Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage PvdA debat veegwet wet inkomsten-belasting 2001

Datum nieuwsfeit: 22-11-2000
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 22 november 2000

BIJDRAGE VAN JEROEN DIJSSELBLOEM (PVDA) AAN HET PLENAIRE DEBAT OVER DE VEEGWET WET INKOMSTEN-BELASTING 2001 (27 466)

Inleiding

Vandaag behandelen wij de Veegwet. De minister van Financiën had de Eerste Kamer begin mei beloofd dat de wet anders zou gaan heten, namelijk de Wet technische aanpassingen. De minister hechtte aan die andere naam om daarmee de indruk weg te nemen bij onze collega's aan de overzijde dat er ruimte zou zijn voor meer dan technische aanpassingen. Nu het Belastingplan is aanvaard in de Eerste Kamer, mocht deze toch weer de Veegwet blijven heten. En terecht, want er wordt nog best wel wat geveegd. En, ere wie ere toekomt, voor enkele onderdelen is het veegwerk begonnen in de Eerste Kamer in mei.

Terugblik Belastingherziening

Met de Veegwet ronden we een veelomvattende en langdurige parlementaire behandeling van de belastingherziening af. Dat is dus een moment om ook even terug te kijken op die operatie en de politiek belangrijkste punten nog eens uit te lichten.

Voor de PvdA waren er vier hoekstenen voor het nieuwe stelsel. Een nieuw laag tarief, goed voor lage en middeninkomens, een voor iedereen gelijk netto voordeel van de belastingvrije som in de vorm van heffingkortingen, een effectievere belastingheffing op vermogenswinsten, en werk meer laten lonen, ook aan de onderkant van het loongebouw. Daarnaast waren de rode lijnen individualisering, emancipatie en vergroening.

Terugkijkend kunnen we vaststellen dat het principe "de sterkste schouders de zwaarste lasten" op meerdere fronten is versterkt. Een evenwichtiger verdeling van de belastingdruk; veel minder mogelijkheden voor belastingontduiking; beduidend minder aftrekposten; de economische onafhankelijkheid van vrouwen is versterkt door de individuele heffingskorting; het stimuleren van arbeidsparticipatie en vermindering van de armoedeval door de forse arbeidskorting; onbedoeld gebruik van hypotheken (voor boot of vakantie) is ingeperkt.

Een belangrijk onderdeel van de stelselherziening is de verhoging van de milieubelastingen. Hiermee wordt milieuonvriendelijk gedrag geremd en milieuvriendelijk gedrag op onderdelen beloond. Met de vergroening is inmiddels circa 6 miljard gemoeid, waarvan het grootste deel wordt benut voor een verlaging van de loon- en inkomstenbelasting, een kleiner deel direct teruggaat naar bedrijven en het kleinste deel voor positieve prikkels.

Met betrekking tot ondernemen en ondernemingen stel ik vast dat we in een goede balans het klimaat voor grote en kleine ondernemingen hebben verbeterd. Denk aan het in gang zetten van verlagen kapitaalsbelasting, het opstapje in de vennootschapsbelasting, van 40% ooit naar 30% nu, de nieuwe herinvesteringreserve, de extra flexibiliteit van de doorschuifregeling; rechtsvormneutrale belastingheffing een stapje dichterbij, en lagere administratieve lasten door vereenvoudiging van ondernemersbelastingen.

We zullen niet alles noemen maar het is goed nog eens te realiseren dat we veel winst hebben behaald.

De invoering van dit nieuwe stelsel gaat gepaard met een lastenverlichting van circa 7 miljard (inclusief het beleid in het kader van de begroting 2001), waarbij gemiddeld genomen iedereen er op vooruit gaat. Een megaoperatie en prestatie van dit Kabinet. Bij de belastingdebatten van de afgelopen weken hebben wij veel aandacht gevraagd voor de invoeringsaspecten en de mogelijke problemen daarbij. Ik zal daar daarom nu niet weer op ingaan.

Veegwet algemeen

In de Veegwet worden de laatste aanpassingen gepleegd, de laatste vuiltjes weggewerkt. Natuurlijk zullen er nog zaken zijn die we nu met elkaar nog over het hoofd zien en daar zullen we dan volgend jaar opnieuw naar kijken.

Het Kabinet is gekomen met versoepelingen, reparaties, technische correcties. Beloften worden ingelost en het inzicht schrijdt voort. Onze waardering voor veel van deze verbeteringen.

De belangrijkste aanpassingen die het Kabinet zelf voorstelt in de Veegwet betreffen de Meesleep- en meetrekregeling, verruiming van de leeftijdsgrens voor de aftrek levensonderhoud kinderen, aftrek van scholingsuitgaven, uitbetaling heffingskorting aan partner grensarbeider, de verruiming van de overgangsregeling invorderingsvrijstelling voor nieuwe gevallen. Daarnaast wordt de administratieve lastendruk nog op enkele punten beperkt; middels een beschikking kan vooraf zekerheid worden gekregen over de status van ondernemer (zelfstandigen zonder personeel), de vereenvoudigde rittenregistratie bestelauto's, de kostenvergoedingsbeschikking voor artiesten en sporters wordt geïntroduceerd. Tenslotte wordt op enkele punten maatwerk geleverd in de winstsfeer. Vanwege de tijd was dit geen uitputtende opsomming.

Met het wetsvoorstel worden dus een flink aantal knelpunten weggewerkt. Sommige verbeteringen gaan ons nog niet ver genoeg en enkele andere knelpunten, waar wij eerder al op wezen of waar wij van buiten de Kamer op zijn gewezen, zijn nog niet benoemd en opgelost. Ik zal in het vervolg van mijn betoog deze langslopen.

Meesleep- en meetrekregeling

Eerst wil ik even stilstaan bij de Meesleep- en meetrekregeling. Deze problematiek volgt uit de spanning die in het nieuwe stelsel ontstaat tussen de verschillende boxen, met hun verschillende grondslagen en tarieven. Onmiddellijk verscheen daar de dreiging van oneigenlijke constructies. Zonder nadere maatregelen zou het systeem uitnodigen tot volledige financiering van de eigen BV met van de aandeelhouder geleend vermogen. Dat zou leiden tot enorme rentelasten bij zo'n BV. Men creëert zijn eigen aftrekposten, door hoge werkelijke rentelasten te nemen, waardoor inkomen dat materieel winstinkomen is (box I) op oneigenlijke wijze wordt verlaagd. Vervolgens wordt dit inkomen tegen een lager forfaitair rendement getransformeerd tot box III-inkomen, waar het ook nog eens tegen een lager tarief wordt afgerekend. Dat betekende een uitholling van de grondslag die wij nu juist niet wilden.

Ik zegt dit alles nog eens opdat wij weer scherp voor de geest krijgen waarom de Meesleepregeling was vormgegeven zoals hij was vormgegeven. En waarom hij aanvankelijk in deze Kamer was geaccepteerd. Om het oneigenlijke gebruik te voorkomen had het kabinet een ruime definitie van de familiekring gekozen, zijnde de groep waar de zakelijkheidstoets niet geldt en het Meesleep- en meetrekregime wel . In de Eerste Kamer heeft de staatssecretaris al een beperking van de kring toegezegd in de Veegwet. Deze kring is nu beperkt tot ouders en minderjarige kinderen, tenzij er sprake is van ongebruikelijke transacties. En hoewel elke afbakening brengt weer spanning aan de randen met zich mee brengt, kunnen wij leven met de huidige voorstellen. Wij denken een goed evenwicht te hebben bereikt tussen het voorkomen van constructies en een te restrictief beleid.

Bijzondere aandacht vraagt nog de overgang van minderjarig naar meerderjarig zijn van het kind en het op dat moment moeten afrekenen met de belastingdienst (zie inbreng De Vries).

Het tweede punt is de mogelijkheid tot verrekening van aanmerkelijk belang verliezen "door de boxen heen" bij staking van de onderneming. De heer Schutte had daarvoor bij de behandeling van de herzieningsvoorstellen een amendement wat toen nog sterk werd ontraden. Kort daarna, in de Eerste Kamer zei de staatssecretaris al dat de analyse ondertussen meer diepgang had gekregen en dat de risico's van een en ander veel minder groot werden geacht. Hij deed daar de toezegging een aanpassing mee te nemen in de Veegwet. En ook dat is nu naar onze tevredenheid geregeld.

Ik wil een (ander) technisch punt aan de orde stellen. In het artikelsgewijze deel van de nota naar aanleiding van het verslag is ingegaan op de vraag of de partnerdefinitie geldt voor buitenlandse belastingplichtigen. De PvdA-fractie vraagt zich af of gehuwden die beiden in het buitenland wonen inderdaad niet als partner worden aangemerkt indien ten minste één van hen niet kiest voor een behandeling als binnenlandse belastingplichtige. Dat zou mutatis mutandis dan ook gelden voor ongehuwd samenwonenden. Klopt het bijvoorbeeld dat twee echtgenoten die beiden in het buitenland wonen en ieder 4% van de aandelen hebben in een Nederlandse BV in de huidige wet gewoon aanmerkelijkbelanghouder zijn en na 1 januari 2001 niet meer terwijl dat voor een echtpaar dat in Nederland woont niet wijzigt? Ik heb me ook laten vertellen dat hierdoor constructies aantrekkelijk zouden worden, bijvoorbeeld de situatie waarin de man alle aandelen in een Nederlandse BV houdt en zijn echtgenote een turbovordering heeft op die BV. Als de partnerdefinitie voor dat soort gevallen niet werkt, zou de heffing over de waardestijging van die vordering niet in Nederland belast kunnen worden. U hebt opgemerkt dat u nog zou bezien of een andere formulering bij nota van wijziging mogelijk is. Wordt dit punt nog meegenomen in die nota van wijziging?

Eigen woning ex-patriots

Ik dank de staatssecretaris voor de toezegging en verwoord in een nota van wijziging, op een vraag van de PvdA, dat werknemers die tijdelijk naar het buitenland worden gezonden de mogelijkheid behouden hun hypotheekrente van het eigen huis in Nederland af te trekken. Zonder deze nota van wijziging zou het huis namelijk in box III terecht zijn gekomen, waardoor geen renteaftrek mogelijk is.

Toch hebben wij nog een vraag. Nu de woning in Nederland niet in box III valt, kan de staatssecretaris dan uitleggen waarom voor de berekening van het eigen woningforfait toch een vermenigvuldigingsfactor van 10/6 moet worden toegepast, terwijl feitelijk deze woning niet als tweede woning wordt aangemerkt?

Daarmee kom ik op een aantal onderwerpen waar naar de mening van de fractie nog bij aan bijgeschaafd moet worden en waar wij vandaag met initiatieven zullen komen.

De artiestenregeling

Partijgenoot Elske ter Veld wees er al op in de Eerste Kamer. Het probleem zit met name bij de brede grondslag, loon en onkostenvergoeding naar economische waarde. Ook al is het tarief slechts 20% en kan kan later bij de inkomenstenbelasting worden gecorrigeerd. Een groot verschil tussen loonheffing en inkomstenbelasting dreigde. De staatssecretaris heeft hier al een deel van de oplossing aangedragen. Hij introduceert de kostenvergoedingsbeschikking waarmee op verzoek van de artiest de inspecteur van tevoren een beschikking kan afgeven waaruit blijkt welke kosten hij redelijk acht. Met een dergelijke beschikking weet de inhoudingsplichtige welke kosten hij buiten de heffing kan houden. In het voorstel van het Kabinet wordt nog altijd geheven tegen een loonheffingstarief van 20%. Het verschil tussen die 20% en het laagste tarief IB (32,5) is gebaseerd op de aanname dat een deel van gage uiteindelijk weer aftrekbare kosten betreft. Met een iets te brede grondslag en een iets te laag tarief wordt aldus een globaal evenwicht bereikt. Is het aandeel van de kosten in de gage meer dan eenderde dan kan een teruggave volgen, is het minder dan volgt een naheffing.

Hoewel de nu voorliggende artiestenregeling een duidelijke verbetering is, resteren nog enkele problemen. Een belangrijk knelpunt hangt samen met zgn. netto afspraken. De artiest spreekt af wat hij netto wil overhouden aan een optreden. Bij het maken van die netto afspraken wordt gerekend met de 20% voorheffing. De artiest wordt echter bij de aanslag inkomstenbelasting geconfronteerd met het tarief van 32,25% inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen, en dus een forse naheffing. Wij zouden graag zien dat voor deze zaak een praktische oplossing komt. Ik heb daartoe mede namens collega's De Vries en Giskes een amendement ingediend waarmee wordt geregeld dat, indien binnenlandse artiesten een kostenvergoedingsbeschikking hebben gevraagd en gekregen, over het overige deel van de gage het tarief van 32,25% zal worden ingehouden. De combinatie van kostenvergoedingsbeschikking en het IB tarief eerste schijf maakt de kans op onplezierige naheffingen twee keer kleiner.

Het tweede punt waar ik op dit onderwerp aandacht voor wil vragen zijn de buitenlandse artiesten. Het probleem laat zich ruwweg als volgt beschrijven: buitenlandse artiesten betalen geen premies voor de volksverzekeringen. Zij hoeven slechts het belastingdeel van de eerste schijf te betalen van 2,85%. Voor het grootste deel van de buitenlandse artiesten zal dus de voorheffing van 20% op basis van de wet te hoog zijn. Ik zeg nadrukkelijk "op basis van de wet" omdat op zichzelf een tarief van in totaal 20% natuurlijk niet hoog is. Teruggave aanvragen vanuit het buitenland is praktisch ondoenlijk of zeer kostbaar. Ik heb hiervoor de oplossing niet paraat, maar vraag de staatssecretaris of hij hier in eerste termijn nog eens op kan reageren. Mijn fractie zou het ongewenst achten als bijvoorbeeld buitenlandse orkesten ons land zouden gaan mijden vanwege de wijzigingen in de Nederlandse artiestenregeling.

Co-ouderschap

Ten aanzien van het co-ouderschap zijn wij niet tevreden met het antwoord dat de staatssecretaris gaf tijdens het wetgevingsoverleg van het Belastingplan 2001. Zoals de voorstellen er nu uitzien zouden co-ouders een nadeel hebben ten opzichte van de overige gescheiden ouders, die niet voor het co-ouderschap hebben gekozen. Dat vinden wij niet terecht. Namelijk bij gescheiden ouders krijgt de ene ouder bij wie het kind langer dan 6 maanden staat ingeschreven de kinderbijslag en kan de andere ouder een beroep doen op de buitengewone lastenregeling onderhoud kinderen. Omdat in de huidige regeling van het co-ouderschap beide ouders tariefgroep 4 en 5 kunnen claimen is afgesproken de kinderbijslag te delen over beide ouders. Daardoor is de buitengewone lastenaftrek komen te vervallen. Nu in het nieuwe stelsel de ouderkorting en aanvullende ouderkorting slechts aan één ouder wordt toegekend zou het splitsen van de kinderbijslag niet meer noodzakelijk zijn en zou de andere ouder recht kunnen krijgen op de buitengewone lastenaftrek. Zou de staatssecretaris kunnen bevestigen dat als een ouder recht heeft op de kinderbijslag de andere ouder recht heeft op de buitengewone lastenaftrek?

Verkeersvliegers

Dan kom ik bij de problematiek rond de studiekosten van verkeersvliegers. Hiervoor heeft de staatssecretaris in de veegwet een versoepeling voorgesteld voor de aftrek van extra hoge scholingsuitgaven. Voorgesteld wordt het maximum van 15.000 euro te laten vervallen voor een periode van vier jaar. Daarbij moet het gaan om een eerste studie na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Aangezien in de praktijk blijkt dat een opleiding tot verkeersvlieger vaak toegankelijk is voor mensen die op zijn minst reeds een hbo-opleiding hebben gevolgd is deze versoepeling in de ogen van de PvdA niet toereikend. Daarom komen wij met een amendement waarin de mogelijkheid de aftrekbeperking te doorbreken gedurende maximaal 4 jaar kan worden gerealiseerd voor het bereiken van de leeftijd van 30 jaar en dus ook voor een tweede studie kan gelden. Daarbij wordt dan aangesloten bij de leeftijdgrens die ook in de Wet studiefinanciering wordt gehanteerd.

Tevens heb ik begrepen dat mevrouw De Vries met een amendement komt voor een overgangsregeling met betrekking tot de afschaffing van de renteaftrek studiekosten voor mensen die op dit moment nog een hoge studieschuld hebben die niet onder de regels van de studiefinanciering vallen. Deze groep heeft in het verleden vaak grote bedragen geleend om de opleiding te kunnen volgen. Als gevolg van het afschaffen van de consumptieve rente gaan zij er per 1 januari 2001 fors op achteruit. Wij sluiten ons aan bij de wens van mevrouw De Vries om deze rente tijdelijk als studiekosten te laten aanmerken.

Aftrek ziektekosten ouderen

Wij hebben begrepen dat er tevens een groep bestaat, veelal oudere mensen, die leningen zijn aangegaan om hun ziektekosten te kunnen financieren. De renteaftrek die zij hadden wordt ook afgeschaft in het kader van de consumptieve rente. Is de staatssecretaris bereid ook voor deze groep een overgangsregeling te maken zodat de te betalen rente tijdelijk als ziektekosten kan worden aangemerkt?

Grensarbeiders

Wij zijn de staatssecretaris zeer erkentelijk voor de aanpassing die wordt voorgesteld ten behoeve van grensarbeiders. Ook de niet verdienende partner van de grensarbeider zal per 1 januari 2001 een beroep kunnen doen op de volledige uitbetaling van de heffingskorting (belasting en premiedeel volksverzekeringen). De overige problematiek van de grensarbeiders stel ik hier niet aan de orde omdat hiervoor een apart nader overleg is gepland, dat m.n. op het terrein van de sociale zekerheid ligt. De resterende fiscale problemen zullen in de belastingverdragen worden opgelost.

Ten aanzien van de heffingskorting problematiek blijft nog wel bestaan dat de niet in een lidstaat van de Europese Unie wonende niet-verdienende partner het premiedeel volksverzekeringen niet krijgt uitbetaald. Omdat de in Nederland werkende kostwinner wel de belastingvrije som van de partner kwijtraakt (omdat tariefgroep 3 is komen te vervallen in het nieuwe stelsel) zouden deze gezinnen met een grote inkomensachteruitgang te maken krijgen. Omdat tevens de Regeling onderhoud verwanten in het buitenland is afgeschaft, vinden wij dat niet acceptabel. Daarom dienen wij een amendement in om deze groep alsnog het recht te geven op een volledige heffingskorting. De dekking zou dan gevonden kunnen worden in het afschaffen van de kapitaalsbelasting studie kinderen. Wij zijn namelijk, met een meerderheid van de Kamer, van mening dat de kapitaalsverzekering voor studiekosten overbodig is en niet pass binnen het nieuwe stelsel. Gewoon sparen binnen box III is voldoende renderend, zeker met de vrijstellingen voor o.a. maatschappelijk beleggen.

Gescheiden huiseigenaren

In deze veegwet zit een overgangstermijn van 2 jaar voor huiseigenaren die na 1 januari 2001 gaan scheiden om hun financiële situatie omtrent hun gezamenlijke woning verstandig vorm te geven. Reeds gescheiden huiseigenaren krijgen die tijd echter niet. Zij worden vrij plotseling geconfronteerd met de nieuwe wetgeving waarin alleen de hypotheekrenteaftrek van de eigen woning als hoofdverblijf wordt toegestaan, zodat de hypotheekrente van de woning waar de partner (meestal de vrouw) is blijven woning niet meer aftrekbaar is voor de ex-echtgenoot. Wij stellen een amendement voor waarin de overgangstermijn van 2 jaar begint op 1 januari 2001 voor alle ook reeds gescheiden huiseigenaren.

Toekomst

Daarmee kom ik tot enkele afsluitende opmerkingen waarbij ik ook vooruit wil kijken. In de fiscale debatten die in de Kamer de afgelopen tijd zijn gevoerd, zijn op veel onderwerpen nog toezeggingen gedaan, meestal om ergens "nog eens goed naar te kijken". Dus een definitieve afronding is dit niet.

Een belangrijk onderwerp wat we bijvoorbeeld volgend jaar fiscaal moeten verwerken zal de verdere aanpak van de armoedeval zijn. En voor de wat langere termijn wordt zelfs al weer gesproken over verdere stelselherziening. Een nieuwe fundamentele herziening is de komende jaren echter niet aan de orde. Mijn fractie is ervan overtuigd dat zaken als arbeidskorting en vermogensrendementsheffing jarenlang mee kunnen.

Maar het denken moet voort. Zo is de zgn. vlaktaks van verschillende kanten als wensbeeld opgeroepen. Op zich een logische doortrekking van de huidige operatie. Uiteraard hoort daar dan bij een hogere algemene heffingskorting. Maar hoe hoog moet die zijn om het draagkracht principe voldoende terug te laten komen? Ook zijn voordelen te benoemen zoals het achterwege blijven van verstorende werking van belastingheffing op de econome en het minder fraudegevoelige karakter. Constructies zouden verleden tijd zijn. En flink wat aftrekposten kunnen definitief weg. Ik hoef ze denk ik niet meer te benoemen. Maar het zal nog een hele toer worden om deze belastingheffing qua inkomenspolitiek op een aanvaardbare manier te doen landen. Willen we de fiscus als inkomenspolitiekinstrument wel aan kracht laten verliezen? En hoeveel inkomensafhankelijke regelingen zullen niet worden geïntroduceerd door gemeenten? Denken mag, nee, denken moet. Maar de schijnbare eenvoud van de vlaktaks is bedrieglijk.

En als we dan toch weer gaan verder studeren, dan hoort natuurlijk ook de fiscalisering van de premies voor de volksverzekeringen tot het curriculum.

Een thema waar we wel binnen afzienbare tijd weer mee verder willen is de vergroening. Daarbij heeft de staatssecretaris, in navolging van de minister die dat al in het Eerste Kamerdebat deed, gewezen op de beperkte Europese ruimte op dit vlak. Ik spreek de hoop uit dat onder het Zweedse voorzitterschap voortgang kan worden geboekt met de Europese discussie over de ecotax en de mogelijkheden van een kopgroep. Een grootverbruikersheffing blijft daarmee in zicht. Ik wijs ook op hoopvolle tekenen aan het Europese firmament. De rood-groene bijdragen aan steeds meer regeringen in de Europese Unie dragen bij aan een breder draagvlak vergroening. En vergroening van het fiscale stelsel in onze buurlanden beperkt de grensproblematiek en schept ruimte voor mogelijk extra stappen in Nederland de komende jaren.

Mijn fractie is er van overtuigd dat de grondslag voor milieubelastingen nog verder kan worden verbreed. Wij denken daarbij bijv. aan zaken als bestrijdingsmiddelen en zeker ook oppervlaktedelfstoffen. Ik ben blij dat ook de VVD daar sinds maandag weer voorstander van is. En met de VVD constateer ik dat we me de vergroening van de autobelastingen pas een eerste stapje hebben gezet en dat daar nog heel veel mogelijk en wenselijk is.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie