdere termijn van vijf jaar overeenkomstig het bepaalde in artikel 64, lid 4, onder a), van de met de Tsjechische Republiek gesloten Europa-overeenkomst.

In deze besluiten wordt bepaald dat Tsjechië en Estland, teneinde de aan deze landen verstrekte overheidssteun te kunnen beoordelen, de eerste vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden beschouwd als een regio gelijk aan de in artikel 92 (huidig artikel 87), lid 3, onder a), van het EG-Verdrag bedoelde streken van de Gemeenschap (waar de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst). Tevens wordt in de Europa-overeenkomst bepaald dat deze termijn bij besluit van de Associatieraad met vijf jaar kan worden verlengd.

Aangezien de eerste termijn afloopt, hebben de beide betrokken landen verzocht om een verlenging met vijf jaar. De Commissie is van oordeel dat deze landen voldoen aan de in artikel 87, lid 3, onder a), van het VGE vastgestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor steun (namelijk een BNP per inwoner van minder dan 75% van het gemiddelde BNP in de Gemeenschap). De Commissie stelt derhalve voor dat de Associatieraden instemmen met de gevraagde verlengingen.

HANDELSPOLITIEK

Antidumping - roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan (Volksrepubliek China)

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een verordening houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 393/98 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit o.a. de Volksrepubliek China.

De tabel van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 393/98 wordt, wat China betreft, vervangen door onderstaande tabel:

Land

Onderneming

Recht

Aanvullende TARIC-code

China

Bulten Fasteners (China) Co Ltd

Ningbo Shyechang Metal Products

Power Van Industrial Co. Ltd

Alle andere ondernemingen

18,5%

24,2%

13,6%

74,7%

A208

8757

8333

8900

Het recht dat wordt ingesteld wordt ook, met terugwerkende kracht, ingesteld op de invoer van het betrokken product die ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 59/2000 werd geregistreerd.

Tenzij anders gespecificeerd zijn de voor douanerechten geldende bepalingen op dit recht van toepassing.

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

ECOFIN

Externe accountants van de Bank van Griekenland

Nu Griekenland vanaf 1 januari 2001 de euro aanneemt, heeft de Raad op aanbeveling van de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank van 5 oktober 2000 zijn goedkeuring gehecht aan de aanwijzing van Ernst & Young (Hellas) Certified Auditors S.A. en de heer Charalambos Stathakis, erkend registeraccountant, als externe accountants voor de jaarrekeningen van de Bank van Griekenland met ingang van het financiële jaar 2001, overeenkomstig artikel 27, lid 1, van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank.


Footnotes:

( 1) De Petersbergtaken omvatten humanitaire en reddingsopdrachten, vredeshandhavingsopdrachten en opdrachten van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede (artikel 17, lid 2, VEU).

( 2) Denemarken memoreerde Protocol nr. 5 bij het Verdrag van Amsterdam.

( 3) Er wordt aan herinnerd dat d
e Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst te Lissabon in maart heeft bevestigd dat zijn eerste doelstelling nog steeds de zo volledig mogelijke integratie van de landen van de regio in de politieke en economische hoofdstroom van Europa is en dat het stabilisatie- en associatieproces de hoeksteen van zijn beleid in de Balkan is; voorts heeft de Europese Raad van Feira van juni de betrokken landen erkend als potentiële kandidaten voor het lidmaatschap van de EU.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie