Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Van Boxtel bij Algemeen Bestuur Zuid-Holland Zuid

Datum nieuwsfeit: 22-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Toespraak minister Van Boxtel op de vergadering van het Algemeen Bestuur van de Regio Zuid-Holland Zuid

Een toespraak bij het onderwerp Grotestedenbeleid

22 november 2000

Dames en heren,
Ik ben blij met deze gelegenheid om met u van gedachten te kunnen wisselen over de relatie tussen grote steden en hun ommeland. U gaat er terecht vanuit dat het grotestedenbeleid niet ophoudt bij de grenzen van de stad en dat een grote stad baat heeft bij een gezonde regio. En hoewel de term Eiland van Dordt misschien anders doet vermoeden, heeft de heer Sas al duidelijk gemaakt dat zijn stad beslist niet op eigen houtje opereert, maar juist optrekt in nauwe samenwerking met de omliggende regio.
Zon anderhalve maand geleden vond in Den Haag een congres over de toekomst van de stad plaats. Een van de sprekers was David Rusk, voormalig burgemeester van de Amerikaanse stad Albuquerque, New Mexico en tegenwoordig expert op het gebied van grote steden. Rusks boodschap sloot goed aan op het onderwerp van onze bijeenkomst van vandaag. Hij betoogde namelijk dat men in de Verenigde Staten een stedelijke regio veel ruimer neemt dan in Europa. Dat je dus niet uitsluitend naar de centrumstad moet kijken, omdat je dan een vertekend beeld krijgt van een gebied. Mijn stelling luidt dan ook dat centrumstad en ommeland elkaar nodig hebben en elkaar kunnen versterken.
Het lijkt me zinvol om eerst nog even kort te vertellen waarom het kabinet een grotestedenbeleid voert en wat het inhoudt. Vanuit die basis zal ik vervolgens een aantal opmerkingen maken over regionale samenwerking.
Waarom grotestedenbeleid dus?
Dat is heel eenvoudig: onze grotere steden zijn plaatsen waar vele verschillende problemen zich samenballen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan achterstandswijken en aan het woekeren met de beschikbare ruimte. Daarnaast zien we ons geconfronteerd met het gegeven dat ongeveer 70% van de nieuwkomers in Nederland zich vestigt in de grotere steden. Ik zal de laatste zijn om de indruk te wekken dat we daar somber van moeten worden. Integendeel: we zien een nieuwe, spannende cultuur ontstaan, een boeiende mix van etnische groepen en culturen en dat gebeurt het eerst in de grotere steden. Maar natuurlijk vergt het in goede banen leiden van een zo omvangrijke instroom van nieuwe burgers specifieke aandacht van het beleid. Aandacht voor grotere steden is hard nodig, want de populariteit van de stad is misschien wel groter dan ooit. Zowel burgers als bedrijven en instellingen vestigen zich graag in de stad. De komst van de nieuwe economie heeft daaraan niets afgedaan. Ook bedrijven in de hoogwaardig-technologische sector kiezen ervoor om in de buurt van een veelheid aan voorzieningen te zitten, voorzieningen op het gebied van transport, cultuur en horeca. En in de buurt van elkaar, hun klanten en hun leveranciers.
Wat is nu het uitgangspunt van het grotestedenbeleid? Het belangrijkste doel van het grotestedenbeleid is wat ik aanduid als de complete stad. Dat is een stad die in fysiek opzicht voldoet aan de steeds hogere eisen die bewoners, bedrijven, instellingen, bezoekers en recreanten aan de stad stellen. Een stad die leefbaar, sociaal en veilig is. Een stad die reële kansen biedt aan wie kansen nodig hebben en benutten. Die economisch vitaal is, werk biedt aan wie werk zoekt en waar voldoende, hoogwaardige vestigingslocaties voor bedrijven voorhanden zijn. En een interactieve stad, waar inwoners onderling en inwoners en overheid elkaar snel weten te vinden.
Hoe willen we het ideaal van de complete stad nastreven? Met de 25 grootste steden heeft het Rijk eind 1999 stadsconvenanten gesloten. Die bevatten concrete en meetbare afspraken tussen Rijk en de betrokken steden over de wederzijdse bijdragen aan de complete stad. De steden verplichten zich tot uitvoering van het door hen opgestelde integrale, meerjarige ontwikkelingsprogramma. Het Rijk stelt zich garant voor een deel van de daarvoor benodigde middelen. Het andere geld komt van de steden zelf en van private partijen.
De ervaringen van de afgelopen jaren leren ons dat één van de aspecten die voor verbetering vatbaar zijn, de regionale afstemming tussen steden en omliggende gemeenten betreft. Wat dat betreft kan ik de heer Sas geruststellen: die afstemming wordt in de komende jaren een belangrijk aandachtspunt. Wel wijs ik erop, dat het nog jonge grotestedenbeleid een groeitraject doormaakt, waarbij Rijk, provincie en gemeenten nog veel van elkaar leren. Het Centraal Planbureau sprak niet zo lang geleden lovende woorden over de ontschotting die is bereikt door het ISV; we moeten zorgen dat iets dergelijks ook gebeurt op het gebied van de afstemming van beleid tussen stad en ommeland.
Er is ook regelmatig kritiek op de architectuur van het grotestedenbeleid. Dat is tot op zekere hoogte onvermijdelijk: waar beleid wordt gemaakt, bestaat verschil van inzicht. Maar we blijven ons die kritische woorden natuurlijk wel aantrekken: welke lering kunnen we trekken, op welke punten zijn verbeteringen wenselijk en mogelijk en hoe kunnen we onterechte kritiek pareren? Daarom wordt de Raad voor het Openbaar Bestuur, tezamen met een aantal sectorale adviesraden, om een advies gevraagd en zal begin 2002 de Sociaal Economische Raad een advies uitbrengen. Daarin wordt de huidige praktijk van het grotestedenbeleid getoetst aan het advies Samen voor de stad, dat de SER in maart 1998 opstelde. De heer Sas heeft een aantal problemen opgesomd, waarmee kleinere steden te maken hebben. Deels zijn die vergelijkbaar met de grootstedelijke problemen, deels zijn ze er een gevolg van. Ik begrijp zijn zorgen over de vitaliteit van kleinere gemeenten en dorpen en vind mét hem dat die moet worden gewaarborgd en versterkt. Regionale samenwerking is een middel om dat te bereiken. Verder wijs ik u erop dat mijn collega van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op grond van het regeerakkoord speciaal belast is met deze problematiek, onder de noemer plattelandsvernieuwing.
Ook maak ik u attent op het Bestuursakkoord nieuwe stijl. In het kader van dit akkoord worden momenteel verspreid over het land dertien pilots uitgevoerd. Op grond van de resultaten van de pilots zal beoordeeld worden of we regelgeving moeten aanpassen of misschien andere belemmeringen van rijkswege kunnen wegnemen. Dames en heren,
De heer Sas signaleert problemen van kleinere steden, die voor een deel vergelijkbaar zijn met, of een gevolg zijn van, de grootstedelijke problemen. Regionale samenwerking is meer dan alleen het meehelpen oplossen van problemen van de grote stad door omliggende gemeenten. Als ik zeg dat samenwerking een wederzijds belang dient, dan denk ik ook aan de voordelen voor kleinere steden, die de ligging in de nabijheid van een grote stad biedt. Ik denk aan de sociale en culturele voorzieningen van de stad, waar ook de burgers van de omliggende gemeenten van profiteren. Ik denk bijvoorbeeld ook aan een extra kwaliteitsimpuls voor het ommeland op het gebied van groen en blauw en aan investeringen in infrastructuur voor verkeer en vervoer, die niet alleen tegemoet komt aan de behoefte van de inwoners van de centrumstad. Regionale samenwerking betekent ook dat er afspraken worden gemaakt over het in stand houden en versterken van die samenwerking. Waar wij naar streven is een vrijwillige, maar geen vrijblijvende samenwerking tussen stad en ommeland. Bij de uitwerking van de nationale en regionale stedelijke netwerken uit de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening zal de niet-vrijblijvende samenwerking in grootstedelijke gebieden een goede invulling moeten krijgen, met een herkenbare positie van de grote steden. Daarbij is het van belang om te komen tot een heldere scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen het Rijk en de decentrale overheden.
De discussie hierover is momenteel nadrukkelijk aan de orde. We zijn immers bezig om de lijnen uit te zetten voor een adequate voortzetting van de intergemeentelijke samenwerking na de formele beëindiging van de Kaderwet bestuur in verandering. Ook na 2003 zal niet-vrijblijvende samenwerking in grootstedelijke gebieden in enige vorm mogelijk moeten worden gemaakt. In de komende periode wordt bezien op welke wijze en in welke stedelijke gebieden een dergelijke vorm van niet-vrijblijvende samenwerking wettelijk wordt gefaciliteerd. Inzet is een zoveel mogelijk integrale taaktoedeling op tenminste het ruimtelijk terrein. Het Nationaal Verkeers- en Vervoersplan (NVVP) zal ook bij deze discussie worden betrokken; dat voorziet in decentralisatie naar provincies en kaderwetgebieden van de middelen voor verkeer- en vervoerinfrastructuur. Een dergelijke samenwerking geeft ook omliggende gemeenten de kans direct bij belangrijke beslissingen betrokken te zijn en daar invloed op uit te oefenen. De provincie ligt wat dat betreft toch weer een stukje verder weg. Ik voeg hier overigens aan toe dat de Deltametropool, gezien de kleinere regionale schaal van de meeste problemen, niet de geëigende schaal en bestuursstructuur is voor de toedeling van middelen en bevoegdheden.
Dames en heren,
Regionale samenwerking gaat dus zowel over problemen als over kansen. Centrumstad en ommeland hebben elkaar nodig en kunnen elkaar versterken. Mét u zie ik de noodzaak voor een regionale inbedding van het grotestedenbeleid. Dat zal dan ook een belangrijk punt zijn op de GSB-agenda voor de komende periode. De Franse historicus Fernand Braudel zei ooit: "Er is geen stad zonder achterland." Dat zeg ik hem graag na.
Ik dank u voor uw aandacht.
Alleen het gesproken woord geldt

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie