Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief BUZA inzake werkzaamheden Veiligheidsraad

Datum nieuwsfeit: 21-11-2000
Bron: Ministerie van Buitenlandse Zaken
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

www.minbuza.nl\content.asp?Key=403807



Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 Den Haag Directie Verenigde Naties en Internationale Financiële Instellingen i.o. Afdeling Politieke en Juridische Zaken Bezuidenhoutseweg 67 2594 AC Den Haag

Datum 21 november 2000 Auteur Mw. mr. C. L. Miedema

Kenmerk DVF/PJ-582/00 Telefoon 070-3486363

Blad /9 Fax 070-3484817

Bijlage(n) 1 E-mail (cl.miedema@minbuza.nl)

Betreft Werkzaamheden Veiligheidsraad / oktober 2000

Zeer geachte Voorzitter,

Hierbij bied ik u mede namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking een verslag aan over de werkzaamheden van de Veiligheidsraad in de maand oktober 2000.

SAMENVATTING

De Veiligheidsraad werd in oktober voorgezeten door Namibië.

De Raad ontving briefings over de situatie in Angola, Burundi, Guinee-Bissau, Sierra Leone, Somalië en de Westelijke Sahara.

De situatie van de VN-missie in Sierra Leone blijft zorgelijk. Bangladesh en Ghana zullen met drie bataljons slechts gedeeltelijk de gevolgen van het vertrek van Indiase en Jordaanse troepen kunnen opvangen.

De Raad besprak het rapport van de Secretaris-Generaal over het Speciale Hof voor Sierra Leone, dat volgens Nederland een adequate basis vormde voor het opzetten en functioneren van dit Hof.

De Raad toonde zich verheugd over het feit dat met de benoemingen van een nieuwe president en premier en de instelling van een overgangsparlement een begin is gemaakt met het herstel van de Somalische staatsinstellingen.

De Raad steunde de conclusie van de Hoge Vertegenwoordiger voor Bosnië-Herzegovina, Petritsch dat de machtswisseling in de FRJ kan bijdragen tot stabiliteit in Bosnië-Herzegovina en tot betere uitvoering van het Dayton-akkoord.

De FRJ is na een unanieme positieve aanbeveling van de Veiligheidsraad toegelaten als nieuw lid van de VN.

De Secretaris-Generaal heeft in de Raad een dringend beroep gedaan op de internationale gemeenschap om af te zien van uitlatingen die de vlammen in het Midden-Oosten weer kunnen doen oplaaien en de Raad geadviseerd geen actie te ondernemen, tenzij de Raad zeker was van een positieve uitkomst en van steun van alle leden.

Op 9 november is een Veiligheidsraad-missie naar Oost- en West-Timor vertrokken.

De mandaten van het VN-kantoor in Angola (UNOA) en de VN-missie in de Westelijke Sahara (MINURSO) werden verlengd.

Het open debat over Vrouwen, Vrede en Veiligheid kon worden afgesloten met een resolutie, waarin de Raad een aantal maatregelen adviseert ter bevordering van de betrokkenheid van vrouwen in VN-vredesoperaties.

AFRIKA

Angola

De Speciaal Adviseur voor Afrika, Ibrahim Gambari, lichtte op 10 oktober het rapport van de Secretaris-Generaal over Angola toe.

Gambari legde de verantwoordelijkheid voor de hervatting van het geweld in Angola bij UNITA dat zijn verplichtingen onder het Lusaka-protocol niet na kwam. UNITA weigerde te demobiliseren en verhinderde de uitbreiding van het staatsgezag over het gehele land.

De Angolese regering verwierp niet langer een dialoog met UNITA, echter wel met leider Savimbi die zijn onbetrouwbaarheid genoegzaam had bewezen. Gambari waarschuwde voor de gevolgen van de uitbreiding van het conflict naar de buurlanden Zambia en Namibië.

De humanitaire situatie bleef precair. Nederland uitte zijn zorg over de dreigende voedselhulptekorten. Gambari benadrukte het belangrijke werk van het VN-kantoor in Angola (UNOA) met betrekking tot de versterking van de lokale capaciteit ten behoeve van mensenrechtenactiviteiten.

Alle leden van de Raad steunden het werk van UNOA en stemden in met de verlenging van het mandaat tot 15 april 2001.

In de persverklaring stelde de Raad UNITA verantwoordelijk voor de hervatting van de oorlog en riep Savimbi op het Lusaka-protocol na te leven.

Burundi

In een open briefing voor de Veiligheidsraad op 26 oktober schetste Assistent Secretaris-Generaal Fall de recente ontwikkelingen in Burundi.

In grote delen van het land vonden nog steeds gewelddadige acties plaats, waarbij in toenemende mate gebruik werd gemaakt van anti-personeels landmijnen. Onder de burgerbevolking vielen veel slachtoffers en de stroom van vluchtelingen nam toe.

In Pretoria vonden ontmoetingen plaats met de rebellenbewegingen FLN en FDD, in de hoop dat beide bewegingen zich alsnog achter het vredesakkoord zouden scharen en het staakt-het-vuren een feit kon worden.

De leden van de Raad bleven de pogingen van Mandela om de partijen tot elkaar te brengen en het staakt-het-vuren te ondertekenen ten volle ondersteunen.

Guinee-Bissau

De vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal voor Guinee-Bissau, Samuel Nana-Sinkham, informeerde de Raad op 5 oktober over de situatie in Guinee-Bissau.

De grensproblemen met Senegal en de situatie in Casamance bedreigden de vrede in het land en in de buurlanden.

Op Nederlands verzoek ging Nana-Sinkham in op de relatie tussen Sierra Leone en Guinee-Bissau. Vluchtelingen uit Sierra Leone zochten in toenemende mate een heenkomen in Guinee-Bissau. Bovendien doken in Guinee-Bissau steeds meer diamanten op die het land niet zelf produceerde. Voor de regionale stabiliteit was een spoedige oplossing van het al achttien jaar spelende Casamance-probleem met Senegal noodzakelijk. Hoewel het democratiseringsproces vooruitgang boekte, was de situatie fragiel door de nog immer dominante rol van de militaire junta. De economische situatie was zorgwekkend.

Alle leden van de Raad prezen het werk van Nana-Sinkham en het VN-kantoor in Guinee-Bissau (UNOGBIS).

In een persverklaring steunde de Raad het democratiseringsproces en riep de militaire junta op zich terug te trekken uit het politieke proces. Tevens drong de Raad in de verklaring aan op een spoedige oplossing van het grensprobleem met Senegal.

Sierra Leon
e

Op 3 en 4 oktober vonden briefings plaats over de situatie in Sierra Leone.

De onrust in het grensgebied ten oosten van Sierra Leone was verder toegenomen.

De RUF leek een afwachtende houding aan te nemen, maar breidde tegelijkertijd zijn activiteiten uit naar de verschillende grensgebieden. De regio dreigde in een chaos te belanden. Vluchtelingenstromen kwamen op gang vanuit Guinee, waar vluchtelingen niet langer veilig waren vanwege het aldaar oplaaiende geweld.

De situatie van UNAMSIL bleef zorgelijk. Tijdens de bijeenkomst op 4 oktober van leden van de Raad met troepenleverende landen benadrukte India dat het mandaat van UNAMSIL sinds de ineenstorting van het vredesproces veel robuuster geworden was dan India op zich wilde nemen en dat India daarom besloten had zijn troepen terug te trekken. Ook Jordanië nam aanstoot aan de ontwikkeling van het mandaat. Volgens Jordanië drukten de lasten van de vredesoperatie in Sierra Leone te veel op de schouders van een klein aantal ontwikkelingslanden. Op 25 oktober heeft Jordanië te kennen gegeven ook zijn troepen uit UNAMSIL terug te trekken. De terugtrekking van de 1817 manschappen diende aan het eind van dit jaar voltooid te zijn.

Bangladesh en Ghana zullen met totaal drie bataljons de gevolgen van het vertrek van Indiase en Jordaanse troepen gedeeltelijk opvangen. Ook het Verenigd Koninkrijk heeft aangekondigd zijn militaire presentie in Sierra Leone te versterken.

Hans Corell, Office for Legal Affairs, lichtte op 6 oktober het rapport van de Secretaris-Generaal inzake het Special Court voor Sierra Leone toe.

Voorgesteld wordt dat, in tegenstelling tot ICTY en ICTR, het Hof voor Sierra Leone zijn basis zal vinden in een bilaterale overeenkomst tussen de VN en Sierra Leone en niet in een resolutie van de Raad onder Hoofdstuk VII. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de jurisdictie van het Hof wel boven de nationale jurisdictie van Sierra Leone staat, maar zich uitdrukkelijk niet uitstrekt tot derde landen. Het Hof heeft dus niet de bevoegdheid om uitlevering te verzoeken of medewerking te eisen van autoriteiten van derde landen.

De Secretaris-Generaal suggereert vanwege dit manco dat de Raad het Hof een Hoofdstuk VII autorisatie meegeeft voor het specifieke doel van uitlevering van verdachten.

Het rapport rekent af met de amnestie uit het Lomé-akkoord (1999) door expliciet vast te stellen dat een amnestie geen beletsel voor vervolging zou moeten zijn. Daarnaast beveelt het rapport als begindatum voor de personele jurisdictie 30 november 1996 aan, de datum van het Abidjan-akkoord.

Volgens het rapport dienen de 15 tot 18 jarigen niet van vervolging uitgesloten te worden, maar wel van gevangenisstraf. Voor deze kinderen dienen rehabilitatie-programma's opgezet te worden. Over de financiering van het Hof wordt nog onderhandeld.

Nederland steunde in zijn interventie het rapport als een adequate basis voor het opzetten en functioneren van dit Speciale Hof.

Somalië

Assistent Secretaris-Generaal Fall informeerde de Raad op 26 oktober over de recente ontwikkelingen in Somalië. Met de benoeming van de nieuwe president Hassan en premier Galaydh en de instelling van een 'transitional national assembly' (TNA), was een begin gemaakt met het herstel van de Somalische staatsinstellingen, zeker nu President Hassan zich in Mogadishu had kunnen vestigen.

Tegelijkertijd tekende Fall aan dat het gezag van de nieuwe instellingen zich bepaald nog niet over heel Somalië uitstrekte. In Somaliland en Puntland was het verzet tegen de TNA nog zeer groot, zozeer zelfs dat kandidaten voor de TNA vanuit deze gebieden met gevangenisstraffen werden bedreigd. Ook in het zuiden was de situatie bepaald nog niet stabiel.

Fall deelde mee dat de humanitaire situatie was verbeterd als gevolg van goede oogsten. De voedselsituatie was hierdoor minder precair geworden. Volgens Fall was het nog te vroeg om het VN-kantoor voor Somalië te verplaatsen van Nairobi naar Mogadishu, waar de situatie nog te onveilig was.

De leden van de Raad toonden zich verheugd over de voortgang in het politieke proces in Somalië. Nederland wees in de discussie op de opmerkelijke rol van de civil society en de traditionele clan-structuren als drijvende krachten achter het vredesproces. Deze kracht en inbreng van de 'civil society' zou als voorbeeld kunnen dienen bij het vinden van oplossingen voor conflicten elders in Afrika.

Westelijke Sahara

Het VN-secretariaat informeerde de Raad op 27 oktober over de situatie in de Westelijke Sahara.

Zowel het rapport van de Secretaris-Generaal als de toelichting van beide partijen bevestigden dat de zaak nog steeds vast zat. Marokko was niet bereid soevereiniteit op te geven en verwierp daarmee impliciet het Settlement Plan. Polisario, gesteund door Algerije, zag geen alternatieven voor het Plan en het referendum.

De teleurstelling in de Raad dat een oplossing voor de kwestie nog geen stap dichterbij was gekomen, was groot. Zelfs een eenvoudig voorstel van UNHCR inzake een uitwisseling van familiebezoek tussen kampen stuitte op tegenwerking van de Marokkaanse autoriteiten. Nederland vroeg aandacht voor het lot van de Marokkaanse krijgsgevangenen van wie sommigen al meer dan 20 jaar in kampen van Polisario werden vastgehouden. Hun detentie druiste in tegen het internationale recht: krijgsgevangenen mochten niet worden gebruikt als instrument om een politieke oplossing af te dwingen.

Alle leden van de Raad gingen akkoord met de mandaatsverlenging van MINURSO tot eind februari 2001.

EUROPA

Bosnië-Herzegovina

De Veiligheidsraad kreeg op 26 oktober een briefing van de Hoge Vertegenwoordiger voor Bosnië-Herzegovina, Wolfgang Petritsch. Ook Duitsland, Italië en Bosnië-Herzegovina namen deel aan het debat.

Petritsch wees erop dat de recente ontwikkelingen zowel in Kroatië als de FRJ de hoop op een betere toekomst voor Bosnië rechtvaardigden. Tegelijk was waakzaamheid geboden, want nationalistische krachten waren nog geenszins verslagen. Petritsch hoopte dat met de verkiezing van Kostunica een einde zou komen aan de ondersteuning van Belgrado aan anti-Dayton elementen in Bosnië.

De Hoge Vertegenwoordiger noemde drie prioriteiten: economische hervorming, terugkeer van vluchtelingen en versterking van de staatsinstellingen. Uitvoering van deze prioriteiten was nodig voor buitenlandse investeerders, maar ook voor de eigen bevolking. Volgens een recent onderzoek zou ruim 60 procent van de Bosnische jongeren het land willen verlaten.

In de Raad bestond algemene waardering voor Petritsch en werden de verkiezingen van 11 november jl. als verdere stap in de richting van een functionerende democratie gezien. De machtswisselingen in de buurlanden konden aan stabilisering van Bosnië en uitvoering van de Dayton-akkoorden bijdragen. Alle delegaties hekelden de obstructie van nationalisten, het laten prevaleren van etnische belangen en het trage tempo van economische en politieke hervorming.

Nederland stelde dat de verkiezingen in november een mijlpaal konden zijn en in dit verband hoopte Nederland dat de in april ingezette trend ten gunste van multi-etnische en gematigde politieke partijen zou worden voortgezet.

De Bosnische PV gaf aan dat zijn land bereid was zonder voorwaarden vooraf diplomatieke betrekkingen aan te gaan met de FRJ.

FRJ

Op 31 oktober aanvaardde de Veiligheidsraad unaniem de resolutie waarmee de Algemene Vergadering aanbevolen werd de FRJ toe te laten als nieuw lid van de VN. In een voorzittersverklaring sprak de Veiligheidsraad felicitaties aan de FRJ uit.

Op 1 november heeft de Algemene Vergadering bij acclamatie ingestemd met de mede door Nederland ingediende resolutie tot toelating van de FRJ als nieuw lid.

Prevlaka

In de Raad bleek op 18 oktober tijdens de behandeling van het rapport van de SGVN over de VN-missie in Prevlaka (UNMOP) volledige overeenstemming te bestaan dat de perspectieven voor een oplossing voor Prevlaka sterk waren verbeterd door de democratische veranderingen die zich in Kroatië en de FRJ hadden voltrokken. Partijen dienden zo spoedig mogelijk de onderhandelingen te hervatten. Tot het moment dat een duurzame politieke oplossing bereikt zou zijn, diende UNMOP zijn stabiliserende rol te blijven vervullen.

MIDDEN-OOSTEN

Onlusten Israël/Palestijnen

Op 7 oktober aanvaardde de Veiligheidsraad met veertien stemmen voor en een Amerikaanse onthouding de resolutie waarin het excessieve geweld tegen de Palestijnen werd veroordeeld. In de resolutie betreurt de Raad de provocatie op 28 september bij de Tempelberg en het geweld dat daarop volgde. In de resolutie werd opgeroepen tot een onmiddellijke beëindiging van het geweld en tot onmiddellijke hervatting van het vredesoverleg tussen Israël en de Palestijnen en werd steun uitgesproken voor een "snel en objectief onderzoek naar de onlusten".

De Raad besprak, naar aanleiding van de ernstige escalatie in de bezette gebieden, op 12 oktober opnieuw de situatie in het Midden-Oosten. De voorzitter van de Raad werd uiteindelijk gemachtigd om met de Secretaris-Generaal contact op te nemen en een korte verklaring tegenover de pers af te leggen, waarin de raad grote zorgen uitsprak over de situatie en steun betuigde aan de inspanningen van de Secretaris-Generaal.

Veiligheidsraad-voorzitter Andjaba bracht de Raad op 12 oktober op de hoogte van zijn gesprek met de Secretaris-Generaal, die de situatie in het Midden-Oosten als uiterst delicaat kenschetste. In het licht van de snelle ontwikkelingen en de inspanningen in de regio van hemzelf en vele andere leiders (Egypte en VS) achtte de SGVN het onverstandig als de Raad actie ondernam, tenzij de Raad zeker was van een positieve uitkomst en van de steun van alle Raadsleden.

In de Raad tekende zich een consensus af om de aanbeveling van de Secretaris-Generaal te volgen. De Raad verklaarde tegenover de pers dat de Raad zeer nauwgezet de situatie zou blijven volgen en dat er consensus bestond om op dit moment geen actie te ondernemen.

Secretaris-Generaal Kofi Annan informeerde de Veiligheidsraad op 20 oktober over zijn inspanningen in het Midden-Oosten. Hij stelde vast dat de partijen op de rand van de afgrond hadden gestaan en dat alleen het resultaat van Sharm-el-Sheikh een ramp had voorkomen. Volgens Annan ging het erom dat de partijen de in Sharm-el-Sheikh gemaakte afspraken te goeder trouw zouden uitvoeren. Hij legde bijzondere nadruk op de noodzaak dat niet alleen beide partijen, maar ook de internationale gemeenschap zou afzien van uitlatingen die de vlammen in het Midden-Oosten weer kunnen doen oplaaien.

AZIE

Oost-Timor

Op 12 oktober vond de bijeenkomst plaats van de Veiligheidsraad met de Indonesische Minister van Buitenlandse Zaken Shihab over de kwestie West-Timor.

Shihab nodigde namens Jakarta de Raad uit in de week van 13 november vanuit Oost-Timor, wanneer de missie daar toch "op uitnodiging van UNTAET zou zijn" West-Timor te bezoeken.

Alle leden van de Raad benadrukten dat Indonesië meer maatregelen moest treffen ter ontwapening, ontbinding en relocatie van de milities en het neutraliseren van hun leiders, hetgeen essentieel voor de oplossing van de vluchtelingenproblematiek was.

De Veiligheidsraad-missie die op 9 november naar Oost- en West-Timor is vertrokken, staat onder leiding van Namibië en bestaat voorts uit Argentinië, Maleisië, Oekraïne, Tunesië, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.

ALGEMEEN

Open debat over Vrouwen, Vrede en Veiligheid

Onder voorzitterschap van de Namibische Minister van Buitenlandse Zaken vond op 24 en 25 oktober een open debat plaats over Vrouwen, Vrede en Veiligheid.

In hun inleidingen spraken zowel Assistent Secretaris-Generaal voor "gender mainstreaming and the advancement of women", Angela King, als UNIFEM Uitvoerend Directeur, Heyzer, van een historische gebeurtenis dat de Raad het onderwerp vrouwen in gewapend conflict behandelde.

King ging in haar interventie uitvoerig in op de recente studie over 'gender mainstreaming' in vredesoperaties, waarin werd geconcludeerd dat elke missie een 'gender' component in zich moest hebben; meer aandacht zou moeten worden besteed aan de benoeming van vrouwen als speciale gezanten of vertegenwoordigers van de SG en elke missie zou uitgerust moeten zijn met een 'gender unit' met voldoende capaciteit. De missies naar Oost-Timor en Kosovo beschikten al over dergelijke units, terwijl de missie in Sierra Leone een 'gender focal point' kende.

Heyzer riep de Veiligheidsraad op om een code of conduct voor vredesoperaties op te stellen, waarin zou moeten worden beschreven hoe om te gaan met bijvoorbeeld (rapportages over) seksueel geweld.

De leden van de Raad (en 27 voornamelijk uit Afrika afkomstige niet-leden) gingen in op de effecten van gewapende conflicten op vrouwen en de rol van vrouwen in conflictpreventie en -oplossing alsmede bij vredesopbouw.

Vrouwen werden in tijden van conflict onevenredig hard getroffen. Vrouwen liepen niet alleen risico het slachtoffer te worden van seksueel geweld maar waren daardoor ook extra vatbaar voor seksueel overdraagbare ziekten. Voorts werden de gevolgen van landmijnen voor vrouwen en kinderen door veel delegaties, waaronder Nederland, genoemd.

Alle delegaties benadrukten het belang van participatie van vrouwen in vredesprocessen, die zowel in eventuele vredesmissies, als op lokaal niveau gegarandeerd diende te zijn. De roep om benoemingen van meer vrouwelijke gezanten en/of vertegenwoordigers werd door veel delegaties herhaald.

Nederland lichtte een aantal activiteiten toe dat ondernomen is om de rol van vrouwen in het vredesopbouwproces te versterken. Zo heeft Nederland besloten een gender adviseur bij de OVSE te financieren en worden in Soedan, Israël en de Palestijnse gebieden vrouwenorganisaties die betrokken zijn bij conflict-preventie gesteund.

Nederland noemde de opname van 'gender based crimes' in het Statuut van het Internationaal Strafhof een van de grootste doorbraken op het gebied van seksueel geweld tegen vrouwen in gewapend conflict. Seksueel geweld werd nu als oorlogsmisdaad aangemerkt en in bepaalde gevallen ook als misdaad tegen de menselijkheid.

Op 31 november aanvaardde de Raad unaniem een resolutie die een aantal maatregelen bevat om de betrokkenheid van vrouwen in vredesoperaties te bevorderen. De Secretaris-Generaal zal een onderzoek verrichten naar de invloed van gewapend conflict op vrouwen en meisjes, naar de rol van vrouwen in vredesopbouw en de gender dimensies van vredesprocessen. De resolutie roept de Secretaris-Generaal op meer vrouwen te benoemen als speciale vertegenwoordigers en afgezanten en in rapporten over vredesmissies ook het aspect van 'gender mainstreaming' mee te nemen.

De Minister van Buitenlandse Zaken

ACTIES VAN DE VEILIGHEIDSRAAD

&

MONDELINGE UITSPRAKEN VOORZITTER AAN DE PERS

Oktober 2000

Regio Agendapunt Actie Nr. Datum

AFRIKA Angola Persverklaring 10 oktober

Democratische Republiek Congo Resolutie S/RES/1323 (2000) 13 oktober

Guinee-Bissau Persverklaring 5 oktober

Westelijke Sahara Resolutie S/RES/1324 (2000) 30 oktober

EUROPA FRJ Voorzitters-verklaring Resolutie S/PRST/2000/30 S/RES/1326 (2000) 31 oktober 31 oktober

MIDDEN-OOSTEN Midden-Oosten Resolutie S/RES/1322 (2000) 7 oktober

ALGEMEEN Vrouwen, Vrede en Veiligheid Resolutie S/RES/1325 (2000) 31 oktober

Kenmerk DVF/PJ-582/00
Blad /9

===

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie