Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Inbreng CDA in kamerdebat over Euthanasiewet

Datum nieuwsfeit: 21-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

Euthanasiewet

Voorzitter,

Nu meer dan een jaar geleden, op een ochtend, stierf een goede vriend van mij zijn zelfgekozen dood, geholpen door zijn arts en bijgestaan door zijn geestelijk leidsman en omringd door diegenen die hem het meest na stonden. Hij was ongeneeslijk ziek. Bij de begrafenisplechtigheid werd een brief van hem aan de aanwezigen voorgelezen. Ik voelde me wat bedremmeld, want hij nam afscheid van ons, meer dan wij van hem. Het was geen normale begrafenis, maar het was dan ook geen normale dood.

Wat kunnen wij weten van het lijden van een ander? Welk antwoord kun je geven op een hulpvraag van iemand die zegt het leven niet meer aan te kunnen, te willen sterven? Meestal ligt achter de vraag om de dood een andere vraag verborgen. Een vraag om zorg, aandacht, liefde, adequate pijnbestrijding. Wanneer al die vragen beantwoord zijn en een zieke toch nog vraagt om de dood, dan is er sprake van een diepe tragiek. Het opgeven van iemand is het allerlaatste wat je doet. Dat voelen artsen ook zo, het is altijd een worsteling en het doet altijd pijn, vaak het hele leven lang. Het is geen normale medische handeling waarom een patiënt kan vragen of die de arts tot zijn gewone pakket zorghandelingen rekent.

De rol van het OM: het beslissen over een terecht beroep op overmacht Voor het CDA staat vast dat het bij euthanasie moet gaan om een noodsituatie, een tragisch dilemma. Om een situatie waarin de arts met de rug tegen de muur staat en als medisch professional niets meer voor de patiënt kan betekenen, volkomen met lege handen staat. Pas dan kan hij zich voor het doden van de patiënt rechtvaardigen door een beroep te doen op overmacht. Euthanasie en hulp bij zelfdoding moet dan ook in het wetboek van strafrecht blijven. Ieder geval van levensbeëindiging is in zijn tragiek ook uniek en de beslissing over het al dan niet vervolgen van de arts hoort bij het Openbaar Ministerie te blijven.
Hoe zwaar het soms voor de arts ook is, hij is wel diegene die zich tegenover de samenleving zal moeten verantwoorden voor de dood van een ander. Het vergroten van de meldingsbereidheid is daarom ook voor het CDA van belang. Dit streven mag echter niet ten koste gaan van de verantwoordelijkheid van de overheid om het leven optimale bescherming te bieden.

Euthanasie kan en mag niets anders dan het ultimum remedium zijn. Het morele dilemma dat aan die daad ten grondslag ligt is daarbij zowel tragisch als noodzakelijk. Euthanasie mag nooit te herleiden zijn tot een procedurele vraag. En omdat geen enkel geval van euthanasie gelijk kan zijn aan een ander, kunnen algemene regels geen rechtvaardiging geven. Daarom ziet het CDA ook niets in het opnemen van een veroorlovende norm in de wet waardoor euthanasie als algemene handeling voorwaardelijk wordt gelegaliseerd. Het is geen algemene handeling en mag dat ook nooit worden. Volgens de CDA fractie is juist daarom een beroep op het overmachtsartikel 40 noodzakelijk, wil de arts zich van vervolging kunnen vrijwaren. Tot op dit moment wordt ieder geval van euthanasie voorgelegd aan het Openbaar Ministerie dat beziet of de arts een terecht beroep kan doen op overmacht in de zin van art. 40 Wetboek van Strafrecht. Die beslissing wordt niet langer door het Openbaar Ministerie genomen. De jurisprudentie die in de praktijk ontwikkeld is zal het kader vormen waarbinnen toetsingscommissies bestaande uit een ethicus, een medicus en een jurist zullen gaan beslissen of een arts strafbaar is of niet. Het is absoluut geen juridisch oordeel, maar een oordeel over de gevoerde procedure. Een oordeel over het al dan niet zorgvuldig handelen van de arts. Er kan wel in algemeenheid gezegd worden dat een arts zich aan zorgvuldigheidseisen te houden heeft, daarover is mijn fractie het wel eens. Straffeloosheid kan naar ons inziens echter niet door een lekenpanel toegekend worden, maar alleen door het Openbaar Ministerie. Het gaat tenslotte wel om een levensdelict en euthanasie blijft onverkort een strafbaar feit. Hier hoort toch de overheid de garantie te geven dat de bescherming van het zieke, meest weerloze menselijk leven gewaarborgd is? Hoe kan die garantie waargemaakt worden wanneer de beslissing daarover niet meer primair tot taak van de overheid gerekend mag worden?

Het Openbaar Ministerie mag dan wel het vervolgingsmonopolie behouden, de facto wordt het op grote afstand gezet. En dat wordt door het CDA betreurd. Ieder geval van euthanasie is uniek en moet onder ogen komen van het Openbaar Ministerie.

Een Kamermeerderheid twijfelt over het effect op de meldingsbereidheid Wat is eigenlijk de hoofddoelstelling van dit wetsvoorstel? Het doel was: de meldingsbereidheid van artsen te vergroten. Tenslotte meldt nu nog niet de helft van de artsen hun betrokkenheid bij euthanasie en dat is ernstig. Tijdens het wetgevingsoverleg dat wij gevoerd hebben over meer wetstechnische aspecten van dit wetsvoorstel, heb ik moeten constateren dat de fracties van de VVD en van D66 niet meer lijken te hechten aan het succes van dit wetsvoorstel als het gaat om het vergroten van de meldingsbereidheid. De woordvoerder van de VVD verwacht dat ook onder het nieuwe regiem artsen terughoudend zullen zijn met melden en de woordvoerder van de fractie van D66 gaf te kennen dat wat hem betreft het wetsvoorstel niet mislukt is als mocht blijken dat de meldingsbereidheid niet toeneemt. Ik hoor van hen in hun eigen termijn vast wel wat hun zo aan het twijfelen heeft gebracht, maar van de bewindslieden hoor ik ook graag hoe zij denken over de werking van dit wetsvoorstel in relatie tot de meldingsbereidheid van artsen. Er is nu een kamermeerderheid die twijfels heeft over de effecten van deze wet op het melden door artsen. Welke consequenties verbinden de bewindslieden aan het mogelijk niet bewaarheid worden van de hoofddoelstelling? Het is immers de overtuiging van de bewindslieden dat artsen zich niet langer gecriminaliseerd zullen voelen en door de toetsingscommissies de beslissingsbevoegdheid van het Openbaar Ministerie te laten overnemen en een algemen strafuitsluitingsgrond in de wet op te nemen. Dat is een majeure stap, die mijn fractie te ver gaat, maar waarvan ik toch meen dat deze door het kabinet vanuit een zeker optimisme over de werking van dit wetsvoorstel op de meldingspraktijk genomen dient te zijn. Hoe optimistisch zijn de bewindslieden? En waaraan ontlenen zijn dit optimisme? Immers, zij geven zelf ook toe dat er nog erg weinig te zeggen valt over het functioneren van de toetsingscommissies en er een onderzoek nodig is dat daar een beter licht op werpt. Ik vraag dan ook met extra veel nadruk of de bewindslieden van mening zijn dat pas over de verwezenlijking van de doelstelling de meldingsbereidheid te vergroten, pas iets serieus te zeggen zal zijn wanneer de resultaten van het onderzoek over een paar jaar bekend zullen zijn. Mijn fractie vindt het onzorgvuldig dat er wetgeving gemaakt wordt met een specifiek doel, terwijl met geen mogelijkheid aangegeven kan worden of dat doel ook gehaald kan worden. De twijfel daarover bij de fracties van VVD en D66 zet het wetsvoorstel volledig op de helling. Het verbaast de CDA fractie dan ook dat in het kader van die zorgvuldigheid van wetgeving het kabinet niet eerst dit onderzoek naar de werking van de toetsingscommissies en de meldingsbereidheid gelast heeft alvorens een voorstel van wet te doen. De toetsingscommissies worden met een zware taak belast, het OM op afstand gezet, en dit alles zonder de nodige helderheid over het effect hiervan op de meldingsbereidheid van artsen.

Brongersma
Voorzitter,
Dit euthanasiedebat is door de uitspraak van de rechter in de zaak Brongersma in een nieuw licht geplaatst.
De uitspraak in de zaak Brongersma, heeft het CDA geschokt. De rechter was van mening dat de arts zich gehouden heeft aan de zorgvuldigheidsen en zich terecht op overmacht kon beroepen. Maar Brongersma was niet ziek, maar levensmoe. Voor het CDA kan dat geen reden zijn voor een arts om aan verzoek om euthanasie te voldoen. Er moet sprake zijn van uitzichtloos en ondraaglijk lijden in medische zin.

Het begrip patiënt
Mijn fractie is van mening dat het begrip patiënt in de wettekst in het licht van bovengenoemde ontwikkeling eens te meer omschrijving behoeft en wel zodanig dat daaruit begrepen kan worden dat het gaat om een persoon die lijdt aan een medische kwaal. Nu staat er wel omschreven wat verstaan moet worden onder begrippen als: de arts, de consulent, de hulpverleners, de regionaal inspecteur, maar niet wie onder het begrip patiënt kunnen vallen.

Wie kan, in het licht van de wetstekst die nu aan ons voorligt, gezien worden als patiënt? Is het zo, volgens de minister, dat alleen iemand die ziek is geëuthanaseerd kan worden? Of hoeft dat helemaal niet? Kan dat ook bij een gezond iemand? In de eerste debatten hier in de kamer werd euthanasie bepleit bij zwaar en uitzichtloos fysiek lijden. Het CDA heeft met grote bezorgdheid geconstateerd dat tijdens het eerste kabinet Kok ook zwaar psychisch leed reden voor euthanasie werd terwijl ook door anderen in dat eerste debat werd betoogd dat daarvan nooit sprake zou kunnen zijn. Nu is de stand van zaken inmiddels zo dat lijden aan het leven zelf en het vooruitzicht af te takelen euthanasie kunnen rechtvaardigen. Inplaats van een ultimum remedium, wordt het een normale dood die een algemene rechtvaardigingsgrond in de wet krijgt. Ik ben er dan ook bang voor dat dit debat geenszins het sluitstuk van de discussie zal zijn, maar dat dit kabinet de eerste stap heeft gezet op weg naar volledige legalisering en het in de nabije toekomst bespreekbaar maken van het vrij verstrekken van zelfdodingsmiddelen als de pil van Drion.

Levensmoe kan volgens mijn fractie geen criterium zijn voor euthanasie. Ik ben dan ook blij dat de regering ook vindt dat dat een stap te ver gaat. De minister van Justitie heeft hoger beroep doen aantekenen en het is mijn fractie onderstreept het belang daarvan. Gelet op de opstelling van de minister van Justitie lijkt het een overbodige vraag, maar het CDA gaat ervan uit dat hij de kamer deze week nog een nota van wijziging doet toekomen. Tenslotte is dit het moment waarop de wetgever aan het woord is. Mocht hij dit niet kunnen toezeggen dan zal de CDA fractie daartoe in tweede termijn een motie indienen.

Palliatieve zorg Euthanasie en maatschappelijke vraagstukken. Voorzitter:
Hebben we wel genoeg te bieden aan zorg, vooral aan diegenen die het meest afhankelijk zijn en vragen om de dood? Nee, verpleeghuizen zijn overvol, niet iedere verpleeghuispatiënt kan dagelijks onder de douche, krijgt voldoende aandacht, niet iedereen die pijn lijdt krijgt de goede pijnbestrijding aangeboden, en in onze samenleving lijkt afhankelijkheid iets heel ergs te worden, de bemiddelde, joggende oudere staat model. Als mensen lijden aan hun bestaan, angst hebben voor aftakeling dan moet hen een ander perspectief geboden worden dan de dood. Een menswaardige dood kan alleen maar voorafgegaan worden door een menswaardig leven en dat hebben veel mensen en vooral diegenen die zwak en afhankelijk zijn, in ons land niet. Het kabinet is er niet in geslaagd om de kwaliteit van het leven van mensen die veel zorg nodig hebben aanmerkelijk te verbeteren. Dat is niet alleen een kwestie van geld, dat is ook een kwestie van geloven in de kracht van een betrokken samenleving.

Als argument om de toepassing van euthanasie meer te algemeen te maken wordt wel eens aangehaald dat mensen hiervoor moeten kunnen kiezen als tegenwicht tegen de steeds verdergaande medische mogelijkheden om mensen in leven te houden. Het leven kan medisch gesproken steeds langer gerekt worden en we leven in een samenleving die vergrijst en waar hoge ouderdom steeds minder uitzondering zal zijn. Die problemen vragen om andere oplossingen dan het normaliseren van de tragiek van de niet-natuurlijke dood zoals euthanasie dat is. De echte oplossing voor die problemen moeten gevonden worden in een fundamentele bezinning op de kwaliteit van het zorgaanbod; in het tegen gaan dat hulp alleen gericht is op doorbehandelen. Dat is voor veel artsen nog steeds moeilijk en niet voor niets vullen veel mensen een niet-behandel verklaring in. Door alle medische mogelijkheden is er veel te veel nadruk komen te liggen op het onnatuurlijk rekken van het leven. Als tegenwicht lijkt het debat zich nu alleen en bijna obsessief lijkt te richten op de onnatuurlijke dood. Respect voor de natuurlijke dood, het durven terugtreden daarvoor en het begeleiden van de patiënt en diens naasten naar het einde toe, daarvoor en voor het daarmee onlosmakelijk verbonden palliatieve zorgaanbod in relatie tot euthanasie is nog steeds onvoldoende aandacht. Ondanks het positieve feit dat de minister in het overleg over palliatieve zorg van enige weken geleden haar steun heeft toegezegd aan initiatieven vanuit de reguliere zorg en vanuit het particulier initiatief, kan zij ook niet anders dan constateren dan dat het nog steeds ontbreekt aan voldoende aanbod aan palliatieve zorg.

Palliatieve zorg moet aangeboden worden
In de zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen is opgenomen dat deze met de patiënt tot de overtuiging moet zijn gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen andere redelijk oplossing was. De minister heeft op een vraag van het CDA tijdens het Wetgevingsoverleg geantwoord dat de arts niet alleen palliatieve zorg moet bespreken, maar ook een daadwerkelijk aanbod aan de patiënt moet doen. Tegelijkertijd gaf de minister in dat overleg ook aan, dat er nog geen volledige dekking van aanbod aan palliatieve zorg over het hele land is. Dat betekent dus klip en klaar dat er patiënten zijn die niet op dat aanbod kunnen rekenen. Wat doet de minister om artsen in de gelegenheid te stellen dat aanbod te doen waar zij zelf op aandringt? Komt er meer geld beschikbaar voor ziekenhuizen en verpleeghuizen om een aparte unit in te richten voor uitbehandelde patiënten? Nu moeten zij dit nog doen uit hun vaste budget en dat lukt lang niet alle instellingen.

Voor het CDA is een adequaat aanbod van pijnbestrijding en andere vormen van palliatieve zorg een voorwaardelijke eis omdat er anders van een echte keuze en van een weloverwogen verzoek van de patiënt geen sprake kan zijn. Ook voor de naasten van de patiënt is het nodig om een helder zicht te krijgen op de de zorg en ondersteuning die geboden kan worden. De drempel om daarover te spreken moet laag zijn en dat is vaak nog niet zo. Ook als de arts zelf nog geen aanleiding ziet om te spreken over alternatieven, moeten de patiënt en diegenen die om hem heen staan het gesprek kunnen openen over het aanbod aan palliatieve zorg. Het moet dan ook een echt aanbod gedaan worden. Daarom ziet mijn fractie ook graag in de zorgvuldigheidseisen opgenomen dat er in het contact tussen arts en patiënt door de arts ook daadwerkelijk een aanbod gedaan wordt . Helaas ontbreekt het veel artsen niet alleen aan de mogelijkheid om een aanbod te doen: vaak hebben artsen zelf nog lang niet voldoende kennis van palliatieve zorg. Op indicatie van SCEN-artsen die consulterend optreden, is door de KNMG een cursus palliatieve zorg gestart omdat deze artsen daaraan grote behoefte voelen. Zijn SCEN-artsen volgens de minister voldoende inhoudelijk betrokken bij het bespreken van de andere redelijke oplossingen als alternatief voor euthanasie wanneer zij geconsulteerd worden? En komen zij niet pas op het moment dat er al door de arts samen met de patiënt tot euthanasie besloten is? Met andere woorden: wordt de consulterend arts tijdig genoeg benaderd om zijn deskundigheid op alle terreinen in te kunnen brengen?

Voorzitter,
Heilig Vuur en de wil van wilsonbekwamen
Wanneer er niet meer artsen zullen gaan melden, welke werking gaat er dan wèl van deze wet uit? Een ander belangrijk doel van het wetsvoorstel is het geven van een wettelijke status aan de wilsverklaring. In het geval dat mensen hun wil niet meer kunnen uiten, kan de arts hun geschreven wilsverklaring beschouwen als vervanging van een concreet, mondeling verzoek. Mijn eerste vraag aan de ministers is de volgende: hebben zij de uitzending van Heilig Vuur vorige week gezien die ging over dit onderwerp? We zagen een demente vrouw wiens bestaan in strijd is met de wilsverklaring die ze vijf jaar tevoor had opgemaakt. Ze had dood gewild wanneer ze dement zou worden. Nu was ze dement, wilsonbekwaam, en wilde ze blijven leven, dat gaf ze te kennen. Daartegenover stond het verhaal van een vrouw die zeer beslist was in haar keuze voor euthanasie wanneer zij dement zou worden: als de arts het niet zou doen, zou haar man haar wel helpen. Het was een uitzending op mij een heel indringende indruk heeft gemaakt en die liet zien hoe onwaarschijnlijk moeilijk het is om stellige uitspraken te doen over een toestand die nog in de toekomst ligt. Laten we het onszelf en anderen gunnen dat het zo ingewikkeld is als het is. Juist de problematiek van dat moment, maakt dat je die niet kunt oplossen door aanwijzingen in een wilsverklaring op papier te volgen, ook al zijn die nog zo gedetailleerd. Juist op dat moment is samenspraak met iedereen die de patiënt goed heeft gekend voordat deze wilsonbekwaam werd van groot belang om te kunnen invoelen wat de patiënt in zijn actuele toestand nog kenbaar kan maken. Een wilsverklaring kan een ondersteuning zijn van een concreet, mondeling verzoek van een patiënt, maar nooit een vervanging daarvan wanneer deze wilsonbekwaam geworden is. Wanneer is iemand echt dermate wilsonbekwaam dat hij of zij zich niet meer kan uiten op een manier die gerespecteerd wordt? Is het mogelijk dat, wanneer de huidige wet van kracht wordt, een arts wèl het verzoek in de schriftelijke wilsverklaring honoreert, terwijl de wilsonbekwame aangeeft niet dood te willen? Juist het feit dat de patiënt wilsonbekwaam geworden is zou aanleiding kunnen geven voor de opvatting dat deze niet meer weet wat hij zegt, en dat hij die situatie nooit gewild zou hebben. De druk vanuit de omgeving op de arts op toch aan het verzoek in de wilsverklaring te voldoen, kan groot worden.

Het gesprek tussen arts en patient.
In de zorgvuldigheidsen staat dat de arts mèt de patiënt tot de overtuiging moet zijn gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was. Dat is ook voor het CDA een nadrukkelijke eis. Het is dan ook vreemd om in het artikel dat handelt over de schriftelijke wilsverklaring te lezen dat deze niet met de arts besproken hoeft te zijn, maar dat deze wel dezelfde status heeft als een mondeling verzoek. Letterlijk staat er dat deze wilsverklaring volgens de minister ook zonder dat deze met de arts is besproken kan worden beschouwd als overeenstemmend met de wil van de patiënt, mits deze, zoals in het tweede lid wordt voorgeschreven, tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat wer geacht voordat hij wilsonbekwaam werd.

Buitengewoon verwarrend was de discussie die wij in het wetgevingsoverleg hadden over hoe de rechtskracht van de schriftelijke wilsverklaring moet worden uitgelegd. Ik heb de minister van Justitie zowel horen zeggen dat het mogelijk is dat er nooit contact is geweest tussen arts en patiënt over de wilsverklaring als dat het van belang is dat de inhoud van de verklaring tussen patiënt en arts wordt besproken naar aanleiding van en op het moment van het opstellen van die verklaring.
Ik begrijp helemaal niet meer welke kant de minister op wil en vraag daarover in dit debat helderheid. Mensen met een wilsverklaring moeten toch weten waar ze straks aan toe zijn en artsen evenzeer.

Altijd een mondeling verzoek.
Hoe dan ook, een schriftelijke wilsverklaring kan volgens mijn fractie nooit een concreet, mondeling verzoek volledig vervangen. Ook de minister van Justitie heeft opgemerkt dat wanneer iemand een verklaring opstelt, hij volstrekt niet kan overzien wat er later zal gebeuren. Het mondeling verzoek, dat weloverwogen gedaan wordt op het actuele moment dat daadwerkelijk euthanasie als laatste optie besproken wordt, is het enige dat volgens mijn fractie kan tellen. Er mag nooit uitsluitend op grond van een schriftelijke wilsverklaring door een arts euthanasie gepleegd worden. De patiënt zal hier bij zijn volle verstand mee in moeten stemmen.
Euthanasie bij wilsonbekwamen zullen wij met nader bespreken in het licht van de aangekondigde maatregel van bestuur.

De rol van verpleegkundigen.
De rol van de verpleegkundigen bij euthanasie zal nader onderzocht worden. Het CDA wil nogmaals met klem vragen om in de wettekst op te nemen dat verpleegkundigen een eigen verslag mee zenden naast dat van de arts. Ook willen wij opnieuw een pleidooi houden voor het opnemen van een verpleegkundige in de toetsingscommissies, gelet ook op de maatschappelijke behoefte om de rol van verpleegkundigen nadrukkelijk aandacht te geven. Wanneer de minister ons dit niet kan toezeggen, dan zal mijn fractie daartoe een amendement indienen.

Tot slot voorzitter,
Het CDA erkent, zoals gezegd, dat zich een noodsituatie kan voordoen waarbij het voor de arts medisch gesproken niet mogelijk is het lijden van de patiënt te verlichten, laat staan hem te genezen. Maar dit dilemma mag nooit te herleiden zijn tot een procedurele vraag, en dat is de vrees die het CDA heeft bij het lezen van de voorgestelde wetgeving. Er bestaat geen algemene rechtvaardiging voor euthanasie of hulp bij zelfdoding. Van een nee, tenzij, gaat dit wetsvoorstel naar een ja, mits benadering. Het opnemen van een veroorlovende norm in de wet betekent dat euthanasie voorwaardelijk gelegaliseerd wordt. Daarbij komt de grote twijfel die wij hebben aan het effect van dit voorstel op de meldingsbereidheid van artsen die inmiddels door twee van de drie coalitiepartners gedeeld wordt. Op welke basis berust nog het vertrouwen van de ministers dat dit wetsvoostel enig positief effect zal hebben op die meldingsbereidheid? De uitspraak in de zaak Brongersma zet dit wetsvoorstel uiteindelijk nog onder de meeste druk. Het hele wetsvoorstel gaat wat mij betreft over opzettelijke levensbeëindiging en hulp bij zelfdoding bij zieke mensen. Wanneer ook in Hoger Beroep de uitspraak in de zaak Brongersma dezelfde blijft, gaat euthanasie en dus ook dit wetsvoorstel over gezonde mensen. Dat vereist een heel ander debat en een heel ander wetsvoorstel. Nu al lijkt het beter in het licht van deze ontwikkeling, het wetsvoorstel in te trekken.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie